***************QUERY***************************************** hitler OR nsb OR joden OR landverrader OR collaboratie ****************ON DATABASE*********************************** /db/nlparliament/data/HAN1995/ ************************************************************** date;speakername;speakerid;speaker-party;speechdocno;title of debat;number of characters of speech;number of paragraphs of speech; text of speech 1996-02-27;Middel;02987;PvdA;h-tk-19961997-4133-4163.1.3.1;"Particuliere beveiligingsorganisaties ";3054;3;"Voorzitter! Het heeft heel lang geduurd, maar het is er toch van gekomen: er ligt nu een wetsvoorstel. Wij hebben het tientallen jaren moeten doen, tot 1991, met een wet van voor de oorlog die ooit bedoeld was om de geüniformeerde NSB van de straat te houden. Er kwam een wetswijziging in 1991 met de toezegging van de toenmalige minister Hirsch Ballin dat er zo snel mogelijk een echte wet zou komen. Het is nu 1997; nu is die wet er. Dat is mooi, maar het heeft te lang geduurd, want een wettelijke regeling voor de particuliere beveiliging en de recherchebureaus is absoluut noodzakelijk, alleen al gezien de ontwikkeling binnen deze branche. Er werken nu 16.000 mensen in loondienst in de particuliere beveiligingsbranche. Ik wil beginnen met de constatering dat het naar onze mening voor een groot deel aan de brancheorganisatie is te danken dat wildgroei tot nu toe is voorkomen, want er was veel niet of half geregeld. Er is een brancheorganisatie gekomen, de VPB, die een aantal zaken goed heeft opgepakt en aangepakt. Ik hoop dat men daarmee doorgaat, maar dat neemt natuurlijk niet weg dat een wettelijk kader met duidelijke wettelijke normering in onze ogen noodzakelijk is. Het zegt tegelijkertijd iets – de medaille heeft twee kanten – over het zelfregulerend vermogen van de branche. Het imago van de particuliere beveiligingsorganisaties is de laatste jaren bijgesteld, ook dankzij de brancheorganisatie. Het is niet meer zo dat een paar stevig gebouwde sportschooljongens er wel even een klusje bij kunnen doen en zichzelf particuliere beveiligers noemen. Dat is wel de praktijk geweest, helaas. U kent misschien wijlen de heren Jacobse en Van Es uit Den Haag. Zulke types zag je toch veelvuldig optreden onder de noemer \"particuliere beveiliging\" met een heel eigen invulling van dat begrip. Die tijd is voorbij, Toetanchamon bestaat niet meer. Benadrukt moet worden dat de particuliere beveiliging een serieuze bedrijfstak is geworden. Dat straalt zij ook uit. Het verschijnsel zelf vereist nog een paar kanttekeningen. De samenleving heeft blijkbaar behoefte aan particuliere beveiligers. Om in het hedendaagse jargon te spreken: er is een markt voor, er is vraag naar. Daar moet je natuurlijk rekening mee houden, maar tegelijkertijd moet je constateren dat het er ook iets over zegt hoe de samenleving er op dit moment uitziet. De opkomst van de particuliere beveiligingsorganisaties kan helaas ook worden geplaatst tegen de achtergrond van de tweedeling in de samenleving. Sommige mensen krijgen het steeds beter, worden steeds rijker en enkele van hen hebben ook de neiging om die rijkdom op een protserige manier te tonen, terwijl anderen het steeds slechter krijgen. Juist degenen die het steeds beter krijgen en hun rijkdom tonen, willen tegelijkertijd dat anderen met hun handen van die rijkdom afblijven. Die willen anderen er ook de ogen mee uitsteken. Die hebben dus particuliere beveiligers nodig om hun bezit te beschermen. Zo zie je dat buurtbewoners in Wassenaar particuliere beveiligers inschakelen om te patrouilleren." 1996-09-17;Leerkes;02527;Unie 55+;h-tk-19961997-12-87.1.14.1;"Algemene politieke beschouwingen ";10096;12;"Mijnheer de voorzitter! Als bijna-hekkensluiter wordt het een papegaaiachtig verhaal als je van tevoren alles precies op papier zet, want bijna alles is al gezegd. Vanmorgen kwam er een allercharmantste dame op de fractiekamer vragen of zij mijn bijdrage van vanavond mocht meenemen. Toen zei ik: \"Nee, dat mag u niet, want dat ben ik niet gewend.\" Wat ik zeggen wil, zit een beetje tussen mijn oren, behoudens een aantal aandachtspunten. Alles is immers al gezegd en ik moet een beetje aansluiten bij de sprekers die vóór mij hebben gesproken. Wij hebben twee jaar paars achter de rug. Ik heb veel contacten met mensen in het land, ook – als ik dat zo zeggen mag – onder het gewone volk en velen hebben bij het aantreden van het kabinet gezegd dat het geen stand zou houden en dat dat nest snel onder de boom zou liggen. Zij zeiden: \"Hoe kan dat nou: de socialisten en de liberalen in één kabinet? Dat lukt niet en dat is zo voorbij.\" Er waren zelfs sterrenkijkers die bij Kerstmis in 1994 voorspelden dat het kabinet drie maanden later onder de boom zou liggen. Niets is minder waar. Het kabinet zit nog stevig in het zadel en bij de jongste Prinsjesdag hebben wij op het Binnenhof een schitterend spektakel gezien. Alles werd begeleid door een prachtige zon; Hare Majesteit droeg een bijna-paarse jurk en las voor, zoals Wim Kan het noemde, uit een verhaal van een ander. Alles was roze. Ik dacht die middag dat wij allemaal op een roze wolk zaten en dat wij zo de 21ste, \"nieuwe gouden eeuw\" in zouden gaan. Zo leek het allemaal. Ik hoorde dat het nu goed gaat met de economie en de werkgelegenheid. Toch blijven er zeer grote zorgen. Dat hoor ik hier van alle kanten. Er valt niet te ontkennen dat er een tweedeling in de samenleving blijft bestaan. Net als mevrouw Nijpels en de heer Marijnissen verwijs ik naar de bisschop die voorzitter is van de commissie Kerk en samenleving en die heeft gezegd dat het helemaal niet goed gaat: de armoede neemt toe en dat is een bedreiging voor de samenleving. Dat weten wij dus: armoede is een bedreiging voor de samenleving. Armoede roept op tot opstand, anarchie en alles wat wij niet willen. Wij moeten die armoede dus bestrijden. Ik vraag de minister-president daarom wat hij ervan vindt om datgene te doen wat die bisschop vraagt en om het thema armoedebestrijding het volgend jaar hoog op de agenda te plaatsen. In het rapport van het Sociaal en cultureel planbureau wordt melding gemaakt van militante, ontevreden ouderen. Ik heb bij mijn aantreden gezegd dat wij een soort gerontoprovo's zijn. Dat was misschien enigszins oneerbiedig, maar zo voelde ik mij wel. Als eerste generatie kwamen wij in opstand tegen datgene wat wij niet wilden. Wij wilden niet terzijde geschoven worden in de samenleving en dat gebeurde in steeds grotere mate. De minister van VWS zal het met mij eens zijn dat er geen natuurlijke selectie meer is. In de landen van de derde wereld worden de mensen gemiddeld niet ouder dan 30 jaar. Malaria, tyfus en cholera zijn de natuurlijke opruimers van heel veel mensen. Vóór de oorlog was dat bij ons tuberculose. De gemiddelde leeftijd lag rond de 35 of 40 jaar. Die natuurlijke selectie kennen wij hier niet. Wij peppen mensen op met penicilline, operaties, bypasses en noem maar op. De mensen bereiken een zeer hoge leeftijd. In de komende decennia zullen wij het dubbele aantal aan ouderen hebben dan nu het geval is. Wij kunnen daar een beetje om lachen, maar dit zal het grote probleem zijn van de komende decennia. Ik heb er al eerder op gewezen. Prof. Ferguson uit Engeland heeft, sprekend op een congres over dit thema, gezegd dat de vergrijzing van de bevolking in de geïndustrialiseerde gebieden van de wereld een van de meest markante problemen zal zijn aan het einde van deze eeuw. Als men goed gekeken heeft, heeft men op Prinsjesdag een Japans camerateam gezien. Die kwamen eens kijken wat wij hier aan het doen zijn met de ouderen. In Japan is het probleem immers, zo hoorde ik, nog veel en veel groter. Het kabinet heeft wat vertrouwen verloren in de ouderen. Dat vertrouwen moeten wij zien terug te winnen. Er is lang over de AOW gepraat. De heer Wallage – ik zie hem nu niet meer – heeft een jaar geleden gezegd dat er een brede maatschappelijke discussie moet komen over de AOW. Welnu, aanvankelijk is het een brede maatschappelijke spraakverwarring geweest. De heer Linschoten zei een jaar geleden dat er tot het jaar 2015 geen enkel probleem is en dat wij vervolgens toe kunnen met een kleine verhoging van de premie. Anderen zeiden dat de AOW onbetaalbaar was. De Sociale verzekeringsbank schreef nog kortgeleden dat er niets aan de hand is met de AOW en dat het allemaal kan. Ik prijs mij dus gelukkig dat het kabinet nu zegt een voorstel aan te zullen dragen om te komen tot een goede, algemene voorziening voor de oude dag, niet afhankelijk van economische ontwikkelingen. Het zou dan immers een gejojo worden. Ik heb vanmiddag al gezegd dat het met de economie gaat van: \"Jantje lacht, Jantje huilt\". Misschien dat wij na deze Prinsjesdag, na een maand of drie, vier, wanneer ergens in Azië of het Midden-Oosten een oliekraan dichtgedraaid wordt, weer in de miserie zitten. Dat weten wij allemaal niet. De economie kan zo weer instorten. Ik heb dat in mijn lange leven zo vaak gezien. Het is net een koortscurve. In het voorjaar was er nog een dip. Nu is er een top. De AOW ophangen aan de ontwikkeling van de economie lijkt mij dus gevaarlijk en ik ben blij dat het kabinet daarvan afscheid heeft genomen. Ik wil toch even het punt van de gezondheidszorg aanroeren. Wij hebben een ijzersterke minister van Volksgezondheid. Wij zijn daar heel blij mee. Ik weet ook wel dat zij gehouden is een regeerakkoord uit te voeren. Toch moet er wat meer geld in de gezondheidszorg gestopt worden. Bij een aantal dingen moet ik haar prijzen. Zij was het met ons eens dat er absoluut geen sprake mag zijn van economische gezondheidszorg. De heer Bolkestein steunt poliklinieken voor het bedrijfsleven. Voor de economie is dat natuurlijk heel goed. Hij raakt zo wel aan de kern van de gezondheidszorg die voor iedereen toegankelijk moet zijn en waar bij de wachtlijsten niemand mag voorkruipen. Dit laatste in tegenstelling tot bij de kassa van de supermarkt. Daar kun je het proberen! De heer Rosenmöller heeft vandaag de efficiency in de gezondheidszorg naar voren gebracht. Daar zou ik in december graag met de minister over willen praten. Er zijn mensen geweest in mijn regio die mij vertelden lid te zijn van een ziekenfonds en die aan mij vroegen om te gaan kijken wat voor een gebouw er is neergezet voor de zorgverzekeraars. Ga eens kijken wat zij met ons geld gedaan hebben! Er staat een gigantisch gebouw. Bijna opgetrokken uit marmer. Ik vraag mij af of dit zo allemaal moest gebeuren. Zo zit er ongelofelijk veel mis in de gezondheidszorg. Ik heb met de minister van Volksgezondheid al eens gesproken over de vraag of wij de werkers in de gezondheidszorg niet moeten weghalen bij de kassa. Zou dat een oplossing zijn? Men zit allemaal bij de kassa. Er zijn problemen met de fysiotherapie, de psychotherapie en de chirurgen. Iedereen zit bij de kassa en kan bijna het eigen inkomen bepalen. Dit is misschien een thema om, samen met het efficiënt werken in de gezondheidszorg, aan te snijden. Prof. Smalhout heeft eens gezegd dat de heilloze fusies van ziekenhuizen in ons land hier en daar de bedprijzen opgedreven hebben tot ƒ 1100 à ƒ 1200 per dag. Voorzitter! Ik kom over de wachtlijsten te spreken. Het is een heel oud thema, waarover al veel is gezegd. Er moeten helemaal geen wachtlijsten zijn. Wij hebben grote wachtlijsten in de hartchirurgie, de orthopeed, de oogarts, enz. Het is een bedroevende ontwikkeling dat in een medisch hoogontwikkeld land als Nederland lange wachtlijsten bestaan. Wij zijn ook daarom voorstander van budgetstijging. Voorzitter! Ik kom te spreken over een punt dat mij toch zorgen baart. Ik heb een week geleden een documentaire op de televisie gezien, waaruit blijkt dat in Nederland de totale horeca in de grote steden door de maffia wordt bedreigd. Die mensen wordt veiligheid voor veel geld aangeboden. Zij zijn bang en durven het niet te zeggen. Ik heb mensen in de horeca gesproken en zij hebben mij verteld dat het inderdaad het geval is. Het gaat om gewone horecabedrijven, geen grote hotels. Het gaat om kleine bedrijven in middelgrote en grote steden. Ik vind dat bedreigend. Wat is het antwoord van dit kabinet en hoe wil het die maffia effectief bestrijden? Wij hebben in de samenleving met fraude op alle fronten te maken. Ik heb een verslag over fraude aan de top van de samenleving. Wat doet de regering om dit tegen te gaan? De hoogleraar in de rechtswetenschappen mr.drs. Degenkamp schrijft in een artikel in de Haagsche Courant van 12 september jl.: Laat die rijke uitvreters maar emigreren als zij niet willen betalen. Hij bedoelt dat die mensen naar het buitenland vertrekken met zeer geslepen methodes om zich op die manier te onttrekken aan het hier belasting betalen. Ik heb er weinig verstand van; ik ben misschien financieel een beetje een onbenul. Ik mag op z'n minst vragen of de regering hieraan aandacht wil besteden. De minister van Buitenlandse Zaken is altijd druk. Ik kan mij dat voorstellen. Nederland is klein en wij hebben een heel groot buitenland. Wij hebben in de loop van de geschiedenis gezien, vanaf de Romeinen, Karel de Grote, Philips II, Napoleon Bonaparte, Adolf Hitler, dat men altijd probeert Europa met geweld tot eenheid te brengen. Dat is nooit gelukt. Wij doen het nu op een wat vreedzamer manier. Nu lopen wij weer op tegen een paar grootmachten – Frankrijk en Duitsland – die ons, de kleine jongetjes, toch een klein beetje onder de duim willen houden. Ik heb de minister van Buitenlandse Zaken eens horen zeggen: zou het niet goed zijn om die Benelux wat nieuw leven in te blazen? Misschien moeten wij de kleine Scandinavische landen ook voor iets dergelijks uitnodigen. Op die manier kan een beetje weerwerk worden geboden tegen de grote in Europa. Voorzitter! Ik wens de regering nog twee jaar alle succes." 1996-10-08;Rehwinkel;02567;PvdA;h-tk-19961997-779-813.1.4.13;"Binnenlandse Zaken ";10182;15;"Laten wij die schriftlezing vooral wel toepassen. Dan blijkt het allemaal mee te vallen. Nogmaals, voorzitter, ik zeg dit niet alleen in de richting van de bewindslieden. Minister Dijkstal is tenminste voluit bereid gebleken om de afspraken in het regeerakkoord over het referendum na te komen. Zijn partijgenoten in de Tweede Kamer kostte het meer moeite om zich over hun aarzelingen heen te zetten, laat staan zijn partijgenoten in de Eerste Kamer. Met het CDA is wel te praten over de invoering van wat wij vaak noemen het Duitse kiesstelsel, met de VVD helaas niet. Paars lijkt, als het om staatkundige vernieuwing gaat, niet tot glanzend resultaat te kunnen komen. Toch moeten wij blijven proberen elkaar met kracht van argument te overtuigen. Ik wil vandaag een poging wagen ten aanzien van het kiesrecht voor niet-Nederlanders. VVD-leider Bolkestein heeft in het verleden terecht gewezen op het belang van integratie van allochtonen in de Nederlandse samenleving. Onlangs las ik zijn dit jaar verschenen boek \"Moslim in de polder\". Daarin definieert de heer Bolkestein integratie als \"het proces dat iedere burger, iedere ingezetene de mogelijkheid geeft op dezelfde manier deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer\". Dat is een definitie waar ook mijn fractie goed mee uit de voeten kan. Maar dan kom ik bij het kiesrecht voor niet-Nederlanders. Waarom voelt de VVD er niet voor – en dan heb ik het helaas ook over VVD-minister Dijkstal – om dat kiesrecht uit te breiden tot provinciale staten en eventueel later de Tweede Kamer? Dan kán in een concreet geval – ik herhaal de woorden van de heer Bolkestein – iedere burger, iedere ingezetene de mogelijkheid worden gegeven op dezelfde manier deel te nemen aan het maatschappelijk verkeer, maar geeft de VVD niet thuis. Deze week zal de Kamer een initiatiefwetsvoorstel over het kiesrecht voor niet-Nederlanders in behandeling nemen dat mijn fractie samen met D66 en GroenLinks heeft ingediend. Ik hoop dat VVD en ook CDA zich willen láten overtuigen, net als in de jaren zeventig ten aanzien van het kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen is gebeurd. Mijn fractie vindt het van het grootste belang dat allochtone, maar ook autochtone inwoners van dit land zoveel mogelijk het gevoel hebben mee te tellen, er bij te horen. Dat kweekt verantwoordelijkheidsbesef, dan wordt samenleven mogelijk. Mensen mogen soms het gevoel hebben er niet bij te horen; het wordt hun ook gezegd, met geweld zelfs kenbaar gemaakt. Vorige week is CP'86 door de Hoge Raad veroordeeld wegens belediging, aanzet tot rassenhaat en deelneming aan een criminele organisatie. Samen met de collega's Koekkoek, De Graaf en Oedayraj Singh Varma heb ik daarover schriftelijke vragen gesteld. Eerder vond een veroordeling in hoogste rechterlijke instantie al ten aanzien van de CD plaats. Reeds naar aanleiding van dat arrest werd de regering gevraagd in welk geval naar haar mening tot het verbieden en ontbinden van een politieke partij moet worden overgegaan. Die mogelijkheid is uitdrukkelijk in het Burgerlijk Wetboek opgenomen, al lijkt dat wel eens over het hoofd te worden gezien. Mijn fractie kreeg destijds als antwoord dat een vordering tot verbodenverklaring en ontbinding van een politieke partij zal worden ingesteld bij een stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het democratisch proces. Dit criterium – stelselmatige, zeer ernstige verstoring van het democratisch proces – verschilt volstrekt van het eind jaren tachtig door minister Korthals Altes geformuleerde beleid. In het verleden zijn in ons land de NSB, de NESB en de Nederlandse Volksunie verboden. Dit kabinet lijkt de grenzen voor het verbieden en ontbinden van politieke partijen telkens te verleggen. Hoeveel gele kaarten moeten er worden getrokken voordat de rode eens wordt uitgedeeld, is de simpele vraag die ik aan de minister stel. Ik wil het ook wel anders zeggen: hoeveel vragen moeten hier nog worden gesteld, voordat er een keer écht antwoord komt? De vorige week is een boek verschenen met de titel \"Een zoektocht naar Turks extreem rechts\". De schrijvers beweren dat we een blinde vlek hebben als het gaat om de aanhang van Turkse fundamentalisten en ultranationalisten in ons land. In reactie op de verschijning van het boek is gezegd dat de BVD te veel aan de leiband van de Turkse geheime dienst zou lopen, maar bronnen binnen de inlichtingendienst melden weer dat de invloed van extreem rechts onder Turken in Nederland sterk wordt overtrokken. Het enige wat over die invloed duidelijk is, is dus dat er weinig duidelijk is. Ik verzoek de minister van Binnenlandse Zaken die duidelijkheid te bieden en ook in te gaan op subsidieverstrekking van gemeenten aan organisaties die zouden worden beheerst door de Grijze Wolven. Voorzitter! De resultaten van het grotestedenbeleid beginnen goed zichtbaar te worden. Toch hebben wij gezamenlijk moeten ervaren dat het van de grond krijgen van een geïntegreerd beleid voor de grote steden moeilijker was dan gedacht. Afstemming van beleid tussen verschillende ministeries blijkt telkens weer een moeilijke opgave. De figuur van een projectbewindspersoon is in het leven geroepen om binnen een kabinetsperiode aanzienlijk resultaat te bereiken. Wij moeten ons afvragen of staatssecretaris Kohnstamm dát is gelukt, waarbij ik absoluut niet een persoonlijk verwijt wil maken, want bij de sociale vernieuwing heeft wijlen minister Dales soortgelijke ervaringen opgedaan. In zijn huidige vorm heeft de projectbewindspersoon onvoldoende ruimte om werkelijk coördinerend te kunnen optreden. In plaats van voluit leiding te kunnen geven aan het project moet eerst een bedeltocht langs collega's worden gemaakt. Twee jaar geleden citeerde ik staatssecretaris Kohnstamm al bij de behandeling van de begroting van Algemene Zaken: \"Ik zit met een probleem. Dat probleem heet het regeerakkoord. Daarin staat niet: er zal geld voor het grotestedenbeleid worden vrijgemaakt. Er staat: het grotestedenbeleid moet mogelijk worden gemaakt door herschikking van de financiële middelen van het kabinet. Met andere woorden, de collega's moeten me dat gunnen.\" Voorzitter! Mijn fractie wil niet dat in bijvoorbeeld de volgende kabinetsperiode een projectbewindspersoon op dezelfde manier een ongeplaveid pad wordt opgestuurd. De vraag is echter hoe het succes van projecten als het grotestedenbeleid kan worden vergroot. Uit verschillende hoeken zijn vergaande oplossingen gesuggereerd om het probleem van interdepartementale coördinatie het hoofd te bieden, zoals de vorming van een kernkabinet en een omvangrijke departementale samenvoeging. Voorzitter! Ten aanzien van een kernkabinet kennen wij forse aarzelingen. In het samenvoegen van bijvoorbeeld de ministeries van Binnenlandse Zaken en Justitie zien wij helemaal niets. Eerder zouden wij er voorstander van zijn om de projectbewindspersoon beter te bewerktuigen, zodat de problemen waar minister Dales en staatssecretaris Kohnstamm tegenop zijn gelopen, het hoofd kan worden geboden. Wij denken ten eerste dat een projectbewindspersoon zou moeten beschikken over voldoende eigen financiële middelen. In plaats van de hand bij collega's te moeten ophouden, dient hij van meet af aan op gelijkwaardige voet met ze te kunnen verkeren. Ten tweede denken wij dat de status van een project als prioriteit van het gehele kabinet beter zichtbaar moet kunnen worden gemaakt. Dat kan wellicht door een minister in plaats van een staatssecretaris verantwoordelijk te stellen, maar we dienen ons te realiseren dat ministers al veel aan hun hoofd hebben. Stel dat bijvoorbeeld minister Dijkstal ook nog eens het grotestedenbeleid op poten had moeten zetten. Als een kabinet een paradepaardje goed wil laten draven, is het mijns inziens in veel gevallen genoodzaakt te kiezen voor een staatssecretaris als zijn berijder. Een mogelijkheid zou vervolgens wel zijn om een projectstaatssecretaris bij het ministerie van Algemene Zaken onder te brengen. Uitvoering van projecten met de hoogste prioriteit van een kabinet mag niet verzanden in partijpolitieke tegenstellingen of belangenconflicten tussen departementen. De nabijheid van de minister-president, die geacht wordt boven de partijen te staan, kan de positie van de projectstaatssecretaris versterken. Norbert Schmelzer trad in het kabinet-De Quay op als staatssecretaris van Algemene Zaken, belast met de bezitsvorming en de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie. Mijn fractie meent bepaald niet dat op Algemene Zaken maar alvast een kamer moet worden leeggeruimd, maar vindt de gedachte van een projectstaatssecretaris op dat ministerie wel de moeite van verdere verkenning waard. Aan de regering wil ik heel concreet vragen: welke oplossing ziet u voor de problemen waar staatssecretaris Kohnstamm en minister Dales mee zijn geconfronteerd en waar zij ook in het openbaar over hebben gesproken? Op welke wijze zou wat u betreft de bestuurlijke verantwoordelijkheid voor het grotestedenbeleid in de volgende kabinetsperiode moeten worden vormgegeven? Zijn er beleidsterreinen die in de volgende periode eenzelfde prioriteit als het grotestedenbeleid nu moeten krijgen? Enigszins plagerig zeg ik ervan uit te gaan dat u op deze vragen een antwoord paraat hebt. Van de Raad voor het openbaar bestuur vernamen wij namelijk dat advisering ten aanzien van de organisatiestructuur van de rijksoverheid – waaronder het verschijnsel projectbewindspersoon – door het ministerie uit het werkprogramma van de ROB is geschrapt. Het antwoord had u kennelijk toen al paraat! De bewindslieden van het ministerie van Binnenlandse Zaken zullen binnenkort alleen nog maar zwaarder worden belast, als het kabinet voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken een vaste plaats bij dit ministerie heeft gekregen. Deze extra belasting moet niet worden onderschat. Wij herinneren ons de uitspraak van minister Voorhoeve dat hij drie dagen per week aan de overzeese gebiedsdelen besteedt. Ook daarom, voorzitter, hebben wij met enige verbazing kennisgenomen van de vriendelijke gedachtewisseling tussen VVD-collega Remkes en staatssecretaris Kohnstamm. De boodschap van Remkes was eigenlijk: beste Jacob, je bent in de volgende kabinetsperiode overbodig." 1996-11-26;Stellingwerf;02544;RPF;h-tk-19961997-2276-2299.1.6.1;"Allochtone levende talen ";5745;9;"Mevrouw de voorzitter! Ik mag deze bijdrage mede namens de fractie van de SGP uitspreken. Voorzitter! De in deze kabinetsperiode uitgebrachte Cultuurnota is getiteld \"Pantser of ruggengraat\". In deze nota wordt met betrekking tot de functie van cultuur een duidelijke keuze gemaakt. De in de nota verwoorden gedachte is dat cultuur nooit als pantser mag functioneren, maar veel meer moet werken als ruggengraat. In een pluriforme samenleving als de onze is het van belang dat minderheden zich niet afschermen van de rest van de samenleving, zich dus verschuilen achter een pantser, maar het zelfvertrouwen hebben om te integreren met behoud van de eigen identiteit. Wat dat betreft heeft Nederland een lange traditie. Ons land is altijd een land van minderheden geweest en heeft in het verleden vaker te maken gehad met immigratie – ik denk aan de Hugenoten en de Portugese joden – zonder dat daarbij nieuwe en oude minderheden via de culturele smeltkroes een eenheidsworst werden. Er is in Nederland altijd ruimte geweest voor beleving van de eigen identiteit. In die zin betekent integratie niet dat minderheden zich moeten conformeren aan de meerderheid en dat een pluriforme en kleurrijke samenleving steeds grijzer wordt. Voorwaarde is daarbij altijd wél geweest dat men zich voegde naar de hier geldende rechtsorde. Toch moeten we ook op dit terrein goed onderscheiden wat de verantwoordelijkheden zijn van de overheid, van de ouders of organisaties van ouders dan wel hun vertegenwoordigende organen, en van de scholen. Is het in het kader van het OETC zo dat het onderwijs vooral plaatsvindt met het oog op terugkeer naar het land van herkomst, het wetsvoorstel OALT is vooral gericht op de integratie in de Nederlandse samenleving. Uiteraard zal niemand daar tegen zijn maar het is dan nog wel de vraag of het ook op de langere termijn op deze manier moet en, zo ja, hoelang dat dan nog op deze manier moet. Bovendien, wie dient voor die activiteit ten principale, ook in financiële zin, de verantwoordelijkheid te dragen en hoe wordt een en ander vorm gegeven? Voorzitter! De fracties van RPF en SGP zien op dit terrein toch vooral particuliere verantwoordelijkheden liggen. De overheid dient hier terughoudendheid te betrachten. Wij vinden de verschuiving van de bevoegdheden van Rijk naar gemeenten een goede ontwikkeling. Ook het feit dat het cultuuronderwijs in de Nederlandse taal dient plaats te vinden, achten wij van belang. Dit zou wat ons betreft ook expliciet in dit wetsvoorstel dienen te worden geformuleerd. Wij kunnen ons dan ook vinden in het amendement op dit punt van collega Cornielje. Bovendien acht onze fractie het een vooruitgang dat het onderwijs in allochtone levende talen buiten het curriculum wordt geplaatst. In het kader van het tegengaan van onderwijsachterstanden valt het moeilijk te verdedigen dat allochtone kinderen andere lessen missen wanneer zij onderwijs in de eigen taal volgen. Een en ander betekent wel dat van de betrokken ouders, leerlingen en scholen een extra inspanning wordt gevraagd. Dit lijkt ons, gezien het aanvullend karakter van deze vorm van onderwijs, overigens volstrekt terecht. Op die manier kan ook daadwerkelijk blijken hoe groot de betrokkenheid is van de verschillende minderheidsgroepen. De fracties van RPF en SGP waarderen het positief dat gemeenten de mogelijkheid hebben om de OALT-middelen in te zetten voor het onderwijsachterstandsbeleid, maar vragen zich af of het niet beter was geweest hiervoor ook meer principieel te kiezen. In de nota naar aanleiding van het verslag antwoordt de staatssecretaris op vragen van mijn fractie dat OALT ten principale een tijdelijke voorziening is; ik verwijs naar bladzijde 4. Onze fracties stellen zich voor dat op termijn ook nieuwe inzichten met betrekking tot onderwijsachterstanden, taalontwikkeling en integratie OALT in een ander licht kunnen plaatsen. Daarmee zijn we weer terug bij de visie op de onderscheiden verantwoordelijkheden, namelijk die van de verschillende overheden, van de school en van de ouders. Onze fracties zijn van mening dat de verantwoordelijkheden voor eigen taal en cultuur in beginsel bij de ouders dienen te liggen. Daarom is het van groot belang dat we in dezen de vinger aan de pols houden en dat er een evaluatie van deze wet plaats vindt. Wij kunnen ons dan ook vinden in het amendement van collega Lambrechts terzake. De vraag is wel of met de periode van vijf jaar niet achter de feiten wordt aangelopen. Dan is er immers net weer een plan in de diverse gemeenten vastgesteld. Een andere vraag is in hoeverre er landelijk inzicht blijft bestaan in de manier waarop de verschillende gemeenten dit beleid vorm geven. Er is gemeentelijke vrijheid, maar tegelijkertijd kan ik me voorstellen dat de verschillende gemeentelijke keuzen tot nogal verschillende uitkomsten leiden. Gemeenten zullen, zo neem ik aan, gebruik willen maken van inzichten en ervaringen van andere gemeenten. Decentralisatie heeft als voordeel dat maatwerk mogelijk is, maar het gevaar van onoverzichtelijkheid dreigt ook. In hoeverre is dit te ondervangen? Ik kan me voorstellen dat bovengemeentelijke coördinatie gewenst is, zodat bijvoorbeeld het aanbod kan worden verbreed en ouders beter kunnen worden geïnformeerd. Hoe moet hiermee naar het oordeel van de staatssecretaris worden omgegaan? Is hier sprake van een taak voor de VNG? Voorzitter! Onze fracties hebben waardering voor de lijn die in dit wetsvoorstel is neergelegd. Wij vinden de ontwikkelingsrichting een goede. Daarnaast hebben wij, in relatie met de verschillende verantwoordelijkheden, duidelijk gemaakt dat er wat ons betreft op termijn kan worden gedacht aan een voortgaand proces opdat er meer verantwoordelijkheid komt te liggen bij de ouders." 1997-03-04;Bolkestein;02604;VVD;h-tk-19961997-4184-4249.1.15.1;"Uitbreiding NAVO ";3108;11;"Voorzitter! Ik geef onmiddellijk toe dat deze zaak er niet een van wit of zwart of – in de woorden van de minister van Buitenlandse Zaken – van welles-nietes is. Er zijn best argumenten te vinden die voor uitbreiding van de NAVO pleiten. Ik noem er twee. Ten eerste het argument van de gewekte verwachtingen. Die zijn er, vooral in Polen. Het Poolse wantrouwen jegens Rusland is natuurlijk meer dan gerechtvaardigd. De gehele 19de eeuw werd het grootste deel van Polen door de Russen bezet en in 1939 verdeelden Hitler en Stalin het land heimelijk. Aan die gevoelens mag niet licht worden getild. Het tweede argument voor uitbreiding betreft onze verhouding tot de Verenigde Staten. Het is belangrijk dat de VS gemoeid blijven bij de zaken van dit continent; zie Bosnië. Daarom – aldus dit tweede argument – moeten wij ons schikken naar Amerikaans leiderschap, ook al heeft dat leiderschap een grote binnenlandspolitieke achtergrond. De Amerikanen zetten de toon in de NAVO, niet in de Europese Unie. Daarom willen zij dat de NAVO-uitbreiding vooruitloopt op die van de Unie. Wie voorrang geeft aan Amerikaans leiderschap – aldus nog steeds dit tweede argument – moet dit wel slikken. Wij erkennen de waarde van deze twee argumenten, maar alles afwegende, menen wij toch dat de risico's en de nadelen die ik in eerste termijn naar voren heb gebracht, zwaarder wegen dan de voordelen. Wat dat betreft heeft de regering ons niet – nog niet – kunnen overtuigen. Het verwijt dat de VVD-fractie te laat is, snijdt geen hout. Dat heb ik aangetoond. Ook de minister van Buitenlandse Zaken heeft gezegd dat hij toch – misschien wat later – deze of een soortgelijke brief naar de Kamer had gestuurd. Dan had dit debat ook plaatsgevonden. Het verwijt dat wij te laat zijn, snijdt dus absoluut geen hout. Een ander verwijt snijdt wel hout, namelijk dat de VVD-fractie te vroeg is. Mijn fractie hecht aan een tamelijk strikte interpretatie van het Nederlandse staatsrecht, die luidt dat de regering regeert en de Staten-Generaal controleren. Dat controleren doen de Staten-Generaal achteraf. De Tweede Kamer mag niet op de stoel van de regering gaan zitten. De Kamer mag de regering dus ook geen mandaat geven. Dat is haar taak niet; dat is onze taak niet. Dat geldt zeker voor deze zaak. Er is een onderhandelingsproces gaande waarin de regering naar eigen goeddunken positie moet kiezen, natuurlijk naar de Tweede Kamer geluisterd hebbende. Het is namelijk het goed recht van deze Kamer – en natuurlijk ook van mijn fractie – om haar mening te geven. Vandaar de volgende motie." 1997-03-11;Vrisekoop;02876;D66;h-ek-19961997-862-892.1.8.1;"Defensie/NAVO ";12486;18;"Mijnheer de voorzitter! Excuses dat ik iets te laat was. De fractie van D66 heeft in het kader van de begrotingsbehandeling gekozen voor het thema \"Hulp aan de Russische militairen\". Dat moet gebeuren in het kader van een preventief veiligheids- en vredesbeleid, ter voorkoming van intrastatelijke conflicten met grensoverschrijdende gevolgen, en als essentiële ondersteuning van diplomatieke acties ter vergroting van Ruslands bereidheid om de uitbreiding van de NAVO te accepteren. Defensie kan niet met militaire middelen bijdragen aan dit beleid, maar zou met specifieke middelen en kennis, bijvoorbeeld met de genie, een rol kunnen spelen. Wij moeten de weg op naar een preventief veiligheids- en vredesbeleid. Na het einde van de Koude Oorlog is het defensiebeleid verschoven van een allesoverheersende nadruk op gebiedsverdediging (NAVO) naar andere taken. In de Prioriteitennota worden genoemd: crisisbeheersing, humanitaire operaties, vredesoperaties, vredesondersteunende operaties en wederopbouw. Voor dergelijke operaties konden zowel middelen, soms door andere ministeries, als personeel worden vrijgemaakt. Het defensiepersoneel bleek over een breed front inzetbaar. De door de media gevoede aandacht voor enkele voorvallen, hoe betreurenswaardig ook, mag niet de aandacht afleiden van de vele uiteenlopende maar minder spectaculaire omstandigheden waarin personeel van Defensie op effectieve en bevredigende wijze werd ingezet. Opvallend is dat preventie in het lijstje ontbreekt, terwijl conflictpreventie op termijn bezien veel goedkoper en humaner is dan alle operaties die wachten op het uitbreken van een conflict voordat ze worden ingezet. Dat lijkt onlogisch. Weliswaar is preventie primair een taak van Buitenlandse Zaken, maar dit is een randgebied waar ook voor Defensie een taak ligt. Immers, Defensie is uitvoerder van de preventieve maatregelen. Het gaat om typen activiteiten die qua inhoud lijken op humanitaire hulp, vredesondersteunende operaties en wederopbouw. Het zijn activiteiten waarvoor over een breed front militair en burgerpersoneel kan worden ingezet. Er moet sprake zijn van een vroegtijdige inzet, om erger te voorkomen. Nu is het natuurlijk te veel gevraagd, in alle potentiële conflicthaarden preventief op te treden. Er is een selectie geboden, zowel in geografische zin, als naar de hevigheid en reikwijdte van de gevolgen van een mogelijk conflict. Naar die twee criteria is Rusland het land waar bij uitstek een preventief beleid op dient te worden gericht. Als erfenis van de Koude Oorlog zijn er in dat land nog altijd grote hoeveelheden massavernietigingswapens. De Russische minister van defensie heeft zelf verschillende malen gewaarschuwd voor het mogelijk verlies van controle over de kernwapens. De chemische wapens, biologische wapens en kernwapens zijn nog bij lange na niet vernietigd. Er zijn bovendien een groot aantal kerncentrales, waarvan sommige, zoals die in Moermansk, notoir onveilig zijn. Voeg aan deze zorgelijke situatie een mogelijk binnenstatelijk conflict toe, op gang gebracht door militairen zonder enig perspectief, en men heeft het nieuwe veiligheidsprobleem van Europa in een notendop. Het is een bekend gezegde, dat generaals altijd bezig zijn zich voor te bereiden op de vorige oorlog. Niet alleen generaals, ook politici, ook de media en het grote publiek maken zich hieraan schuldig. Het is ook niet meer dan menselijk om nieuwe waarnemingen te structureren met behulp van overgeleverde kaders. Het tijdig doorzien van nieuwe dreigingen lijkt alleen een enkele Cassandra gegeven. En zij zal zich maar al te vaak van de muur storten, nadat ze tevergeefs getracht heeft in de bureaucratie en publieke opinie van haar tijd aandacht te vragen voor de nieuwe dreiging voor Europa en dus voor Nederland. Zo valt het op, dat onze media meer aandacht vragen voor Srebrenica en de uitbreiding van de NAVO, dan voor de nieuwe dreiging die Rusland vertegenwoordigt. Hier is het land niet nieuw, wel de aard van de dreiging, en dus ook de aard van het meest geschikte antwoord daarop. Hoezeer men de uitbreiding van de NAVO mag ondersteunen, laat men zich geen illusies maken over de relevantie daarvan voor de preventie van die interne conflicten in het nog altijd overbewapende Rusland, die voor Europa een onvoorstelbaar grote bedreiging vormen. Daarvoor is een speciaal preventief veiligheidsbeleid vereist. Ik denk daarbij niet aan preventief ingrijpen, dat kan niet altijd. Daarbij heeft men te maken met soevereiniteit van een staat, steun van een lokale regering of een eventueel mandaat. Preventief beleid daarentegen kan wel: OVSE, humanitaire hulp en economische steun. Mijnheer de voorzitter! Ik kom toe aan mijn tweede punt: acceptatie door Rusland van de NAVO-uitbreiding. Hoezeer het toetreden van Tsjechië, Polen en Hongarije tot de NAVO een gerespecteerde wens is – zij mogen terecht een beroep doen op hun plaats als gelijke partner binnen Europa – een uitbreiding zonder acceptatie door Rusland is riskant. De bereidheid van Rusland om de uitbreiding van de NAVO te accepteren, zal toenemen naarmate duidelijk is dat de NAVO begaan is met het lot van de Russische militairen. Om te begrijpen hoe diep deze gevoeligheden liggen, moet men zich verdiepen in de Russische perceptie van de eigen moderne geschiedenis. De Russische bevolking herinnert zich vanaf de inval van de Tartaren dat het Westen hun christelijke broeder Rusland niet te hulp kwam. Men herinnert zich de vele keren dat men vanuit het Westen werd binnengevallen: door Napoleon, door Hitler, maar ook door de geallieerden aan het einde van de Eerste Wereldoorlog. In de Tweede Wereldoorlog heeft Rusland grote verliezen geleden, en er in een vroeg stadium op aangedrongen dat er een tweede front getrokken zou worden in Normandië. D-Day kwam volgens Rusland twee jaar te laat. Na de Koude Oorlog heeft men zich vrijwillig uit alle bufferzones teruggetrokken, en men krijgt daarvoor als beloning: een uitbreidende NAVO en een vrijwel niet-thuis op vele verzoeken om hulp bij de afbouw van het militaire apparaat en opvang van de militairen. Hier wordt, het zij nogmaals gezegd, niet zozeer een objectieve werkelijkheid geschetst, maar een perceptie van een trots volk dat gekleurd wordt door vernedering en bittere teleurstelling op militair en economisch gebied. Het is die perceptie die voor het Westen een feit is. Vernederde en teleurgestelde leiders, politici en militairen of ex-militairen hebben meer dan eens in de geschiedenis de bron gevormd van nieuwe conflicten. Naar een preventief vredesbeleid voor Rusland. Hoe nu deze weidse analyse te verenigen met de alledaagse werkelijkheid van het begrotingsdebat? Welke concrete beleidsmaatregelen zouden hieruit voort kunnen komen? Welnu, het doet ons genoegen dat de eerste aanzetten ten aanzien van de chemische wapens door een vooruitziende minister al gedaan zijn. De minister heeft zich bereid getoond, Rusland te helpen met de vernietiging van chemische wapens. Mijn fractie krijgt graag meer informatie over de vorderingen daarvan. Mijnheer de voorzitter! Het is bekend dat geslaagde samenwerking met Russen een lange voorfase kent, waarin Russen, in een onwesterse vermenging van het zakelijke en persoonlijke, tijdens lange diners de westerse partner aftasten. Daarvoor is tijd nodig en die moet men de Russen ook gunnen. Is deze voorfase ten aanzien van de chemische wapens al ten einde? Wat is de minister van plan ten aanzien van de biologische en kernwapens? Is het wellicht zinvol om bij degenen die reeds langer ervaring hadden met de typische verschillen tussen de Nederlandse en de Russische cultuur in de leer te gaan over het specifieke van de Russische cultuur? Wij vragen de minister met klem om in deze zaak door te zetten, om geduldig moeilijkheden te overwinnen en om zo sensitief mogelijk te zijn ten opzichte van de wensen van de Russen. De zaak is de moeite meer dan waard. In de Tweede Kamer is een motie aangenomen waarin specifiek aandacht wordt gevraagd voor intensivering van contacten met en hulp aan Russische militairen. Ik heb de tekst ervan voor de volledigheid als bijlage bij mijn tekst gevoegd. Wat is er sindsdien gedaan? Op welke terreinen zou deze hulp zich kunnen richten? Wij denken vooral aan: - huisvesting, een jarenlang geuit verzoek van de Russen, zeer concreet en voor langere tijd; - medische verzorging, een snelle injectie in de gezondheidszorg voor militairen; - omscholing, het bieden van perspectief op middellange termijn. Opnieuw doet zich echter, zoals bij het voorbeeld van de chemische wapens en bij tal van civiele projecten, het probleem voor van de lange voorfase. De problemen zijn echter zo urgent dat een snelle start geboden is. Daarom adviseren wij de minister, zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande Russisch-Nederlandse netwerken. Een vervolgproject dat voort bouwt op wat reeds ergens is bereikt, is aan te raden boven het opnieuw starten daarvan. Samenwerking met gemotiveerde groepen uit de Nederlandse samenleving die beschikken over relevante contacten en ervaring zal wellicht een jaar of twee kunnen schelen. Juist omdat Russen zo lang nodig hebben om een westerling voldoende te vertrouwen om echt zaken met hem te doen, moet men relevante gevallen waarin zo'n vertrouwensbasis al bestaat, koesteren en benutten. Is de minister daartoe bereid? Een tweede vraag is die naar de verhouding tussen de omvang en de uitwerking van dergelijke hulpacties. Gegeven het Russische gevoel voor symboliek is het onjuist, te menen dat alleen grootschalige acties effect kunnen hebben. Kleinschalige projecten, mits de Russen daarbij in hun waarde worden gelaten, kunnen meer effect sorteren dan grootschalige waarbij de Rus het gevoel kan krijgen naar de tweede rang verwezen te worden. Een derde zeer belangrijke vraag ten slotte is die naar de financiële bronnen voor een dergelijke hulpactie. De enige begrotingspost die in het bijzonder geëigend is voor dit doel – begrotingspost 02.14 van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het veiligheidsbeleid in brede zin – is zeer klein. Natuurlijk is het zaak, de omvang hiervan bij de volgende begroting sterk te verhogen. Intussen moet men zich behelpen met het gebruik van in de eerste plaats fondsen voor hulp aan Oost-Europa die primair een ander doel dienen. Gedacht kan worden aan: - het MATRA fonds van Buitenlandse Zaken, gericht op maatschappelijke transformatie, waaruit reeds een succesvol huisvestingsproject voor Russische Militairen is gefinancierd; - het Joint Implementation fonds van Economische Zaken, waaruit energiebesparende huizen gefinancierd zouden kunnen worden; - het PSO fonds van Economische Zaken; - fondsen van ontwikkelingssamenwerking; - en fondsen van Onderwijs en Wetenschappen, voor omscholing en training. In de tweede plaats moet men zich behelpen met defensiefondsen die inhoudelijk geschikt zijn, maar niet specifiek voor Oost-Europa bestemd zijn. Er moet bij incidentele inzet van deze fondsen wel voor worden gewaakt dat dit niet tot het \"wegbezuinigen\" daarvan leidt. Het in een urgent geval inzetten van defensiegelden voor hulpactiviteiten in Rusland is een juiste besteding van die gelden, namelijk aan Europese veiligheid in de ruimste zin. Het betekent niet dat die gelden voor meer traditionele taken in de toekomst kunnen worden gemist, maar dat er momenteel nog belangrijker prioriteiten zijn. In hoeverre heeft de minister deze mogelijke samenwerking met andere ministeries onderzocht en op welke terreinen zijn mogelijkheden ontdekt? Het lijkt niet onbescheiden, op collega's een beroep te doen in een situatie met zo'n urgentie en zo'n relevantie voor de veiligheid als de onderhavige. Mijnheer de voorzitter! De minister staat onder tijdsdruk. Hij reist op 19 maart a.s. af naar Moskou om met zijn ambtgenoot te overleggen over de uitbreiding van de NAVO. Het mag duidelijk zijn dat wij het ongepast en onverstandig vinden als de minister op die dag niet een lijst met concrete, snel uitvoerbare projecten onder zijn arm meeneemt. Wellicht kan hij aan zijn ambtgenoot ook reeds laten zien wat Nederlanders samen met Russen al voor de Russische militairen hebben gedaan. Russen geven niet zomaar hun vertrouwen, zeker niet aan een westerling, zeker niet aan een minister die zich heeft uitgesproken voor uitbreiding van de NAVO. Wij wensen de minister toe dat hij met concrete blijken van medeleven en sympathie dat vertrouwen weet te winnen. Wij zijn benieuwd naar de reactie van de minister." 1997-03-18;Steenkamp;01298;CDA;h-ek-19961997-917-971.1.2.1;"Buitenlandse Zaken (incl. Ontwikkelingssamenwerking) ";13643;17;"Mijnheer de voorzitter! Aan het begin van deze eeuw waren er zes of zeven grote mogendheden. Engeland beheerste een kwart van de wereld, maar met het einde van de eeuw was Engeland over het hoogtepunt heen en kwam er een einde aan de Engelse eeuw. Nu is er nog één supermogendheid over; op eenzame hoogte. De cultuurgebruiken en dergelijke van de Verenigde Staten, materiële en geestelijke, overspoelen de hele wereld. Tot in de verste uithoeken vinden wij de jeans, de hamburgers en CNN. Eind verleden jaar bemiddelden de Verenigde Staten tegelijkertijd in Cyprus, Bosnië, Ierland, het Midden-Oosten en bij de Koerden. Op verschillende plaatsen traden de Verenigde Staten militair op. In zijn laatste boek heeft Ed van Thijn er nog eens op gewezen dat het met name aan de Verenigde Staten en niet aan Europa te danken is dat wij zover gekomen zijn in Bosnië. Maar bovenal, de Verenigde Staten hebben in deze eeuw vier maal Europa gered; de Eerste Wereldoorlog, de Tweede Wereldoorlog, het Marshallplan en de NAVO. Nu gaat de Amerikaanse eeuw ten einde. De relaties van de Verenigde Staten met Rusland zijn onzeker, met de Europese Unie goed, met Frankrijk gecompliceerd, met het Midden-Oosten eenzijdig en met China koud. Ik zei: met Rusland onzeker. Verleden week hebben wij tot diep in de nacht hier het debat over de NAVO gevoerd. Daar wil ik nu niet op terugkomen, maar in de totale context wil ik toch iets zeggen over Rusland in dit jaar van Peter de Grote. Peter de Grote stapte als eerste Russische heerser, als grote mogendheid op het Europese toneel. Wat zien wij dan gebeuren? Op 15 augustus 1717 wordt het Verdrag van Amsterdam gesloten tussen tsaar Peter de Grote, de koning van Frankrijk en Frederik Willem de Eerste van Pruisen. Het Verdrag van Amsterdam bedoelde een nauw bondgenootschap tussen de drie genoemde machten, maar ondanks alle hoop van Peter de Grote bleef het verdrag zonder inhoud door het optreden van – ik zou bijna zeggen: één keer raden – Frankrijk. Knoop dat in uw oren, mijnheer de minister. In 1856 zegt Alexander II, de tsaar na de Krimoorlog: \"De anderen zijn tegen mij; zij houden mij erbuiten.\" Dat was het begin van de andere visie van Rusland op Europa en de westelijke wereld. Wij weten dat die mentaliteit is gebleven. Dat hebben wij ondervonden in Jalta, Teheran en Potsdam. De perceptie is dezelfde gebleven. En dan komen wij in 1946, om precies te zijn op 22 februari. Dan stuurt de zaakgelastigde van de Verenigde Staten in Moskou, George Kennan, een heel lange \"cable\" naar het \"state department\". Ik haal daar twee citaten uit, en let goed op: het is 51 jaar geleden. Kennan zegt: \"In het Kremlin bestaat een neurotische kijk op de wereldaangelegenheden, maar daar liggen onder de zeer traditionele en instinctieve gevoelens van onzekerheid. Uit het verleden geleerd, beschouwen zij de buitenwereld als kwaad, vijandig en bedreigend.\" Wij weten inmiddels uit het bekende boek van Gates, die lange jaren veiligheidsadviseur was, wat wij toen nooit hebben geweten, namelijk dat 1983 het gevaarlijkste jaar van de Koude Oorlog geweest is, en niet de blokkade van Berlijn. Ik herinner de Kamer eraan dat dat het jaar van de Star Wars van president Reagan was. Het blijkt nu dat er volstrekte onzekerheid en verbijstering in het Kremlin heerste. Wij kunnen de woorden van onder andere tsaar Alexander II en Stalin doortrekken tot de huidige tijd. Het is precies hetzelfde wat je hoort vanuit de Doema, en de woorden van Alexander II worden herhaald door Zjirinovski. Wel, het is voor onze regering een duidelijke uitdaging om met name in de komende maanden, maar ook daarna, vanuit Europa de juiste relatie te vinden met Rusland. Mag ik daarbij aan de minister van Buitenlandse Zaken voor de komende maanden één goede raad meegeven met een citaat van president Truman, en die kon ervan meepraten, uit september 1946: \"De Russen zijn harde onderhandelaars en zij vragen altijd de hele aarde, terwijl zij verwachten, enkele vierkante kilometers te krijgen.\" De geschiedenis herhaalt zich, maar nooit helemaal. De nieuwe Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright, heeft bij haar ambtsaanvaarding gezegd dat de Verenigde Staten een Europese macht moet blijven; dat is de hoofdles van deze eeuw. Aldus mevrouw Albright. Ik zei reeds dat de relaties tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie gelukkig uitstekend zijn, maar de CDA-fractie deelt volstrekt de mening van onze minister van Buitenlandse Zaken, zoals hij het onlangs nog eens stelde, dat de transatlantische relatie een van de prioriteiten moet blijven van de economische unie. De minister zei dat wij de transatlantische relatie moeten voeden en voeden. Met de reclame zou ik zeggen: ik had het niet beter gezegd kunnen hebben. En dan is daar Frankrijk. President Kennedy heeft het zijn opvolger Johnson al gezegd. De Gaulle, zei hij, heeft een zekere spanning nodig tussen de Verenigde Staten en Frankrijk. President Johnson heeft de eindeloze en felle tirades moeten doorstaan die De Gaulle tot hem richtte als het ging over de Verenigde Staten. Wij kennen inmiddels het bekende verhaal dat op een bepaald ogenblik president Johnson zo kwaad geworden is dat hij uitriep in een gesprek met generaal De Gaulle: generaal, wilt u misschien ook dat ik mijn oorlogsgraven uit Europa weghaal? Er is, mijnheer de voorzitter, niet zo veel veranderd. Het laatste boek over president Mitterrand vertelt dat de president in zijn laatste levensjaren zei: wij verkeren in staat van oorlog met Amerika. Voor de goede orde: dit is niet Zjirinovski, dit is wijlen president Mitterrand. Wij verkeren in staat van oorlog met Amerika, een permanente oorlog, een vitale oorlog. Het is een letterlijk citaat van de overleden Franse president. Welnu, ik abstraheer nu even van Frankrijks rol in Europa, want daar zou ik ook nog een verhaal over kunnen houden, maar dat hebben wij al gehad aan het einde van het vorige jaar. Ik kijk naar wat er voorvalt in de relatie tussen Frankrijk en de Verenigde Staten, aangezien de minister met ons van mening is dat er transatlantisch een goede relatie moet zijn tussen Europa en de Verenigde Staten. Ik zal de voorbeelden niet noemen. Het is een litanie, als de minister dat woord bekend voorkomt. Ik neem aan dat de minister die voorbeelden beter kent dan ik. Hoe moet dat nu in de toekomst? Hoe moet het verder met Frankrijk in het hart van Europa? De bondskanselier heeft niet het eeuwige leven, op aarde niet. Als in de Bondsrepubliek een nieuwe situatie ontstaat – wij weten allemaal wat ik bedoel, de minister zeker – zal men dan niet bezig blijven om zich los te maken en een andere relatie te scheppen tussen de Verenigde Staten en Frankrijk, lees Europa? Hoe gaat de minister daarmee om? Ik bedoel niet de soloacties van Frankrijk in Europa, want die maakt de minister in het eigen kabinet mee. Mijn indruk is altijd dat het hem daar lukt, er aardig mee klaar te komen. Mijn vraag is nu hoe de minister de relatie ziet tussen de Verenigde Staten en heel Europa waar Frankrijk aan meedoet. Ik kom toe aan het Midden-Oosten. De verbondenheid met Israël is ingeplant in ons gehele volk en is onafgebroken sinds de Tweede Wereldoorlog. Tegelijkertijd worden wij ons steeds meer bewust van de rechtvaardige, legitieme rechten van de Palestijnen. Daarmee zijn wij in goed gezelschap. Wij zijn in het gezelschap van de vader des vaderlands David ben Goerion die eindeloos heeft uitgesproken en herhaald dat de rechten van de Arabieren op het land niet minder waren dan die van de Joden. Ben Goerion was fel tegen het onteigenen van Arabische eigendommen en tegen het verdrijven van de Arabieren van hun land. Er waren veel mensen, waaronder de minister, zo positief na Hebron. Dat is begrijpelijk. Maar hoe kijken wij nu aan tegen de slakkengang en de voortdurende vertraging die optreedt, alsof er eigenlijk helemaal geen schot in komt? Ik vraag de minister of hij in zijn contacten met de Palestijnen wel eens terugkomt op het vraagstuk van het Handvest van de PLO waar toch nog altijd, ondanks alle beloften van Arafat, niet de oude zinsnede over de vernietiging van Israël uitgehaald is. Is de minister met mij van mening dat er een zorgelijke ontwikkeling is, bijvoorbeeld als wij kijken naar hetgeen de kranten in Caïro iedere dag opnieuw over Israël en de Joden schrijven? Ik wijs ook op de beweging die gaande is onder de intellectuelen in Marokko. Dat zijn twee staten die relatief een goede relatie met Israël hebben. Wij waren verheugd toen het akkoord van Hebron tot stand kwam. Minister Van Mierlo zei die avond voor de radio dat ambassadeur Moratinos daar een belangrijke rol bij had gespeeld. Ik geloof de minister op zijn woord, maar naar mijn vaste overtuiging heeft koning Hoessein het akkoord er uiteindelijk doorgekregen. Ik zie de minister knikken. Ik hoop dat hij net zo gelijk krijgt na het \"akkoord\" van gisteren. Ik wijs erop dat premier Netanyahu in de Knesset heel duidelijk heeft gezegd dat er een Amerikaanse note for the record met garanties lag. Ja, maar Netanyahu zei bij die zelfde gelegenheid dat alleen Israël de omvang van de drie volgende fasen van terugtrekking zou bepalen. Dus Israël alleen. Het wordt 1998. Hoever dan? Waar dan? Waar ligt de conflictstof? Ik schreef dit in de afgelopen week en voor vandaag en morgen. Het is nog erger dan wij hadden kunnen denken. Kan de minister ons iets vertellen over de rol van Moratinos? Weet hij misschien meer over wat er toen is afgesproken en toegezegd? Kan hij dat in verband brengen met wat er op het ogenblik gebeurt in het Midden-Oosten, met name tussen Israël en de Arabieren? Er is wel een terugtrekking toegezegd, maar ik wijs erop dat Israël, zoals ik al zei, de tijd en de omvang controleert en ook de betekenis van de Palestijnse staat bepaalt. Hoe moet dat nou verder? Ik kom toe aan de mensenrechten. In het afgelopen jaar zijn er 4500 mensen in 54 landen aan de gevolgen van folteringen overleden. In 85 landen zitten politieke gevangenen in de kerkers. In maar 39 landen kunnen journalisten zonder angst werken en 2,4 miljard mensen wonen in landen zonder een vrije pers. Van alle landen is maar 42% vrij en democratisch. In Afrika is twee derde van de 53 landen geen democratie. In Azië is twee derde van de 38 landen wel een democratie. In het Midden-Oosten zijn er twee democratieën: alleen Israël en Turkije. Even een zijpaadje voor de minister. Onze fractie heeft met vreugde kennisgenomen van de verklaring van Apeldoorn over Turkije. Zij is daarmee zeer gelukkig en zij stelt nadrukkelijk dat Turkije naar de mening van onze fractie – daar is van tevoren over gesproken – tot Europa behoort. Dat moge duidelijk zijn. Wat de mensenrechten betreft: wat gelukkig dat Amnesty International er is. De huidige vice-president van de Verenigde Staten, Al Gore, heeft gezegd dat een goede consensus een strategisch waardevol punt voor een land is. Ja, dat hebben wij in Nederland jaren en decaden gedacht. Er bestond in dit land grote overeenstemming tussen alle politieke partijen over de vier ijkpunten van ons buitenlands beleid: de NAVO, Europa, de ontwikkelingssamenwerking en de mensenrechten. Het is broodnodig dat er voor die belangrijke aspecten een breed draagvlak in onze bevolking bestaat. Ik was dan ook wat verbaasd toen ik enkele maanden geleden in de kranten het verslag van de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken las, wat de mensenrechten betrof. Ik heb later de Handelingen erop nagelezen. Het zal de minister van Buitenlandse Zaken vergaan zijn zoals het president Kennedy verging op de ochtend na het debat. Kennedy heeft gezegd: \"Het is niet belangrijk wat je zegt; het is belangrijk wat de ochtendbladen ervan maken.\" Welnu, mij is gebleken dat er ondanks alle verhalen duidelijk een consensus in de Tweede Kamer bestaat met betrekking tot het mensenrechtenbeleid van dit kabinet. Dat is mooi, maar ik wijs erop dat president Herzog van Duitsland kortelings in een serie artikelen in Die Zeit nog eens gezegd heeft: principes alleen beschermen de mensenrechten niet, het komt aan op de juiste methode en het goede tijdstip. De minister zit op diezelfde lijn. Hij zei in Amsterdam dat je bij de mensenrechten ook rekening moet houden met de lokale normen. Bij de studenten in Leiden zei hij dat het doel de middelen heiligt. Die laatste zin komt mij bekend voor. Ik vervang hem dan liever met het woord van de Prediker: Alles heeft zijn uur. Aan de ene kant staat Madeleine Albright die tijdens haar leven een geweldige \"record\" heeft opgebouwd met betrekking tot het opkomen voor de mensenrechten, maar aan de andere kant zien we de toenemende kritiek van belangrijke wetenschappers, objectieve beoordelaars, op het mensenrechtenprobleem in het algemeen. Ik heb het nu niet over de situatie in Nederland en over het beleid van de huidige minister. Men verwijt ons dat door het Westen onze normen en waarden over de hele aarde moeten worden verspreid. Ik wijs op Fred Holiday, op prof. Spence van Yale, op de islamkenner Bassan Tibi die hoogleraar is in Harvard en in Göttingen en die overigens geen fundamentalist is. Zij zeggen ons uitdrukkelijk ervoor op te passen om die algemene geldigheid te doen doordringen over de hele wereld, want dat leidt tot een dominantie van het Westen op geestelijk terrein. Mijn vraag is hoe de minister tegen dit dilemma aankijkt. Het gaat mij dus niet om het doel – daarover zijn wij het eens – het gaat mij om de middelen. Mijn vraag blijft dan wel waar de universele verklaring van de rechten van de mens blijft. Ik benijd de minister, staande voor dit dilemma, niet. Voorzitter! Mag ik vragen hoelang ik gesproken heb?" 1997-12-09;Rouvoet;02541;RPF;h-tk-19971998-2692-2722.1.7.15;"Buitenlandse Zaken ";2709;4;"Culturele en religieuze groeperingen in ons land moeten ruimte krijgen om naar eigen inzichten hun leven te ordenen, maar binnen de grenzen van de rechtsorde. Die wordt in hoge mate gestempeld door onze eigen geschiedenis en de normen die je daarbij aanlegt. Binnen dat kader van de publieke rechtsorde kunnen mensen de eigen vrijheden gestalte geven, om welke godsdienst, overtuiging of levensbeschouwing het ook gaat. Dat geldt ook in andere landen. Het probleem is juist dat dit in heel veel landen niet gebeurt. Dat probleem stel ik nu aan de orde. Van de weeromstuit behoeven wij niet te komen tot een vorm van relativisme, en dan zijn wij terug bij de oude discussie. Het is niet zwart of wit, mijnheer Valk, maar het gaat om het bieden van ruimte zonder de eigen identiteit en hetgeen je zelf belangrijk vindt, te relativeren. Ik heb dat misschien wat rigoureus getypeerd met de houding \"weg met ons\". Ik heb dat overigens niemand in het bijzonder aangerekend, mocht dat de achterliggende gedachte zijn. Ik wilde voorstellen dit punt eens tot onderwerp van het debat te maken. Daar ging het mij om. Mijnheer de voorzitter! Ik heb nog een enkel punt. Het gebrek aan voortgang, de impasse in het vredesproces in het Midden-Oosten, blijft zorgen baren. Daar is veel over te zeggen, en dat gebeurt ook in andere verbanden, ook met de minister, maar ik beperk mij nu tot één kwestie. Mijn fractie maakt zich ernstig zorgen over de aanhoudende berichten over de mensenrechtenschendingen in de Palestijnse gebieden. Ongefundeerde aanklachten van collaboratie, angstcampagnes, martelingen, inbreuken op grondrechten en willekeurig en ongecontroleerd optreden door de talloze politie- en veiligheidsdiensten zouden veelvuldig voorkomen, terwijl een onafhankelijke nieuwsvoorziening door een vrije pers onder druk lijkt te staan als gevolg van pogingen van de zijde van de autoriteiten om onwelkome berichtgeving te voorkomen. Kan de minister de Kamer per brief informeren over de mensenrechtensituatie in de Palestijnse gebieden en kan hij daarbij ingaan op de rapporten die hierover door verschillende instanties zijn uitgebracht? Ik noem Amnesty International, het Palestijnse centrum voor onderzoek en studie in Nabloes en de rapportages van de Palestinian human rights monitoring group van de mensenrechtenactivist Bassem Eid. Recent zijn er van het Institute for the study of islam and christianity in Londen ook verontrustende berichten verschenen over regelrechte christenvervolgingen vanwege de Palestijnse autoriteit. Zou de minister daar zijn reactie op willen geven? Een allerlaatste vraag betreft Iran: kan de staatssecretaris ons bijpraten over de huidige stand van zaken rond de ambtelijke missie?" 1998-03-17;Schuurman;02771;RPF;h-ek-19971998-1178-1223.1.13.1;"Buitenlandse Zaken ";1927;4;"Mijnheer de voorzitter! Ik dank de bewindslieden voor de manier waarop zij op mijn bijdrage namens onze drie fracties zijn ingegaan. Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking betreffen beide boeiende onderwerpen, maar ook onderwerpen waarin veel diep menselijk leed verscholen ligt. Het heeft altijd te maken met oorlogen en geruchten van oorlogen. Daar schijnt geen einde aan te komen. Ik wil op drie punten ingaan. Dat betreft allereerst een vraag die de minister van Buitenlandse Zaken wel beantwoord heeft. Bij die beantwoording hoopte ik echter dat hij andere accenten zou leggen. Het betreft hier Israël. Dat is een probleem met zulke diep-historische wortels dat dit niet direct van de agenda af te voeren zal zijn. Ook anderen hebben daarover gesproken. Ik heb in mijn vraag de accenten net even anders gelegd. Ik heb gevraagd of wij niet teveel op de toer van de Europese Unie zitten en of wij nog wel een eigen stem hebben. Ik geloof er niet zoveel van dat het ons zal helpen als wij zeggen dat het nu genoeg is bij het vredesproces en dat Israël maar wat moet doen. Die suggestie trof ik aan bij collega Stoffelen. Collega Gelderblom zegt dat wij vrienden zijn van Israël en dat wij dat toch moeten kunnen zeggen. Ik weet echter niet of Israël ons wel als zulke grote vrienden ziet. Zouden zij nog altijd niet argwanend staan tegenover alles waar zij in het verleden mee te maken hebben gehad? Wie de geschiedenis van de gang van de joden kent in Europa, van Spanje tot Nederland en Polen, ziet dat het altijd vervolging betekende. Het dieptepunt van de 20ste eeuw, de Holocaust, vormt een groot zwart gat. Pas gisteren zette de rooms-katholieke kerk een eerste stap in schulderkenning. Men kan zich er echter over verbazen dat niet direct na de Tweede Wereldoorlog gezegd kon worden dat Paus Pius XII in 1939 nooit een verdrag met Hitler had mogen sluiten. Ik kan mij de argwaan van de joden goed voorstellen." 1998-03-17;Schuurman;02771;RPF;h-ek-19971998-1178-1223.1.14.4;"Buitenlandse Zaken ";1336;4;"Wij zijn nu bij een onderwerp waarin je gemakkelijk uitglijdt als je zomaar even wat voor de vuist weg zegt. Toch wil ik het proberen. Toen er vandaag dingen werden gezegd als \"zo kan het niet langer\" en \"er moet wat gebeuren\", dacht ik: met zulke bezweringsformules is niemand gediend. Hebben wij wel voldoende diep gepeild wat wij het joodse volk in de loop van de eeuwen hebben aangedaan, wat een dieptepunt bereikt heeft in de twintigste eeuw? Ik heb naar de katholieke kerk verwezen, maar ik zou ook naar de eigen gereformeerde kerken hebben kunnen verwijzen of zelfs naar het hele Nederlandse volk. Overigens zijn er goede katholieken geweest, zoals kardinaal De Jong. Generaal gesproken hebben wij de joden de eeuwen door in de steek gelaten. De joden zeggen: dat heeft het christelijk Europa gedaan. Daarom trek ik het mij extra aan. Laten wij met dat verleden definitief afrekenen door Israël nooit meer in de steek te laten en begrip te hebben voor de gevoelens, angsten en zorgen. Ook al zijn de joden thuis, zoals zij het zelf zeggen, zij blijven zich door de omringende wereld bedreigd voelen. Is dat niet zeer begrijpelijk? Wat doen de Arabische staten voor de Palestijnse kwestie? Gaat het niet altijd ten koste van Israël? Dat zijn overwegingen die opkomen. In feite hebben wij te maken met een meta-historisch probleem." 1998-03-17;Van Mierlo;00928;"";h-ek-19971998-1178-1223.1.14.5;"Buitenlandse Zaken ";1227;1;"Ik begrijp heel goed wat de heer Schuurman bedoelt, maar het gevaar is dat wij dingen door elkaar gaan halen. Als hij zegt dat wij in de Westerse cultuur tekortgeschoten zijn in de, nog steeds onbegrijpelijke, variant die er door het nazisme aan is gegeven, neemt dat nog niet de opdracht voor Israël weg om te zorgen voor vrede in het Midden-Oosten. Het lijkt wel alsof wij daardoor verplicht zijn om voortdurend de staat Israël te steunen. De staat Israël is ook weer iets heel anders. Bij de vorming van de staat was het van tweeën één: of de Palestijnen zaten er of de joden kwamen er. De joden hebben het gewonnen en daardoor zijn de Palestijnen op drift. Ook dat is een sequeel van de geschiedenis. Wij komen hier echter niet zoveel verder mee. Wij zijn vanuit het verleden verplicht tot liefde voor de staat Israël, maar de staat Israël moet die liefde zelf ook wel waarmaken. Dat betekent dat de staat Israël zich in liefde moet bevinden met de Palestijnen, degenen die voor de staat Israël hebben moeten wijken. Je wordt er niet zoveel beter van als je zegt: ziet Israël ons nog wel als vriend? Alsof dat iets te maken heeft met de vraag die wij nu aan Israël stellen, namelijk: doe iets om het vredesproces te redden!" 1998-03-17;Schuurman;02771;RPF;h-ek-19971998-1178-1223.1.14.6;"Buitenlandse Zaken ";696;1;"Voor een deel wil ik de minister bijvallen door de onderstrepen dat Israël aan volkenrechtelijke verplichtingen en normen heeft te beantwoorden. Zo simpel is het ook weer. Maar ik weet heel goed dat daarachter een hele problematiek ligt die zich in dit soort conflicten altijd manifesteert. Je kunt beter met die conflicten omgaan naarmate je die achtergrond beter begrijpt; dat probeer ik elke keer. Toen ik in Israël was, kon ik mij dat voorstellen: wij zijn nu thuis, maar zijn wij thuis om hier te worden uitgemoord? Dat idee hebben verschillende joden. Dat idee speelt natuurlijk in de politieke wereld. De minister kan daar niets aan doen, maar het is wel goed om het op de kaart te zetten." 1998-11-17;Schuyer;02870;D66;h-ek-19981999-105-149.1.7.1;"Algemene politieke beschouwingen ";3393;7;"Voorzitter! Alle tekenen wijzen erop, om een zinsnede van de minister-president te parafraseren, dat 31 december 1999 een normale oudejaarsdag wordt. Maar toch, de gevoelswaarde van miljoenen zal anders zijn: afscheid van een eeuw, afscheid van een millennium. Heel wat heersers droomden van een duizendjarig rijk. Sommigen, zoals Mussolini, begonnen maar alvast aan een nieuwe jaartelling. Voor de jongste generatie is dit ook nu nog te lezen, bijvoorbeeld aan de zijgevel van het station van Milaan, geopend in het jaar XII, uiteraard in Romeinse cijfers; voor christenen het jaar 1934, voor joden 5695 en voor islamieten 1312. Een pluriforme samenleving is niet van vandaag of gisteren, maar de mondialisering van de samenleving zorgt ervoor dat wij in ons land in het overheidsbeleid voor de 21ste eeuw nog nooit zo nadrukkelijk met die pluriformiteit rekening hebben te houden en ook rekening willen houden. Vanuit dit perspectief is het van belang, te constateren dat Nederland de 21ste eeuw ingaat met een kabinet dat gebaseerd is op algemeen menselijke en politiek ethische beginselen. De parlementsverkiezingen van dit jaar hebben ook in het teken gestaan van voortzetting van een combinatie die de eerste keer nog gezien kon worden als een waagstuk en een experiment, maar de tweede keer al als een logisch gevolg van geslaagd beleid. In leder geval is het experimentele karakter ervan nu verdwenen. Zelfs als in de komende periode weer andere combinaties ontstaan, is de vanzelfsprekendheid waarmee deze combinatie in de 20ste eeuw uitgesloten werd geacht, voor de 21ste eeuw definitief verdwenen. Het moet voor medeoprichter van D66 Hans van Mierlo een voldoening zijn om bij zijn afscheid uit de actieve politiek dit gerealiseerd te weten. Mijn fractie waardeert het zeer dat het kabinet Van Mierlo heeft voorgedragen voor een benoeming tot minister van staat en dat de Koningin deze voordracht heeft willen bekrachtigen. D66 is van oordeel dat haar opdracht in de Nederlandse politiek allerminst voltooid is, zoals door diverse commentatoren wel eens wordt beweerd. De beoordeling door mijn fractie van het totstandkomen van Paars II en het hierbij behorende regeerakkoord vindt plaats tegen de achtergrond van de andere taken die D66 voor zichzelf ziet. Daar hoort ook, vanaf haar oprichting, bij de constante behoefte tot bestuurlijke hervorming, niet als doel in zichzelf maar ter verbetering van het democratisch functioneren en de naar onze overtuiging daarmee samenhangende doelmatigheid van beleid. Het stemt mijn fractie tot voldoening, dat nu voor de tweede achtereenvolgende maal een regeerakkoord is gesloten waarin bescheiden stappen tot verbetering zijn aangekondigd. Daar hoort de instelling van een staatscommissie bij, zo goed als de wijziging van artikel 61 van de Gemeentewet. Ik zeg dit tegen de heer Ginjaar naar aanleiding van zijn bijdrage van vandaag. Dat waren immers voor ons eminente punten! In het eerste akkoord was dat het referendum dat in deze periode zijn voltooiing zal krijgen. En in het tweede is dat de mogelijke introductie van een duaal stelsel in het regionaal en lokaal bestuur, waarbij met de gekozen burgemeester zodanig ervaring kan worden opgedaan, dat in een van de volgende regeerakkoorden, als een natuurlijk sluitstuk, ook het verlangen van een meerderheid van de kiezers om de minister-president te kiezen, kan worden gehonoreerd." 1999-03-23;Gelderblom-Lankhout;02790;D66;h-ek-19981999-1020-1049.1.8.1;"Buitenlandse Zaken/Ontwikkelingssamenwerking ";31585;46;"Mijnheer de voorzitter! Menselijkerwijs gesproken is dit het laatste beleidsdebat Buitenlandse Zaken van de Eerste Kamer in de huidige samenstelling. Het vindt bovendien plaats onder tamelijk enerverende externe omstandigheden. Morgen zal op de top in Berlijn de voorzitter, Schröder, als de voortekenen kloppen, de naam van de potentiële nieuwe voorzitter van de Europese Commissie onthullen, nu alle EU-commissarissen opstappen als gevolg van het rapport-Middelhoek. Tevens kan verwacht worden dat het conflict in Kosovo op de agenda van de ministers van Buitenlandse Zaken de vele andere belangrijke agendapunten naar de achtergrond zal drijven. Omdat het ook voor mij het laatste verhaal is, een persoonlijke noot. Ikzelf vertrek morgenochtend vroeg als rapporteur van de Raad van Europa naar Sarajevo en Banja Luka, tenzij het ministerie dit voornemen op het laatste moment nog van een negatief reisadvies voorziet vanwege de mogelijke NAVO-bombardemen- ten in het buurland de voormalige republiek Joegoslavië of – dat is ook niet uitgesloten – als het luchtruim boven de Balkan dicht gaat. Dit zijn allemaal zaken die het hart van Europa treffen. Een analyse van de oorzaken die de veiligheidssituatie bedreigen, komen in dit betoog aan de orde alsmede een aantal specifieke landen, zoals Turkije, Indonesië en Rusland c.q. regio's zoals de Balkan. Ik begin met het hoofdthema dat D66 bij dit beleidsdebat, op de grens van deze eeuw, aan de orde wil stellen: de onvervreemdbare rechten op zelfbeschikking en de potentiële en concrete intrastatelijke conflicten die wij op dit moment op diverse plekken in de wereld zien uitlopen in buitensporige wreedheden. Steeds duidelijker wordt het dat wanneer minderheden hun onvervreemdbaar rechten niet gewaarborgd zien, het potentiële conflict voortwoekert, totdat de gematigden worden overruled door de zogenaamde extremisten die dan onvermijdelijk door de heersende meerderheid als terroristen worden afgeschilderd. In deze eeuw kwam een einde aan het kolonialisme van de oude koloniale machten als Frankrijk, Engeland, Italië en ook Nederland. Bij dit dekolonisatieproces zijn in feite een aantal potentiële conflicten onopgelost achtergebleven, mede doordat de oude koloniale machten de grenslijnen trokken. In het nieuwe machtsevenwicht ontstond een nieuwe vorm van imperialisme, soms etnisch, zoals in Indonesië waar in de vroegere kolonie de Javaanse cultuur dominant werd ten koste van die van Oost-Timor, West-Papua en Borneo, soms religieus, soms ideologisch gegrondvest, zoals in Rusland waar het Stalin-regime onder de dekmantel van de marxistische heilsleer talloze slachtoffers heeft geëist. Grootmachten als China, Rusland en Turkije gebruikten c.q. gebruiken oude imperialistische tactieken, zoals het verplaatsen van groepen van de bevolking over het hele rijk, op een zodanige manier, dat de etnische groep die aan de macht is, zijn machtspositie over het hele rijk tracht te verstevigen en uit te bouwen. Ter discussie stellen van dit soort neo-imperialisme werd jarenlang afgehouden door in te spelen op de schuldgevoelens over de oude kolonisatiepolitiek. Daarnaast was er de oorlogsdreiging bij inmenging in interne conflicten in een land van het zogenaamde andere blok. Het dilemma tussen de plicht tot opkomen voor mensenrechten en het axioma van niet-inmenging werd voor het eerst definitief doorbroken toen de troepen van de tiran uit Bagdad in de \"vuile\" oorlog tussen Irak en Iran de bevolking van Halabja met gifgas uitroeiden en vervolgens de Koerden in het noorden de bergen in joegen, daarbij en passant 4000 dorpen met de grond gelijk makend. De VN-resolutie die ingrijpen in Irak mogelijk maakte na het falen van alle pogingen tot een vreedzame oplossing, zie ik nog steeds als de enige uitweg in dat soort dilemma's. De VN-resolutie over Kosovo, die stelt dat gewapend ingrijpen mogelijk is wanneer alle andere pogingen tot overleg hebben gefaald, is nu ook de rechtvaar- digingsgrond voor NAVO-ingrijpen. D66 gaat er althans van uit dat ook de minister van Buitenlandse Zaken de mening toegedaan is dat die veiligheidsraadresolutie zo geïnterpreteerd moet worden. Beperkte in de negentiende eeuw een conflict tussen Duitsland en Frankrijk zich tot de Elzas, thans creëren vernietigingswapens veiligheidsrisico's waarvan de gevolgen niet meer tot een regio beperkt blijven. Terug naar de oorzaak. Wanneer een regeringsleider vanuit imperialistische c.q. ultranationalistische ideologie minderheden niet geeft waar zij volgens VN-conventies en dus volgens alle staten bindende afspraken recht op hebben, zal ook in de 21ste eeuw een voortdurende explosie van interstatelijke conflicten te zien zijn. Artikel 1 van het bekende BUPO-verdrag, het verdrag inzake burgerlijke en politieke rechten van de VN uit 1966, stelt klip en klaar: all peoples have the right of selfdetermination. Hoewel inmiddels bij alle volkeren c.q. minderheden in the global village deze conventie bekend is, blijkt \"keer op keer dat internationale wetgeving geen exacte definitie geeft van de consequenties van dit recht\". En dan citeer ik een van de bekende internationale deskundigen, mr. Friz Hondius. Ook de rechten van minderheden, zoals recht op onderwijs in eigen taal, recht op eigen media en een zekere mate van autonomie ofwel zelfbestuur, zijn in een aantal verdragen vastgelegd. Ondanks boekenplanken vol literatuur en talloze conferenties is er nog steeds geen algemeen aanvaarde definitie van het begrip \"minderheid\". En wie zich in de minderhedenproblematiek verdiept, ontdekt al gauw dat er behalve een definitieprobleem verschillende soorten minderheden bestaan. Papoea's, Tibetanen en Oost-Timorezen wonen weliswaar in hun eigen land, maar hun land maakt deel uit van een grotere natie waar zij in bestuurlijk opzicht weinig tot niets in te brengen hebben. De Hongaarse minderheid in Roemenië en de Kosovaren in Klein Joegoslavië hebben een heel ander probleem. Zij leven nu als minderheid in een buurland, terwijl de grens met hun oorspronkelijke vaderland na het ineenstorten van het Ottomaanse Rijk in internationale verdragen is vastgelegd, waarbij met name Engeland en Frankrijk Europa verdeelden in invloedsgebieden. Het verschil tussen de Roemeense Hongaren en de Albanese Kosovaren ligt in de manier waarop de meerderheid een vorm van autonomie voor die minderheid waarborgt. In Hongarije lukt dat goed. In Kosovo... Wat moet je daarover zeggen? Lukt het niet? Dat is het understatement van de dag. Keer op keer blijkt het gevoel onderdrukt te worden en de terechte wens om aan de eigen cultuur vast te houden tot geweldexplosies te leiden wanneer de heersende meerderheid geen vorm en geen inhoud weet te geven aan een goed minderhedenbeleid. En wat doen wij daar met z'n allen aan? Daar hebben wij een aantal veiligheidsorganisaties voor opgericht. Buiten de VN, die wereldwijd een mandaat hebben, opereert in ons werelddeel een aantal organisaties, specifiek opgericht om de veiligheidssituatie te bewaren of de mensenrechten te garanderen. De NAVO, van oorsprong een defensieapparaat, wordt door velen steeds meer gezien als de ultieme peacekeeper. Vandaar dat de voormalige Warschaupactlanden nu graag lid willen worden van dit bondgenootschap. Steeds weer verschijnen er berichten dat Europa een eigen defensiemacht zou moeten worden. Hoewel het defensiedebat vorige week in deze zaal plaatsvond, heb ik hierover een tweetal korte opmerkingen. Mijn partij ondersteunt het streven naar een Europees gemeenschappelijk veiligheids- en buitenlands beleid, zoals wij al vele malen hebben gezegd. De WEU kan wat ons betreft onder de EU, maar wij erkennen en waarderen ook de noodzaak van de Amerikaanse alliantie. Zonder die alliantie, met de in de loop der jaren in de VS opgebouwde technologie, is een werkelijk gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid praktisch ondenkbaar. Als wij voor een Europese Alleingang zouden kiezen, vraagt dat een dermate grote investering dat zij naar onze mening onbetaalbaar is, behalve als de \"nieuwe socialisten\", Schröder, Blair en Jospin, ineens zo nieuw zijn dat zij een drastische uitbreiding van het defensiebudget aan hun parlement voorleggen. Eerlijk gezegd zie ik dat nog niet. De OVSE krijgt steeds meer taken toebedeeld. De kracht ervan ligt in crisismanagement en conflictbeheersing. De kracht van de Raad van Europa, die dit jaar 50 jaar bestaat, ligt in de enorme bron van kennis over internationaal recht en wetgevingsprocessen. De staf en commissies van externe deskundigen helpen de voormalige Oost-Europese landen die democratisch willen zijn, maar waar vrijwel iedereen die politicus, advocaat, rechter of regeringsfunctionaris is, is opgeleid in de communistische periode. In die tijd was de wet er om het volk in schijn rechten te geven en onder de duim te houden. De burger kon daar niet daadwerkelijk rechten aan ontlenen, zoals het hoort in een democratie. Het unieke van de Raad van Europa is dat de oppositie in de parlementaire Assemblee verplicht deel uitmaakt van de delegatie van het land. Daarmee is de Raad van Europa uniek in de wereld en daarmee heeft zij als enige organisatie permanent voeling met wat er in het desbetreffende land gebeurt, veel beter dan die andere organisaties, waar alleen regeringsleiders of hun ondersteunende diplomaten, c.q. ambtenaren met elkaar spreken. Je zou het een \"early warning system\" van politici kunnen noemen. In plaats van naast elkaar te opereren en elkaars territorium te beconcurreren is er de laatste tijd gelukkig een duidelijke tendens tot samenwerking van die drie organisaties te bespeuren. Toch steekt het bij de Raad van Europa dat er voor OVSE-operaties geen begrenzing van het budget lijkt te zijn. De minister meldt haast terloops in een van zijn vele \"Joegoslavië-brieven\" dat hij bereid is het bekende percentage af te dragen, terwijl er voor het uitdijende takenpakket van de Raad van Europa steeds minder van het gevraagde budget wordt gegeven. Hiermee kom ik tot een drietal vragen. Erkent de minister de waardevolle taak van de Raad van Europa? Ik heb de indruk van wel, want die naam kom ik voor het eerst in brieven van de minister tegen. Dat was in de vorige periode wel anders, moet ik toegeven. Wil hij dit ook in het Nederlandse deel van het budget van de Raad van Europa tot uitdrukking brengen? Is de minister bereid de herijking op zijn ministerie zo af te ronden dat de coördinatie tussen wat de OVSE, de Europese Unie en de Raad van Europa doen, ook zijn weerslag vindt op het ministerie zelf? Hoe oordeelt de minister over de aanbeveling van de Raad van Europa om het Zwitserse model in Nederland uit te proberen? Dit houdt in een driehoeksdebat tussen regering, parlement en delegatie, waar de OVSE-delegatie eventueel aan toegevoegd kan worden. Hierdoor weten de andere leden van het parlement wat de Nederlandse delegatie in het buitenland doet en kunnen zij daaraan bijdragen. Nu loopt zij af en toe maar zo'n beetje haar eigen stokpaarden te berijden. Voorzitter! Terug naar oude volken zonder land. Ik wil het eerst hebben over de Turks-Koerdische dimensie. De Koerden zijn een oeroud volk van ongeveer 21 miljoen mensen. Zij behoren tot de volken die nooit of lang geleden slechts kort een eigen staat hebben gekend. Tot de stichting van de staat Israël behoorden ook de joden 2000 jaar tot dezelfde groep, een min of meer rechteloze minderheid, verspreid over meerdere landen levend. Koerdistan heeft nooit als zelfstandige natie bestaan, ofschoon de beroemde sultan van de kruistochten, Saladin, een Koerd was. Koerden wonen, behalve degenen die naar West-Europa en Amerika zijn gevlucht, verspreid over vijf aan elkaar grenzende landen: Turkije, Rusland, Syrië, Irak en Iran. De respectievelijke heersers van die landen wisten en weten hun eigen Koerdische minderheid steeds te binden met vage beloften, maar gebruikten de harde vechtersbazen in hun respectievelijke oorlogen met het buurland, zonder ooit de belofte voor onafhankelijkheid na te komen. Desondanks slaagden de drie politieke stromingen in Koerdistan, te weten de KDP van Barzani, de PUK van Talabani en de PKK van Öcalan er niet in om zo samen te werken dat vrij Koerdistan in Noord-Irak, na die resolutie en het verbod voor de troepen van Saddam Hussein om daar te komen, ook maar door één land werd erkend. Het ongeluk van de Koerden is enerzijds dat de onderlinge verdeeldheid op het beslissende moment groter is dan het samenbindende element. Anderzijds voorkomt de verborgen agenda van de grote mogendheden het ontstaan en de erkenning van een nieuwe staat. Het zou immers ten koste gaan van bestaande staten, waarmee men betrekkingen onderhoudt en dus wordt het argument van gevaar voor nieuwe instabiliteit in de regio geaccepteerd. De PKK is een organisatie waar wij weinig vriendelijke gevoelens voor hebben, gezien de terroristische methoden die de marxistische heilsleer bij die organisatie toestaat, maar Öcalan, de leider ervan, is het wel gelukt een deel van de Koerden tot eenheid te smeden. Nogmaals de fanatieke aanhang roept bij ons weinig vriendelijke gevoelens op, maar toch steekt het dat er nauwelijks enig begrip is voor de woede en de teleurstelling van de Koerden. Zij zien hun leider als vrijheidsstrijder. Waar hebben we vaker gehoord dat iemand door de eigen bevolking wordt gezien als vrijheidsstrijder en door anderen als terrorist wordt bestempeld? Kennelijk is er nergens asiel voor de man te vinden en worden de Koerden geconfronteerd met wereldwijd onbegrip en de triomfantelijke toon van Turkije. Turkije claimt sinds 1920, bij het definitieve einde van het Ottomaanse rijk, via Atatürk een noodzakelijke brug te zijn tussen de Arabische en de westerse wereld, waarbij een goede Koerd in hun opvatting natuurlijk wel een geassimileerde Turk dient te zijn of zich als zodanig dient op te stellen. Turkije vraagt al enige tijd om toelating tot de EU en stelt nadrukkelijk dat het tot de Europese familie behoort. Nu is er wel een probleem. In Europa is de doodstraf afgeschaft, dat wil zeggen in een aantal landen is de doodstraf nog niet geheel uit de wetgeving verdwenen. De raad van Europa heeft als keiharde eis voor lidmaatschap dat de doodstraf uit de wetgeving verdwijnt. Daarnaast is er begrip voor de landen, waar dat niet op stel en sprong gebeuren kan, zoals in de Oekraïne. In plaats van dat soort landen buiten de familie te houden, laat men ze toe op voorwaarde dat de doodstraf binnen drie jaar uit de wetgeving verdwijnt. Men eist tegelijkertijd dat er een moratorium komt op het uitvoeren van de doodstraf. Turkije, dat weliswaar tot de medeoprichters van de Raad van Europa behoort, zal zich ook aan deze regel dienen te houden. Immers, ook via een eerlijk proces kan iemand in een land waar de doodstraf niet is afgeschaft ter dood worden veroordeeld. Daarom vindt D66 het onjuist om alle aandacht rondom Öcalan alleen te concentreren op een eerlijk proces. Natuurlijk, voor ons staat ook vast dat dit proces eerlijk moet verlopen en dat buitenlandse waarnemers toegelaten moeten worden. Wij vinden het op dit moment van essentieel belang om Turkije duidelijk te maken dat het land, als bewijs blijvend bij de Europese familie te willen horen, nu een moratorium op de doodstraf afkondigt. Ik hoor graag van de minister van Buitenlandse Zaken of hij het met deze stellingname eens is en of hij morgen op de Top van Berlijn inbrengt dat van Turkije gevraagd wordt een moratorium op de doodstraf af te kondigen. Volgende week is er een spoeddebat over Turkije in de voorjaarssessie van de Raad van Europa. Er is gedreigd om de Oekraïnse delegatie het stemrecht te ontnemen, omdat het pas na heel veel externe druk het moratorium handhaaft, maar nog steeds niet begint met het wetgevingsproces tot afschaffing van de doodstraf. Dan kan je toch niet van Turkije accepteren dat er noch een aanzet tot afschaffing van de doodstraf wordt voorbereid, noch een moratorium wordt afgekondigd. Dat is meten met twee maten. Kosovo, voorzitter: wat moet daar nog over gezegd worden? Telkens opnieuw de beelden van die wanhopige vluchtelingen in de sneeuw achter een tractor, hun huis in puin geschoten met als excuus dat het geen schuilplaats voor de UCK mag zijn. Nog steeds wil de meerderheid van de Serviërs niet inzien dat om in vrede met de Kosovaren te leven, een reëel beeld over de slag bij het Merelveld (die zij overigens verloren) van 600 jaar geleden noodzakelijk is. Irrealistische beelden, de media permanent gemuilkorfd en wat er aan media is, alleen maar ultranationalistische propaganda: dat heeft van oude buren in Kosovo intense vijanden gemaakt. Ik sluit niet uit dat Milosevic's troepen er niet voor zullen terugdeinzen om de weerloze vluchtelingen naar die plaatsen te lokken c.q. te sturen waar Milosevic NAVO-bombardementen verwacht. Men probeert thans over de bergen naar Macedonië te vluchten. Kan Macedonië die nieuwe stroom vluchtelingen wel aan? Is aan de regering van Macedonië hulp toegezegd en hoe zit het met de extraction force daar? Heeft die extra bescherming, nu NAVO-bombardementen zo dichtbij zijn? Maar zelfs als internationale bemiddeling in het Kosovo-conflict wordt aanvaard, laat de situatie in Bosnië zien hoe absoluut corrumperend etnische haat doorziekt, jaren nadat het conflict is gedempt. Tito heeft een gezonde, gewone vorm van vaderlandsliefde niet toegelaten. Na zijn dood bleken onder een dunne korst van zogenaamde Joegoslavische eenheid de oude etnische tegenstellingen en haat te hebben voortgewoekerd. Waar vroeger de clan als waarborg tegen de boze buitenwacht functioneerde, is dat nu de etnische groep met de partij. Iedereen in Bosnië voelt zich slachtoffer, maar vrijwel niemand is bereid aan zelfonderzoek te doen. Dayton heeft de oorlog een halt toegeroepen, maar een driedeling permanent gemaakt en het gaat niet goed in Bosnië. Alle voorwaarden voor normaliteit staan op papier en worden grif ondertekend, maar blijven papieren beloften. In ieder rapport dat ik krijg, staat \"not implemented\", niet daadwerkelijk uitgevoerd dus. Helaas geldt dat voor alle drie bevolkingsgroepen, zowel in de Bosnisch-Kroatische federatie als in de Republica Srpska. Steeds meer instanties spreken dan ook over Bosnië als een protectoraat waar alle belangrijke beslissingen moeten worden genomen door de hoge vertegenwoordiger van de EU. Die worden dan ook genomen. Onlangs is er echter een genomen waarvan ik mij afvraag of het werkelijk onvermijdelijk was. De heer Westendorp verwijderde de door de burgers gekozen president Poplasen die overigens steeds opnieuw een voor het parlement onaanvaardbare premier voordroeg, uit zijn functie. Brengt dat de democratie in de RS dichterbij? Was het écht onvermijdelijk? De grootmacht Rusland lijkt steeds meer op een reus op lemen voeten. De bevolking heeft het lange tijd niet zo slecht gehad. President Jeltsin is zijn gezag kwijt, grote sommen geld, bedoeld om de bankroete economie tot leven te wekken, zijn onvindbaar en niet terechtgekomen bij de doelen waarvoor ze bedoeld waren. De communisten schreeuwen steeds luider hun oude slogans, waarbij helaas ook het aloude antisemitisme weer vrijuit en ongestraft geuit kan worden. Doema-lid Makasjov, niet de eerste de beste, roept in zijn eigen regio om de huizen van Joden in brand te steken, want \"die hebben het kapitaal weer\", en zijn communistische fractieleider neemt er helaas genoegen mee wanneer hij zegt het niet meer te zullen doen. Op 19 maart heeft de Doema voor de tweede keer een motie verworpen om dit gedrag aan de kaak te stellen, met slechts 104 stemmen vóór van de benodigde 226, en hekelde de Russische media die te veel de nadruk leggen op \"het gevaar van het Russische fascisme\". Waar in verdragen en conventies naar de burgers toe terecht de indruk wordt gewekt dat mensenrechten universeel zijn, blijkt in de harde realiteit van buitenlands beleid dat belangen en daarmee gepaard gaande verborgen agenda's geen gelijke behandeling waarborgen. Wie had het ook alweer over idealisme? Onverschilligheid, c.q. cynisme toelaten, dan wel je ogen hiervoor sluiten, is naar de mening van D66 echter ontoelaatbaar, zeker voor politici, ook al zijn wij niet blind voor de diverse belangen en herkennen wij soms de verborgen agenda. Daarom is de rol van de VN onmiskenbaar. Als deze organisatie niet bestond, zou zij acuut moeten worden uitgevonden, maar ik wil toch iets kwijt over de manier waarop deze organisatie thans functioneert. Tien jaar geleden viel mij de eer te beurt een aantal weken als lid van de Nederlandse delegatie de Algemene Vergadering bij te wonen. Toen leek de wereld nog overzichtelijk want zij bestond uit twee machtsblokken. De Algemene Vergadering was een noodzakelijk podium waar vertegenwoordigers van beide blokken elkaar konden ontmoeten. Exact in die periode ging de Berlijnse Muur omver. Daarna is jarenlang gepleit voor herstructurering van de VN, want de situatie vroeg aanpassing. De VS maakten dat zelfs tot voorwaarde om althans een deel van hun contributie te betalen. Kofi Annan, de huidige Secretaris-Generaal, is erin geslaagd een deel van de herstructurering door te voeren. Vorig najaar was ik terug in New York. Allereerst een positieve ervaring. Europa spreekt daar met één stem. Alle landen die bij de EU willen horen, sluiten zich daarbij aan om maar te laten zien hoezeer zij al klaar zijn voor de EU. Daarnaast, voorzitter, was ik geschokt. Conflicten in Afrika schreeuwen om een scheidsrechter, die het gezag heeft een einde te maken aan de steeds verder escalerende geweldexplosies, zie Sierra Leone. Als de VN het niet doet, wie dan wel? Wie doet er wat aan kindsoldaten, aids, aan honger? De lijst is niet uitputtend, maar ik heb mijzelf een spreektijdbeperking opgelegd. En daar zitten dan die vertegenwoordigers en praten drie maanden over de 184 punten op de agenda en zijn uitermate tevreden wanneer de resolutie van het vorige jaar van twee nieuwe woorden is voorzien en voor volgend jaar opnieuw op de agenda geplaatst. Max van der Stoel, terecht door de Nederlandse regering voorgedragen voor de Nobelvredesprijs, rapporteert over zijn bezoek aan Irak; bepaald niet gemakkelijk. Hij wordt beleefd aangehoord, door de lrakese vertegenwoordiger voor de zoveelste keer van alles en nog wat beschuldigd, en daarmee hebben we dat agendapunt ook weer gehad! Voor een daar tamelijk loslopende volksvertegenwoordiger een nogal frustrerende aangelegenheid, met name omdat de eigenlijke agenda in de Veiligheidsraad besproken wordt, maar die is voor volksvertegenwoordigers en niet-leden niet toegankelijk. Ik zou de minister van Buitenlandse Zaken in overweging willen geven om met zijn staf te bekijken of het mogelijk is de volgende punten aan Kofi Annan voor te leggen: schrap een aantal ieder jaar terugkerende punten op de Algemene Vergadering, voer een spreektijdbeperking in, waardoor de vergadertijd van de Algemene Vergadering met minstens de helft kan worden bekort en kijk of het geld dat daarmee beschikbaar komt, wellicht besteed kan worden voor de Mensenrechtencommissie in Genève, die beslist frequenter moet vergaderen wil zij effectief hóren en kunnen opereren. Voorzitter! De EU. Hoewel wij in dit huis bij de vaststelling van het Verdrag van Amsterdam een uitgebreid Europa-debat hebben gevoerd, wil ik ook in dit debat een passage aan de EU wijden. Ik roep daarbij even in herinnering dat ik toen meldde, dat van een aantal EU-commissarissen de politieke kleur niet te achterhalen viel. Daar werd toen van regeringszijde – minister Van Aartsen zal zich dat herinneren – nogal wat schamper om gelachen. Ik weet vrijwel zeker dat bij de benoeming van de nieuwe commissarissen de politieke groepering een veel belangrijker rol zal spelen. Het is zonder meer duidelijk geworden dat een kleurloze compromisfiguur niet voldoet als voorzitter van de Europese Commissie. Wat dat betreft, is het door andere regeringsleiders kandidaat gesteld worden van onze minister-president Kok niet alleen voor de PvdA, wiens leider hij is, een compliment, maar ook voor het Nederlandse poldermodel, waarvan hij de bepaald niet kleurloze vertegenwoordiger bij uitstek is. Overigens verwachten wij dat het de Italiaan Prodi wordt, maar over vijf jaar is Kok misschien nog in de markt. Waar socialisten en christen-democraten begin dit jaar, nadat aanhoudende berichten over fraude en vriendjespolitiek niet meer binnenskamers te houden waren, nog niet tot wegsturen durfden over te gaan, kan het Europees Parlement in de periode na de komende verkiezingen in een toegenomen dualistische politiek met een schone lei beginnen, gesteund door de toegenomen bevoegdheden van het Verdrag van Amsterdam. Maar er is een probleem. Van het Nederlandse lid van de Europese Rekenkamer, de heer Engwirda, heb ik begrepen dat het gebrek aan transparantie op het financiële vlak voor een groot deel veroorzaakt wordt doordat in de EU twee financiële systemen gehanteerd worden. Het ene is het Angelsaksische systeem, waarbij financiële uitgaven transparant geacht worden te zijn, en achteraf controleerbaar, ons systeem dus. Het andere, wat ik nu voor het gemak maar even het Zuid-Europese systeem noem, waarbij als maar eenmaal aan de voorwaarde voor het verkrijgen van subsidie is voldaan, controle achteraf zo summier is, dat de weg naar fraude en vriendjespolitiek te gemakkelijk begaanbaar wordt. Dat verklaart dan ook de houding van de verongelijkte, pruillip trekkende Edith Cresson. Zij begrijpt tot op heden nauwelijks dat zij van iets onoorbaars wordt beschuldigd. Het begrip \"netwerk\" heeft kennelijk in de diverse landen van Europa nog een geheel verschillende invulling. D66 dacht dat met de keuze voor Frankfurt en Wim Duisenberg het Angelsaksische systeem hét financiële Europese systeem was geworden, maar in tegenstelling daarmee blijkt nog steeds in twee systemen gedacht en gewerkt te worden, wat des te frustrerender werkt omdat een groot deel van de controle nog nationaal gebeurt. Dat brengt mij tot een vraag aan de minister van Buitenlandse Zaken. Is de opdracht voor de nieuwe voorzitter van de EC, in de nieuwe periode te gaan werken met één financieel systeem en met minder geldstromen die, aan adviseurs gegeven, in rapporten neerslaan? Kortom, komt er een systeem aan de hand waarvan het voor de Europese burger transparant en duidelijk wordt wat er met zijn belastinggeld gebeurt? Wordt dit morgen in Berlijn besproken? Dat is erg belangrijk, voordat de uitbreiding met de nieuwe Oost-Europese landen plaatsvindt. En overigens, voorzitter, ben ik van mening de heer Van Buitenen, \"de klokkenluider\", weliswaar de fout inging toen hij het financiële wanbeheer naar buiten bracht, maar tegelijkertijd zozeer in zijn inhoudelijk gelijk inzake fraude en vriendjespolitiek door het Rapport van Wijze Mannen is bevestigd, dat begrip voor het lekken na een jaar vruchteloze pogingen om het intern aan te kaarten de overhand dient te krijgen. Concreet: is de minister het met D66 eens, dat het een goed gebaar zou zijn wanneer de nieuwe voorzitter hem met onmiddellijke ingang terugkeer in zijn functie verleent? Voorzitter! Mijn excuses aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking voor het feit dat ik het verhaal dat ik nu ga houden en dat op haar terrein betrekking heeft niet heb uitgeschreven. Ik zal proberen binnen mijn spreektijd te blijven en houd het dus kort. Mijn fractie is het ermee eens dat ontwikkelingssamenwerking effectief en narekenbaar moet zijn. Ik sprak net over transparantie. De burger heeft daar gewoon recht op. In de pers is in dat verband de term \"ontpronken\" ontstaan. Ik vind dat een onaardige term. Ik hoop dat de minister wil uitspreken dat zij dit ook vindt. Wij hadden hier met Pronk vaak boeiende discussies, waarin hij lang aan het woord was, maar zijn bevlogenheid werd in dit huis zeer gewaardeerd, evenals zijn bereidheid om terug te komen op een ingeslagen weg als bleek dat het beleid langs die weg niet werkte. Ik twijfel er niet aan dat deze minister dezelfde bevlogenheid heeft. Ik hoop dat zij ook de bereidheid heeft om, als een plan niet zo goed werkt, daarop terug te komen. Door anderen is al gezegd dat de drie door de minister gehanteerde criteria niet waterdicht zijn. Wat is kwaliteit van bestuur? Wij hebben al eens eerder gezegd: wij willen zien hoe een land bijvoorbeeld omgaat met zijn defensiebudget. Maar dacht je dat iemand in dat land daarachter kwam? Dat is een van de grootste geheimen in dat land. Laat staan dat wij daarachter komen. Als wij via een bilaterale overeenkomst een land geld geven, heeft dat land geld om leuk speelgoed, c.q. wapens voor mannen te kopen. Daar is dan geen sprake van goed bestuur. Verder wil de minister dat de FMO's meedoen aan de bezuinigingen die zij opgelegd krijgt. Ik denk dat deze eis terecht is. Het mag niet gebeuren dat FMO's autonoom doorgroeien, terwijl op de rest van het budget gekort wordt. Bespreken van het beleid van de FMO's is prima, maar er echt greep op willen hebben, lijkt mij een stapje te ver. Ik zou graag van de minister willen horen dat zij het zo niet heeft bedoeld. Over transparantie gesproken: als zij zoveel van haar budget aan de Wereldbank geeft, hoe staat het daar dan met die transparantie? Hoe wordt duidelijk voor de burger welk deel van het geld bij de Wereldbank blijft hangen in adviseurs en rapporten? Ook daarover horen wij graag meer. Voorzitter! Wij kunnen ons vinden in de nieuwe lijn van meer duidelijkheid en meer efficiëntie, mits geen goede projecten worden weggegooid. Ik denk aan projecten die gewoon werken en die in de loop van de jaren gebleken zijn effectief te zijn. Daarover heb ik nog weinig gehoord en gelezen. Zo noem ik in de trilaterale sfeer het Afrika-Israël-Nederland-project. Jarenlang loopt dat goed. Mensen uit Afrika die anders niet kunnen studeren, krijgen in dit project in Israël een beurs om specifieke projecten die voor Afrika van belang zijn, met Israëlische kennis te ontwikkelen. Nederland steunt dat programma. Israël is best bereid om de 25% bijdrage te verhogen, maar je kunt dat land toch niet afrekenen op het feit dat haar bevolking vanwege het gemiddelde inkomen buiten de grens van de 19 landen valt? Dáár ging het toch niet om? Het ging er toch om dat Afrika werd geholpen, dat per jaar 600 Palestijnen aan deze projecten kunnen meedoen? Dan moet je toch zeggen dat het een goed project is en dan kun je het toch niet laten vallen, alleen omdat Israël volgens de gestelde criteria te rijk is?! Graag hoor ik van de minister dat zij op dit soort punten ook met andere criteria wil werken. Hetzelfde geldt voor de kleine-ambassadeprojecten. Deze projecten zijn altijd heel effectief. Ze zijn heel transparant en kunnen derhalve goed door Nederland worden gecontroleerd. Als de minister nu toch met het beleid bezig is; is het dan niet mogelijk om de kleine-ambassadeprojecten uitzicht te geven op verdubbeling van het budget? Daarmee kunnen kleinschalige, goede projecten worden gesteund. Bovendien zitten we er zelf bovenop. Immers, er is altijd een ambassade bij ingeschakeld. Ook projecten van kleine NGO's werken goed. Heel veel mensen in Nederland zijn daarbij actief. Vroeger bestonden daarvoor verdubbelingsprogramma's die erop neerkwamen dat Ontwikkelingssamenwerking het budget verdubbelde dat de mensen zelf bij elkaar wisten te garen. Dan moest het natuurlijk gaan om een project dat paste binnen de beleidslijnen van het ministerie. Dat houdt de bewustwording in Nederland in stand, dat ontwikkelingssamenwerking goed en nodig is. Ik zou het bijzonder betreuren als al dit soort projecten werd getroffen door de botte bijl." 1999-06-01;"";02689;"";h-ek-19981999-1509-1519.1.1.1;"Afscheid leden ";55093;56;"Geachte medeleden. De toelating van nieuw gekozen leden van de Kamer luidt het einde in van de zittingsperiode die op 13 juni 1995 is begonnen en die volgende week een einde neemt bij de aanvang van de dag waarop de eerste vergadering plaatsvindt van de Kamer in haar nieuwe samenstelling. Het is het einde van een zittingsperiode die zolang betrekkelijk rustig leek te zijn, maar die tegen het einde, op 18 mei, eigenlijk in de vroege ochtend van 19 mei van dit jaar, leidde tot een van de heftigste conflicten, zo niet het heftigste conflict, waarbij de Eerste Kamer betrokken was. Uit historisch oogpunt was wat er gebeurde uniek. Over het politieke aspect laat ik mij in dit stadium en in deze functie niet in het openbaar uit. In ruim honderd jaar zijn er welgeteld vier voorbeelden van bewindslieden die besloten tot indiening van hun ontslag na een uitspraak van de Eerste Kamer: drie ministers en één staatssecretaris. Op 24 februari 1890 trad de antirevolutionaire minister van Koloniën, mr. L.C.W. Keuchenius, af na de verwerping van zijn begroting, vooral door de liberale oppositie in de Eerste Kamer. Hij werd opgevolgd door de minister van Binnenlandse Zaken Mackay, de naamgever van het kabinet, die op zijn beurt werd opgevolgd door De Savornin Lohman. Het kabinet haalde vervolgens de verkiezingen van 1891. Het tweede geval deed zich voor in 1907. Anders dan in 1890 was het toen een liberaal kabinet. De minister van Oorlog, H.P. Staal, zag zijn begroting door de Eerste Kamer verworpen en nam op 8 april 1907 ontslag. In de Tweede Kamer had Staal overigens ook te kampen gehad met heftige oppositie van de toenmalige rechterzijde, maar daar overleefde hij tijdens wat toen de nacht van Staal werd genoemd. Toen beleefden ministers hun nachten; sedert 1966 zijn dat Kamerleden. Staals opvolger Van Rappard ging het nog minder voorspoedig. Zijn begroting werd het jaar daarop, op 12 februari 1908, door de Tweede Kamer verworpen en dat was het eind van het kabinet-De Meester. Nog eenmaal liet de Eerste Kamer op zo dreigende wijze haar tanden zien dat een minister besloot zijn ontslag in te dienen. Dat was in 1927, toen de Eerste Kamer het Nederlands-Belgisch verdrag verwierp. Er was een uitgebreide protestbeweging aan vooraf gegaan, een buitenparlementaire actie, ik zou haast zeggen een soort consultatieve referendumbeweging die door de Eerste Kamer werd gehonoreerd. Op 1 juni 1958 ten slotte trad de staatssecretaris van Oorlog Kranenburg af wegens gebrek aan vertrouwen in de Eerste Kamer inzake het in de helmenaffaire gevoerde beleid. Nadien leidden verworpen wetsvoorstellen, zelfs verworpen voorstellen tot grondwetsverandering, gedurende bijna 41 jaar niet meer tot het aftreden van ministers of staatssecretarissen, laat staan van kabinetten. Het hangt mede van de inventiviteit van de oud-voorzitter dezer Kamer, mijn voorganger, af of de stemming van 19 mei definitief leidt tot de val van ministers of een heel kabinet, dan wel of het feit dat de Tweede Kamer niet van gebrek aan vertrouwen deed blijken de doorslag geeft en de crisis terugbrengt tot een incident, een ernstig incident. De Kamer in deze samenstelling heeft tot en met de vergadering van vandaag niet minder dan acht voorstellen verworpen, waaronder twee grondwetsveranderingen in tweede lezing. De Kamer heeft in tweede lezing de vervanging van volksvertegenwoordigers bij zwangerschap en het correctief referendum verhinderd. Dat waren de laatste twee voorbeelden uit een vrij lange reeks van veertien grondwetsvoorstellen die sedert 1945 in de Eerste Kamer zijn verworpen. Daarbij ging het meestal al bij de eerste lezing mis. De Eerste Kamer heeft dus al vaker haar tanden laten zien als het om de Grondwet ging en het behoeft ook niet te verbazen. De eis van twee lezingen, ook door de Eerste Kamer, en van een versterkte meerderheid bij de tweede lezing geeft aan dat de grondwetgever de Eerste Kamer zeer uitdrukkelijk een evenwaardige taak naast de Tweede Kamer heeft gegeven als het om verandering van de Grondwet gaat. Het laten vervallen van de eis van ontbinding van de Eerste Kamer en nieuwe verkiezing van die Kamer tussen de eerste en de tweede lezing heeft niets te maken met vermindering van het gewicht van de eigen rol die de Eerste Kamer bij grondwetsverandering is toebedeeld, maar houdt slechts verband met het feit dat de Kamer sedert 1983 in haar geheel wordt gekozen en dat ontbinding en nieuwe verkiezing bij gelijkblijvende samenstelling van provinciale staten in de gedachtegang van de grondwetgever niet tot politieke verschuivingen zou leiden. In die gedachtegang was kennelijk niet verdisconteerd dat statenleden zich bij het uitbrengen van hun stem kunnen vergissen, maar dat de grondwetgever zo'n grote domheid niet in de beschouwingen betrok, acht ik vergeeflijker dan de domheid zelf. De grondwetgever hield echter ook geen rekening met de mogelijkheid dat regionale partijen en belangengroepen in de staten hun krachten zouden bundelen of door het stemmen op een der grote partijen een geringe verschuiving teweeg zouden brengen. Dat juist bij grondwetsveranderingen geringe verschuivingen de doorslag kunnen geven, weten wij sinds twee weken geleden. Wat de pers de \"nacht van Wiegel\" is gaan noemen, was in feite de nacht van Batenburg en Hendriks. Zij immers stemden in eerste lezing voor en in tweede lezing tegen. Ik stel bij de gang van zaken op 18 mei dus toch nog maar de vraag, of het in één keer verkiezen van de Eerste Kamer en het dientengevolge laten vervallen van de ontbinding wel zo wenselijk is gebleken als de grondwetgever destijds dacht. Ik kom op dat punt straks nog terug. Ik had het over de door deze Kamer sedert 13 juni 1995 verworpen wetsvoorstellen. Behalve de twee grondwetsveranderingen die in tweede lezing sneuvelden, waren dat de wijziging van de Huurprijzenwet woonruimte (versterking positie van de huurder), de wijziging van de Visserijwet 1963 wegens de kwestie van de vrije hengel, de samenvoeging van Boekel, Udel en Veghel, de geestelijke zorg in Voorzitterjustitiële inrichtin gen, het initiatiefvoorstel-Rosenmöller inzake bevordering van deeltijdarbeid en de onverenigbaarheid van het lidmaatschap adviescolleges met het lidmaatschap van de Staten-Generaal. Acht wetsvoorstellen, tegen slechts één in de zittingsperiode 1991-1995, toen het juist het optreden van het betreurde lid Kaland was dat het beeld opriep dat de Eerste Kamer niet met zich liet spotten en in ieder geval niet bestond uit \"stemvee\", om hemzelf te citeren. Het laat een belangrijk feit zien. Om invloed uit te oefenen en effectief op te treden hoeft de Eerste Kamer lang niet altijd tegen te stemmen. Integendeel, in de periode dat Kaland voor de grootste fractie de toon zette, werden in het geheel geen wetsvoorstellen verworpen. Het lijkt een paradox, maar ik acht het zeer wel mogelijk dat historici tot de conclusie komen dat het bijna niet tegenstemmen tijdens de zittingsperiode 1991-1995 minstens zo effectief of misschien wel effectiever was dan het acht keer tegenstemmen in de periode daarna. Meestentijds immers oefent de Kamer haar invloed voornamelijk uit door toezeggingen betreffende de uitvoering of de uitvoeringsregels, novellen of reparatiewetgeving af te dwingen of, zoals wij sedert vanmiddag weten, een bezemwet. Soms ook kiest de regering de wijste partij door het wetsvoorstel in te trekken, zoals bij de wijziging van de Wet op het Nederlanderschap en de beoogde verhoging van de retributie voor het testamentenregister. Die invloed kan de Kamer uitoefenen dankzij haar bevoegdheid een wetsvoorstel te verwerpen. Het is een krachtig wapen dat zijn scherpte juist behoudt door het weinig te gebruiken. Zolang het scherp is, kan de Kamer er effectief mee schermen. Als voorzitter zal ik mij, zeker op dit moment, onthouden van het geven van meningen over de vraag of het arsenaal van de Kamer uitbreiding behoeft, bijvoorbeeld met een terugzendrecht. Wel vraag ik aandacht voor een mogelijke andere paradox of misschien wel inconsequentie. Ondanks het feit dat het terugzendrecht vele pleitbezorgers kent, ook of misschien wel juist in de Tweede Kamer, stuitte in die Kamer de gedachte aan herindiening van het verworpen referendumvoorstel aanvankelijk op bezwaren. Volgens sommigen zou ongewijzigde herindiening van gebrek aan respect voor de Staten-Generaal getuigen. Opnieuw in de Tweede Kamer aanhangig maken door tussenkomst van de regering zou dus niet mogen, maar opnieuw in de Tweede Kamer aanhangig maken door terugzending door de Eerste Kamer wél? Ik laat het nu maar even bij deze vraag, maar verbind daaraan wel de vaststelling dat ik het bijzonder betreur dat de regering niet de kans heeft genomen om nog met de Kamer in haar huidige samenstelling een gedachtewisseling te voeren over mogelijke wijzigingen in de wijze van verkiezing en de bevoegdheden van de Kamer. Het regeerakkoord bevat daarover een passage. Zonder iets ten nadele van de nieuwe Kamer te willen zeggen, heeft het voeren van een dergelijke discussie meer zin met een Kamer die bestaat uit leden met ten minste drie jaar ervaring, dan met een Kamer die voor 45,3% uit nieuwe leden bestaat. Nu geef ik toe dat veel van die nieuwe leden een ruime politieke ervaring hebben, vaak zelfs als lid van de Tweede Kamer of als minister of staatssecretaris. Bij de discussie die ik zojuist aanduidde, speelt echter juist de eigen ervaring als lid van onze Kamer een rol: de stijl, de werkwijze, de overwegingen die hier van belang zijn, de erkenning van het politieke primaat van de Tweede Kamer en in verband daarmee de sterke geneigdheid een wetsvoorstel te aanvaarden, maar soms ook de frustratie dat het \"tegen\" op grond van de kwalitatieve toetsing moet wijken voor het \"voor\" op grond van de politieke afweging. Want stel u eens voor, dat de kwalitatieve overwegingen altijd de doorslag zouden geven en niet de politieke: het is maar zeer de vraag of de schade voor de regering dan tot acht verworpen wetsvoorstellen beperkt zou zijn gebleven. Een discussie met leden die de ervaringen die ik zojuist noemde, nog missen, is minder zinvol dan een discussie met ervaren leden van deze Kamer, zoals degenen die hier vandaag voor het laatst in ons midden zijn. En daarmee kom ik terug op de verkiezing van de Eerste Kamer ineens, in plaats van, zoals vóór 1983, in twee gedeelten, behalve in het geval van ontbinding wegens grondwetsverandering. Een grote vernieuwing: 34 van de 75 leden, ofwel 45,33% van de Kamer, gaan ons vandaag verlaten en voor hen doen volgende week 34 nieuwe leden hun intrede. Dat is een grote verschuiving, die goeddeels verband houdt met het feit dat de gehele Kamer in één keer wordt gekozen. Want vier jaar geleden was de verschuiving bijna even groot: toen verlieten 33 leden de Kamer, ofwel 44%. Er zijn ook andere oorzaken: de voorkeurstemmen bij statenleden van de Partij van de Arbeid leidden tot het niet beoogde vertrek van twee leden. De door velen niet verwachte gunstige verkiezingsuitslag voor het CDA – opiniepeilingen zijn toch heel wat anders dan stemmingen – leidde tot de uittocht van meer ervaren leden van de CDA-fractie die bereid waren plaats te maken voor nieuw bloed, dan bij betere verwachtingen het geval zou zijn geweest. Maar de hoofdoorzaak is toch, dat er na vier jaar een geheel nieuwe Kamer komt. Nu realiseer ik mij natuurlijk ook wel dat dat in dit geval van grondwetsverandering, in het systeem van vóór 1983 ook het geval zou zijn geweest. Maar dan zou de helft van de Kamer vorig jaar al nieuw zijn gekozen en degenen die door de combinatie van statenleden toen gekozen zouden zijn, zouden nu vermoedelijk zijn gehandhaafd. Het oude systeem leidde tot minder abrupte veranderingen in de samenstelling van de Kamer. Nu weet ik wel dat mij kan worden tegengeworpen – en de heer Jurgens zal dat te eniger tijd zeker doen – dat het toch vreemd is om een mindere mate van representativiteit te bepleiten, nu het huidige systeem meer representativiteit biedt. Daartegenover stel ik, dat de representativiteit van een indirect gekozen Kamer toch al een zeer betrekkelijke is en dat het geen kwaad kan die betrekkelijkheid nog eens te accentueren. Het gaat om een afweging tussen behoud van ervaring en vergroting van een toch maar betrekkelijke representativiteit. Die betrekkelijke representativiteit versterkt de overtuiging dat wij het politieke primaat aan de Tweede Kamer moeten laten. Onze ervaring komt ons gezag als Kamer van rechtsstatelijke kwaliteitszorg ten goede. Verbetering van onze representativiteit vergroot de kans op conflicten met de Tweede Kamer. Ik verwijs naar de argumentatie daarvoor van ons vroegere medelid, thans staatsraad Vis. Voor het behoud van onze kwaliteit is onze ambtelijke ondersteuning van groot belang. Bij het vervullen van onze taken worden wij ter zijde gestaan door een klein ambtelijk apparaat: de griffie en de andere medewerkers van de Kamer. De werkdruk is vooral op de dinsdagen zeer groot en dus ongelijkmatig over de week en over het jaar verdeeld. Dat stelt bepaalde eisen aan degenen die hier werken, die vaak afwijken van het overigens in overheidsdienst geldende patroon. Het zou overigens een misverstand zijn te veronderstellen dat tussen de dinsdagen in, alleen maar wordt afgewacht en uitgezien naar de volgende dinsdag. In de afgelopen vier jaren is mede van buitenaf onderzoek verricht en tot een transformatieproces besloten, met als doel binnen de organisatie een grotere flexibiliteit en betrokkenheid bij het geheel te verkrijgen. Daarbij is ook gebruikgemaakt van de bij de overheid geschapen mogelijkheid van interim-functievervulling. Aldus was plaatsvervangend griffier Nieuwenhuizen anderhalf jaar werkzaam bij de gemeente Zoetermeer en werd zijn plaats vervuld door een wetgevingsambtenares van het ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, mevrouw Heijnis, die ons aan het eind van haar tijdelijke werkzaamheden node verliet, terwijl de heer Nieuwenhuizen met vreugde terugkeerde. Enkele vertrouwde bodes en Kamerambtenaren verlieten ons wegens het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd of wegens vervroegde uittreding, terwijl ons door de dood ontvielen onze eveneens in het kader van interim-functievervulling bij de Kamer werkzame medewerker Fred van Hoorn en de directeur van de Stenografische dienst, de heer Stegeman. Alvorens afscheid te gaan nemen van de 32 leden die vandaag voor het laatst in ons midden zijn, breng ik in herinnering dat van de 75 leden met wie wij op 13 juni 1995 onze werkzaamheden aanvingen tijdens de zittingsduur van vier jaren ons twee medeleden zijn ontvallen: onze medeleden Van Aardenne en Grewel. Van Aardenne, die zijn sporen in de Tweede Kamer en in twee kabinetten had verdiend, één van degenen die meewerkten aan de totstandkoming van het eerste kabinet-Kok. Slechts heel kort, veel te kort, hebben de Kamer en de VVD-fractie van zijn grote gaven kunnen profiteren. De naam van Annemarie Grewel is onafscheidelijk verbonden met Amsterdam en de raad van die stad en met de Partij van de Arbeid en de door haar efficiënt en met de meest effectieve humor voorgezeten congressen van die partij. Als tweede ondervoorzitter en dus lid van de Huishoudelijke Commissie droeg zij naast het gewone Kamerwerk dat zij verrichtte als lid van haar fractie, bij aan het organisatorisch juist functioneren van de Kamer. Helaas ook veel te kort. Vijf andere leden verlieten de Kamer om uiteenlopende redenen: de voorzitter van de fractie van de Partij van de Arbeid, Van den Berg, werd directeur van de Vereniging van Nederlandse gemeenten, zijn opvolger, Cohen, werd op 3 augustus 1998 staatssecretaris van Justitie, de op 13 juni 1995 herkozen voorzitter van de Kamer, Tjeenk Willink, werd vice-president van de Raad van State en verliet deze Kamer op 11 maart 1997. Het D66-lid Staal, een ander dan de op 8 april 1907 hier ten val gebrachte Minister van Oorlog van de Nacht van Staal, werd commissaris van de koningin in Utrecht, en verliet ons per 1 januari 1998. De heer De Wit van de Socialistische Partij ging na de Tweede-Kamerverkiezingen van 6 mei 1998 op 19 mei van dat jaar de gelederen van zijn partij in de Tweede Kamer versterken. Na dit overzicht wordt het nu de hoogste tijd om van de 34 leden die defungeren, afscheid te gaan nemen. Twee van hen sprak ik reeds toe: onze oud-voorzitter Steenkamp op 18 mei jongstleden, de laatste vergadering waarbij hij in ons midden kon zijn, en de heer Scholten, die thans in Zuid-Afrika als verkiezingswaarnemer optreedt, vorige week. Van de 32 anderen neem ik zo direct afscheid met een persoonlijk woord, waarvan ik hoop dat het kort genoeg is om u allen tot de laatste toe te blijven boeien, en lang genoeg om voor de betrokkene voldoende aandacht te geven aan het belang van dit moment, in veel gevallen het einde van een politieke loopbaan, culminerend in het lidmaatschap van dit Hoge College van Staat, in een aantal gevallen een teleurstellend vroeg einde als gevolg van gewijzigde opvattingen van de kiezers of van degenen die bij hun besluiten over de kandidaatstelling ingrijpende beslissingen namen over de politieke carrière van hun vooraanstaande partijgenoten die het lidmaatschap van deze Kamer hadden verworven. Ik neem eerst afscheid van hen die na een gedeeltelijke zittingsperiode de Kamer verlaten. Maar voordat ik dat doe, moet ik nog een kleine uiteenzetting geven. Sommigen van de vertrekkende Kamerleden zullen een koninklijke onderscheiding ontvangen. Sedert het nieuwe decoratiestelsel komen vertrekkende leden van de Staten-Generaal in aanmerking voor een onderscheiding in de Orde van Oranje-Nassau, als zij tweemaal zijn herkozen en ten minste tien jaar deel hebben uitgemaakt van de Staten-Generaal. Vertrekkende leden van de Staten-Generaal komen daarvoor ook in aanmerking, als zij niet tweemaal zijn herkozen en tien jaar deel hebben uitgemaakt van de Staten-Generaal, maar als zij wel samen met een lidmaatschap van provinciale staten en/of een gemeenteraad ten minste twaalf jaar van Staten-Generaal en één of meer van deze andere vertegenwoordigende lichamen deel hebben uitgemaakt. Er zijn dus ook vertrekkende leden die niet voor zo'n onderscheiding in aanmerking komen. Ik zeg dit om onrust bij de toegestroomde genodigden te voorkomen. Er zijn dan nog drie redenen waarom iemand die volgens de zojuist genoemde regels wel voor een onderscheiding in aanmerking komt, er toch geen krijgt. De eerste reden is dat ik mij kan vergissen of mij vergist heb bij het aanvragen. De tweede reden is dat er leden zijn die om hen moverende redenen de hun toekomende onderscheiding weigeren. Dat kan weer samenhangen met de in hun ogen – en niet alleen hun ogen – vreemde consequenties van de samenloop van het oude en het nieuwe decoratiestelsel, het kan ook gebaseerd zijn op staatkundige opvattingen van de betrokkene omtrent het stelsel van koninklijke onderscheidingen. De derde reden ten slotte is, dat de betrokkene reeds eerder is onderscheiden in de Orde van Oranje-Nassau, en meestal hoger. Indien er een koninklijke onderscheiding is verleend, deel ik dat mede in mijn persoonlijk afscheidswoord. Ik stel mij echter voor, de bijbehorende versierselen uit te reiken aan het einde van mijn afscheidstoespraak. Ik zal dan de decorandi uitnodigen, zich van hun zetels te verheffen en zich op te stellen voor de regeringstafel om aldaar gedecoreerd te worden. Na dit decoratieve uitstapje noem ik als eerste mevrouw Maas-de Brouwer, lid van de Kamer sedert 8 september 1998. Zij was de laatst toegetredene, nog na de heer Scholten, van wie ik vorige week afscheid nam op een ogenblik dat ik mevrouw Maas na vandaag nog terug verwachtte. Voor haar is het een extra teleurstelling dat zij, anders dan de bevoegde organen van haar partij het hadden beoogd, als gevolg van voorkeurstemmen op anderen en in strijd met haar gerechtvaardigde verwachtingen niet terugkeert. Van haar is de uitspraak: \"Een werkgever is als een tram waarin je meerijdt totdat je vindt dat je moet overstappen.\" De Eerste Kamer is geen werkgever en geen tram, maar niettemin wordt haar plaats ingenomen voordat zij het plan had uit te stappen. En dat is zeer te betreuren, want voor de Kamer was zij een aanwinst en over het verlies aan ervaring sprak ik al. Gelet op haar leeftijd en op haar plaats op de lijst zien wij haar wellicht over enige tijd weer in ons midden terugkeren. Tot de groep later toegelaten leden behoren ook de heren Meeter en Stoffelen. Meeter, een ervaren advocaat, vervult sedert 11 maart 1997 de plaats van de toen uitgetreden oud-voorzitter Tjeenk Willink. Hij is een praktijkjurist, en dat heeft de minister van Justitie uit het vorige kabinet geweten, toen Meeter het wetsvoorstel inzake splitsing van vennootschappen confronteerde met de praktijk, de praktijk van het insolventierecht, waarin hij zijn sporen had verdiend. Tijdens de laatste vergadering wijdde hij zich nog aan het erfrecht, dat hij in zijn eindafweging positief beoordeelde, ondanks de kritische vragen van de bijzondere commissie voor het Nieuwe Burgerlijk Wetboek. Vanwege zijn kennis van de rechtspraktijk zien wij hem node vertrekken; dat sterkt hem misschien, nu hij zijn vertrek node ondergaat. Een schrale troost voor hem is dat de aanvaarding van Boek 4 hedenmiddag hem in staat stelt, het opstellen van een testament nog even uit te stellen. De heer Stoffelen zag na een jarenlange strijd in de Tweede Kamer voor betere organisatie, scholing en werkwijze van de Nederlandse politie zijn carrière in deze Kamer vorige week bekroond met een debat over de implementatie in de wet van de resultaten van het werk van zijn politieke vriend en strijdmakker Van Traa. Hij voerde daarover het woord. Zijn politieke loopbaan had ook een internationale dimensie: van 1973 tot 1994 was hij lid van de Assemblee van de West-Europese Unie en van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa, en tijdens zijn lidmaatschap van deze Kamer was hij enige malen op het grondgebied van het voormalige Joegoslavië, onder andere als verkiezingswaarnemer. Maar de kroon op zijn politieke loopbaan bestond naast het lidmaatschap van deze Kamer uit het voorzitterschap van de Socialistische fractie van de Raadgevende interparlementaire Beneluxraad, beter bekend als het Beneluxparlement, van welk parlement hij ten slotte voorzitter werd. Helaas komt aan die eervolle functie nu ook een einde. Ik kom dan tot een wat grotere groep van leden die na één volledige zittingsperiode van vier jaar niet terugkeren: de heren Batenburg, De Haze Winkelman, Hendriks, Hessing en De Jager, mevrouw Linthorst en de heren Lodewijks en Loudon. Voor hen allen begon die zittingsperiode op 13 juni 1995. De heer Batenburg vertegenwoordigde de ouderen en hij sprak namens hen bij de algemene politieke beschouwingen en bij de behandeling van het laatste wetsvoorstel tot grondwetsverandering. Gedurende korte tijd combineerde hij zijn Kamerlidmaatschap met dat van de staten van Noord-Brabant. Zijn gezondheidstoestand belette hem van tijd tot tijd de vergaderingen bij te wonen, maar als hij er was, wist hij zich gesteund door zijn echtgenote, die hem trouw ter zijde stond. De heer De Haze Winkelman, bekend als een strijdlustig man, destijds als directeur van de Vereniging van effectenbezitters, maar ook in zijn partij, onder andere als voorzitter van de Kamercentrale 's-Gravenhage en als lid en fractievoorzitter in de Staten van Zuid-Holland van 1995 tot maart van dit jaar. In deze Kamer was hij woordvoerder bij onder andere belastingvoorstellen, arbeidswetgeving en sociale zaken. Zijn benadering was daarbij altijd principieel gefundeerd en dus niet altijd op kousenvoeten. Dankzij de politieke loopbaan in provinciale staten van Zuid-Holland en nu gedurende vier jaar in de Eerste Kamer van de Staten-Generaal, heeft Hare Majesteit de Koningin besloten hem te benoemen tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Hendriks, net als de heer Batenburg gekozen als vertegenwoordiger van een ouderenpartij, met na korte tijd een nieuwe achterban van senioren, vond uiteindelijk, met ingang van 16 juni 1998, onderdak bij het CDA, waarvan hij enkele maanden tevoren lid was geworden. Dit verloop van de gebeurtenissen bracht mee dat hij eerst als eenmansfractie over een veelheid van onderwerpen zijn licht moest laten schijnen, onder andere bij de algemene politieke beschouwingen, maar ook bij wetsvoorstellen. Binnen de CDA-fractie werd hij defensiewoordvoerder. De heer Hessing heeft zich altijd een zakelijk en bondig woordvoerder getoond op de hem toegewezen terreinen: ruimtelijke ordening en volkshuisvesting. Voorts bij economische zaken, gisteren en vandaag nog bij de Elektriciteitswet, maar ook bij binnenlandse zaken. Zijn hoofdfunctie bij de gemeente Rotterdam bestaat dan ook uit het geven van leiding aan het beleidsterrein van openbare orde en veiligheid. De bekroning van deze zittingsperiode was voor hem ongetwijfeld dat het in veilige haven brengen van het kroonjuweel correctief referendum aan hem was toevertrouwd. Voor de fractie betekent zijn vertrek een gevoelig verlies. Van twee van de vier gekozen leden van zijn partij is echter bekend dat zij ambities koesteren die, als deze in vervulling gaan, niet zullen worden gecombineerd met het lidmaatschap van deze Kamer. De kans dat wij de heer Hessing zullen terugzien, is dan ook geenszins denkbeeldig. De kans dat hij dan weer over het referendum mag spreken, trouwens ook niet. De heer De Jager heeft tot vorige week de hoop mogen koesteren dat de verkiezingsuitslag hem in staat zou stellen zijn werkzaamheden als lid van deze Kamer voort te zetten. Het resultaat van de verkiezing van 25 mei was onzeker tot de voorlopige uitslag bekend werd. Voor de Kamer was hij een onderwijsdeskundige van formaat, een waardig opvolger van de heer Van Boven. Bovendien was hij als onderwijsadviseur van de Nederlandse Antillen en Aruba een kenner van deze landen, met hun gecompliceerde politieke verhoudingen. Het is voor de Kamer en voor zijn fractie te betreuren dat zijn partij hem op een zo riskante plaats op de kandidatenlijst plaatste, daar niet valt te voorzien dat dezelfde onderwijsdeskundigheid of een vergelijkbare kennis van de Caribische Koninkrijksdelen en van Suriname de volgende week in de nieuwe VVD-fractie aanwezig zal te zijn. Mevrouw Linthorst verlaat, evenals haar fractiegenote mevrouw Maas, onverwacht en in strijd met hetgeen de tot kandidaatstelling bevoegde organen van haar partij beoogden, deze Kamer reeds na één zittingsperiode. Haar actief optreden in deze Kamer, onder andere als woordvoerster bij verkeer en waterstaat en op het terrein van de ruimtelijke ordening, rechtvaardigden de verwachting bij vele van haar collega's dat zij haar werk zou mogen voortzetten. Haar deskundigheid op de terreinen van sociale vernieuwing en integratie van minderheden en bevolkingsgroepen met achterstanden rechtvaardigen de verwachting dat zij, strijdbaar feministe als zij is, zich niet uit het politieke strijdperk zal laten verdringen. Wellicht keert ook zij te eniger tijd hier weer terug. De heer Lodewijks, een echte Limburger, een echte bestuurder, is korte tijd gemeenteraadslid in Roermond geweest, maar was vooral lid van provinciale staten van Limburg van 1 april 1974 tot 18 april 1995, waarvan bijna zeventien jaar als lid van gedeputeerde staten, in Limburg overigens député geheten. Hij begon zijn politieke loopbaan in zijn partij op een ogenblik dat het lidmaatschap van die partij in de Limburgse samenleving nog lang niet algemeen geaccepteerd werd. In zijn fractie was hij, vanwege zijn bestuurlijke ervaring, iemand op wie je kunt bouwen, woordvoerder over onder andere waterstaat. Vandaag zelfs nog, namens de gehele commissie; een extra blijk van waardering op de dag van zijn afscheid. Hij hield zich ook bezig met milieu- en natuurbeheer en sinds vanmiddag weten wij, dat hij zich ook bezighield met het bevorderen van de positie van de vrouwen in de besturen, vooral met de positie van vrouwen in waterschappen. Mede vanwege zijn activiteiten in het verleden, maar ook vanwege zijn lidmaatschap van deze Kamer gedurende vier jaar, heeft Hare Majesteit de Koningin besloten de heer Lodewijks te benoemen tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Loudon, een ondernemer met in die hoedanigheid een glansrijke carrière, die na zijn professionele carrière zijn ervaring in dienst van het land heeft willen stellen door het lidmaatschap van deze Kamer op zich te nemen. Zijn kennis en ervaring, opgedaan in het bedrijfsleven, maakten hem niet alleen tot een deskundig woordvoerder bij economische zaken – vandaag sprak hij bij de wijziging van de Elektriciteitswet – maar ook tot een bekwaam milieudeskundige en tot iemand met inzicht in de buitenlandse politiek. De Haagse politiek was voor hem een nieuwe ervaring, waardoor hij waardering kreeg voor het prestatievermogen van de overheid. Die ervaring kon hem evenwel wat de partijpolitieke finesses betreft, niet altijd tot bewondering brengen; bewondering en waardering verwierf hij overigens wel in zijn fractie en ook daarbuiten in hoge mate, en met recht. Zijn vertrek is zijn eigen keuze en betekent voor zijn fractie en deze Kamer een gevoelig verlies. In 1992 deed tussentijds haar intrede in de Kamer mevrouw Luimstra-Albeda, lid van een politieke familie, maar met een geheel eigen stijl en werkwijze en dienstbaar aan haar eigen fractie als fractiesecretaris. Zij was betrokken bij de Europese samenwerking. Zij was dan ook lid van de COSAC. Maar haar voornaamste beleidsterrein was dat van de cultuur. Zij was dan ook plaatsvervangend voorzitter van de vaste Kamercommissie voor cultuur. Veel van haar nevenfuncties betreffen de wereld van de cultuur: het Nederlands Philharmonisch Orkest en De Kubus, centrum voor kunstzinnige vorming te Lelystad. De stichting Bijbels museum, waarvan zij voorzitter is, ligt op het snijvlak van religie en cultuur. In sociale betrokkenheid – ik noem in dat verband: volkswoningbouw en Revalidatiecentrum Amsterdam – is zij een duidelijke representante van haar familie. Op 11 juni 1991 deden hun intrede in de Kamer: de heren Van Dijk en Rongen, de dames Tuinstra en Vrisekoop en de heer Zijlstra. De heer Van Dijk heeft een zeer veelzijdige loopbaan achter de rug. Na in de tweede helft van de jaren vijftig, na de voltooiing van zijn studies, in Zuid-Afrika in het bedrijfsleven werkzaam te zijn geweest, ontpopte hij zich als een toegewijd dienaar van de publieke zaak. Eerst vervulde hij diverse functies in het bestuur van Nederlands Nieuw-Guinea tot vlak voordat het bestuur aan de Republiek Indonesië werd overgedragen. Daarna werden het de OESO in Parijs en de Wereldbank te Washington. Met de aldus verworven kennis werd hij zelfstandig economisch adviseur ontwikkelingssamenwerking en begon hij tegelijkertijd, in 1974, aan een politieke carrière als gemeenteraadslid in Rotterdam. Aansluitend werd hij in 1977 lid van de Tweede Kamer. Met al deze ingrediënten is een belangrijk deel van zijn verdere politieke loopbaan verklaard: minister voor Ontwikkelingssamenwerking in de kabinetten-Van Agt II en III en minister van Binnenlandse Zaken in het kabinet-Lubbers II. Tussen die twee ministerschappen verkreeg hij als lid van de Tweede Kamer grote bekendheid door de wijze waarop hij leiding gaf aan de parlementaire enquête Rijn-Schelde-Verolme en door zijn scherpzinnige ondervragingen. Hij leidde de eerste enquête na de enquête die in de jaren vijftig werd afgesloten en die het te Londen gevoerde regeringsbeleid tot onderwerp had. In deze Kamer getuigde hij van dezelfde toewijding en plichtsbetrachting die zijn functioneren als Tweede-Kamerlid en minister kenmerkten: elke dinsdag aanwezig op het achterste bankje rechts van mij, meestal tot het eind de debatten volgend, ook als hijzelf geen woordvoerder was. Vandaag en gisteren voerde hij weer gedegen het woord bij de behandeling van de Elektriciteitswet. Naast binnenlands bestuur en ontwikkelingssamenwerking hield hij zich dus wederom bezig met economische zaken. De heer Rongen, thans nog vice-voorzitter van zijn fractie, is ook lid van het CDA. Het interessante van leden van de Eerste Kamer is dat zij vaak geen beroepspoliticus zijn geweest, maar pas na een maatschappelijke carrière buiten de politiek hun ervaring gebruiken voor de toetsing van nieuwe wetgeving die hier plaatsvindt. In dit geval is die ervaring opgedaan met een loopbaan van 34 jaar bij DSM Limburg, met als eindfunctie voorzitter van de directie. Zijn nevenfuncties lagen dan ook voor een deel op het terrein van ondernemerschap en economische ontwikkeling: voortreffelijke voedingsbodems voor een lid van deze Kamer dat zich met economische zaken en economische ontwikkeling bezighoudt. Het zijn ook deze soorten van maatschappelijke ervaring die deze Kamer haar toegevoegde waarde voor ons parlementair-democratisch bestel geven. Mevrouw Tuinstra daarentegen kwam weer wel voort uit de politiek: negen jaar lang lid van de Tweede Kamer. Grote bekendheid kreeg zij als indienster van een initiatiefvoorstel inzake euthanasie. Voor haar lidmaatschap van de Tweede Kamer was zij beleidsmedewerker bij het ministerie van Onderwijs en Wetenschappen, eerder fractievoorzitter in de staten van Zuid-Holland en docente. Als actief lid van haar partij, die het altijd met relatief weinig leden moest stellen, moest zij tal van andere functies bekleden om haar partij in het maatschappelijk leven een plaats te laten veroveren. Ik noem NCO, Personele samenwerking met ontwikkelingslanden, Mediaraad, Kiesraad, Raad van overheid en samenleving van de Raad van Kerken, Vrouwenbelangen, Man-Vrouw-Maatschappij, Centrum voor parlementaire geschiedenis; er zijn er nog meer geweest. In deze Kamer waren haar beleidsterreinen onderwijs, volksgezondheid en welzijn. Iemand met zo'n groot verleden komt ook een koninklijke onderscheiding toe. Mevrouw Tuinstra is door Hare Majesteit de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De Eerste Kamer raakt deze keer nogal wat praktijkjuristen kwijt. Een van hen is mevrouw Vrisekoop, advocaat te Amsterdam. Dat blijft zij, maar het Kamerlidmaatschap behoudt zij niet. D66 verliest in haar een bekwaam woordvoerster op de terreinen justitie en verkeer en waterstaat. Daarnaast sprak zij ook over defensie en landbouw. Wie de moeite neemt kennis te nemen van het werk dat door een lid van een middelgrote fractie moet worden verzet als die fractie het gehele veld wil bestrijken, staat ervan versteld dat het nog vrij veel moeite heeft gekost de Nederlandse orde van advocaten ervan te overtuigen dat leden van deze Kamer die ook advocaat zijn door hun werk voor de Kamer zoveel extra kennis van nieuwe wetgeving en ontwikkelingen op het terrein van wetgeving opdoen dat het te veel gevraagd is van hen te verlangen dat zij daarnaast ook nog deelnemen aan de, veelal op commerciële basis georganiseerde, permanente opleiding voor advocaten. Haar volharding bij het bepleiten van haar standpunt, samen met de andere advocaten in deze Kamer, is ten slotte beloond. En gisteren en vandaag nog was zij samen met haar confrère Meeter van alle advocaten het meest opgeleid in het nieuwe erfrecht. De heer Zijlstra is weer een van die parlementariërs die al zijn sporen in de Tweede Kamer had verdiend alvorens hij acht jaar geleden aan deze zijde van het Binnenhof zijn intrede deed. Bijna twaalf jaar lang was hij Tweede-Kamerlid. Voor die tijd was hij onderzoeker op energie-economisch terrein, leraar en freelance journalist. In deze Kamer hebben wij hem leren kennen als een deskundig spreker op de terreinen van verkeer en waterstaat, economische zaken, natuur- en milieubeheer en landbouw, vandaag en gisteren nog over de Elektriciteitswet. Enige tijd hebben wij hem moeten missen in verband met een operatie die niet zonder complicaties is verlopen. Voordien hebben wij kunnen genieten van zijn hier tentoongestelde schilderijen, gemaakt in Zuid-Frankrijk. Ik wens hem toe dat het hem nog lang gegeven mag zijn aldus scheppend werkzaam te zijn. Vanwege zijn grote politieke verdiensten in vertegenwoordigende lichamen is de heer Zijlstra door Hare Majesteit de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Van degenen die op 23 juni 1987 hun intrede in deze Kamer deden, gaan ons verlaten de heren Glasz en Van Leeuwen, mevrouw Michiels van Kessenich-Hoogendam en de heren Pit en Talsma; onder hen maar liefst drie praktijkjuristen, die elk als zodanig hun bijdragen hebben geleverd. De heer Glasz, advocaat, verwierf een groot gezag als deskundige op het gebied van het commissariaat van vennootschappen en zag dat gezag erkend door zijn benoeming tot bijzonder hoogleraar Corporate Governance, met verontschuldigingen mijnerzijds aan zijn fractiegenoot Hirsch Ballin dat deze bijzondere leerstoel een Engelse benaming heeft. Als advocaat was hij ook deken van de Nederlandse orde van advocaten: voor de toenmalige minister van Justitie soms een lastige en in elk geval, zoals het behoort, een onafhankelijke. Als Kamerlid was hij dat ook, woordvoerder op velerlei terrein, van Vreemdelingenwet tot vennootschapsrecht, van pensioenverevening tot de lijvige stukken van de JBZ-raad en het Uitvoerend Comité Schengen. Vanwege zijn politieke loopbaan is de heer Glasz door Hare Majesteit de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Van Leeuwen, fractievoorzitter van het CDA en dus ook lid van het College van senioren. Daarin had hij vaak een bijdrage, een vraag of een suggestie. Dat is voor een deel te verklaren door zijn strategische plaats, waardoor hij van de grote fracties de eerste was die bij een ronde, om een of andere reden altijd tegen de klok in, het woord kreeg. Als voorzitter van de grootste oppositiefractie was hij ook degene die op politiek cruciale ogenblikken aan de interruptiemicrofoon het zijne ervan moest hebben. Dat hoort nu eenmaal bij de rolverdeling, want uiteraard bleef de heer Van Leeuwen toch trouw aan de gouvernementele instelling die het CDA kenmerkt en die in het verleden het waarmerk was van de Christelijk-Historische Unie, waarvan de heer Van Leeuwen de laatste voorzitter was, in de tijd dat Steenkamp het CDA tot stand hielp komen. Voor het overige was hij wederom een Eerste-Kamerlid met een loopbaan achter zich, die in het bedrijfsleven had gelegen. Het voorzitterschap van een fractie in de Eerste Kamer behoeft meestentijds geen slopende functie te zijn, maar vaak is een fractievoorzitter ook betrokken bij politiek beraad in zijn partij of adviserend lid van het hoofdbestuur. In verband met de verschillende opvolgingen in de leiding van de Tweede-Kamerfractie van het CDA, was het fractievoorzitterschap van de heer Van Leeuwen allerminst een sinecure. Des temeer reden voor hem om bij zijn terugtreden met voldoening te zien dat zijn partij volgende week met 20 zetels in deze Kamer terugkeert. Hare Majesteit de Koningin heeft de heer Van Leeuwen benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. Met mevrouw Michiels van Kessenich-Hoogendam verlaat ons dus nog een justitiewoordvoerder van hoog kwalitatief niveau. De kwaliteit van de wetgeving van het ministerie van Justitie is gebaat met een stem uit de praktijk, in dit geval de praktijk van de rechtspraak in hoger beroep, door iemand die al eerder haar sporen in de rechtswetenschap en de rechtspraktijk had verdiend. Behalve met rechtspraak hield mevrouw Michiels van Kessenich zich ook met culturele en medische organisaties bezig, onder andere op het terrein van de patiëntenzorg. Ook zij behoort tot degenen die in deze laatste twee vergaderdagen zich nog intensief met het debat hebben beziggehouden, en wel tijdens de openbare behandeling van de wijzigingen in het erfrecht. Zij zal dat, evenals de meeste andere sprekers, moeten nalaten aan haar opvolgers. Zij is door Hare Majesteit de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Pit is tweemaal lid van deze Kamer geweest: van 23 juni 1987 tot 10 juni 1991 en vervolgens van 28 september 1993 af, sedert 1995 door voorkeurstemmen. Hij is woordvoerder op de terreinen economische zaken en landbouw. Zijn verleden ligt op het terrein van vakbondswerk en personeelszaken in ondernemingen en voorts in de begeleiding van ondernemingsraden. Een leven, waarin betrokkenheid met mensen een belangrijke rol speelde, maar ook het werk voor zijn partij, waarin hij in werkgroepen, in de partijraad, in zijn gewest en in de Wiardi Beckmanstichting actief was. In 1995 vond hij zijn tijd nog niet gekomen, maar nu nemen wij afscheid van hem. De heer Talsma behoort als oud-rechter tot de al vaker genoemde categorie van praktijkjuristen. Daar kwamen bij hem nog een eerdere loopbaan in het bedrijfsleven en een opleiding als kandidaat-notaris bij. Naast justitiewoordvoerder, was hij ook woordvoerder bij verkeer en waterstaat, op het gebied van de hogesnelheidslijn deskundiger dan wie dan ook, in elk geval dan zijn opponenten. Zijn betogen hield hij aan de hand van korte notities, de duur nam hij nauwkeurig op en de tekst ook, op zijn eigen dictafoon. Hij wist dus beter dan de kandidaatstel- lingscommissie van zijn partij dat hij nog scherp genoeg was om het lidmaatschap van deze Kamer nog eens vier jaar te vervullen. Maar ook al hebben Kamerleden gelijk, de kandidaatstellingscommissies krijgen het. En daarom nemen wij vandaag ook afscheid van het lid Talsma, de laatste nog actieve volksvertegenwoordiger die bij de oprichtingsvergadering van zijn partij op 24 januari 1948 aanwezig was. De volgende is in meer dan één opzicht een categorie apart: mevrouw Gelderblom-Lankhout. Zij is nog juist op tijd teruggekeerd van een verblijf in Armenië. Als enige die vandaag afscheid neemt, deed zij op 3 juni 1986 haar intrede in deze Kamer. Groot is al die jaren haar betrokkenheid geweest bij buitenlandse zaken, ontwikkelingssamenwerking, sociale zaken, gelijke behandeling en racismebestrijding. Die laatste twee binnen en buiten de Kamer, zoals in de gemeenteraad in Den Haag, waarvan zij van 1970 tot 1974 en van 1978 tot 1986 deel uitmaakte, en in werkgroepen en platforms. Als Kamerlid maakte zij deel uit van de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa, van de Assemblee van de West-Europese Unie en van het Beneluxparlement. Zij is kroonlid van het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg. Zij strekte haar betrokkenheid tot voormalig Joegoslavië uit en zij is secretaris van het Overlegorgaan Joden en Christenen. In 1989 was zij oprichtster van het Haags Meldpunt Racisme en Discriminatie. Een van de doelstellingen van het nieuwe decoratiebeleid was, het vroeger bestaande automatisme te bestrijden. Dat is niet geheel gelukt, maar wel in het geval van mevrouw Gelderblom, want Hare Majesteit de Koningin heeft haar benoemd tot officier in de Orde van Oranje-Nassau. Op 13 september 1983 deden hun intrede de heren Van Graafeiland, Postma en Verbeek. Vandaag nemen wij afscheid van hen. De heer Van Graafeiland was secretaris-penningmeester van zijn fractie en woordvoerder voor defensie en de Nederlandse Antillen en Aruba. Van de vaste commissie voor Defensie was hij voorzitter. Na een militaire loopbaan als officier van de Militaire Administratie met een accountantsopleiding van het NIVRA, begon hij een bestuurlijke carrière: gemeenteraadslid, later wethouder in Breda, statenlid, later gedeputeerde in Noord-Brabant, burgemeester van Venlo, lid van deze Kamer, en ten slotte partner in een groot accountantskantoor. Hij is een veelzijdig bestuurder, die het hoofd koel hield tijdens de watersnoden in zijn gemeente, een nuchter politicus en een nauwgezet secretaris-penningmeester van zijn fractie, op wie zij kon bouwen. Juist deze nauwgezette man is het overkomen dat hij het slachtoffer werd van de onnauwkeurigheid van anderen. Een tweetal Drentse statenleden kwam te laat voor de Eerste-Kamerverkiezing van 1986 en hun volmachten lagen achter slot. Dat kostte de VVD tussen 3 juni 1986 en 23 juni 1987 een zetel, die van de heer Van Graafeiland. Daarna heeft hij zijn zetel weer voor drie volle perioden kunnen bezetten. Dat was voor Hare Majesteit de Koningin reden, hem te benoemen tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Postma is wetenschapsman en Fries, met een sterk ontwikkeld gevoel voor humor. Zijn bijdragen op het gebied van binnenlandse zaken en hoger onderwijs getuigden daarvan. Als eerste ondervoorzitter, in het College van senioren en in de Huishoudelijke Commissie was hij een steunpilaar, graag bereid in te springen als de zich voor de voorzitter aandienende vertegenwoordigende activiteiten in binnen- en buitenland niet meer met elkaar gecombineerd konden worden. Zijn functie van bijzonder hoogleraar onderwijsrecht aan de Vrije Universiteit tot 1998 en van universitair hoofddocent staatsrecht en onderwijsrecht aan de Rijksuniversiteit Groningen combineerde hij met het voorzitterschap van het Christelijk Pedagogisch Studiecentrum voor onderwijsontwikkeling en advies en het vice-voorzitterschap van de European Association of Education Law. Hij was lid van het Beneluxparlement en is auteur. Met hem verlaat een veelzijdig man onze Kamer. Hare Majesteit de Koningin heeft hem benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Verbeek was voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken, woordvoerder op dat terrein en afgevaardigde in de Raadgevende Vergadering van de Raad van Europa, waarin hij voorzitter was van de Liberale fractie, en in de Raadgevende Vergadering van de Interparlementaire Benelux raad. Ook hij sluit vandaag een politieke loopbaan af, waarin hij grote verdiensten heeft gehad. Lid en fractievoorzitter, van 1977 tot 1983, in de provinciale staten van Zuid-Holland. Lid van de Rijnmondraad. Hij was voorzitter van de Kamercentrale in Rotterdam en hij is nog vice-voorzitter van de Stichting Humanitas te Rotterdam. Het verheugt mij hem te kunnen meedelen dat Hare Majesteit de Koningin hem heeft benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 1982 deden twee leden hun intrede in deze Kamer die vandaag afscheid nemen: op 26 januari mevrouw Grol-Overling en op 22 juni de heer Heijmans. Mevrouw Grol-Overling is de voorzitter van de vaste commissie voor Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken en woordvoerder van de CDA-fractie op die terreinen. Zij kent het Caribische deel van het Koninkrijk als geen ander. Die kennis berust voor een groot deel op eigen waarneming, niet alleen in het verband van het contactplan, maar ook daarbuiten. Zij kan bovendien bogen op kennis en ervaring opgedaan in ontwikkelingslanden als Tanzania. Zij is ook woordvoerster voor onderwijs, gebaseerd op universitaire opleiding en ervaring in het onderwijs. Politiek deed zij haar kennis en ervaring eerst op in de gemeenteraad van Hengelo en in de staten van Overijssel. Aan een lang en vruchtbaar lidmaatschap van deze Kamer komt nu een einde, maar ik hoop dat er veel tijd zal blijven voor haar betrokkenheid bij en in het Caribische deel van het Koninkrijk. Want dat die groot en intens is, weet ik uit eigen ervaring, toen wij tijdens de golfoorlog ons contactplanbezoek ondanks een begin van insubordinatie van enkele Tweede-Kamerleden gezamenlijk toch volledig volgens het afgesproken schema wisten af te wikkelen. Zij is ter gelegenheid van haar afscheid door Hare Majesteit de Koningin benoemd tot ridder in de Orde van Oranje-Nassau. De heer Heijmans, een ondanks zijn doorgaans nuchtere voordracht gepassioneerd woordvoerder op het gebied van sociale zaken, voorzitter van de vaste commissie voor dat beleidsterrein. Oorspronkelijk journalist, als zodanig betrokken bij de sociaal-economische redactie en later sociaal-politiek redacteur. Vervolgens ruim 15 jaar lang voorzitter van de Raad van Arbeid in Hengelo, tot voor kort nog plaatsvervangend kroonlid van de Ziekenfondsraad. Zo vergroeid met het in de naoorlogse periode opgebouwde stelsel van sociale verzekeringen, dat het hem vaak moeite kostte aan te zien hoe de stelselherziening van de laatste vijf tot zes jaren tot stand werd gebracht en ook door de Eerste Kamer bekrachtigd moest worden. Toen ik eerder vanmiddag zei dat de Eerste Kamer ook veel kan bereiken door toezeggingen af te dwingen zonder dat zij het wapen van de verwerping daadwerkelijk mobiliseert, had ik onder andere het oog op de heer Heijmans. Ik hoop zeer dat zijn gezondheid hem toch nog lange tijd in staat zal stellen van zijn rust te genieten, zomers in zijn geliefde Frankrijk, zich verstrooiend met Franse literatuur, waaruit hij graag citeerde. Op 10 juni 1981 deed haar intrede in deze Kamer mevrouw Tiesinga-Autsema, die zij in 1995 verliet, maar op 27 januari 1998 keerde zij tussentijds terug ter vervulling van de vacature-Staal. Zij werd dus vier jaar geleden al toegesproken, waarbij toen was opgevallen dat zij veel het woord heeft gevoerd over zeer uiteenlopende onderwerpen. Dat was deze keer dus iets minder, maar de terreinen van belangstelling waren nog wel zeer talrijk: cultuur (net als vroeger), Nederlands-Antilliaanse en Arubaanse Zaken, economische zaken en landbouw, natuurbeheer en visserij. Aan dit afscheid wil ik graag nog een persoonlijke noot toevoegen, want op 10 juni 1981 werden wij beiden voor het eerst lid van deze Kamer, en na het afscheid dat ik nu van haar neem en van degenen die zo meteen nog volgen, neem ik tevens afscheid van hen die tegelijk met mij of eerder lid werden van deze Kamer. Ik breng in herinnering dat ik van een nestor, de heer Steenkamp, al 14 dagen geleden afscheid nam. Daarmee kom ik aan het jaar 1980, toen op 16 september de heren Glastra van Loon en Van de Zandschulp lid van deze Kamer werden. De heer Glastra van Loon, filosoof, jurist, socioloog, politicus, geleerde; oud-voorzitter van zijn fractie in dit huis; oud-vice-fractievoorzitter ook; gewezen staatssecretaris van Justitie; ook oud-voorzitter en oud-vice-voorzitter van zijn partij, D66. Hij was met Van Mierlo een man van het eerste uur van zijn partij, en hij heeft het net nog iets langer volgehouden in de actieve politiek; nog helemaal niet oud van geest, 79 jaar jong. Hij is een zeer veelzijdig man, met ook een grote culturele belangstelling en aandacht voor levensbeschouwelijke aangelegenheden, getuige zijn voorzitterschap, nog in dit decennium, van het Humanistisch Verbond. Zijn beschouwingen in deze Kamer waren veelal diepzinnig van aard. Gelukkig het land dat zich, dankzij een tweekamerstelsel, dat kan veroorloven. De heer Van de Zandschulp zou ik, zonder aan mijn politieke vriend Heijmans te kort te willen doen, het geweten van de socialezekerheidswetgeving willen noemen. Zijn levensbeschrijving op de internetsite van de Eerste Kamer is de kortste van alle. Er staan twee hoofdfuncties: lid van deze Kamer sedert 16 september 1980 en vormingswerker Vormings-, scholings- en opleidingscentrum Trijn van Leemput te Utrecht sinds omstreeks september 1970; zijn partijpolitieke functies: lid partijbestuur van de Partij van de Arbeid van 1979 tot 1991 en lid van het partijbestuur van de Partij van de Arbeid van 1973 tot 1977. Dat is alles. Die bondigheid kenmerkt niet zijn doorwrochte bijdragen aan het openbare debat of het schriftelijk voorbereidend onderzoek. Niet dat hij daarin wijdlopig is, integendeel. Maar zijn betrokkenheid en deskundigheid en vaak ook de hardnekkigheid waarmee zijn intenties door de aanwezige bewindsman werden miskend, vroegen nu eenmaal tijd. Een prijzenswaardige inzet, een hardnekkig doorzettingsvermogen en een bewonderenswaardige betrokkenheid bij het onderwerp hebben bijna negentien jaar lang de noeste arbeid aan de sociale zekerheid van Van de Zandschulp gekenmerkt. Toen één van de staatssecretarissen van Sociale Zaken onlangs kort voor het debat in de koffiekamer was, verzuchtte hij dat zijn ambtenaren hadden gezucht onder de kritische opmerkingen van Van de Zandschulp. Sommige bewindslieden hebben misschien liever niet het geweten aan het woord, maar het is wel goed als zij ernaar luisteren. Voor de kwaliteit van het socialezekerheidsstelsel in ons land is het te wensen dat volgende week opnieuw ten minste één Kamerlid zijn of haar intrede doet dat de wetgevingsambtenaren het besef bijbrengt dat hier scherp wordt opgelet, niet uit onaardigheid tegenover die ambtenaren, maar uit zorgvuldigheid tegenover hen voor wie de wetgeving is bedoeld. Met ingang van 29 maart 1977 werd tot lid van de Eerste Kamer der Staten-Generaal toegelaten ir. H. Heijne Makkreel. Hij was toen leraar vliegtuigbouwkunde en studeerde rechten. Die studie voltooide hij ruim twee jaar later, in juni 1979, waarmee een loopbaan binnen de zittende magistratuur binnen bereik kwam en ook het latere voorzitterschap van de vaste commissie voor Justitie. Zijn juridisch inzicht en zijn kwaliteit om scherp te definiëren en te formuleren kende ik persoonlijk allang, uit de tijd dat wij samen met enkele anderen vorm gaven aan partijstatuten en kandidaatstellingsreglementen. Maar vanuit deze Kamer werd ook het ministerie van Justitie met die gaven geconfronteerd. Gelet op de onmogelijkheid om na de gedachtewisseling met de Tweede Kamer nog met nota's van wijziging te komen, heeft men bij sommige wetgevingsafdelingen een techniek ontwikkeld om fouten die de Eerste Kamer opmerkt, weg te redeneren, want corrigeren kan niet meer. Maar dat wegredeneren is bij mr.ir. H. Heijne Makkreel onbegonnen werk. Zo nodig nam hij bij de openbare behandeling de Algemene Nederlandse Spraakkunst, ANS, mee om zijn gelijk te adstrueren. Destijds heb ik de wetgevingsambtenaren van Justitie dringend aangeraden de heer Heijne Makkreel bij dergelijke formuleringskwesties niet tegen te spreken en ervan uit te gaan dat hij gelijk had. Die aanbeveling is in de loop van de jaren blijkbaar weer verloren gegaan, want onlangs zag ik de minister van Justitie weer gewapend met ambtelijke teksten, waarin men probeerde recht te praten waarvan de heer Heijne Makkreel zonneklaar had aangetoond dat het krom was. Ik heb toen maar een briefje aan de minister laten overhandigen, waarin ik hem liet weten dat hij ervan kon uitgaan dat de heer Heijne Makkreel gelijk had en dat de wetgevingsambtenaren dat al sinds de jaren tachtig behoorden te weten. Maar naast scherpzinnig jurist met de gave zuiver en logisch te formuleren, was hij in de eerste tien jaar van zijn Kamerlidmaatschap een voortreffelijk fractiesecretaris. Ik maakte hem nog als zodanig mee. En daarna was hij gedurende tien jaar een voortreffelijk ondervoorzitter van deze Kamer. Met de groei van zijn partij eerst tweede, daarna eerste. Ik weet dat het een grote teleurstelling is geweest dat het voorzitterschap uiteindelijk niet op zijn weg kwam. Zijn grote loyaliteit bleek bij hem in moeilijke omstandigheden altijd de dominerende factor. Dat was zo in maart 1997 en het was veertien dagen geleden, bij de definitieve stembepaling over het correctief referendum, eveneens het geval. Het Kamerlidmaatschap eist veel van de persoon, het vraagt betrokkenheid, het vraagt bovenal karakter. En met deze woorden neem ik afscheid van Henk Heijne Makkreel en van alle anderen die ik vóór hem heb toegesproken." 1999-12-08;Wilders;02258;VVD;h-tk-19992000-2399-2431.1.3.13;"Buitenlandse Zaken ";2210;3;"Ik vrees dat ik mijn spreektijd dan wellicht iets zal overschrijden. Voorzitter! De situatie in Iran blijft onverminderd zorgelijk. Ik sprak zojuist al over de toegenomen Iraanse steun aan moslim-extremisten. In Iran zelf worden langzaam ingezette liberale tendensen rigoureus de kop ingedrukt, zoals onlangs bleek bij de veroordeling van de hervormingsgezinde geestelijke Nouri. Ik heb daarover kamervragen gesteld. Ook de lraanse retoriek tegen het vredesproces blijft ouderwets plat en vulgair. De VVD-fractie vraagt de minister aan te geven of het door hem in zijn antwoord op Kamervragen aangekondigde gesprek met de lraanse ambassadeur al heeft plaatsgevonden en wat de resultaten daarvan waren. Is er gesproken over de zorgen van regering en Kamer over de massavernietigingswapens in Iran en over gegijzelde Iraanse joden? Helaas heeft de minister de Russische levering van kennis en materieel aan Iran als het gaat om de massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen niet aan de orde gesteld in het gesprek, dat hij enige tijd geleden met zijn Russische ambtgenoot bij de Verenigde Naties in New York had. Wij hebben echter tot ons genoegen kennisgenomen van zijn belofte, dit wel te doen bij zijn bezoek aan Rusland. Ook in zijn laatste toespraak in de laatste MTCR-bijeenkomst in Noordwijk ging de minister terecht op dit thema in. Wij blijven graag geïnformeerd op dit dossier en zullen de minister graag op de voet blijven volgen. Voorzitter! Ik heb samen met collega Dijksma van de PvdA-fractie een amendement ingediend om de door de minister voor Ontwikkelingssamenwerking voorgestelde korting van de Nederlandse bijdrage aan een trilateraal samenwerkingsprogramma genaamd Mashav voor het jaar 2000 voor de helft ongedaan te maken, omdat wij van mening zijn dat het programma kan bijdragen aan het vredesproces tussen vooral Palestijnen en Israëli's en zo ook de stabiliteit in het Midden-Oosten ten goede kan komen. Dit amendement gaat natuurlijk alleen voor 2000. Is de minister voor Ontwikkelingssamenwerking bereid om dat ontwikkelingsprogramma met een beperking tot het Midden-Oosten en met een beperking van de Nederlandse bijdrage tot 50% van het totaal ook na 2000 voort te zetten?" 2000-10-31;Van der Knaap;02227;CDA;h-tk-20002001-1151-1172.1.2.1;"Defensie ";15339;17;"Voorzitter! Wij bespreken vanavond met de bewindslieden de eerste defensiebegroting waarin de financiële en beleidsmatige effecten van de Defensienota 2000 zijn uitgewerkt. De begroting heeft een andere opzet gekregen. Naar de mening van de CDA-fractie leidt dit helaas niet tot meer duidelijkheid. Waar in het verleden een duidelijk overzicht werd gegeven over de internationale aspecten van het veiligheidsbeleid, de stand van de krijgsmacht, het personeelsbeleid en materieelbeleid, is nu slechts een beleidsagenda op hoofdlijnen opgenomen. De nadere uitwerking vindt plaats per begrotingsartikel, waardoor het totaaloverzicht ontbreekt. Het is dan ook te begrijpen dat ter voorbereiding van de begrotingsbehandeling door de verschillende fracties bijna 300 schriftelijke vragen over de defensiebegroting zijn gesteld. In de beleidsagenda wordt niet gerept over de internationale aspecten van het veiligheidsbeleid. Dit verbaast de CDA-fractie, gelet op de uitgebreide aandacht die de regering in de Defensienota besteedde aan de internationale veiligheidssituatie en het daarop toegesneden Nederlandse veiligheidsbeleid. Voor het CDA is het duidelijk dat het defensiebeleid een instrument is van en onlosmakelijk verbonden is met het buitenlands beleid. Zoals in de Defensienota terecht is opgemerkt, is de internationale veiligheidssituatie sinds het einde van de Koude Oorlog complexer, diffuser en onzekerder geworden. De veiligheid en stabiliteit in Europa zullen in de nabije toekomst in hoge mate worden bepaald door de vaak onvoorspelbare gebeurtenissen aan de grenzen van Europa, op de Balkan en in het Midden-Oosten. In de opzet van de eerste begroting van de 21ste eeuw mist de CDA-fractie een nadere beschouwing van de minister over de veiligheidsrisico's. Wat is de reden dat zo'n beschouwing niet in deze begroting is opgenomen? Het verwijzen naar hetgeen over de veiligheidsrisico's in de Defensienota staat doet geen recht aan gewijzigde omstandigheden. De internationale veiligheidssituatie is immers geen statisch geheel. Bij veiligheidsrisico's moet niet alleen worden gedacht aan de eerder genoemde brandhaarden die onder invloed van politieke onrust of een verder verslechterende economische situatie kunnen oplaaien. Er is in de afgelopen jaren een aantal nieuwe veiligheidsrisico's bij gekomen. Wij zien in toenemende mate dat in Nederland verblijvende buitenlanders buitenlandse conflicten op Nederlandse bodem willen voortzetten. Ik denk aan de conflicten tussen Koerden en Turken, die tot escalatie in Nederland leidden. Recentelijk worden wij geconfronteerd met bedreiging van joden in onze samenleving; onlusten die een soort verplaatsing van de intifada inhouden. Dat vraagt om een adequaat ingrijpen en optreden van de overheid. De informatie- en communicatietechnologie is voor onze samenleving enerzijds een groot goed, maar anderzijds kwetsbaar. Een student in Manilla zag kans grote delen van de wereldeconomie lam te leggen met een relatief onschuldig virus. Het gevaar van elektronische aanvallen op kwetsbare essentiële delen van de economie en de krijgsmacht door buitenlandse mogendheden of terroristen is reëel. Kan de minister aangeven wat de werkgroep information operations inmiddels aan resultaat heeft geboekt op het gebied van verdediging tegen deze aanvallen? Wanneer wordt de Kamer hiervan op de hoogte gesteld? Versterking van Europese militaire capaciteiten is in deze begroting speerpunt van nieuw beleid. De regering heeft besloten voor de versterking van de Europese defensiesamenwerking een aparte financiële voorziening te treffen, waardoor incidenteel 200 mln. extra beschikbaar komt. De afspraken die tijdens de Europese top in Helsinki over Europese defensiesamenwerking zijn gemaakt, zijn inmiddels verder uitgewerkt. Op dit moment wordt door de verschillende landen van de Europese Unie bekeken wat de concrete nationale bijdrage kan zijn. Vorige maand heeft er een afstemming plaatsgevonden over de inzet van de onderscheiden EU-landen. Kan de minister de Kamer hierover nader informeren? Uiteindelijk zal tijdens de conferentie van 20 en 21 november a.s. op ministerieel niveau vastgesteld worden wat de nationale bijdragen aan de \"headline goal\" zijn en op welke wijze de geconstateerde tekortkomingen kunnen worden opgelost. Vooralsnog blijft de Nederlandse bijdrage binnen de kaders van het nationale defensiebeleid en de plannen van de Defensienota. De definitieve Nederlandse bijdrage zal zich richten op het wegwerken van de geconstateerde Europese tekortkomingen. Daarbij wordt nadrukkelijk rekening gehouden met de DCI van de NAVO. In de defensiebegroting zijn 17 aanvullende projecten vermeld die Nederland samen met andere EU-landen wil aanpakken. Om tot een goed oordeel over de verschillende projecten te kunnen komen, is het van belang om te weten wat de opvattingen van de andere EU-landen zijn. Dan wordt ook zichtbaar wat de totale kosten zullen zijn. De hamvraag blijft natuurlijk of alle EU-landen bereid zijn om hun defensiebudget te verhogen. Alleen Engeland en Frankrijk hebben in afgelopen jaren het defensiebudget op peil gehouden. In andere landen hebben veelal bezuinigingen plaatsgevonden waardoor Europa veel defensiecapaciteit ontbeert. Dat is sinds het Kosovoconflict wel duidelijk geworden. Dit conflict maakte de afhankelijkheid van Europa van de Verenigde Staten aan eenieder zichtbaar. De etnische zuiveringen van de Serviërs in dit deel van Klein-Joegoslavië konden alleen door een massieve inzet van het Amerikaanse leger worden stopgezet. Het Amerikaanse leger leverde 80% van de slagkracht. Europa zal er in de toekomst rekening mee moeten houden dat de animo van de Verenigde Staten om zich actief met Europese conflicten te bemoeien, zal afnemen. Naar de mening van het CDA is dit een reden temeer om te bouwen aan een geloofwaardige Europese krijgsmacht met een optimale personele en materiële slagkracht. Het CDA juicht op zich de extra financiële inspanning van Nederland toe, maar twijfelt eraan of het incidentele bedrag van 200 mln. toereikend zal zijn om alle geconstateerde tekortkomingen weg te werken. Daarbij is ook van belang of andere landen bereid zijn om extra middelen beschikbaar te stellen. Het Internationaal instituut voor strategische studies is hierover blijkens krantenberichten niet positief. Volgens dit instituut mag Europa blij zijn als het in 2003 een gezamenlijke krijgsmacht van 15.000 man in het veld kan brengen en dan alleen voor vredebewarende missies op een niet al te hoog niveau. Hoe beoordeelt de minister van Defensie de voortgang van de ontwikkeling van een Europees leger en de financiële inspanningen van de andere Europese landen? Het signaal dat het instituut afgeeft, staat haaks op de opmerking van de minister in de International Herald Tribune, dat er signalen zijn dat Europa lessen heeft geleerd uit het Kosovoconflict. De minister stelt dat er juist sprake is van een groeiende politieke en publieke overeenstemming, dat het Europese ambitieniveau niet spoort met de beschikbare militaire capaciteit. Hij is van mening dat er in Europa belangrijke verbeteringen van de militaire capaciteit plaatsvinden. Waarop is deze hoop gestoeld? Uit het artikel wordt duidelijk dat de minister van mening is dat niet langer ieder Europees land over het volledig spectrum van land-, zee- en luchtstrijdkrachten hoeft te beschikken, maar dat een modulaire benadering voor \"tailor made\"-bijdragen aan internationale operaties een toekomst heeft. Waarom is deze inzet niet verwerkt in de begroting? Nu is de 200 mln. uit het EVDB-fonds niet onderbouwd, terwijl er blijkens het artikel wel een visie aan ten grondslag ligt. Wordt de opvatting van de minister de inzet op het overleg op 20 en 21 november, alsmede op de Europese top in Nice? Ik verzoek de bewindslieden daar in hun beantwoording op in te gaan. De beeldvorming rond Defensie was de laatste jaren overwegend negatief. Met name het gevoerde personeelsbeleid staat onder druk. Gevallen van wangedrag en verduistering, die helaas tot in de top van de organisatie lijken voor te komen, zijn breed uitgemeten in de pers. Ook het achterblijven van de personele vulling van de organisatie is volop in het nieuws geweest. Ondanks de geruststellende woorden van de staatssecretaris tijdens de vorige begrotingsbehandeling blijkt dat de behoefte aan nieuw personeel achterblijft bij het aantal dat binnen de krijgsmacht aan de slag gaat. Daar dit al een aantal jaren het geval is, dreigt er voor de operationele inzet een onaanvaardbaar tekort. Is de ondergrens al bereikt? Zo nee, waar ligt die volgens de bewindslieden dan? Hoewel de Kamer onlangs een schrijven heeft ontvangen over de vulling en het ambitieniveau blijft het beeld over het aantal militairen dat werkelijk in dienst is van Defensie diffuus. De huidige personeelsproblematiek kent naast de problematiek van de werving ook nog het probleem van behoud van zittend personeel. Vooral in de technische beroepen is er sprake van een toenemende uitstroom. Enerzijds heeft dat met de krappe arbeidsmarkt te maken, anderzijds is het een gevolg van de huidige beloningsstructuur. Met toeslagen alleen los je het niet op. Kan de staatssecretaris aangeven op welke wijze hij de uitstroom van met name technisch personeel wil indammen? Wat betreft de werving blijft een veel kortere periode tussen sollicitatie en aanstelling nodig. De uitval moet tot het minimum beperkt blijven. Waarom mensen al niet in dienst nemen als zij het sollicitatieproces hebben afgerond en in afwachting zijn van de opleiding? Nu moet er in sommige gevallen maanden worden gewacht. Wat is het overigens effect van al de glossy advertenties in de omroepbladen? Wat is het effect van de banenwinkels? Waarom waren de resultaten van de werving via de uitzendbureaus zo teleurstellend? Uit de antwoorden op de vragen blijkt ook dat de krijgsmacht kritisch kijkt naar het wervingsbudget. Het CDA kan zich hierin vinden mits de middelen die hierdoor vrijkomen worden benut voor verbetering van de opvang, huisvesting alsmede de in- en externe opleiding van jonge beroepsmilitairen. Jonge mensen gaan niet zomaar in dienst bij de krijgsmacht. Daar wordt met vrienden, ouders en militairen over gesproken. Het gaat daarbij om het perspectief in de diensttijd en de periode daarna. Als dat goed is geregeld kunnen een advertentiecampagne en vakbekwame bemiddelaars daar in de ondersteunende zin bij behulpzaam zijn. Het is nu andersom. Blijkens de antwoorden op de bij de begroting gestelde vragen wordt de algemene militaire opleiding verlengd met vier weken, terug naar de situatie van vóór de doelmatigheidsoperatie dus. In de begroting wordt daarvan nog geen melding gemaakt. Waarom niet? Op welke wijze wordt voorzien in voldoende instructeurs? Daar zijn er nu al te weinig van. Het CDA heeft destijds al aangegeven dat een kortere opleiding tot problemen zou leiden. De vele taken die uitgezonden militairen moeten vervullen, van conflictbeheersing tot het verlenen van noodhulp, vereisen een gedegen opleiding. Hierin is tevens professionele begeleiding van personeel nodig. De IGK constateert in het jaarverslag over 1999 dat het hieraan in het huidige opleidingstraject, veelal door personeelsgebrek, schort. In de opleiding moet de basis worden gelegd voor het verantwoord en ethisch handelen door militairen. Het CDA heeft bij de begrotingsbehandeling voor 2000 al zijn zorg uitgesproken over de positie van ethiek in de krijgsmacht. In het opleidingsprogramma van de krijgsmacht heeft ethische vorming, gericht op de kerntaken van de krijgsmacht, geweldsethiek, nog niet overal een plaats gekregen. Verbetering hiervan is dringend noodzakelijk. Militairen moeten leren de door hen gemaakte keuzes te verantwoorden naar ondergeschikten, leidinggevenden en politiek. Militairen moeten bij dit soort vraagstukken professioneel worden voorbereid en begeleid. De minister gaf in zijn toespraak op het IDL zelf toe dat morele dilemma's zoals bijvoorbeeld de medicijnverstrekking aan vluchtelingen in Srebrenica in 1995, niet alleen op het bordje van de militair mogen komen te liggen. Maar tijdens het debat over UNMEE bleef de minister tegenover de Kamer volhouden dat hulpverlening aan vluchtelingen ook op het bordje van de mariniers ligt. Hulpverlening is geen taak, maar de militairen wordt wel gevraagd \"naar eer en geweten\" te handelen. Alweer een dilemma voor de militairen dus. Hier had een duidelijk mandaat moeten liggen, zoals mijn fractievoorzitter De Hoop Scheffer betoogde. Hoe denkt de minister over het opstellen van protocollen – handelwijze in bepaalde situaties – om bij het nemen van zelfstandige beslissingen een gewetensvolle afweging te kunnen maken? Versterking van capaciteit en mandaat van het Bureau ethiek en krijgsmacht is naar de mening van het CDA dan ook nodig. Wanneer kan de Kamer de tijdens de begrotingsbehandeling 2000 door de staatssecretaris toegezegde informatie verwachten? En zal hierin ook nader op de positie van het bureau binnen de krijgsmacht worden ingegaan? Uit de begroting wordt duidelijk dat Defensie onderzoeken doet naar werkdruk bij personeel. Uit de beantwoording van de vragen blijkt dat een aantal onderzoeken inmiddels is afgerond. De minister is, net als bij de memo van secretaris-generaal Barth over de cumulatie van personeelstekorten en de uitvoeringsrapporten van Urlings over het Duits-Nederlandse legerkorps, van mening dat het separaat aan de Kamer aanbieden van de onderzoeksresultaten buiten de context van het ruimere personeelsbeleid gemakkelijk leidt tot onjuiste beeldvorming. Dit is voor het CDA niet aanvaardbaar. De CDA-fractie kan zich voorstellen dat de minister wacht tot alle onderzoeken zijn afgerond, maar is van mening dat de Kamer daarna over de resultaten van het totale onderzoek moet worden geïnformeerd. Hopelijk kan de minister daar nog een nadere toelichting op geven. Er zullen specifieke instrumenten ontwikkeld moeten worden om zowel BBT'ers als BOT'ers voor de krijgsmacht te behouden. Zoals bekend wil het CDA de positie van de BBT'er binnen de krijgsmacht versterken. Wij willen hem/haar de gelegenheid geven om in maximaal twee periodes van zes jaar een carrière binnen de krijgsmacht op te bouwen, met aan het begin en aan het eind een grondig scholingstraject. Dat laatste is van belang om buiten de krijgsmacht de carrière te vervolgen. Het moet voor een aantal echter ook mogelijk zijn de carrière daarbinnen te vervolgen. Degenen die de krijgsmacht verlaten, zouden nog drie jaar als actieve reservist beschikbaar moeten zijn voor vredesoperaties. Vanzelfsprekend moeten hiervoor goede afspraken worden gemaakt tussen Defensie en het bedrijfsleven over de rechtspositie en de verzekering van de uitgezonden reservisten. De BBT'er ontvangt een FLO-toeslag als uitkering ineens dan wel als maandelijkse pensioenpremie bij vertrek uit krijgsmacht. Hiermee zal waarschijnlijk worden bewerkstelligd dat de animo om als BBT'er te dienen toeneemt en dat de druk op de werving afneemt. Tevens zal dit de positie van de BBT'er ten opzichte van de BOT'er versterken; hetgeen van belang is voor het imago. Tijdens het debat over de Defensienota bleek de staatssecretaris dit voorstel van het CDA niet op voorhand af te wijzen. De tijd was echter nog niet rijp om het te realiseren. Hoe denkt de staatssecretaris er nu over?" 2000-11-01;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20002001-1197-1230.1.2.15;"Buitenlandse Zaken ";4069;5;"Het is buitengewoon triest – en de CDA-fractie betreurt dat immens – dat op het moment dat de oplossing nabij leek en een succesvolle uitkomst voor het grijpen lag, de zaak is afgebroken en dat er steeds meer slachtoffers vallen door de intifada. Dat betreur ik. Voorzitter! In toenemende mate krijgen wij in eigen land te maken met de gevolgen van buitenlandse conflicten en problemen. Los van de komst naar Nederland van vluchtelingen ten gevolge van buitenlandse conflicten, zien wij daarnaast dat buitenlandse conflicten de gemoederen in de Nederlandse samenleving sterk in beroering brengen. De vele Molukkers die sinds jaar en dag in Nederland verblijven hebben terecht grote zorgen over de ontwikkelingen op de Molukken; grote zorgen over de slachtpartijen, over het lot van hun vrienden en familieleden. Dat vraagt om overleg met de Molukse gemeenschap, maar ook om samenwerking tussen de ministers Van Boxtel en Van Aartsen als meest betrokken bewindslieden. De CDA-fractie is blij met het feit dat er overleg tussen de regering en de vertegenwoordigers van de Molukse gemeenschap heeft plaatsgevonden, maar duidelijk is reeds nu dat het niet bij die ene keer kan blijven. Minister Van Boxtel heeft een aantal vervolgbijeenkomsten gepland. Wat de CDA-fractie betreft zou ook minister Van Aartsen daarbij betrokken moeten worden. Wij zien daarnaast in toenemende mate dat in Nederland verblijvende buitenlanders buitenlandse conflicten op Nederlandse bodem willen voortzetten. Eerder zagen wij conflicten tussen Koerden en Turken leiden tot escalatie in Nederland en meer recent werden wij geconfronteerd met bedreigingen van joden in onze samenleving, onlusten die een soort verplaatsing van de intifada inhouden. Tijdens de demonstratie bij de Israëlische ambassade werden racistische leuzen geschreeuwd, werd er gezwaaid met vlaggen met hakenkruizen, synagogen werden beklad, ruiten van synagogen werden ingegooid. Tijdens de pro-Palestinademonstratie van Marokkanen in Amsterdam werden tal van antisemitische leuzen gescandeerd. Aboutaleb, directeur van het Instituut voor multiculturele vraagstukken, nam met de woorden \"walgelijk\", \"afkeurenswaardig\" en \"strafbaar\" terecht afstand van het optreden van deze demonstranten. Dat zou de Nederlandse overheid ook middels haar optreden duidelijk moeten maken. Duidelijk moet zijn dat de Nederlandse overheid niet tolereert dat buitenlandse conflicten op Nederlands grondgebied worden uitgevochten. Dat vraagt om adequaat ingrijpen en een adequaat antwoord van de Nederlandse overheid. Ook op dit punt graag een reactie van de minister. Voorzitter! Afsluitend nog het volgende. Bij kritiek van het parlement op het beleid van de minister hebben wij een aantal malen de premier gehoord met het commentaar dat het parlement moest ophouden met \"Van Aartsen pesten\". Hoor wie het zegt, zou ik bijna zeggen. Als verschil van mening of kritiek wordt opgevat als \"Van Aartsen pesten\", geeft dat aan dat ofwel de premier een zwakke minister de hand boven het hoofd wil houden of dat de premier slechts een stempelmachine of jaknikker als parlement wil. Het CDA zal zich tegen beide opties blijven verzetten. De inbreng van de CDA-fractie is erop gericht om te komen tot een aanpassing van het buitenlands beleid in de zin zoals ik die bijvoorbeeld vandaag heb weergegeven. Dat heeft niets te maken met pesten. Dat heeft wel te maken met eigen opvattingen. Gisteravond was de Kamer getuige van een ontluisterend optreden van de minister-president, die niet bereid was toe te geven dat hij al in het weekend van 8 oktober op de hoogte was van de kandidatuur van de heer Lubbers voor de post van Hoge commissaris voor de vluchtelingen. Het een en ander werpt een buitengewoon merkwaardig licht op de wijze waarop is omgesprongen met de kandidatuur van Pronk. Het laat zien dat de communicatie tussen de premier en de minister van Buitenlandse Zaken slecht verloopt. De mededeling van de minister van Buitenlandse Zaken dat staatsrechtelijk vertrouwen er is zolang een minister lid is van het kabinet, geeft aan tot welk..." 2000-11-01;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20002001-1197-1230.1.2.5;"Buitenlandse Zaken ";15446;16;"De heer Van Middelkoop heeft gelijk als hij zegt dat de fractie van het CDA buitengewoon felle kritiek had op de uitwerking van de herijking. Maar de doelstelling van de herijking om te komen tot een gecoördineerd, samenhangend beleid zonder schotten, waarbij de verschillende beleidsonderdelen Economische Zaken, Buitenlandse Zaken, Defensie en Ontwikkelingssamenwerking elkaar versterken, hebben wij altijd ondersteund, evenals de coördinerende rol van de minister van Buitenlandse Zaken in dit totaaloverzicht. Voorzitter! Gebrekkige afstemming was er blijkbaar ook toen minister Herfkens geen goed woord over had voor Ballast Nedam in relatie tot de bouw van de twee bruggen in Suriname. Prompt stelde staatssecretaris Ybema dat Ballast Nedam niets te verwijten viel en dat wij ook niet kunnen verwachten dat bedrijven geen zaken doen met een land, omdat de regering hun niet aanstaat. Hoezo afstemming, hoezo gecoördineerd beleid? Wat is overigens de opvatting van de Nederlandse regering met betrekking tot Ballast Nedam, vraag ik aan de coördinerende minister van Buitenlandse Zaken. Waar de herijkingsnota in 1995 een geïntegreerde visie op het buitenlands beleid bood, is de langetermijnstrategie van dit kabinet onhelder. Met grote regelmaat komt minister Van Aartsen weliswaar met nieuwe prioriteiten, maar de onderlinge samenhang is onduidelijk, evenals de concrete implementatie van al deze prioriteiten. Zowel de globalisering als de ontwikkelingen binnen de Europese Unie hebben gevolgen voor de positie van Nederland in het internationaal bestel en voor de mate waarin ons land in staat zal zijn de eigen belangen te behartigen. De fractie van het CDA acht het hoog tijd voor een strategische notitie van het kabinet waarin een analyse wordt gemaakt van de rol en de positie van Nederland in de huidige internationale constellatie. Dit moet een nadere plaatsbepaling zijn, waarbij wordt uitgegaan van de werkelijke positie van Nederland om zo tot een gecoördineerd en samenhangend buitenlands beleid te komen. Daarin zou ook een strategie moeten worden uitgestippeld inzake de samenwerking met andere landen. Het buurlandenbeleid heeft plaatsgemaakt voor de netwerken van staatssecretaris Benschop. Het komt ons allemaal een beetje te losjes en te vrijblijvend voor. Met de komende uitbreiding van de Europese Unie is het van groot belang strategische coalities aan te gaan. Een gecoördineerd, samenhangend buitenlands beleid is daarvoor noodzakelijk, maar opdracht twee is uiteraard de uitwerking van ons identiteitsprobleem. De gedachte dat Nederland de kleinste is van de grootste lidstaten van de Europese Unie leeft, geloof ik, alleen maar in Nederlandse regeringskringen. Grote landen zien ons niet voor vol aan en kleine landen zien ons als een verrader, omdat wij bijvoorbeeld nu al voorstellen om de commissaris op te geven. Ik heb de indruk dat ten gevolge van het identiteitsprobleem de belangen van Nederland verkwanseld worden als wij daardoor ineens zouden moeten afzien van een vaste Nederlandse vertegenwoordiger in de Europese Commissie. Invloed krijg je door kwaliteit en niet door te doen alsof je een grote lidstaat bent. De bezetting van functies bij internationale instellingen, zoals de Europese Unie, is daarbij ook van belang. De regering erkent de onderbezetting door Nederlanders bij de Europese Unie en de fractie van het CDA steunt de voorgestelde maatregelen. Maar naar onze opvatting is meer nodig. Verdient het geen aanbeveling om een nieuw klasje te creëren, maar nu voor potentiële Europese ambtenaren? Nu komen te vaak onvoldoende Nederlanders door het concours, doordat zij te weinig kennis van talen hebben, doordat zij niet zijn ingesteld op het type vragen van het concours et cetera. Er is een enquête gehouden door de CDA-afdeling België-Luxemburg na de overplaatsing van Carlo Trojan en die was zeer informatief. De belangrijkste resultaten waren dat er te weinig belangstelling is vanuit Nederland voor zittende ambtenaren bij de Commissie, dat er geen loopbaanbegeleiding is, dat er geen aandacht is voor functies in lagere rangen en dat er te weinig scouting is onder mensen met internationale ervaring. Daarnaast blijkt Nederland niet kieskeurig genoeg bij het invullen van topfuncties binnen het apparaat. Er is geen doordacht beleid om Nederlanders te plaatsen of voor te stellen bij de directoraten-generaal waarbij Nederland een specifiek belang heeft, bijvoorbeeld op het gebied van transport of financiën. Er is dus geen gericht beleid bij het binnenhalen van relevante topfuncties. Ik krijg daar graag een reactie op van de minister. Voorzitter! Bij zijn aantreden heeft de minister terecht besloten, voorrang te geven aan de problematiek van Nederlandse gedetineerden in het buitenland. Ondanks een hogere bezoekfrequentie en een sneller eerste bezoek na de arrestatie, schort er nog het nodige aan. De Algemene Rekenkamer constateert op tal van punten tekortkomingen en onduidelijkheden. Zo is onduidelijk welke plichten diplomatieke posten tegenover gedetineerden hebben en waaruit de zorg door het departement precies bestaat. Daarnaast zou er een gebrek aan personeel voor het gevangenisbezoek bestaan. Hoe verhoudt dat zich tot de antwoorden op vraag 144? De CDA-fractie meent daarnaast dat het niet of nauwelijks aanspreken van de autoriteiten op de omstandigheden in de gevangenissen en het onvoldoende volgen van de rechtsgang, alsmede het nalaten van actie als de kwaliteit van de rechtsgang te wensen overlaat, haaks staan op de prioriteit van zorg aan gedetineerden in het buitenland. De minister stelt dat hij aan de kritiek van de Rekenkamer tegemoet zal komen, maar hij geeft niet aan hoe hij dit zal doen. Hij verzet zich tegen de hoofdaanbeveling van de Rekenkamer om een zorgnorm te formuleren. De CDA-fractie acht een dergelijke zorgnorm wel noodzakelijk en ik overweeg op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen. Ook wil de CDA-fractie graag een nadere reactie krijgen op de aanbeveling dat er meer dan nu het geval is, inhoudelijk eisen gesteld zouden moeten worden aan Eprafas. Tegelijkertijd meent de CDA-fractie dat de geestelijke verzorging zoals die door Eprafas wordt verricht, noodzakelijk is, naast materiële verzorging door de betreffende posten. De noodzakelijke intensivering van de geestelijke verzorging vraagt aanzienlijk meer financiële middelen dan nu voorzien zijn in de begroting. Ik overweeg op dit punt een amendement in te dienen ter verhoging van die financiële middelen voor de geestelijke verzorging door Eprafas, gekoppeld aan inhoudelijke eisen met betrekking tot de activiteiten. Ook daar zou ik graag een reactie van de minister op willen hebben. Voorzitter! Er zijn aanhoudende klachten over het functioneren van de ambassades in relatie tot de visumverlening. Met name klachten over de opstelling van lokaal personeel en geruchten over corruptie bij visumverlening bereiken ons vaker en vragen om een adequate reactie van de minister. Vorig jaar hebben we hier bij de begroting kort over gesproken naar aanleiding van berichten over mensensmokkel. Welke acties zijn ondernomen? Talrijk zijn ook de klachten over de lange duur van de MVV-verlening. Waar zitten nu die knelpunten? We hebben daar bij de Voorjaarsnota ook over gesproken en toen zou er, volgens de minister, geen probleem zijn. Tegelijkertijd bestaat er, onder andere bij de ambassade in Marokko, maar ook bij andere posten, grote onvrede over het feit dat er visa moeten worden verstrekt, terwijl alle signalen op rood staan: evidente vormen van schijnhuwelijken, groot gevaar voor blijvende vestiging, discrepantie tussen regels en werkelijkheid, niet luisteren naar adviezen van het visumkantoor door de IND, etc., etc. Het is de hoogste tijd dat deze hartenkreet van de ambassades serieus wordt genomen. Wat doet de minister met deze ervaringen uit het veld? Vindt er overleg plaats met staatssecretaris Cohen? Voorzitter! De CDA-fractie is positief over het functioneren van de mensenrechtenambassadeur naar het maatschappelijk middenveld toe in Nederland. Mensenrechtenorganisaties hebben op deze manier betere toegang tot het departement, maar de rol van de ambassadeur in het buitenland is voor ons nog steeds onduidelijk. Kan de minister aangeven welke concrete resultaten zijn behaald? Het kabinet kiest in zijn mensenrechtenbeleid nogal eens de weg van dialoog, zoals in het geval van China, Iran en Cuba. De vraag is hoe succesvol deze methode is. In het geval van China moet worden geconstateerd dat vrijlatingen achterwege blijven, nieuwe arrestaties plaatsvinden, de vrijheid van godsdienst aanmerkelijk is verslechterd en ratificatie van belangrijke mensenrechtenverdragen nog steeds uitblijft. Wat zijn nu de concrete resultaten van de bilaterale en de EU-dialoog? De CDA-fractie betreurt bijvoorbeeld in dit verband ook het afzien van een mensenrechtenresolutie ten aanzien van China en het niet gezamenlijk optreden van de Europese Unie en de Verenigde Staten hierbij. Vergelijkbare twijfels zijn er over het beleid ten aanzien van Iran. Ondanks de dialoog: inperking van de vrijheid van meningsuiting, sluiting van kritische kranten en het proces tegen de dertien joden. Het zijn bepaald geen hoopvolle ontwikkelingen. Meer dan tot nu toe het geval is, zal een dialoog over mensenrechten gericht moeten zijn op het bereiken van concrete resultaten. De situatie in Cuba is verslechterd. We zien in toenemende mate dat buitenlandse investeringen in plaats van een hefboom voor respect voor mensenrechten en in plaats van een wapen tegen Cuba's repressieve politiek, juist in toenemende mate een aanmoediging voor het communistische regime zijn voor verdere schendingen van mensenrechten. Onderzoek van Pax Christi, Human Rights Watch en Amnesty International laten juist een verslechtering zien op het gebied van mensenrechten. Cuba schendt op grove wijze de ILO-conventies waar het partij bij is. De enige vakbond die wordt toegestaan, is de vakbond die wordt gecontroleerd door de communistische partij. Werknemers die zich onafhankelijk willen organiseren worden opgepakt, gearresteerd, vervolgd en uitgesloten van werk. Het gemeenschappelijke EU-beleid én de missie van staatssecretaris Ybema gingen uit van de samenhang tussen investeringen, verbetering van handelsrelaties en tegelijkertijd vooruitgang op het gebied van de mensenrechten en democratie. Willen we dit werkelijk realiseren en een einde maken aan de situatie van een dictatuur die zichzelf versterkt dankzij die buitenlandse investeringen, dan acht de CDA-fractie het noodzakelijk dat buitenlandse bedrijven hun investeringen koppelen aan respect voor ILO-conventies. Ik overweeg ook op dit punt een motie in te dienen. De minister zou speciale aandacht geven aan godsdienstvrijheid. Kan de minister toelichten hoe hieraan concreet uitvoering is gegeven en welke resultaten op dit terrein zijn bereikt? Wat is de rol van ambassades? Positief zijn de Nederlandse activiteiten op dit terrein in de OVSE en de Verenigde Naties. Is minister bereid zich in te zetten voor verruiming van het mandaat van de speciale rapporteur voor religieuze tolerantie tot een rapporteur voor vrijheid van godsdienst en levensbeschouwing? De BBO heeft het afgelopen jaar een reeks van debatten over dit onderwerp georganiseerd en zal volgende maand met aanbevelingen komen voor een effectiever beleid op het punt van de godsdienstvrijheid. Is de minister bereid met deze organisatie hierover van gedachten te wisselen om te bezien op welke wijze haar aanbevelingen kunnen worden geïmplementeerd in het Nederlandse beleid? Amnesty International heeft recent aan onze mensenrechtenambassadeur een vijfpuntenplan aangeboden ter uitbanning van martelen. Wat is de reactie van de minister op de aanbevelingen en welke rol zal de mensenrechtenambassadeur daarin kunnen vervullen? Schrikbarend is dat blijkens dat rapport van Amnesty International nogal wat kandidaat-toetreders tot de EU ook een buitengewoon slecht \"record\" blijken te hebben. Hoe gaan we hiermee om? Wij zullen de kandidaat-lidstaten moeten aanspreken op het respect voor mensenrechten, dus niet alleen Turkije, waar de start van de onderhandelingen is gekoppeld aan de feitelijke realisering van verbetering op het gebied van mensenrechten. Wat gaat de EU of Nederland doen om kandidaat-lidstaten te houden aan het respecteren van mensenrechten? Wordt gedacht aan verdere assistentie, bijvoorbeeld op het gebied van daadwerkelijke toepassing van wetgeving of training van politie? Ook op dit punt dienen de toetredingscriteria onverkort gehandhaafd te worden. Wij hebben gezien dat de gedachte dat landen al kunnen toetreden, ook al voldoen ze nog niet aan de criteria, zoals het geval was bij de Raad van Europa, in de hoop dat wij ze erbij zouden kunnen betrekken en dat ze dan beter in staat zouden zijn om de mensenrechten te respecteren, niet werkt. De ervaringen met Rusland en Tsjetsjenië zijn wat dat betreft een teken aan de wand. Amnesty International vraagt daarnaast terecht aandacht voor de noodzaak te komen tot een snelle oprichting van het Internationaal Strafhof in Den Haag. Waar blijft gastheer Nederland? En hoe staat het met de benodigde invoeringswetgeving? Het is toch vrij gênant dat wij als gastland van het Internationaal Strafhof en met de pretentie die wij hebben in relatie tot Den Haag als juridische hoofdstad achterlopen ten opzichte van bijvoorbeeld Canada of het Verenigd Koninkrijk. Wij wilden het hof graag in Den Haag hebben, maar wij hebben nog steeds geen locatie. Het kan toch niet zo zijn, dat bij een voorspoedige ratificatie de eerste ongetwijfeld prestigieuze processen gaan plaatsvinden in een bouwput? De CDA-fractie hecht groot belang aan een Nederlandse bijdrage aan de internationale rechtsorde en dus ook aan eventuele deelname aan vredesoperaties. Maar het is wel van groot belang dat lessen worden getrokken uit het verleden. Het Brahimi-rapport dient daarbij een duidelijke rol te spelen. Dat betekent dat wij niet selectief moeten winkelen uit dit rapport, maar dat wij het rapport er in zijn volledigheid bij moeten betrekken. Wij moeten dus niet uitgaan van rooskleurige scenario's, maar van worst-casescenario's en in staat zijn robuust geweld te gebruiken tegen allen die hun verplichtingen onder een vredesakkoord of wapenstilstand niet nakomen. Bij een Nederlandse deelname moet dus een reële kans bestaan op een geloofwaardige missie die voldoet aan de voorwaarden van het toetsingskader. Conflictpreventie is van groot belang; mijn collega Van Ardenne zal hierop verder ingaan. Naar aanleiding van de recente kabinetsbrief over de inzet van politie en Koninklijke marechaussee bij internationale civiele politieoperaties meent de CDA fractie dat een forse spanning bestaat tussen de gewenste inzet en de beschikbare capaciteit en daardoor ook tussen de gewenste uitzending voor vredesoperaties en de uitvoering van nationale taken. Dit geldt zowel voor de KMAR als voor de politie. Forse investeringen zijn noodzakelijk indien het kabinet de ambitie heeft om nationale taken van politie en nationale taken van de KMAR naar behoren te kunnen laten vervullen en tegelijkertijd bij te dragen aan bijvoorbeeld een civiele EU-politiecapaciteit. Volgens de CDA-fractie kan er in ieder geval niet ingeleverd worden op de nationale taken van politie en KMAR om te kunnen voldoen aan internationale ambities. Ook daarop krijg ik graag een nadere reactie van de minister." 2000-11-02;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20002001-1287-1308.1.2.34;"Buitenlandse Zaken ";295;1;"Voorzitter! Ik heb in mijn bijdrage gesproken over de binnenlandse repercussies van buitenlandse conflicten. Ik heb daarbij zowel over de Molukken gesproken als over de demonstratie van de Marokkanen tegen Joden in onze Nederlandse samenleving. Betrekt de minister dit element nog in dit blokje?" 2000-11-14;Holdijk;02789;SGP;h-ek-20002001-96-149.1.9.1;"Vreemdelingenwet ";17331;23;"Voorzitter! Inmiddels buiten de geraamde spreektijd voor de woordvoerders in eerste termijn wil ook ik mede namens de fractie van RPF/GPV een bijdrage leveren aan dit debat. Voorzitter! Nederland is tegen wil en dank, maar toch bij volle bewustzijn een immigratieland geworden. De keuze ten gunste van een immigratiebeleid is nooit gemaakt, en toch_ Intussen is de immigratie sterk geproblematiseerd en voelt menigeen zich de gevangene van gebrek aan bewust beleid. Nederland is het dichtstbevolkte land van Europa en ook één van de volste landen ter wereld. Begin volgend jaar zal het 16 miljoen legale inwoners tellen. Als de illegalen worden meegerekend, is dat aantal vorig jaar al gehaald. Tegelijk heeft Nederland verhoudingsgewijs ook het hoogste immigratiecijfer van Europa. Er zullen zich dit jaar tegen de 130.000 mensen in Nederland vestigen, van wie 90.000 niet-Nederlanders. Nooit eerder werd zo'n hoog aantal bereikt. Het is relatief hoger dan dat in echte immigratielanden als Amerika. De uitstroom van Nederlanders en niet-Nederlanders is een stuk kleiner, ongeveer 60.000. De meeste nieuwe ingezetenen zijn asielzoekers en de vrouwen, kinderen en ouders van voormalige asielzoekers en die van voormalige gastarbeiders. Daarnaast komt er dit jaar een recordaantal van meer dan 10.000 Antillianen. Een ander record is dat van nieuwe gastarbeiders. Dat zijn er dit jaar minstens 30.000, meer dan ooit, zelfs meer dan ten tijde van de komst van de Turken en Marokkanen, dertig jaar geleden. Ook het aantal asielzoekers dat zich meldt, zal een bijna-record zijn: minstens 45.000. En toch blijft de roep aanhouden om meer, nieuwe migranten naar Nederland te halen: arbeidsmigranten deze keer. Bedrijven dringen aan op de komst van werknemers, hoog of laag opgeleid, als ze maar gedienstig en tegen een niet te hoge prijs aan het werk gaan. Die bedrijven hebben aanhangers in de politiek. De meeste partijen houden weliswaar als stelregel aan dat het ongewenst is om nieuwe arbeidsmigranten aan te trekken zolang er in Nederland nog zoveel niet-werkenden zijn. Toch hebben diezelfde partijen een gewillig oor voor ziekenhuizen, boeren en computerbedrijven die om mensen zitten te springen. Eigenlijk trapt alleen de vakbeweging op de rem, omdat nieuwe werknemers uit lagelonenlanden de salarispositie van de werknemers kunnen ondermijnen. Generaliserend gesproken, wil het ene deel van politiek Nederland de grenzen openhouden voor asielzoekers en familieleden van gastarbeiders en wil het andere deel de komst van al dan niet goedkoop personeel liefst zo min mogelijk in de weg leggen. Sceptici spreken inmiddels al van een coalitie tegen de samenleving. Het wetsvoorstel dat thans voorligt, betreft beide categorieën immigranten. In het regeerakkoord 1998, dat de bakermat is van dit wetsvoorstel, staat te lezen dat de regering zich ten doel stelt een toelatingsbeleid voor vreemdelingen – waar waarschijnlijk primair bedoeld zijn asielzoekers – dat streng, maar humaan en rechtvaardig is. Wie zou daar als beschaafd mens bezwaren tegen durven te hebben? Als het echter gaat om de invulling en uitwerking van de begrippen streng, humaan en rechtvaardig, rijzen de meningsverschillen al spoedig buiten zakelijke proporties, al is er, zo zou ik menen, de laatste jaren enige winst geboekt wat betreft de beheersing van de discussie, al heeft mij vanochtend ook weer enige twijfel bekropen. In het regeerakkoord staat niet met zoveel woorden dat er een strenger toelatingsbeleid zal worden gevoerd. Wie echter kennis neemt van de debatten over het wetsvoorstel in de Tweede Kamer ontkomt niet aan de indruk, dat het ene deel van die Kamer vreesde dat het beleid te streng zou worden, terwijl het andere deel het tegendeel vermoedde. Dat gebeuren lijkt zich te herhalen, althans in de voorbereidende behandeling in deze Kamer. Is dát niet het euvel dat het vreemdelingenbeleid altijd heeft aangekleefd en dat de uitvoering ervan achtervolgt en bemoeilijkt? Onze fracties willen de regering oproepen tot terughoudendheid en helderheid waar het gaat om de immigratie in het algemeen en tot selectiviteit waar het asielzoekers betreft. Het toelatingsbeleid moet zich richten op wat wel genoemd worden de \"echte\" asielzoekers, die voor lijf en leven te vrezen hebben. Het oneigenlijk gebruik van de asielprocedure door zogenoemde economische vluchtelingen moet zoveel mogelijk worden tegengegaan. Dat dat laatste niet simpel is, zijn we ons terdege bewust en is wel overduidelijk gebleken. En wanneer wij een strakker toelatingsbeleid voorstaan, wil dat bijvoorbeeld niet zeggen dat onze fracties een vreemdelingenbeleid bepleiten zoals dat voor de Tweede Wereldoorlog door de regering ten aanzien van de Duitse joden is gevoerd. Ik breng dat met nadruk naar voren. Dat beleid heeft toen, terecht, niet op begrip van het overgrote deel van de Nederlandse bevolking kunnen rekenen. Het is niet voor het eerst dat ik dat in deze Kamer zeg. De situatie is thans echter in vergelijking met de situatie voor de Tweede Wereldoorlog een gans andere. De vraag is nu hoe die tegemoet te treden en welke betekenis daarbij aan het wetsvoorstel mag worden toegekend. Tegen de achtergrond van deze vraag hebben wij in het voorlopig verslag het inmiddels een halve eeuw oude Vluchtelingenverdrag van Genève aan de orde gesteld. Dat verdrag is in een gans andere tijd dan de huidige totstandgekomen. Daarom lijkt de vraag niet zo vreemd of bijstelling gewenst is. De regering wil daar niet van weten, want, zo zegt ze in de memorie van antwoord, de kernprincipes van het verdrag hebben niets aan actualiteit ingeboet. Bijstelling behoeft echter in onze visie niet onmiddellijk en allereerst te betekenen dat de kernprincipes ter discussie gesteld of zelfs verlaten worden. Ook een andere interpretatie is mogelijk, zoals door de Verenigde Staten gevolgd wordt bijvoorbeeld. Zoals bekend, hanteert deze verdragstaat limieten voor toelating met quota naar beroep, familieband en vluchtelingenstatus. Daarmee zijn niet alle problemen opgelost natuurlijk, maar zijn er wel mogelijkheden tot beheersing en sturing geschapen die wij nu niet hebben. Ook zou te denken zijn aan, zoals onder anderen door de heer Rosenthal naar voren is gebracht, meer accent op de opvang en toetsing in de regio. Nederland kijkt liever naar Europa dan naar de Verenigde Staten. Ruim een jaar geleden was er de bijeenkomst van Tampere, waar een gemeenschappelijk Europees asielstelsel in het vooruitzicht werd gesteld. Op de korte termijn zouden minimumnormen vastgesteld moeten worden en op de langere termijn een uniforme asielprocedure. De vraag is intussen of Tampere ons veel verder heeft gebracht. Daarmee ben ik gekomen tot de bespreking van enkele facetten van het wetsvoorstel. Intussen is wel de vraag hoe lang het wetsvoorstel, mocht het wet worden, stand zal houden in deze vorm, als het Europese overleg werkelijk tot substantiële resultaten zou leiden. Ik verwijs naar uitspraken op dit punt van de heer Groenendijk van 2 november jongstleden, die in het dagblad Trouw van 3 november zijn aan te treffen. Voorzitter! Het wetsvoorstel zoals het er nu ligt, brengt op het gebied van het reguliere vreemdelingenrecht slechts procedurele wijzigingen, al is het onderscheid met het deel asiel in de wet duidelijker geworden; dat zij erkend. Onder verwijzing naar artikel 13 stel ik vast dat geen inhoudelijke wijziging wordt voorgesteld wat betreft de drie pijlers van het vreemdelingenrecht. Aan het voorstel zijn wat betreft asiel enkele toelatingsvoorwaarden toegevoegd, maar die bestonden reeds, zij het in lagere regelgeving. Het voorstel is voornamelijk gericht op minder en snellere procedures. Dat is niet niks, want humaan is ook kórt. Het beoogde indirecte effect daarvan moet volgens de regering zijn, dat Nederland minder aantrekkelijk wordt voor asielzoekers. De centrale vraag is natuurlijk of dit effect inderdaad zal worden bereikt. Minstens twee zaken moeten daarbij bedacht worden. Gebleken is in het verleden dat allerlei goedbedoelde maatregelen faalden of in hun effect werden geneutraliseerd door nieuwe, onverwachte externe ontwikkelingen. Ik denk dan aan maatregelen als de Koppelingswet, de Wet ongedocumenteerden, de Wet op de identificatieplicht, de ongewenstverklaringen en het daadwerkelijk vertrek van degenen die niet langer mogen blijven. Op alle hier genoemde punten heeft de wettelijke regeling niet gebracht wat ervan verwacht werd. Is het niet zo, voorzitter, dat beleid en de uitvoering daarvan ertoe hebben bijgedragen dat wettelijke maatregelen niet opleverden wat ervan werd verwacht? Ik zou, als het gaat om externe ontwikkelingen, ook nog kunnen denken aan het rechterlijk beleid, waardoor wettelijke maatregelen werden gefrustreerd in hun beoogd effect. Ik noem slechts de uitspraak van de rechtseenheidskamer van 29 december 1999 over de toepassing van artikel 15b, eerste lid, onder f, van de huidige wet. Het positieve, voorzitter, dat voorlopig wat betreft het wetsvoorstel gesteld kan worden, is dat het uitgaat van het onmiskenbare verband tussen de lengte van de asielprocedure en het aantal asielverzoeken. Maar daarmee is natuurlijk over het daadwerkelijk effect nog weinig gezegd. Voorzitter! Dit gezegd hebbend, kom ik tot de bespreking van enkele inhoudelijke kwesties met betrekking tot het wetsvoorstel. Allereerst een punt waarmee onze fracties de grootst mogelijke moeite hebben: het driejarenbeleid – het zal de staatssecretaris niet verrassen. Dit beleid bestaat reeds en wordt gecontinueerd. Wat het betekent, blijkt onder andere uit een brief van de staatsse cretaris aan de Tweede Kamer van 28 juni 1999. Als voorbeeld releveer ik dit hier. In de maanden maart tot en met september 1998 werden in totaal 1721 vergunningen verstrekt, in 612 (18%) van de gevallen na drie jaar. Van die 612 zaken betreft het in 482 gevallen een vergunning tot verblijf op basis van het overschrijden van de driejarentermijn. Van de totale groep van 1721 vergunningen tot verblijf is dus in 28% van het totaal aantal gevallen (482) een vergunning tot verblijf op basis van het driejarenbeleid toegekend. Nogmaals, ik haal hier woordelijk de gegevens uit een brief van de staatssecretaris aan. Er zou tegengeworpen kunnen worden dat dit een voorbeeld uit het verleden is. Maar ook als het wetsvoorstel wet is geworden en in werking is getreden, kunnen vreemdelingen die hun aanvragen onder de huidige wet hebben ingediend, in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning om redenen van tijdsverloop. De vraag is al menigmaal gesteld hoe een en ander gaat verlopen, als de nieuwe zaken voorrang krijgen en de oude zaken, met name de bezwaarzaken, niet tijdig volgens de planning van de regering kunnen worden afgedaan. Ook onder de nieuwe wet blijft bij overschrijding van beslistermijnen door de Staat evenwel de regel bestaan dat de verblijfsvergunning na drie jaar wordt verleend, want van andere sancties op overschrijding dan die welke de Algemene wet bestuursrecht thans kent, wil de regering niet weten. Over een tweede punt waarover in de schriftelijke voorbereiding en ook vanochtend uit en te na is gediscussieerd, zal ik kort zijn. Het gaat om de artikelen 30 en 31 van het wetsvoorstel: de afwijzingsgronden. Ik volsta met kort onze zienswijze weer te geven. Wellicht wil de staatssecretaris in zijn antwoord aangeven of die visie juist is. We zijn het vermoedelijk met iedereen eens, als ook wij stellen dat een rechtvaardig toelatingsbeleid onder andere inhoudt dat de vluchtelingen- en mensenrechtenverdragen waaraan wij ons hebben gebonden, toegepast moeten worden. Bij de genoemde artikelen gaat het om de vraag of afwijzing van een aanvraag niet direct of indirect zal leiden tot refoulement. In artikel 30 zijn de gronden opgenomen die bij inhoudelijke beoordeling van de aanvraag worden betrokken, waardoor voorkomen wordt dat het refoulementverbod wordt overtreden. En als wij het goed zien, is bij artikel 31 geen refoulement aan de orde. Wel zal in lagere regelgeving nadere invulling aan artikel 31, tweede lid, onder g en h, moeten worden gegeven, waarbij de feitelijke naleving van de verdragsverplichtingen, voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag en de andere in artikel 30, onder d, bedoelde verdragen, in de veilige en derde landen telt. Onzes inziens staat het naleven – de tekst spreekt van nakomen – en niet het ondertekend hebben van de relevante verdragen centraal. Het non-refoulementbeginsel geldt reeds uit hoofde van de in artikel 30, onder d, genoemde verdragen. Bovendien mogen wij toch aannemen dat een vluchteling altijd het voordeel van de twijfel zal genieten, indien refoulement redelijkerwijs denkbaar is en dat niet alles zal afhangen van zijn bewijsmogelijkheden. Voorzitter! Wij spraken reeds over de lagere regelgeving. Dat brengt ons bij enkele opmerkingen over het concept-Vreemdelingenbesluit, tweede versie. Naar aanleiding van de eerste versie heeft, zoals bekend, prof. Kortmann uit Nijmegen in het Nederlands Juristenblad van 22 september enkele kritieke noten gekraakt. Volgens Kortmann was het systeem waarbij in het ontwerp-Vreemdelingenbesluit imperatieve bepalingen werden voorgesteld waar het wetsvoorstel facultatieve bepalingen kent, in strijd met de wet. Aan de hand van een in mijn ogen vrij bizar voorbeeld uit de Wegenverkeerswet werd door de regering betoogd dat het systeem niet in strijd was met de wet. Bovendien, zo stelde zij nog in de nadere memorie van antwoord, bevat het ontwerpbesluit een hardheidsclausule waarmee van de imperatieve bepalingen kan worden afgeweken. De PvdA-fractie had gevraagd of het, los van deze wetssystematische overwegingen, niet praktisch wenselijk zou zijn om meer beleidsruimte voor de staatssecretaris te reserveren om rechtvaardige beslissingen te kunnen nemen. De regering wees dit idee, in afwachting van adviezen van onder andere de Raad van State over het ontwerpbesluit, van de hand. En ziedaar, in de gewijzigde versie van het ontwerpbesluit, waarvan de tekst ons vrijdagavond laat per koerier bereikte, zijn de afwijzingsgronden, de intrekkingsgronden en de ongewenstverklaring facultatief geformuleerd en is de hardheidsclausule geschrapt. Daarentegen zijn de verlengingsgronden, die facultatief waren geformuleerd, nu imperatief geformuleerd. De centrale vraag is wat deze omslag nu te betekenen heeft voor de discretionaire bevoegdheden van de regering. Ik hoop dat de staatssecretaris hierop wil ingaan. Ten slotte zouden wij nog enkele opmerkingen willen maken over het hoger beroep in zaken betreffende vreemdelingenbewaring. In het algemene zou gesteld kunnen worden dat ook dit hoger beroep, naast dat in vergunningszaken, nuttig is uit een oogpunt van rechtseenheid. Vraag: houdt de voorgestelde regeling in dat géén hoger beroep openstaat in geval van voortgezette bewaring of wijziging van de bewaring? Is verder hoger beroep ook uitgesloten bij de toekenning van schadevergoeding na onrechtmatigverklaring van de bewaring? Zo ja, betekent dit dan dat de staatssecretaris niet in hoger beroep kan komen als de schadevergoeding door de rechtbank is toegekend? Naar ik begrepen heb, verwacht de Raad van State dat er veel Europeesrechtelijke vragen zullen rijzen, die aan het Hof van Justitie in Luxemburg zullen moeten worden voorgelegd. In dezen geldt thans een wachttermijn van twee jaar. Dat is natuurlijk in eerste instantie een probleem van het Hof, dat overigens extra zal gaan knellen zodra het vreemdelingenrecht communautair recht zou worden. Maar wat kunnen de gevolgen voor Nederland zijn, gegeven de mogelijkheid van een voorlopige voorziening in het hoger beroep in vreemdelingenbewaring? Als laatste nog een vraag over het te verwachten aantal bewaringszaken in hoger beroep. Volgens de regering in de memorie van antwoord op blz. 11 zou het gaan om een \"relatief beperkt aantal zaken\", terwijl op een aantal bladzijden verder in dezelfde memorie, blz. 45, sprake is van 2000 extra zaken per jaar. Of ik begrijp het niet goed of er zit een beduidende discrepantie tussen beide uitlatingen. Gaarne opheldering in dezen. Wij komen tot een afsluitende voorlopige conclusie. In het voorlopig verslag meldden onze fracties dat ze \"met belangstelling\", een traditionele formule, van het wetsvoorstel kennis hadden genomen. Die woorden moeten letterlijk worden genomen, ook al concludeerde de regering in de memorie van antwoord dat de meeste fracties de uitgangspunten van het wetsvoorstel onderschreven hadden. Uit onze bijdrage vandaag moge gebleken zijn dat wij geen hoge verwachtingen hebben van het effect van dit voorstel op het toelatingsbeleid in brede zin genomen. Het valt ons moeilijk de aannames en verwachtingen van de regering omtrent de effecten van het voorstel te delen. Kortom, wij van onze kant houden nog altijd ernstig rekening met de mogelijkheid, zoals de heer Grütters, universitair docent aan de faculteit rechtsgeleerdheid van de Katholieke Universiteit Nijmegen die in de NRC van 5 juni jongstleden schetste en zoals wij in het voorlopig verslag naar voren hebben gebracht, namelijk dat de wet een averechts effect zou kunnen hebben. Wij zullen bezien of de staatssecretaris ons alsnog van het tegendeel kan overtuigen. Wij hopen daarbij dat hij door toezeggingen aan bepaalde critici niet nog grotere onzekerheid over dat beoogde effect zal creëren." 2000-11-23;Van der Vlies;02682;SGP;h-tk-20002001-2202-2223.1.3.9;"Euthanasie ";5510;9;"Ik ben u dankbaar voor deze correctie. Onze houding in dit debat is voor ons een principiële en ook een onverzettelijke maar naar ik hoop – ik heb daar mijn best voor gedaan – geen hooghartige. Dat maakt volgens mij wel wat verschil. Noties van lijden en barmhartigheid in bijbels licht gesteld: mijn poging is geweest om van daaruit lijnen te trekken. Voorzitter! Dan kom ik toe aan een reactie op de opmerkingen van de bewindslieden. De eerste die ik dan probeer te beantwoorden, is de minister van volksgezondheid, mevrouw Borst. Zij gaf aan te hebben geluisterd naar de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan en stelde vast: laat nou die Samaritaan een heiden zijn geweest. Dat is zo, althans, zo begrijpen wij de geschiedenis. Maar waarover gaat het in die gelijkenis? Daarin wordt het thema besproken: wie is onze naaste? Dan passeren er drie: de priester, de leviet, de joden – zeg met deze schematisering maar: de christenen – en de Samaritaan, die door de joden werd geminacht en tot de heidenen te rangschikken zou zijn. Het gaat erom, dat in die gelijkenis een beschuldiging doorklinkt, juist aan het adres van christenen. Dat heb ik mij zelf natuurlijk aan te trekken: zij verzaakten hun roeping. Ze liepen voorbij. Ze gaven niet thuis. En dan komt nota bene een Samaritaan, door hen zo geminacht en veracht, en hij raapt het slachtoffer op en gaat hem verzorgen. Hij toont barmhartigheid. Daarom heet de gelijkenis ook \"De barmhartige Samaritaan\". Dus: christenen doen het niet automatisch goed of beter dan anderen. Dat heb ik ook niet willen zeggen. Heidenen – laten we zeggen: niet-gelovigen; het woord \"heiden\" is van de minister – kunnen inderdaad christenen tot voorbeeld strekken. Ik heb er geen moeite mee dat te bekennen. Dat raakt echter niet de constatering, dat het begrip barmhartigheid een bijbelse normering is die we ons allemaal hebben aan te rekenen, wie we ook zijn. Daarop geeft de parabel van de barmhartige Samaritaan heel helder zicht, dunkt mij. Mijn stelling is en blijft, dat de bijbelse normen en waarden universeel zijn en dat zij door de eeuwen heen wereldwijd zegenrijk zijn geweest en gehoorzaamd dienen te worden. Mevrouw Borst verwees voorts naar de prechristelijke culturen. Daarin was het hoogstaand je leven zelf te beëindigen zodra je tot last van de omgeving werd. Inderdaad, dat is zo. Markant is echter, dat zodra het christendom zich ontwikkelt, het met dat gebruik is afgelopen. Dat kan niet worden ontkend. Hierover hebben wij diverse beschouwingen kunnen lezen in de bij ons bekende media. Het jaartal 1092 is in dit verband heel markant. Dan wordt van bepaalde terminologieën afscheid genomen. Kortom, aan de moraal waaraan de minister refereerde, werd met de christelijke levensovertuiging radicaal een eind gemaakt. Er is vervolgens de postchristelijke tijd gekomen. Daar had ik het over toen ik sprak over het moderne levensbesef. Deze wetsvoorstellen zijn toch niet anders dan aan de hand daarvan te verklaren. Met het postchristelijke besef wordt gezocht naar en gevraagd om ruimte voor euthanasie en daarom hebben wij daar principieel zoveel moeite mee. Voorzitter! Wat heeft dit debat gebracht? Op drie punten heb ik vernieuwing waargenomen, vernieuwing ten opzichte van datgene wat wij tot nu hadden geregeld. Vernieuwing is niet altijd winst, dat zal duidelijk zijn. Misschien kan ik beter spreken van verandering, want \"vernieuwing\" heeft een kleur of glans die wat positiever overkomt. Het punt van de regionale toetsingscommissies raakt het hart van het wetsvoorstel. Daar ligt een probleem. Als er bij de regionale toetsingscommissie een melding binnenkomt, gaat zij een medisch oordeel vellen – dat is haar mandaat – over de vraag of aan de zorgvuldigheidsvereisten is voldaan. Dan zijn er maar twee antwoorden mogelijk: het is ja of nee. Als het ja is, krijgt de arts van dat oordeel mededeling en wordt de zaak opgelegd. Maar als het nee is en niet aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan, hoort zo'n geval bij het openbaar ministerie te komen. Daarover hebben wij gisteren ook bij interruptie uitvoerig gesproken. Aanvankelijk nam de minister van Justitie ook die stelling in, maar door interrupties en door overwegingen, in het debat ingebracht, is er uiteindelijk toch gezegd dat een klein foutje zo'n regionale toetsingscommissie niet hoeft af te houden van het oordeel dat er zorgvuldig is gehandeld. Op dat moment is er door de regionale toetsingscommissie niet alleen een medisch oordeel, maar ook een juridisch oordeel geveld in een eventuele strafrechtelijke kwestie. Het staat immers vast dat er niet aan de zorgvuldigheidseisen is voldaan. Naar de wijze van zien van mijn fractie zouden al die gevallen aan het openbaar ministerie moeten worden voorgelegd. Als het dan inderdaad zou gaan om een klein foutje – wat is \"een klein foutje\"? – kan ook daar worden vastgesteld dat niet tot vervolging wordt overgegaan en dat de zaak wordt geseponeerd. Om dat heel helder te stellen, heb ik samen met collega Rouvoet een amendement aan de Kamer voorgelegd. Ik heb gezien dat het nog niet is rondgedeeld, dus ik zal het kortelings aanduiden. In artikel 9, lid 2, onderdeel a, worden de woorden \"naar het oordeel van de commissie\" geschrapt. De commissie velt een oordeel binnen haar mandaat. Dan is het van tweeën een. Wij kennen de zorgvuldigheidseisen; er is wel of niet aan voldaan. In het laatste geval gaat het altijd – dat is de intentie van het amendement – naar het openbaar ministerie, dat er verder over te oordelen heeft." 2001-02-22;Karimi;02255;GroenLinks;h-tk-20002001-3962-3982.1.5.1;"Internationaal Strafhof ";15646;18;"Voorzitter! De geschiedenis van verschillende volkeren is helaas veel te vaak gekenmerkt door oorlogen, de heerschappij van dictaturen, massale moordpartijen, martelingen, verdwijningen en verkrachtingen. Maar zelden hebben de verantwoordelijken voor deze gruwelijkheden zich hoeven te verantwoorden. Ik noem het voorbeeld van de genocide op Armeniërs in het begin van de vorige eeuw. Van Adolf Hitler, de grootste misdadiger van de vorige eeuw, die ondertussen bezig was met zijn joodse vernietigingscampagne, luidt het citaat: wie praat nu nog over Armeniërs? Dat is toch ook een vergeten genocide. De vraag is gerechtvaardigd of de tweede genocide van de 20ste eeuw, de genocide van Joden tijdens de tweede wereldoorlog, voorkomen had kunnen worden, als de verantwoordelijken voor de Armeense genocide in het Ottomaanse rijk begin vorige eeuw ter verantwoording waren geroepen. De internationale rechtsorde ontwikkelt zich met vallen en opstaan. Het in 1998 totstandgekomen Statuut inzake het Internationaal Strafhof is een belangrijke stap op weg naar de mogelijkheid om individuen te berechten. Namens mijn fractie wil ik de regering complimenteren met haar inzet en de belangrijke rol die zij heeft gespeeld vanaf het eerste moment van de onderhandelingen over de totstandkoming van deze instelling. Gezien de weerstand van een aantal niet onbelangrijke landen, mag het resultaat zeker niet mager genoemd worden. Tijdens de onderhandelingen over het Internationaal Strafhof speelden echter niet alleen de regeringen, maar ook de niet-gouvernementele organisaties een zeer belangrijke rol. Tijdens de onderhandelingen manifesteerden zich ook de gewijzigde verhoudingen in de wereld en het toegenomen belang van niet-statelijke actoren. De complimenten moeten dus ook geadresseerd worden aan mensenrechtenorganisaties, Amnesty International voorop. Dat wij het resultaat toejuichen, wil echter niet zeggen dat dit geheel overeenkomt met onze oorspronkelijke verwachtingen voor een rechtvaardig, onafhankelijk en effectief hof. Wij hebben hier dan ook nog enkele vragen en opmerkingen over. Wel constateren wij dat Nederland en andere gelijkgezinde landen en de niet-gouvernementele organisaties dit compromis in Rome hebben moeten slikken in de wetenschap dat er in Rome noch in de nabije toekomst een beter resultaat te verwachten viel. Positief is de erkenning van de rechtsmacht van het Strafhof over de zogenaamde core crimes. Ik zal dadelijk nog iets meer zeggen over genocide, oorlogsmisdaden, misdrijven tegen de menselijkheid en agressie. Collega Hoekema wil ik trouwens zeggen dat wij er helemaal geen behoefte aan hebben om drugsmisdaden onder het Strafhof te brengen. De erkenning van verkrachting en andere vormen van geweld tegen vrouwen is in het bijzonder van belang. Bij de instelling van het Rwandatribunaal was dit nog aanleiding voor een strijd door de vrouwen. Dat er geen vetorecht is van een van de permanente leden van de Veiligheidsraad, mag dan ook positief worden genoemd. Een blokkade is alleen mogelijk, als ten minste alle vetohoudende leden van de Veiligheidsraad het hierover met elkaar eens zijn. De aanklager heeft ook een zelfstandig recht tot primair onderzoek. Wel moet de aanklager zich tot tweemaal toe tegenover een kamer van rechters verantwoorden, voordat hij vervolging kan instellen. Het Internationaal Strafhof zal de jurisdictie hebben over genocide, misdrijven tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en agressie. Voor de eerste misdaden is aansluiting gevonden bij bestaande definities en normen in het internationale volkenrecht, maar voor agressie is nog een lange weg te gaan. Het is ook goed dat agressie, een misdrijf tegen de vrede, in deze rij is opgenomen. Immers, een misdrijf tegen de vrede kwam al voor in het Handvest van het Neurenbergtribunaal van 1945. De strijd om de definitie van agressie heeft volgens mij vooral te maken met de relatie tussen de Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof. Kan de regering bevestigen dat het kernprobleem bij de discussie over agressie is of er een verwijzing van de Veiligheidsraad nodig is voor vervolging wegens agressie? De voorstanders kunnen immers beargumenteren dat het volgens artikel 39 van het VN-Handvest aan de Veiligheidsraad is om agressie te definiëren en te beoordelen of het een gevaar voor de internationale vrede en veiligheid is. De Veiligheidsraad is echter een politiek orgaan. Met een absolute verwijzingsmacht van de Veiligheidsraad wordt op een juridische instantie een politiek primaat gelegd dat ongewenst is. Kan de regering aangeven wat haar standpunt in dezen is? Volgens mij behoren de verantwoordelijkheden van de Veiligheidsraad en het Internationaal Strafhof geheel gescheiden te blijven. De rechtsmacht van het Strafhof is complementair aan de nationale rechtsmacht. Dat is ook het belangrijkste compromis aan de Verenigde Staten. In tegenstelling tot de ad-hoctribunalen voor het voormalig Joegoslavië en Rwanda kan het internationale Hof niet zelf uitmaken of het personen zal berechten die ook voor de nationale rechter kunnen worden berecht. Als de staten de personen kunnen en willen berechten voor misdrijven onder de rechtsmacht van het Hof, dient het Hof voorrang te verlenen aan de nationale rechter. Dat roept vier vragen op. Hoe vindt de praktische beoordeling plaats inzake de bekwaamheid en bereidwilligheid van de staten? Hoe kan het Hof een onderscheid maken met de intentie van de staten om eigen onderdanen te beschermen tegen een internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid? Aan de hand van welke criteria kan het Hof de onwil toetsen? Voldoen deze aan de omschrijvingen in artikel 17, lid 2? In het geval dat het Hof de bekwaamheid en bereidwilligheid van een staat in twijfel trekt, wat is dan nodig om de rechtsmacht door het Hof uit te laten oefenen? Is dit dan niet een politiek delicate zaak? De conclusie van het Hof dat de eventuele vrijspraak door de nationale rechter niet op een onafhankelijke wijze tot stand is gekomen, zal heel gevoelig liggen. Kan van een staat, waarvan de strafrechtspleging is afgekeurd, verwacht worden dat deze bereid is om mee te werken aan een strafrechtelijk onderzoek en eventuele vervolging door het internationale Hof? Indien de verdachte op nationaal niveau is vrijgesproken of indien de zaak is geseponeerd wegens gebrek aan bewijs, mag de aanklager van het Internationaal Strafhof dan wel verder gaan zoeken naar bewijzen in dat land? Indien de aanklager zelfstandig nieuw bewijs verkrijgt, bijvoorbeeld via een verklaring van een reeds veroordeelde, wat dient hij dan te doen? Moet hij dit bewijs doorspelen naar die staat, met het verzoek daar iets mee te doen of mag hij zelf gaan vervolgen? Ook de regering geeft toe dat de beoordelingsruimte van de aanklager in deze kwesties beperkt is. Hoe denkt de regering echter over deze mogelijke belemmeringen voor het Strafhof? Hoe zouden deze belemmeringen verkleind kunnen worden? In hoeverre is de regering bereid om zich te blijven inzetten voor een universele jurisdictie van het Hof bij vervolgonderhandelingen en welke mogelijkheden zijn er daarvoor? Om welke staten gaat het bij de complementariteitstoets? Nu hebben alle landen de mogelijkheid om mensen te vervolgen voor misdrijven die onder de rechtsmacht van het Hof vallen, ook als het niet hun onderdanen betreft. Hoe verhoudt deze mogelijkheid zich tot die van het Hof? Neem het voorbeeld van Pinochet, waar naast Chili, ook Spanje en Engeland betrokken waren. Moet het Hof al deze landen beoordelen op hun bekwaamheid en bereidwilligheid of geldt dat alleen voor het land van herkomst van verdachte en mag het Hof eventuele andere landen die willen vervolgen overrulen? De effectiviteit van het Hof kan ernstig aangetast worden door deze complementariteitstoets die in principe voorrang geeft aan het nationale recht boven het internationale. Een andere ernstige beperking van de uitoefening van de rechtsmacht van het Internationaal Strafhof, is de beperking van de rechtsmacht over personen van wie het land van herkomst of het land dat hem verdenkt van het plegen van het misdrijf, partij dient te zijn van het Hof. Met andere woorden, als een verdachte buiten zijn eigen land wordt aangehouden, heeft het Hof geen rechtsmacht als het land van herkomst van de verdachte, noch dat land waar de misdrijven zijn gepleegd de rechtsmacht van het Hof erkent. Dezelfde persoon zou wel berecht kunnen worden als het land waar hij verblijft zelf een universele rechtsmacht heeft op bijvoorbeeld het punt van genocide of misdrijven tegen de menselijkheid. Dat is voor mijn fractie reden om de regering te vragen zich maximaal in te zetten om landen te stimuleren partij te worden bij het Hof en zodoende het bereik van de rechtsmacht van het Hof te vergroten en het aantal toevluchtsoorden voor misdadigers te verkleinen. Welke mogelijkheden ziet de regering hiervoor en welke strategieën zal Nederland volgen om landen als China, Rusland en Turkije te bewegen partij te worden? \"Toevalligerwijs\" zijn dat geen landen met een beste reputatie op het terrein van mensenrechten, maar landen met ernstige interne conflicten. Het Strafhof zal volgens zijn Statuut geen terugwerkende kracht hebben. De rechtsmacht van het Hof geldt voor misdrijven begaan na de inwerkingtreding van het Hof. Dit betekent dat de nationale wetgeving in zaken als genocide, oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid goed geregeld moet worden, juist nu in de periode voor de installatie van het Strafhof. Universele jurisdictie van het nationale recht over misdrijven die onder de jurisdictie van het Hof vallen, is van belang als gevolg van de complementariteit. Wij zien ook met belangstelling het wetsvoorstel van de regering tegemoet waarin het misdrijf tegen de menselijkheid zal worden geregeld. Gezien het feit dat het Hof geen terugwerkende kracht heeft, is het van belang dat het nieuwe wetsvoorstel inzake misdrijven tegen de menselijkheid geen beperking zal hebben in de tijd. Wil de minister dat hier toezeggen? Verder is de vraag, gezien de uitspraak van het Hof van Amsterdam in de zaak-Bouterse, of nu door de regering erkend wordt dat de materiële normen neergelegd in de Uitvoeringswet folterverdrag reeds eerder als ongeschreven rechtsregels waren geaccepteerd in de Nederlandse rechtsorde. Is daarmee de werking van het folterverdrag niet uitgebreid met de periode na 20 januari 1989? Wat kunnen wij hieromtrent in de uitvoeringswetgeving verwachten? Kortom, een tweesporenaanpak is volgens ons nodig, te weten een sluitende nationale wetgeving die de universele rechtsmacht zonder beperkingen regelt over de misdrijven die onder de rechtsmacht van het Hof vallen en het versterken van het Internationaal Strafhof en het zo snel mogelijk laten functioneren van het Hof. Voor het versterken van het Hof geldt in ieder geval het schrappen van artikel 124. Dit artikel maakt het mogelijk dat staten verklaren dat zij de eerste zeven jaar niet de jurisdictie van het Hof erkennen met betrekking tot artikel 8, oorlogsmisdrijven. Ik vond de gedachte van collega Van Middelkoop dat deze termijn onderhandelbaar zou zijn interessant. Bij die vraag sluit ik mij dan ook aan. Kan de regering bevestigen dat de exceptie \"Befehl ist Befehl\" in bepaalde situaties wordt gehonoreerd bij oorlogsmisdaden en mogelijk toegevoegde nieuwe begrippen als agressie? Mijn volgende vraag is of deze bepalingen een uitwerking zijn van de jurisprudentie onder de andere tribunalen en of het een verslechtering is ten opzichte van ad-hoctribunalen. Waarom zijn deze uitzonderingen in het Statuut opgenomen? Kan de regering uitleggen welke mogelijkheden zij ziet in de onderhandelingen om een eventuele verslechtering tegen te gaan? Het succes van het Hof zal geheel samenhangen met de medewerking van staten. Het lijkt ons dat er weinig mogelijkheden zijn gecreëerd om medewerking door staten af te dwingen. De aanklager kan geen dwangmiddelen gebruiken en kan geen getuigen of verdachten gedwongen overdragen aan het Hof. Is de regering bereid om bij de herziening opnieuw aan te dringen op een expliciete bepaling over de verplichting tot medewerking? Maakt het gebrek aan sancties het niet juist van belang dat het Hof voldoende is toegerust om zelfstandig onderzoek te doen? Dat betekent dat de aanklager moet kunnen beschikken over ruime middelen en een goed onderzoeksteam. Wat zullen de mogelijkheden van het Hof hieromtrent zijn? Kunnen onderzoekers van het Hof gehouden worden om te getuigen in nationale rechtszaken als de nationale rechter hen daartoe oproept? Een snelle ratificatie door de eerste zestig landen is de eerste voorwaarde voor de implementatie van het Hof. Daarna is het van groot belang om snel een zetelverdrag af te sluiten tussen Nederland en het Hof. Als de verwachting is dat het verdrag in het najaar van 2002 in werking treedt, dan is de vraag hoever de voorbereidingen met betrekking tot een vestiging in Den Haag gevorderd zijn. Het mag niet zo zijn dat Nederland pas na inwerkingtreding van het verdrag nog zijn zaakjes moet regelen met betrekking tot het vinden van een locatie. Kan de regering de toezegging doen dat in principe op het moment van de inwerkingtreding van het Statuut alle voorbereidingen omtrent de huisvesting en dergelijke van het Hof geregeld zijn? Wij zijn het eens met de reactie van de regering op de opmerkingen van de Raad van State, ook wat betreft de relatie tussen de grondwettelijke immuniteit van het Staatshoofd, leden van de Staten-Generaal en de ministers in relatie tot internationale strafrechtelijke aansprakelijkheid. Wij vinden dat toepassing van de procedure van artikel 91, derde lid, van de Grondwet een praktische oplossing is. Die kunnen wij dan ook steunen. Ik begon mijn betoog met de Armeense kwestie: de vergeten genocide. Nederland wil een voortrekkersrol spelen in de totstandkoming van het Hof. Niet voor niets wordt Den Haag de juridische hoofdstad van de wereld, waar oorlogsmisdadigers en misdadigers tegen de menselijkheid over de hele wereld ter verantwoording geroepen kunnen worden. Dit soort misdaden mag niet meer gepleegd worden en er komt nu eindelijk een instrument dat ervoor kan zorgen dat niemand meer dit soort misdrijven ongestraft kan uitoefenen. Dat betekent wel dat Nederland het lef moet hebben om duidelijke standpunten in te nemen, als leiders van landen of individuen dit soort misdaden begaan. Het moet mij van het hart dat de minister door zijn beantwoording van mijn schriftelijke vragen over de Armeense kwestie – ik heb het dan over een genocide waarbij honderdduizenden Armeniërs omkwamen – bij mij een enorme boosheid en teleurstelling heeft opgeroepen. Ik citeer hem: \"Dat zich in genoemd gebied tussen 1915 en 1923 tragische gebeurtenissen hebben afgespeeld waarbij honderdduizenden mensen het leven lieten, staat vast. Ik acht het niet op mijn weg te liggen om daarover een waardeoordeel te geven.\" Dit antwoord is een minister die pretendeert een voortrekkersrol te spelen ten aanzien van Den Haag als symbool voor rechtvaardigheid, absoluut onwaardig en ongeloofwaardig. Ik vraag de minister van Buitenlandse Zaken om hier uitvoerig op in te gaan. Voorzitter! Bij de behandeling van sommige onderwerpen in deze Kamer kan ik het niet laten om er een persoonlijke noot bij te zetten. Met de inrichting van het Internationaal Strafhof komt het moment dichterbij dat de moordenaars en folteraars van tienduizenden van mijn oorspronkelijke landgenoten, vrienden en familieleden uit Iran, hier in Den Haag ter verantwoording zullen kunnen worden geroepen. Deze mijlpaal in de geschiedenis komt op die manier heel dicht bij de persoon." 2001-04-09;Schuurman;02771;ChristenUnie;h-ek-20002001-1211-1252.1.3.14;"Euthanasie ";1255;1;"In mijn bijdrage zal ik op dit punt terugkomen, maar ik heb er behoefte aan om u een vraag te stellen. Kunt u zich voorstellen dat, misschien met uitzondering van een deel van het Nederlandse parlement, heel de wereld op haar kop zou staan als het voorliggende wetsvoorstel in Duitsland ter behandeling zou voorliggen? De bezwaren die wij tegen dit wetsvoorstel hebben, zouden in de wereld immers nog heftiger zijn als men in Duitsland met een dergelijk voorstel zou zijn gekomen. Ik zal straks niemand verwijten wat ook u niemand in deze Kamer wilt verwijten, maar u doet alsof er in Duitsland ook niet al voor de Tweede Wereldoorlog iets zorgwekkends aan de hand was. Ik denk bijvoorbeeld aan het feit dat hele nette mensen het onderscheid tussen leefbaar en niet-leefbaar leven al hadden geïntroduceerd. Er loopt natuurlijk een historische lijn van deze lieden naar Hitler. Als u zegt dat dit in een democratische rechtsstaat niet kan gebeuren, houd ik u voor dat Hitler via democratische weg aan de macht is gekomen. Het is echter vooral het antwoord op mijn vraag dat mij interesseert: zou u zich kunnen voorstellen dat heel de wereld, behalve een deel van Nederland, niet in opstand zou komen als Duitsland dit wetsvoorstel in behandeling zou nemen?" 2001-05-29;Dölle;02262;CDA;h-ek-20002001-1389-1408.1.2.1;"Kaderverdrag bescherming nationale minderheden ";14567;11;"Mijnheer de voorzitter. Vandaag beraadslagen wij over een goedkeuringswet die al ruim een jaar bij deze Kamer ligt. De schriftelijke voorbereiding kende twee instanties en was redelijk intensief. Op het eerste gezicht wekken deze uitgebreide bespiegelingen in de senaat wellicht wat verwondering. De gedachte om nationale minderheden ook verdragsrechtelijk te schragen is nieuw noch controversieel. Europa kent immers een tumultueuze geschiedenis die voor een niet-onbelangrijk deel is gestempeld door spanningen en strijd tussen eenheidsstaten, maar ook federale nationale staten enerzijds en historisch-culturele minderheden uit dat staatsvolk, meestal in een bepaald deel van het land wonend, anderzijds. Ook de inhoud van het verdrag geeft geen aanstoot, sterker nog verdient waardering. Het initiatief na de val van de muur en de implosie van het reëel existerend socialisme, voorbereid in de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking en uitgaand van de Raad van Europa, is zinnig en goed. Het verdrag was tevens een waarschuwend signaal aan de aspirant-leden van de Europese Unie, acht te slaan op hun nationale minderheden. Voor wie het nog niet begreep, moeten de afschuwelijke etnische explosies op de Balkan instructief zijn geweest. Vanwaar dan toch dit uitgebreide debat aan deze zijde van het Binnenhof? Voor het CDA – en naar ik heb begrepen geldt dit ook voor andere fracties – ligt het grote probleem bij de specifieke uitleg door de regering van het begrip \"nationale minderheid\", een uitleg die op een aantal punten een Alleingang betekent. Dat is op zichzelf niet verkeerd, maar het moet wel kunnen. Die Alleingang houdt overigens ook in – maar dit terzijde – dat de reciprociteit tussen de verdragspartijen hier ver te zoeken is. Nationale minderheden zijn voor de regering de Friezen en de doelgroepen van het integratiebeleid; dus de Molukkers, de Turkse, Antilliaanse (daarnaast wellicht ook mensen van Aruba en Sint Maarten) en Marokkaanse minderheden, de zigeuners (al dan niet gesplitst in Sinti en Roma), de woonwagenbewoners, de asielgerechtigden en de vluchtelingen. Deze beide laatste categorieën vormen, zoals minister van Boxtel dat op 15 maart vorig jaar aan de overzijde uitdrukte, \"paraplucategorieën\" voor heel veel andere groepen zoals Ghanezen, Koerden, Vietnamezen, Armeniërs, Afghanen, Somaliërs enz. Wij nemen aan dat deze subcategorieën in de opvatting van de regering, gelet ook op het debat in de Tweede Kamer, ook nationale minderheden vormen. Zulks zou passen in de logica die de regering impliciet ten grondslag legt aan de verdediging van haar uitleg. Wij hebben ernstige bezwaren tegen de uitleg van de regering die niet zijn weggenomen bij de schriftelijke voorbereiding van dit wetsontwerp. Waarop komen deze samengevat neer? In de eerste plaats treedt de Nederlandse uitleg buiten de strekking van het verdrag dat duidelijk gericht lijkt op traditionele minderheden, dus op bevolkingsgroepen – doorgaans territoriaal geconcentreerd – die reeds zeer lange historische wortels bezitten binnen het staatsgebied en die vaak in een historisch antagonistische verhouding stonden tot de nationale staat. Die spanningen waren soms vrij licht en vooral cultureel van aard (dikwijls rond de taal) maar soms ook waren ze zeer intens, vaak uitmondend in geweld en dreiging van burgeroorlog. Het verdrag gaat wat ons betreft over deze groepen. Dat blijkt uit de wordingsgeschiedenis en de preambule ervan. Het blijkt ook uit de opstelling van vrijwel alle verdragsluitende partijen en uit de inhoud van een aantal bepalingen, bijvoorbeeld die welke handelen over grensoverschrijdend verkeer, wijziging van bestuursgrenzen en de taalaanspraken. Een tweede bezwaar ligt in de redenering van de regering dat het begrip \"nationale minderheid\" een soort vrije kwestie is. De verdragsluitende partijen kwamen er niet uit en dus kan ieder land zijn eigen invulling kiezen. Daarbij suggereert de regering overigens in de nadere memorie van antwoord dat de leden van het CDA meenden dat Nederland zelf oorzaak van die impasse was door zijn eigenzinnige opvattingen terzake. Dat is apert onjuist en men kan daarvoor in de schriftelijke voorbereiding ook geen begin van een suggestie vinden. We waren niet eens op het idee gekomen. Maar nu de regering dit punt zelf aanroert, willen wij het wel in een vraag omzetten. In hoeverre was Nederland de veroorzaker van de impasse? Wat daar overigens ook van zij, Nederland liet weten \"to give as wide as possible application to the framework Convention\". Maar de suggestie dat de verdragspartners er niet uitkwamen vanwege een verschil van opvatting over de vraag of \"nieuwe\" minderheden onder dit verdrag vallen, komt het CDA wat speculatief voor. De debatten gingen immers met name over de vraag of het staatsburgerschap constitutief is voor het lidmaatschap van een nationale minderheid. De discussie betrof verder de vraag hoe een exclusieve en uitputtende lijst van criteria kon worden vastgesteld op grond waarvan feilloos kon worden bepaald wanneer iemand behoort tot een nationale minderheid. Wanneer is iemand bijvoorbeeld een Fries? Welke rol spelen geboorte, ouders, taal, woonplaats, de bereidheid om een taal te leren en dergelijke? Dit lijkt mij een \"tige swiere\" vraag die in de stukken niet geheel kon worden beantwoord. Uit dit soort kwesties kwamen de verdragsluitende partijen niet en daarom werd de vraag wat in het verdrag onder een nationale minderheid wordt verstaan, opengelaten. Er is een derde, veel wezenlijker bezwaar, namelijk de uitleg van het verdrag door Nederland, dat in het verdrag een integratie-instrument ziet ter aanvulling van het Nederlands integratiebeleid. De finaliteit van het verdrag is echter – ik herhaal mijzelf hier, waarvoor excuus gevraagd – een andere. Het verdrag legt een verdedigingslinie rond groepen die historisch in een min of meer gespannen verhouding staan tot de overheid, en verschaft de leden daarvan, hun kinderen en hun kinds kinderen aanspraken tegenover die overheid. Aanspraken op taal, op schrift, op tolken, op subsidiëring van culturele en andere voorzieningen, op handhaving van bestuurlijke grenzen, op eigen onderwijs, op media en op eigen functies in het voorbereidingstraject van belangrijke besluiten, dus op consultaties van vertegenwoordigers van die groepen. Het integratiebeleid is echter van een andere aard, want dat is er juist op gericht om zo snel mogelijk, als het kan binnen een generatie, een aantal hindernissen op te ruimen. Het is dan ook terecht dat de Raad van State, en de regering deelt dat inzicht kennelijk niet, opmerkt dat \"spanning en conflict tussen een beleid gericht op integratie van minderheden en respect voor hun eigenheid als algemeen rechtsbeginsel niet kunnen uitblijven\". De landen om ons heen voeren ook een integratiebeleid, maar zij kwalificeren de doelgroepen van dat beleid niet als nationale minderheden, en zeker niet om die reden. Het is ook om andere redenen goed om naar de ons omringende landen te kijken. Frankrijk en België doen aan het verdrag overigens niet mee. Het eerste land niet vanuit zijn specifieke, door de Franse revolutie gestempelde opvatting dat er slechts Fransen zijn. Het tweede land doet niet mee uit vrees dat het verdrag de precaire balans tussen de taalgroepen ondermijnt. De Duitsers erkennen de Friezen, de Denen, de Sinti en de Roma als leden van nationale minderheden, indien zij staatsburgers zijn. De Zwitsers erkennen de Roma ook voorzover zij staatsburgers zijn. De Denen erkennen slechts de Duitstalige Denen. De andere Scandinavische landen erkennen elkaars oude historische minderheden, zoals de Woud-Finnen in Noorwegen en de Zweedstalige Finnen in West-Finland, en de Joden en de zigeuners. De Britse regering lijkt meerdere nationale minderheden te kennen, ook al kent het Brits recht het begrip \"nationale minderheid\" niet, zoals de regering opmerkt. De Nederlandse regering meent hierin een baken overzee te vinden. De CDA-fractie heeft reeds in het nader verslag aangegeven waarom dat beroep op de Britse situatie maar heel gedeeltelijk slaagt. De regering heeft hierop in de nadere memorie van antwoord niet gereageerd en mijn fractie neemt dan ook aan dat de regering inziet dat het in Groot-Brittannië toch anders ligt. Niet alleen speelt de Commonwealth daar een grote rol, maar ook vinden de \"nationale minderheden\" – dat begrip kent men overigens niet – hun basis in de wet en niet in een nota. Ten slotte ziet Groot-Brittannië het Kaderverdrag niet als een integratie-instrument, maar als een juridisch document in het antidiscriminatiebeleid. De Nederlandse vermenging van het integratiebeleid met dit verdrag werpt dan ook vreemde vruchten af. Dit brengt mij bij het vierde bezwaar. De regering wordt door deze opstelling als het ware gedwongen om stiefkinderen onder de minderheden te maken. Het verdrag in zijn geheel geldt voor de Friezen. Voor de recent geïmmigreerde nieuwe doelgroepen van het Nederlandse integratiebeleid geldt het slechts gedeeltelijk. Dit is niet alleen een feitelijke constatering, maar ook een normatieve uitspraak die de regering doet, ook al is momenteel inderdaad nog niet goed te zien voor welke gebieden de artikelen 10, 13 en 14, lid 2, gelden. Als de regering het verdrag integraal van toepassing zou verklaren, dan zou er een onwerkbare en wellicht onbetaalbare situatie ontstaan. Een vijfde bezwaar is vooral juridisch van aard. Vanaf het begin van de schriftelijke voorbereiding in deze Kamer maakt de CDA-fractie bezwaar tegen de koppeling van de verdragbescherming aan het al dan niet voorkomen van de groep in een nota. Een en ander is daarmee immers afhankelijk van een ministerieel besluit. Joden, Amerikanen, Limburgers, Spanjaarden of Chinezen vormen dus geen nationale minderheid, maar Turken en woonwagenbewoners wel, totdat de minister de ene groep schrapt en eventueel een andere opvoert. Dit lijkt mijn fractie volstrekt uniek, ook in Europees verband. Er wordt gepoogd om de positie van nationale minderheden te immuniseren door een extra slot in het verdrag op te nemen en vervolgens wordt de sleutel aan de minister gegeven. Een ministerieel besluit is immers van veel lagere orde dan een verdrag of een wet. Dit leidt tot malle gevolgen. Wanneer verdwijn je als nationale minderheid? Ik volg de regering in de nadere memorie van antwoord in reactie op vragen van PvdA-zijde: \"Dat een bevolkingsgroep met een bijzondere etnische achtergrond de doelgroep is van het integratiebeleid, is er een aanwijzing voor dat de leden ervan in het algemeen onvoldoende in staat zijn tot een volle en onbelemmerde uitoefening van hun burgerlijke rechten en verantwoordelijkheden. Deswege dragen de overheden ertoe bij, voorzover dat binnen hun bereik ligt, de daartoe bestaande belemmeringen weg te nemen. Zou de rijksoverheid besluiten, haar specifieke aandacht voor zulk een groep te beëindigen, ligt de reden ervan hierin dat de leden ervan geacht worden op eigen kracht en zonder enige hindernis te handelen als vrije burgers van onze samenleving en alle, ook de culturele en linguïstische rechten te genieten die daaraan verbonden zijn. In die situatie is een bijzondere bescherming als door het Kaderverdrag beoogd, niet meer vereist.\" Arme Friezen, voor hen gloort deze toekomst kennelijk niet. Ze zijn nationale minderheid sui generis. Ze worden op een andere wijze tot stiefkind gemaakt. Ten slotte een zesde bezwaar. De aanwijzing van nationale minderheden bezit naar de opvatting van de CDA-fractie een betekenis die uitstijgt boven de praktische implicaties van dit Kaderverdrag. Wij verklaren hiermee tegenover Europa en de wereld dat een aantal etnische groepen beschouwd moet worden als nationale minderheid in de zin van het verdrag. Hun positie wordt bovennationaal gewaarborgd en erkend en de leden daarvan ontvangen aparte rechten en aanspraken. De groep krijgt een bijzondere juridische, en dat is wat anders dan een bijzondere beleidsmatige, status. De Hoge Commissaris van de Minderheden komt in beeld en de etnische subcultuur zou zoals ook in een aantal landen gebeurt, grondwettelijke erkenning kunnen claimen. Wat in een verdrag kan, moet in de Grondwet kunnen. Noties over bijvoorbeeld Surinaamse of Antilliaanse of Turkse etniciteit moeten daarbij overigens nog wel worden geëxpliciteerd. Bovendien is het de vraag of vanuit al die groepen de status van nationale minderheid voor deze en komende generaties wordt gewenst. Voor zo een debat lijkt het ons minder gelukkig dat in het kader van dit verdrag te voeren. Dit verdrag gaat over andere zaken. Overigens is het ons bekend – wellicht komt de heer Van Thijn hierop terug – dat er een stroming aanwezig is, ook in de wetenschap die steeds sterker benadrukt dat etnische groepen publiekrechtelijke rechtspersoonlijkheid bezitten en als internationaal-rechtelijk subject worden beschouwd. Dat is een zeer zware discussie die in hoge mate de positie van de natie/staat ter discussie stelt. Die discussie moet in een andere context worden gevoerd dan in de marge van dit verdrag. Het moge duidelijk zijn dat onze fractie ernstige bezwaren heeft tegen de regeringsuitleg van het verdrag, niet tegen de verdragstekst zelf. Deze opstelling van de regering hypothekeert het debat over dit verdrag met het nationale integratiebeleid, met alle gevolgen van dien. Het zijn al deze bezwaren zoals de te ver gaande negatie van achtergrond en context van het Kaderverdrag nationale minderheden, de uitleg van de regering van de impasse (hoe deze zou zijn ontstaan) rond het begrip nationale minderheid, de duiding van het verdrag als een hulpstuk van het Nederlandse integratiebeleid, de daaruit voortvloeiende integrale toepassing voor Friezen en beperking van toepassingsverklaring voor de andere minderheden, de juridisch unieke en boterzachte koppeling van verdragsbescherming aan nota's, de proliferatie van minderheidsgroepen en het verwarren van de finaliteit van het Verdrag met dat van het Nederlandse integratiebeleid die het CDA zeer huiverig maken hiermee in te stemmen. Wij neigen naar tegen stemmen. Wij zijn het wel met de regering eens dat het in de praktijk wel meevalt, nu wat in dit Verdrag staat reeds in onze wetgeving is gerealiseerd, al geldt dit bijvoorbeeld niet voor de niet-aantastbaarheid van de Friese provinciegrens, om maar eens wat te noemen. Bovendien menen wij dat dit verdrag een behoorlijke financiering van voorzieningen voor nationale minderheden garandeert en dus het budgetrecht terzake materieel aan grenzen bindt. Het meeste is gerealiseerd in onze nationale regelgeving." 2001-06-26;Van Boxtel;02556;"";h-ek-20002001-1448-1458.1.12.3;"Inburgering nieuwkomers ";3863;7;"Het democratische geloof kan natuurlijk niet sterk genoeg verankerd zijn. Ik wijs er daarbij wel op dat niet-stemmen in Nederland een democratisch recht is. Het verlenen van hulp aan mensen die gebruikmaken van hun democratische rechten, kan echter een groot goed zijn. Ik wil niet veel verder gaan dan dit voorbeeld. De heer Van Thijn weet heel goed wat ik bedoel met die maatschappelijke elementen. Dat zijn de voorbeelden die ik in eerste termijn heb genoemd, zoals het organiseren van activiteiten in de wijk, het vinden van werk en het zoeken van oplossingen voor een gezin dat een kind heeft met problemen op school. Ik geef mij onmiddellijk gewonnen, als iemand mij verwijt te spreken over de Marokkaanse gemeenschap, want ook ik spreek bij voorkeur over mensen van Marokkaanse afkomst. Veel mensen in deze gemeenschap hebben immers de Nederlandse nationaliteit. In de tijd dat ik verantwoordelijk ben voor het integratiebeleid, heb ik een gevoelige antenne ontwikkeld voor het duiden van pluriforme verschijningsvormen. Ik kom gelukkig steeds meer mensen uit minderheden tegen die in rond Nederlands tegen mij zeggen dat zij er doodmoe van worden om steeds maar als lid van een minderheid te worden aangesproken. Zij voelen zich hier, om het maar eens met een goed Nederlands woord te zeggen, \"senang\" en willen erkenning voor hun persoonlijke prestaties. Deze mensen vervullen vaak de rolmodellen en functies die wij allemaal uit de krant kennen. Deze mensen staan echter niet voor die andere mensen van Marokkaanse afkomst die nog niet zoveel bereikt hebben en nog steeds met een echte achterstand te kampen hebben. Op zoek naar veiligheid en geborgenheid sluiten deze mensen zich op in hun eigen gemeenschappen. Wat zij zoeken, wordt hen vaak niet geboden door de ontvangende samenleving en kunnen zij ook niet vinden in hun werk. De leidende figuren van Marokkaanse herkomst wil ik ertoe bewegen een deel van de verantwoordelijkheid voor deze problemen op zich te nemen. Zij dragen deze verantwoordelijkheid natuurlijk niet alleen, net zo min als deze verantwoordelijkheid in haar geheel door de overheid wordt gedragen. Wij moeten deze verantwoordelijkheden combineren om ervoor te zorgen dat een aantal reële problemen wordt aangepakt. Ik heb goed geluisterd naar de heer Holdijk. Ik begrijp zijn opstelling. Ook in de Tweede Kamer is die geventileerd. Dat neemt overigens niet weg dat ik een gedachtewisseling met mensen die een ander taxatie maken, altijd zeer op prijs stel. De heer Platvoet draaide de vraag om en vroeg mij: wilt u de winst dan niet? Hij suggereerde, een en ander zijn gang te laten gaan om te voorkomen dat wij een gemeenschap stigmatiseren met het beeld dat in die gemeenschap vooroordelen uiteindelijk de doorslag geven. Hij benadrukt dat wij kennis moeten nemen van deze geloofsgemeenschap en haar moeten accepteren. Die winst wil ik natuurlijk ook boeken. Ik denk dat dit wetsvoorstel daaraan een bijdrage kan leveren. Wij moet verder uitdragen dat het niet de bedoeling is om bepaalde beelden te versterken, maar dat het de bedoeling is, mensen zodanig te equiperen dat zij snel afstand kunnen nemen van deze beelden. De laatste vraag van de heer Platvoet betrof de leermiddelen. Ik weet dat de Onderwijsinspectie altijd controleert als dat nodig is. Zij controleert dus ook de islamitische scholen. Als er lesmateriaal wordt gebruikt dat niet door de beugel kan, wordt dat aan de kaak gesteld. De heer Platvoet kent het voorbeeld van de school waar een absoluut ontoelaatbare videoband werd getoond. Op die band werden vreselijke taferelen getoond en vooroordelen geuit over joden en Israël. Tegen die school is opgetreden. Staatssecretaris Adelmund heeft over deze zaak Kamervragen beantwoord, maar dat neemt niet weg dat ik een en ander na wil gaan. Ik heb namelijk niet paraat of het in Den Haag specifiek is nagegaan." 2001-09-04;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20002001-6077-6080.1.3.11;"Vragenuur ";992;2;"Voorzitter. Minister van Boxtel heeft terecht zijn afschuw uitgesproken over de antisemitische sfeer waarin de conferentie ontaard is. De minister stelt in zijn antwoorden dat hij nog een laatste kans wil geven aan het Zuid-Afrikaanse voorzitterschap om te komen tot een verklaring die op generlei wijze een antisemitische sfeer uitstraalt, die op generlei wijze zionisme gelijkstelt met racisme en die op generlei wijze Israël verbindt met racisme. Indien deze verklaring er niet komt, laat hij de opties nog open. De CDA-fractie is van mening dat wij niet gecommitteerd moeten zijn aan een verklaring die niet op basis van deze voorwaarden is samengesteld. Ik verzoek de minister derhalve om, zo mogelijk in EU-verband en zonodig unilateraal, terug te keren en niet deel te nemen aan de stemming indien niet is voldaan aan de voorwaarden zoals de minister die zelf geformuleerd heeft. Het kan immers niet zo zijn dat een antiracismeconferentie ontaardt in racisme ten opzichte van de joden." 2001-09-05;Bussemaker;02251;PvdA;h-tk-20002001-6121-6144.1.2.123;"Arbeidstijdenwet ";2119;2;"Ik denk dat wij een andere afweging maken, ook als het gaat om een oordeel over de economische flexibiliteit. Daaraan zitten immers ook bepaalde voordelen. Soms is het nodig dat er buiten de werktijd van 9.00 tot 17.00 uur wordt gewerkt. Wij beogen meer duidelijkheid te scheppen voor de zondag en willen de rest aan sociale partners overlaten. Wij zien niet de noodzaak om daarvoor verdergaande maatregelen te nemen. Voorzitter. Ik kom bij de bescherming van een andere rustdag dan de zondag, mede in relatie tot de ontslagbescherming. De heer Bakker wees op de wensen van werknemers die de rustdag op een andere dag dan de zondag willen hebben. Hij suggereerde daarbij dat ons wetsvoorstel te weinig ruimte biedt aan andersdenkenden en te weinig tegemoetkomt aan joden, moslims, sabbatisten et cetera. Dat is echt niet waar. Het in twijfel trekken van die stelling – die in de memorie van toelichting en in de nota naar aanleiding van het verslag goed aangegeven is – komt het debat niet ten goede. Wij voeren dan namelijk een discussie over een punt waarover wij het volgens mij absoluut niet oneens zijn en dat is zonde van de tijd. Laat ik het nog een keer zeggen. Er hoeft geen vrees te bestaan – dat komt ook tot uitdrukking in de bepalingen over ontslagbescherming – dat mensen die de rustdag op een andere dag dan de zondag willen hebben, door ons voorstel tekort worden gedaan. Dat komt goed tot uitdrukking in de bepalingen over ontslagbescherming, waarnaar in een interruptiedebatje tussen de heren Van der Staaij, Van Middelkoop en Bakker al werd verwezen. De ontslagbescherming die in ons voorstel is opgenomen, sluit aan bij artikel 5:4: het weigeren om op zondag te werken door de werknemer mag geen grond zijn voor ontslag. Terecht constateert de heer Van Middelkoop – en ik dacht ook de heer Santi – dat genoemd artikel 5:4 van overeenkomstige toepassing is op werknemers die de wekelijkse rustdag in verband met godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen op bijvoorbeeld vrijdag of zaterdag willen vieren, mits zij dat – zoals in de wet staat – schriftelijk aan de werkgever hebben meegedeeld." 2001-09-19;Van Dijke;02509;ChristenUnie;h-tk-20012002-4-70.1.17.1;"Algemene politieke beschouwingen ";14396;22;"Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister-president voor zijn bijdrage in eerste termijn. De minister-president heeft duidelijk gemaakt wat wij moeten verstaan onder de Nederlandse solidariteit met de Verenigde Staten. Die verduidelijking heb ik zeer op prijs gesteld. Ik ga ervan uit dat er nu geen nuanceverschillen meer zijn in de steunverklaringen en de daarmee samenhangende belofte van bijvoorbeeld de Britse premier Blair en de minister-president. Een war on terrorism, zo noemde de minister-president de strijd tegen terrorisme. Als er sprake zou zijn van een militaire actie, wordt dan het oorlogsrecht van toepassing? Velen stelden terecht dat niet elke actie goed en geoorloofd is of te rechtvaardigen. Een van de lessen van de Eerste Wereldoorlog is geweest in en na een oorlog de voedingsbodem voor haat, achterstelling en vernedering weg te nemen. Het is van uitzonderlijk belang geweest dat de westerse landen, Amerika voorop, die les na de Tweede Wereldoorlog in relatie met Duitsland en Japan in de praktijk hebben gebracht en daarmee menselijkerwijze gesproken de basis hebben gelegd voor de vrede in Europa. Het is dus van belang die les opnieuw in praktijk te brengen. Daarbij past onder meer de vluchtelingenzorg. Ik bedank de minister-president dat hij daar expliciet bij stilstond. Zijdelings merk ik op dat de situatie die de minister-president schetste, duidelijk maakt dat vluchtelingenzorg in feite internationaal beleid is. Die internationale context komt wel eens te weinig in de debatten over en maatregelen voor asielbeleid in deze Kamer naar voren. Ik geef daarom in overweging dat het misschien beter is, het asielbeleid onder de verantwoordelijkheid van het ministerie van Buitenlandse Zaken te brengen. Daarin moeten wij de oplossing zoeken. In mijn eerste termijn heb ik een opmerking gemaakt over Israël. Ik wil dat nog een keer doen. Israël weet als geen ander land wat terreur is. De conferentie in Durban was weer eens een illustratie van het feit hoe vaak dit land als zondebok dient om andermans tekortkomingen te verhullen. Mag ik ervan uitgaan dat Nederland ook nu zich een bondgenoot van Israël zal betonen en zich zal inspannen om te voorkomen dat de strijd tegen het terrorisme als het ware over de rug van Israël wordt uitgevochten? In die strijd tegen terrorisme zijn veel mogelijke initiatieven nog prematuur al is er intussen wel een kerngroep gevormd. Ik vind dat een prima initiatief. Het Amerikaanse Congres heeft meteen 100 mld gulden vrijgemaakt voor de veiligheid, de terrorismebestrijding en de herbouw. Een vergelijkbare inspanning voor Nederland zou uitkomen op zo'n 5 mld gulden. Zijn dit de bedragen waar de minister-president in eerste aanleg aan denkt? De minister-president heeft gesproken over respect jegens elkaar bij alle inwoners van Nederland, maar ook over duidelijkheid. Kan de minister-president hier nog eens op ingaan? Wij zijn geschrokken van de verschillende demonstraties waarbij de haat tegen Amerikanen de boventoon voerde, ook in Nederland. Nu is dit een moeilijk onderwerp, maar wij stellen de vraag in hoeverre deze uitingen op zichzelf staan. Er hebben meermalen demonstraties plaatsgevonden waarbij zeer bedenkelijke leuzen tegen de joden en tegen Israël werden geuit. Zijn wij daar te lankmoedig geweest in het verleden? Heeft de minister-president overigens reden om zich zorgen te maken rondom de veiligheidssituatie in Nederland, gelet op, bijvoorbeeld, mogelijke terroristische infiltratie in Nederland? De minister-president heeft aangegeven dat Nederland er in veel opzichten beter voor staat dan een aantal jaren geleden. In verschillende opzichten is dat waar. Er is ook een ander beeld. Ik heb in mijn eerste termijn willen aangeven wat daarvan voorbeelden kunnen zijn, waarbij het kabinetsbeleid schade heeft toegebracht aan de Nederlandse samenleving. Ik neem aan dat de minister-president nog op de gestelde vragen zal ingaan. Nederland is op een aantal terreinen internationaal gezien een spookrijder geworden. Dan helpt uitleggen waarom men het doet niet meer. Men rijdt immers op de verkeerde weghelft. Ondanks het vermoedelijk bereiken van de toch wel gedenkwaardige mijlpaal dat het BBP volgend jaar voor het eerst, in guldens berekend, de 1000 mld overschrijdt, zijn er economische zorgen. Dat geldt niet alleen met het oog op de gevolgen van de gebeurtenissen in Amerika. Het peil van de inflatie is zorgelijk. Alhoewel de troonrede anders suggereerde, heb ik in de kabinetsplannen geen maatregelen aangetroffen ter beperking van de inflatie. Wij hebben er eerder met de minister van Financiën over gedebatteerd. Juist omdat de troonrede er expliciet over is, heb ik gezocht naar maatregelen, maar ik heb die niet gevonden. Met wat sprokkelwerk is 8 mld gulden aan ruimte voor investeringen in de publieke sector bij elkaar gehaald voor volgend jaar. De doelen zijn over het algemeen goed, maar de dekking bevalt iets minder. Een kwart moet bijvoorbeeld gevonden worden in de vergroting van de doelmatigheid. Dat is niet erg stevig. Waar is de tijd dat wij ons rijk rekenden met inverdieneffecten? Met de voorgestelde verlaging van de motorrijtuigenbelasting voor benzine- en LPG-auto's, de accijnzen op laagzwavelige benzine en LPG en van het BPM voor bezitters van zuinige auto's wordt vormgegeven aan de beoogde vergroening. Zal van een eenzijdige verlaging van de lasten voor de automobilist echter werkelijk een vergroenend effect uitgaan? Als vooruitlopend op de invoering van de kilometerheffing zo eenzijdig wordt gekozen voor een lastenverlaging, zal dat wel ten goede komen aan het draagvlak voor een dergelijke heffing? Bij de voorgestelde verlaging van de vennootschapsbelasting hebben wij twijfels. Uit de vergelijking met tarieven elders in Europa blijkt dat uit beleidsconcurrentieoverwegingen de verlaging absoluut geen prioriteit verdient. Verder is in de huidige omstandigheden een verlaging van loon- en inkomstenbelasting veel meer op haar plaats. Dat werkt sneller door, heeft grotere bestedingseffecten voor de burgers en het levert een grote bijdrage aan de loonmatiging. De financieel-economische cijfers van Paars kunnen onder meer worden uitgedrukt in 29 mld gulden lastenverlichting. Het kabinet wijst erop dat de welvaart in Nederland sterk is toegenomen. Dat is natuurlijk zo. Ik plaats daar een kanttekening bij. In 1987 was een redelijk inkomen voldoende om een huis te kunnen kopen van ƒ 100.000 tot ƒ 150.000. De prijs van eenzelfde huis is nu ten minste ƒ 450.000. Er is zeker anderhalf maal modaal aan inkomen nodig om dat te kunnen financieren. Er zijn dus meer relevante cijfers dan alleen koopkrachtcijfers en vermogenscijfers. Nederland moge op de beleidsconcurrentietoets, zoals die in Lissabon is afgesproken, sterk scoren, maar er zijn veel mankementen die niet uit die toets blijken. Veel onderzoeksresultaten geven de prijs van het kabinetsbeleid aan. De publieke tekorten zijn zichtbaar geworden. De bevolking maakt zich druk over milieu, de sociale samenhang, criminaliteit en nadruk op waarden en normen. De Milieubalans en het NMP-4 maken duidelijk dat sommige doelstellingen zijn behaald, maar dat andere vooruitgeschoven en afgezwakt zijn. Het kabinet zou echter een betere erfenis nalaten als het zich in zijn laatste regeringsjaar sterk zou maken voor een integraal milieubeleid. Zeker het thema \"klimaat\" vraagt om sectoroverstijgende maatregelen die tijdig en volledig worden uitgevoerd. Uitstel en de Vijfde nota lijken inmiddels een onlosmakelijk begrippenpaar te zijn geworden. Nu blijkt weer dat het derde deel niet binnen een wettelijke termijn van negen maanden kan worden toegestuurd. Wat is daarvoor de verklaring? Het Nederlandse landschap staat onder druk en raakt versnipperd. Toch kiest dit kabinet er welbewust voor om het toegezegde natuuroffensief niet uit te voeren. Waarom toch niet? Ook de warme woorden in de troonrede over een snelle goedkeuring van het internationale Biodiversiteitsverdrag steken schril af met de conclusies uit de Natuurbalans, namelijk dat die biodiversiteit in Nederland afneemt. De Natuurbalans constateert een behoefte aan een sterke regie van de rijksoverheid. Wat doet het kabinet daarmee? De balans van zeven jaar Paars ten aanzien van de mobiliteit is negatief. Een op de vijf treinen mag te laat komen. In de strijd tegen de groeiende automobiliteit heeft de regering het stuur echt uit handen gegeven. De regering sluit de ogen voor de gevolgen hiervan. Als ergens individuele en collectieve belangen met elkaar kunnen botsen, dan is het toch wel hier. Hier moet de overheid als belangenbehartiger van het algemeen belang juist krachtig sturen. Dat betekent geen expresbanen ten gerieve van de veeleisende automobilist, maar een forse inhaalslag voor het openbaar vervoer en een effectief prijsbeleid in de vorm van een kilometerheffing. Vanuit dat oogpunt is het veel rechtvaardiger de kilometerheffing op het platteland lager te laten zijn dan in de Randstad. Daar is het alternatief voor het openbaar vervoer beneden de maat. Doordat de regering de kilometerheffing budgettair neutraal wil invoeren, beperkt zij op voorhand al haar sturingsmogelijkheden. De publieke tekorten in de zorg heb ik in eerste termijn al genoemd en ik ga ervan uit dat de minister-president daarop zal ingaan. Dat geldt ook voor de kritiek op en de grote bezorgdheid over de kwestie van euthanasie die ik vanochtend tot uitdrukking heb gebracht onder verwijzing naar het VN-mensenrechtencomité, waaruit dezelfde kritiek en bezorgdheid bleek. In aansluiting daarop vraag ik aandacht voor het andere, betere antwoord op de nood en het lijden van de ernstig zieke medemens: pijnbestrijding, lijdenverlichting en stervensbegeleiding. Er is op dit terrein zeker al het een en ander gebeurd, maar uitgerekend hier mogen wij niet gauw tevreden zijn. Een verdere versterking van de palliatieve zorg en het wegnemen van bestaande knelpunten in de financiering en de organisatie zijn van het grootste belang. Ik wil met een paar sleutelwoorden aangeven waar het ons om gaat: een transparante en structurele financiering, voldoende personeel, het tegengaan van budgetdruk met name in de verpleeghuizen, scholing en begeleiding van de vele vrijwilligers en een herkenbare voorziening en landelijke spreiding daarvan. Overigens is er natuurlijk ook nog de waarborging van de kwaliteit. De fractie van de ChristenUnie vindt dat die zaken er moeten komen. Ik hoor morgen graag de opvatting van de regering. Onder Paars zijn veel criminaliteitscijfers toegenomen, vooral geweldsdelicten. Hoewel er meer processen-verbaal zijn opgemaakt, is het aantal opgeloste misdrijven juist gedaald. Er was een tijd dat er ontelbare agenten bij kwamen, onder de vorige minister Dijkstal. Ook nu komen er weer agenten bij, maar de vraag is waar de resultaten blijven. Het hoge aantal delicten vertaalt zich in een Nederlandse bevolking die zich onveilig voelt. In deze begroting zijn andermaal doelen gesteld ten aanzien van bijvoorbeeld doorlooptijden en sepotcijfers. Dat leidt af van de omstandigheid dat de oplossingsratio's en pakkansen dramatisch zijn gedaald. Dat leidt voorts af van de omstandigheid dat onder delen van de bevolking criminaliteit niet alleen maar frequent voorkomt, maar een manier van leven dreigt te worden. Het onderwijs in Nederland is vrij goedkoop en dat feit wordt nogal breed uitgemeten in de miljoenennota. Daar hoeven wij toch helemaal niet trots op te zijn als daar onderwijstekorten tegenover staan, en dat komt al te vaak voor. Wat de fractie van de ChristenUnie betreft, is de vrijheid van onderwijs een van de belangrijkste verworvenheden uit onze parlementaire geschiedenis. Deze vrijheid geeft ouders de mogelijkheid te kiezen voor het onderwijs dat aansluit bij de opvoeding die men voorstaat. Op deze manier zijn ouders in staat invulling te geven aan een verantwoordelijkheid die zij ten aanzien van hun kinderen hebben. Uit de recentelijk gepubliceerde verkenningen krijgen wij de indruk dat de regering artikel 23 als een belemmering beschouwt voor onderwijsvernieuwingen. Is deze indruk juist? Als dat zo is, willen wij graag weten aan welke belemmeringen de regering dan denkt. Wij zien dat niet zo. Een van de opgaven in het werkgelegenheidsbeleid is inactieven aan het werk helpen. Sociale cohesie, waar het kabinet mee schermt, vraagt om zich hierin niet eenzijdig te richten op het verder vergroten van arbeidsdeelname van vrouwen. Wij moeten emancipatie niet langer hoofdzakelijk in financiële termen definiëren. Wij willen gezinnen daadwerkelijk de ruimte geven om zelf te kiezen voor de verdeling van zorg en arbeid. Dat kan door een verhoging van de kinderbijslag en door het introduceren van het kindgebonden budget, ter vervanging van subsidies voor kinderopvang waarvan velen bewust geen gebruik maken. De kindertabel in de huursubsidie wordt eindelijk geschrapt en in plaats daarvan komt er een aanvullende kinderkorting. Ik zeg \"eindelijk\", want wij hebben van het begin af aan dit monstrum bekritiseerd. In het kader van vermindering van de armoedeval is er echter een nog veel betere oplossing denkbaar: vermindering van de lesgelden. Dat is voor het tegengaan van de armoedeval veel effectiever. Eén van de voorstellen tot vergroting van de participatie van langdurig werklozen is de uitstroompremie. Dit lijkt een creatief idee, ware het niet dat het CPB heeft aangegeven dat de effecten daarvan helemaal niet zo groot zijn en dat misbruik op de loer ligt. Wij menen dat betere maatregelen mogelijk zijn. Wij denken in het bijzonder aan een verdere ophoging van de arbeidskorting voor ouderen. Ook denken wij vooral aan een toetredingskorting voor herintredende vrouwen. In eerste termijn heb ik mij kritisch uitgelaten over de koers die dit kabinet vaart met betrekking tot het landbouwbeleid. Ik wil dat nog kort op één punt toespitsen. Een voorbeeld waaruit blijkt dat de landbouw wordt geofferd op het altaar van het liberalisme, wordt gevormd door een vorige week gepubliceerd interdepartementaal beleidsonderzoek. De kern daarvan is het versneld afbouwen van prijs- en inkomenssteun aan de landbouw en het opheffen van de beschermde positie van de zuivel- en de suikersector. Niet het overleven van een vitale landbouw is prioriteit nummer één, maar het afbouwen van de Europese landbouwuitgaven. Zo lijkt minister Zalm ten diepste het landbouwbeleid te bepalen." 2001-10-09;Balkenende;02207;CDA;h-tk-20012002-430-461.1.4.7;"Internationale situatie ";5358;7;"Het is inderdaad een lastig vraagstuk. Ik heb gezegd dat het goed is dat er een coalitie is die de strijd aanbindt tegen het terrorisme, maar dat wil nog niet zeggen dat wij zullen weglopen voor dubieuze zaken die zich in dit soort landen afspelen. Wij zullen naar bevind van zaken moeten handelen. Ik ben het eens met de heer Marijnissen dat dit een gevoelige internationale kwestie is. Voorzitter. De Veiligheidsraad van de Verenigde Naties heeft aangegeven dat hij zich het recht voorbehoudt om, naast de aanvallen op Afghanistan, ook actie te ondernemen tegen andere organisaties en landen. De Britse minister van Buitenlandse Zaken, Strong, zei echter meteen dat op dit moment de aanvallen beperkt blijven tot Afghanistan. De bewijzen dat Bin Laden achter de aanslagen zat, werden versterkt door de video-opnamen waarin hij stelt dat Amerika vernietigd moet worden en dat hij de aanslagen van 11 september zelfs verwelkomt. Talrijke diplomatieke initiatieven van Pakistaanse zijde, maar ook van de zijde van de Veiligheidsraad, tot uitlevering van Osama Bin Laden, hebben helaas tot niets geleid. Het doel van de militaire actie is nu om het Bin Laden-netwerk uit te schakelen en het gebruik dat Afghanistan biedt als uitvalsbasis voor terrorisme, nu te beëindigen. Dat is wat op het ogenblik aan de orde is. Artikel 5 en ons standpunt van afgelopen donderdag, zoals dat is verwoord door mijn collega Verhagen, houden wel in dat Nederland bereid moet zijn om, indien het daartoe in staat is, militaire assistentie te verlenen. Wij moeten ons niet terugtrekken als een beroep wordt gedaan op de internationale solidariteit. Daarom steunt het CDA het besluit van de NAVO van 8 oktober om vijf AWACS verkenningsvliegtuigen en fregatten in de Balkan ter beschikking te stellen van de Verenigde Staten, om hen te ontlasten, opdat zij al hun materieel kunnen inzetten voor de strijd tegen het terrorisme. Wij wensen de Nederlandse bemanning die ter plekke actief zal zijn ook in deze tijd alle goeds. De bombardementen op terroristische bases en militaire doelen in Afghanistan roepen wellicht nieuwe terreurdaden op. Maar zoals premier Blair terecht stelde, zijn de gevaren van passiviteit veel groter. Als wij niets doen ter bestrijding van het terrorisme en terreuraanslagen, dan kunnen de gevolgen groter zijn. Het CDA juicht het actieplan Veiligheid en terrorisme toe, maar vindt dat het nog tekortschiet. Hiervoor verwijs ik naar het pleidooi van mijn voorganger De Hoop Scheffer om te komen tot een nationale veiligheidsraad. Dat is natuurlijk niet het enige. Wij zullen bij deze vraagstukken ook stil moeten staan bij de functie van recherche- en inlichtingendiensten in onze eigen samenleving. Ik hecht er ook aan, aan te geven dat het CDA het heel belangrijk vindt dat Afghaanse vluchtelingen worden opgevangen in de eigen regio. Wij mogen hen niet in de kou laten staan. Er moet begrip zijn voor de situatie daar. Daarom zijn de inspanningen van de UNHCR ook van groot belang en verdienen deze onze steun. Er dient dus sprake te zijn van opvang in de eigen regio, ook met het oog op de wederopbouw als de tijden beter worden. Ook daaraan mag worden gerefereerd. Het is goed dat er nu humanitaire hulp geboden wordt, want deze is dringend noodzakelijk. Het CDA ondersteunt in dit verband de beslissingen die de Algemene Raad van de Europese Unie nam. Gisteren lanceerde de Algemene Raad de volgende plannen. Er wordt 316 mln euro vrijgemaakt voor humanitaire hulp aan Afghanistan en de landen eromheen. De EU verbreedt de maatregelen tegen financiering van terroristische activiteiten en organisaties, door de uitgebreide lijst over te nemen die de Verenigde Naties het afgelopen weekend vaststelden. Banktegoeden van ongeveer 200 personen en instanties moeten nu worden bevroren. Dit zijn noodzakelijke besluiten. De Europese Unie wil ook dat de Verenigde Naties het voortouw nemen bij de opbouw van een nieuwe staat in Afghanistan, als het Taliban-regime is verdwenen. Verder werd besloten om de betrekkingen met India, Pakistan en Iran aan te halen, ook in de strijd tegen het terrorisme. Het gaat nu om de bestrijding van terrorisme, om de aanval op de foute handelingen en daar moeten wij mee doorgaan. Maar dit is niet het hele verhaal. Er zal ook nadrukkelijk aandacht moeten worden gegeven aan de voedingsbodem van het terrorisme, want het probleem zit veel dieper. De aanslagen zijn er, maar er is zoveel meer aan de hand en ook daar zullen wij later met elkaar over moeten spreken. Wij hechten er ten slotte aan, het vertrouwen in de regering uit te spreken in al haar activiteiten in de strijd tegen het terrorisme. Dat geldt ook voor onze premier, die afgelopen zondag direct duidelijk maakte waar het om ging. Het is geen aanval tegen islam, het is een aanval tegen terrorisme. Juist in deze tijd is het van belang dat de verhoudingen ook in Nederland niet escaleren. Het gaat om universele menselijke waarden die gerespecteerd moeten worden. Dat staat op het spel. Er ligt een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van christenen, joden, humanisten, islamieten en allen met een andere wereld- of levensbeschouwing. Dat respect voor de universele waarden is iets wat allen bindt. Daarom vergt de strijd tegen het terrorisme een gemeenschappelijke inzet, een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid en een gemeenschappelijke strategie." 2002-02-19;De Vries;02286;ChristenUnie;h-ek-20012002-951-1003.1.8.1;"Buitenlandse Zaken ";18103;20;"Mijnheer de voorzitter. Evenals verschillende voorafgaande sprekers wil ik als uitgangspunt nemen de situatie in de wereld na 11 september van het vorig jaar. Ik doe dat mede namens de SGP-fractie. We zijn er getuige van geweest hoe de Amerikanen met succes een einde hebben gemaakt aan de bescher ming die Bin Laden met de zijnen in Afghanistan genoot. Als onbedoeld bijproduct is de bevolking van Afghanistan bevrijd van een dwangbewind dat op grove wijze de rechten van de inwoners schond. We hopen dat de interim-regering in staat is met steun van de wereldgemeenschap een nieuwe en betere samenleving op te bouwen. Aan het internationaal terrorisme is daarmee een slag toegebracht, maar uitgeroeid is het nog niet. Wel is uit buitgemaakte documenten gebleken dat door de militaire acties niet alleen terreurdaden zijn vergolden, maar ook nieuwe zijn voorkomen. Gebleken is dat de tentakels van Al Qaeda zich uitstrekken tot Bosnië, Tsjetsjenië en Zuidoost-Azië, terwijl ook de allochtone jeugd in West-Europa er niet immuun voor is. Dat rechtvaardigt de ingreep in Afghanistan des te meer. De Amerikanen bieden nu militaire hulp aan de Filippijnen. In Indonesië is plotsklaps een vredesakkoord gesloten voor de Molukken. Met de heer Van Gennip vraag ik of de Nederlandse regering kan bijdragen aan de uitvoering daarvan. Toch zal dit alles niet genoeg zijn om de wereld te bevrijden van de gesel van terreur en terreurdreiging. Er is ook een inspanning nodig om dit kwaad in zijn wortels te bestrijden. Als Amerika dan superieur is in de militaire actie, zou Europa het moeten zijn in het preventieve optreden. Dat brengt ons tot de vraag wat de bron is van de haat die uit het organiseren van terreur spreekt. Dat is niet direct de afgunst van armen jegens rijken. Bin Laden zelf is rijk en velen van zijn medestanders – vijftien van de negentien terroristen van 11 september, tweederde van de gevangenen in Guantanamo – komen uit het rijke Saudi-Arabië. Het is ook niet simpel de consequentie van hun geloof, want veel moslims keuren de terroristische acties af. Toch spelen deze elementen wel een rol. Het is de frustratie over het gebrek aan mogelijkheden om ondanks alles wat men heeft en ondanks de eigen superieur geachte religie hetzelfde te bereiken als de landen in het Westen. De schuld daarvan wordt gelegd bij het Westen, dat anderen bewust in hun ontwikkeling zou frustreren, en ook bij de eigen regeringen, die met dat Westen onder één hoedje spelen en het eigen volk allerlei rechten onthouden. Naar onze mening bevat het laatste meer waarheid dan het eerste, maar er ligt wel een opgave voor het rijke deel van de wereld om overtuigend te maken dat het zich niet laat leiden door materieel eigenbelang. Trouwens, ons eigenbelang wordt ook niet gediend met het instandhouden van de kloof tussen rijke en arme landen, maar met vrede en internationale gerechtigheid. Dat moet ons buitenlands beleid bepalen. Tot een internationale gerechtigheid behoort ook dat alle volken burgerlijke vrijheden genieten en vrij zijn van onderdrukking. Op dat gebied is er de laatste twaalf jaar veel verbeterd, maar juist niet in de islamitische wereld. Weliswaar is niet elke moslimregering fundamentalistisch, maar zij zijn wel allemaal autoritair. Van een goed werkende democratie is nergens sprake. Anderzijds is er ook de vrees dat vrije verkiezingen zouden kunnen leiden tot een machtsovername door fundamentalisten, waarmee wij nog verder van huis zouden zijn. Die spanning kennen we ook uit Algerije, Maar de wijze waarop die daar toen is opgelost, heeft het land ook geen rust gebracht. Heeft de regering hier een visie op? In Iran leiden verkiezingen wel tot een meerderheid voor gematigde elementen, maar daar wordt het effect daarvan weer ingekaderd door de controle van niet-gekozen religieuze leiders. Een probleem is ook dat democratisch besef niet is ingebakken in de islamitische cultuur. Ik kan ter illustratie uit de memoires van Rushdie Saled, een Egyptische ex-parlementariër, citeren. Hij schrijft over het parlement het volgende: \"Wat het uitoefenen van zijn taken extra bemoeilijkt, is dat het parlement een vreemd lichaam vormt in de maatschappij, een maatschappij waarvan geen enkel onderdeel op een democratische wijze wordt bestuurd. Van zijn geboorte tot aan zijn dood kent de Egyptenaar geen dialoog of inspraak. In onze traditie bestaat niet de gewoonte om te overleggen en gezamenlijk te beslissen. Het is daarom moeilijk zich voor te stellen hoe een parlement een plaats van betekenis kan hebben in deze autoritaire maatschappij.\" Moeten wij ons bij dit cultuurverschil neerleggen of moeten wij juist een sprankje hoop putten uit het feit dat deze Egyptenaar dan toch tot een dergelijke analyse in staat is? Wat ons betreft, moet het pleiten voor democratische vrijheden zeker voortgaan, als daarbij maar bedacht wordt dat wij er niet zijn met directe verkiezingen voor een parlement of een president. Minstens zo belangrijk zijn bescherming van godsdienstige en culturele minderheden, een onafhankelijke rechtspraak, vrijheid van meningsuiting en een overheid die ondergeschikt is aan de wet. Ik schrok wel toen ik in het blad Internationale Samenwerking van deze maand las dat een in Nederland wonende Nigeriaanse journalist democratie afwijst, omdat hij democratie vereenzelvigt met corruptie. Hij schrijft: \"de door corruptie en omkoping 'democratisch' gekozen vertegenwoordiger vertrekt naar de hoofdstad om zichzelf op hun kosten te verrijken\". Bij democratie behoort ook het besef dat de gekozen bestuurders niet hun particuliere belangen maar die van hun volk moeten dienen en daarover verantwoording moeten afleggen. Die innerlijke houding kost ook West-Europeanen soms nog weleens moeite, maar hier is toch – onder invloed van het christendom en de Verlichting – deze lijn algemeen aanvaard. Ook in andere delen van de wereld kan men daar niet buiten. Onze fracties zullen niet generaliserend poneren dat de westerse cultuur superieur is. Zoals bekend, hebben wij daarvoor te veel bezwaren tegen sommige aspecten van deze cultuur, waaraan ook moslims – naar onze mening terecht – aanstoot nemen. Toch kunnen wij onze ogen er niet voor sluiten dat de internationale migratie massaal in onze richting gaat en niet andersom. Ook in mijn achterban is geen neiging te bespeuren om tegen onze seculiere cultuur asiel te zoeken in de moslimwereld. De cultuurverschillen tussen Oost en West moeten wij niet willen ontkennen en de aantasting van morele waarden mogen wij niet vergoelijken. Daarom verdient de secretaris-generaal van de Verenigde Naties onze steun voor zijn pleidooi bij de uitreiking van de Nobelprijs om prioriteit te geven aan individuele mensenrechten boven soevereiniteit van staten en nationaal profijt. Anders zullen de frustraties onder de bevolking van de niet-democratisch bestuurde landen groeien. De rijken en ontwikkelden zullen in hun machteloosheid naar het terreurwapen grijpen en de arme machtelozen zullen erbij applaudisseren. Maar verbeterd of opgelost wordt er op die manier niets. Hun strijdmiddelen wijzen we af, maar voor hun gevoelens van machteloosheid zouden wij misschien meer begrip moeten tonen. Behoren wij, de democratische wereld, niet consequenter afstand te nemen van regeringen die hun eigen volk onderdrukken? In de afgelopen eeuw hebben we het meermalen omwille van politieke of economische belangen met zulke regeringen op een akkoordje gegooid, maar dat is ons slecht bekomen. In de Tweede Wereldoorlog was Stalin onze bondgenoot tegen Hitler, maar dat heeft ertoe geleid dat voor de landen ten oosten van Duitsland de dictatuur met 45 jaar werd verlengd; ten tijde van de Koude Oorlog steunde het Westen allerlei pro-westerse dictators in Afrika, zoals Mobutu, maar dat ging ten koste van onze geloofwaardigheid bij de Afrikaanse bevolking; wij steunden Irak in de oorlog tegen Iran en kregen daar later spijt van; wij steunden de Afghaanse muhajedin in de strijd tegen de Sovjet-Unie en kregen er ook spijt van; wij steunden de Taliban tegen de muhajedin en kregen er weer spijt van. Al deze wisselingen van bondgenootschappen wijzen op een ernstige mate van beginselloosheid in de internationale politiek. Nu is er weer een grote coalitie tegen het terrorisme gevormd, waarbij opnieuw allerlei regimes met een dubieuze reputatie zijn betrokken: Pakistan, Saoedi-Arabië en de Centraal-Aziatische republieken. Welke les trekken wij op dit punt uit de geschiedenis? Of is ook hier de enige les dat wij uit de geschiedenis niets leren? Bondgenoten in een coalitie willen vanzelfsprekend beloond worden voor hun medewerking, op zijn minst in die zin dat ze niet worden lastiggevallen over binnenlandse aangelegenheden. Deelt de regering onze mening dat dit niet kan en dat juist voor het bondgenootschap als voorwaarde moet worden gesteld dat er vooruitgang wordt geboekt in de interne democratie in de brede betekenis die ik heb aangeduid? Wil de regering dit met kracht naar voren blijven brengen in haar internationale contacten? Een les uit de geschiedenis is immers ook dat landen met een democratische constitutie geen oorlog tegen elkaar voeren. Oorlogen maken zoveel kapot, waar juist ontwikkeling nodig is. In een democratisch en zich ontwikkelend land hebben mensen te veel te verliezen om zich in onberaden avonturen te storten. Juist als mensen niets te verliezen hebben, staan zij open voor destructieve acties. Hier ligt ook de wortel van de aanhoudende geweldsacties van Palestijnen tegen Israël, waarop Israël dan weer met harde hand antwoordt. De frustratie is begrijpelijk, maar onze fracties kunnen er geen begrip voor opbrengen dat levens van hun eigen jonge mensen worden opgeofferd in terreuracties, die ook nog eens het beoogde doel geen steek dichterbij brengen. Onlangs betrof het zelfs een jonge vrouw. Nadien schreef iemand in het Jordaanse dagblad Al-Dustour: \"Was het niet het Westen dat voortdurend de eis stelde dat de oosterse vrouw gelijk wordt aan de man? Welnu, dit is hoe wij gelijkheid opvatten.\" Het is onthutsend om zoiets te lezen. Deze acties moeten zelfs eerder contraproductief genoemd worden, omdat zij Israël een alibi verschaffen om niet naar de onderhandelingstafel te komen. Daarbij vertoont ook de Palestijnse Autoriteit alle door mij geschetste kenmerken van een autoritair regime. Als er nog mogelijkheden zijn voor steunverlening aan de Palestijnen, zal die in de eerste plaats op de eerbiediging van fundamentele mensenrechten gericht moeten zijn. Datzelfde mag dan van de Israëlische regering worden verlangd. Wat is in dit verband de realiteitswaarde van de discussie in de Algemene Raad van de EU vorige week inzake de erkenning van een Palestijnse staat? Kan de EU niet beter blijven pleiten voor het plan-Mitchell? In dit verband van de mensenrechten vraag ik ook aandacht voor Saoedi-Arabië, dat altijd met fluwelen handschoenen wordt aangepakt. Daar hangt een geur van olie omheen en dat siert ons niet, zeker in de ogen van landen die geen olie hebben en die wel worden aangepakt. De kloof tussen de machthebbers, die strenge leefregels uitvaardigen en zichzelf daar niet aan houden, en de bevolking, die een fundamentalistische vorm van de islam aanhangt, is daar zeer groot. Voor andersdenkenden is er geen enkele ruimte, ook niet als het om buitenlanders gaat. Amerikaanse vrouwelijke militairen moeten zich onderwerpen aan vernederende regels, terwijl Amerikaanse rechters zeggen dat dit niet van hen mag worden gevraagd. Elke vorm van godsdienstige activiteit is buitenlanders verboden en kan hun op zware straffen komen te staan. Tegelijk blijken veel terroristische organisaties hun financiële bronnen in Saoedi-Arabië te hebben. Hier zou een veel zwaardere druk van de wereldgemeenschap op zijn plaats zijn. Wat denkt de regering op dit punt te ondernemen? Zelfs in Turkije, dat officieel seculier is, horen we van tegenwerking tegen kerken en vervolging van burgers die pleiten voor culturele rechten van Koerden en Alevieten. Wij zitten samen met Turkije in nogal wat organisaties die gebaseerd zijn op eerbiediging van mensenrechten. In welke van die fora gaat de regering deze Turkse gedragingen aan de kaak stellen? We denken hier ook aan de rol die het leger speelt om de Turkse democratie seculier te houden, die al evenmin strookt met onze visie op politieke vrijheid. Wij hebben overigens waardering voor de prominente plaats die de godsdienstvrijheid heeft in het internationale mensenrechtenbeleid van de regering. Kan de minister al iets zeggen over de effecten van de Haagse conferentie over dit onderwerp van vorig jaar, met name in die landen die restrictieve wetgeving tegen geloofsgemeenschappen in voorbereiding hadden? Krijgt deze actie op enigerlei wijze een vervolg? Wat vindt de regering van de gedachte om in OVSE-verband een hoge commissaris voor de godsdienstvrijheid aan te stellen? Voorzitter. Ik kom nu tot enkele opmerkingen die direct het werkterrein van de minister voor Ontwikkelingssamenwerking betreffen, al waren mijn vorige beschouwingen over goed bestuur en mensenrechten zeker ook relevant voor haar werkterrein. Onze fracties hebben waardering voor de daadkracht van deze minister, zoals vorige week nog aan de dag gelegd in Afrika. We hopen dat zij volgende maand op de conferentie in Monterry erin zal slagen heel de rijke wereld vast te pinnen op de 0,7% BBP voor ontwikkelingssamenwerking. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de heer Rabbinge over deze conferentie. Overigens blijft het altijd afwachten of beloften ook door daden gevolgd worden. Hoe staat het wat dat betreft met de 0,7%-afspraak in EU-verband? Is daar al iets van te zien op de begrotingen van de landen die het aangaat? De minister was deze maand aanwezig op het Wereld Economisch Forum in New York en dus niet op de sociale tegenhanger in Porte Alegre. Vanwaar deze keuze, waar – als ik goed ben geïnformeerd – wel Franse ministers in Porte Alegre aanwezig waren? Mijn indruk is dat in Brazilië de negatieve kantjes van het antiglobalisme wat zijn afgeslepen en dat er aanbevelingen aan regeringen zijn geformuleerd, die het overwegen waard zijn. Globalisering is niet tegen te houden en in veel opzichten ook gunstig, maar we zullen wel extra moeten letten op hen die in dit proces buiten de boot dreigen te vallen. En dan komen we er niet met het propageren van de vrije markt alleen; er zijn sterke overheden nodig die door wetgeving en beleid voorkomen dat alleen de sterken profiteren, zowel internationaal als binnen de afzonderlijke landen. Wat betreft de duurzame ontwikkelingsverdragen zijn onze fracties van oordeel dat de goede bedoelingen die hierachter liggen, van meet af aan op minder gelukkige wijze zijn ingevuld. Wij kunnen ermee instemmen dat de samenwerking op het gebied van duurzaamheid uit de sfeer van ontwikkelingssamenwerking wordt gehaald. Voor de hulp aan Benin en Bhutan worden nieuwe wegen ingeslagen. Costa Rica blijft vanwege zijn relatief hoog BBP per inwoner wat verweesd achter. Toch is juist met dit land het meeste bereikt op het gebied van participatie. Willen de bewindslieden erop toezien dat, bijvoorbeeld door inzet van hun ambtgenoten, het waardevolle daarvan behouden blijft? Wat de toekomst van de verdragen als zodanig betreft, aarzelen onze fracties. Opzegging kan gemakkelijk als onvriendelijk gebaar worden opgevat, maar zal instandhouding als lege huls ook niet als loos gebaar doorzien worden? Tot slot wil ik met de minister nog enkele woorden wisselen over de aanpak van het bevolkingsvraagstuk in de wereld. Sinds de vorige begrotingsbehandeling in dit huis heeft zij tot tweemaal toe de ChristenUnie in dit verband ter sprake gebracht in interviews. In het Reformatorisch Dagblad van 26 januari liet zij optekenen: \"De christelijke fracties delen natuurlijk ook mijn inzet om het aantal abortussen te minimaliseren. Het geheel is een pragmatische aanpak, waar zij het volgens mij wel mee eens zijn. Anders hadden ze het maar moeten zeggen.\" Nog wat krasser zei de minister het in het Economisch Magazine van 10 juli: \"In Nederland verzette zelfs de ChristenUnie zich niet tegen een beleid met abortus als sluitstuk van reproductieve rechten voor vrouwen.\" Hiermee geeft de minister er blijk van de positie van onze fracties toch niet scherp voor ogen te hebben. Zij zal zich herinneren dat ik tijdens het vorige begrotingsdebat al bezwaar heb gemaakt tegen haar reactie op het standpunt van president Bush op dit punt. Voor alle duidelijkheid: Wij zien de problematiek van een te snelle bevolkingsgroei wel degelijk in. Ook dat onderwerp kan betrokken worden bij ontwikkelingssamenwerking, zij het wel binnen het kader van ownership en dus niet met het opdringen van onze westerse visies en praktijken. Het beste wat tegen de snelle bevolkingsgroei gedaan kan worden, is eraan te werken dat meisjes minder jong zwanger worden en minder jong trouwen. Het aanbieden van voortgezet onderwijs ook voor meisjes kan daaraan belangrijk bijdragen. Ook de waarde van monogame relaties kan niet genoeg worden benadrukt, voor mannen en vrouwen. In dat kader is naar onze mening zeker ook plaats voor informatie over geboorteregeling en het beschikbaar stellen van middelen daarvoor. Het afbreken van reeds verwekt menselijk leven is in onze ogen echter een ongeoorloofde overschrijding van morele grenzen die aan de mens gesteld zijn. Wij betreuren het dat de desbetreffende VN-organisatie naast kennis en beschikbaarheid van anticonceptiva ook abortussen wil aanbieden. Wij tekenen hier nog bij aan dat we er niets mee opschieten als de huidige moraal van individuele rechten en seksuele zelfbeschikking voor mannen wordt vervangen door hetzelfde voor vrouwen. Dan wordt het probleem niet bij de wortel aangepakt. Het moet een zaak zijn van mannen en vrouwen samen en daar moet de voorlichting op gericht zijn. Verder verdienen de organisaties in Nederland die in Afrika en Azië tehuizen in stand houden voor kinderen die geen ouders hebben of van wie de ouders niet voor hen kunnen zorgen, alle steun en waardering. Met belangstelling wacht ik de reactie van de bewindslieden af." 2002-05-22;"";02745;"";h-tk-20012002-4847-4856.1.1.1;"Leden ";41105;87;"Geachte medeleden. Toen mijn voorgangster, mevrouw Van Nieuwenhoven, enkele woorden sprak aan het einde van onze vorige vergadering, merkte zij op dat er tot 22 mei nog veel kon gebeuren. Sindsdien is Ab Harrewijn, die wij zojuist herdachten, ons ontvallen. Enkele dagen daarvoor had zich een dramatische gebeurtenis voorgedaan van het soort waarmee wij in Nederland nooit rekening hebben gehouden. De lijsttrekker van een partij, die hier morgen zijn intrede zou doen, werd op brute wijze van het leven beroofd. Ik stel mij voor om hem morgen te herdenken in aanwezigheid van degenen die zijn collega's hadden moeten worden. Vandaag kijken wij terug op vier parlementaire jaren waaraan elk van ons, hoe lang of kort ook lid geweest, van welke fractie dan ook, heeft bijgedragen. In die vier jaar zijn al eerder medeleden gestorven: Klaasje Eisses en Philip Brood, twee geheel verschillende maar zeer markante mensen aan wie wij in vriendschap terugdenken met erkentelijkheid voor hun bijdragen aan politiek en samenleving. Deze bijeenkomst heeft geen politiek karakter en voor één keer mogen wij dus even alleen naar elkaar kijken en wel in het bijzonder naar diegenen onder ons die hier morgen niet in deze zaal zullen zitten. Dat onderscheid heeft iets willekeurigs, in het bijzonder doordat ik ook afscheid ga nemen van sommigen onder u die hier misschien over enkele weken of maanden weer terug zullen keren. Zij hebben dus het voorrecht om nu reeds te horen hoe wij over hen denken en niet pas bij hun definitieve vertrek uit de Kamer. In de volgorde van anciënniteit, die wij bij bijzondere gelegenheden hanteren, begin ik met Jan Dirk Blaauw. U leidde de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat met militaire precisie. Met veel inzet debatteerde u over het energiebeleid. Tijdens de Kosovo-oorlog was u woordvoerder voor uw fractie. Kortom, u bent een generalist van de oude stempel, die ook in de Assemblees van de Raad van Europa en van de WEU zeer actief is; waarvoor dank. Dick de Cloe. U was lid in 1981-1982 en vervolgens onafgebroken sinds juni 1986. U bent afkomstig uit het onderwijs en dat onderwerp heeft ook altijd uw belangstelling gehouden. In de laatste twee kabinetsperiodes was u voorzitter van de vaste commissie voor Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. U was in uw fractie de man van de burgemeestersbenoemingen, maar niet alleen daarom populair! Uw vele en goede persoonlijke contacten kwamen u daarbij buitengewoon van pas. U heeft het vermogen om mensen met verschillende achtergronden en opvattingen samen te binden. Koos van den Berg, lid sinds 3 juni 1986. U bent het \"waterstatelijk\" geweten van het parlement, welke functie u overnam van uw partijgenoot Henk van Rossum. Ik wil u hier vooral noemen omdat u het Reglement van Orde en ook onze ongeschreven procedures zo sterk verinnerlijkt hebt, dat u met uw advies veel beslissingen hebt beïnvloed. Het is u echter niet gelukt om de mogelijkheid te behouden om \"lijken\" uit de Handelingen te schrappen. Ook op buitenlands-politiek terrein, vooral het Midden-Oosten, was u steeds zeer betrokken. Jaap de Hoop Scheffer. U hebt in bijna zestien jaren de hitte van de strijd gevoeld, zowel in het debat met het kabinet en met andere fracties als in uw eigen partij. U hebt daarbij een van de zwaarste verantwoordelijkheden genomen die ons politieke bestel te vergeven heeft en dan doel ik niet op uw voorzitterschap van de vaste commissie voor ontwikkelingssamenwerking, Buitenlandse Zaken – hoezeer ook gewaardeerd – maar uiteraard op de vijf jaar daartussen, toen u voorzitter van de CDA-fractie was. U hebt in uw persoon de hardheid van de politiek leren kennen, maar u bent altijd de aimabele en deskundige persoon gebleven die hier in 1986 binnenkwam. Pieter-Jan Biesheuvel, lid sinds 1986. U bent voorzitter geweest van de vaste commissie voor Verkeer en Waterstaat van 1992 tot 1998 en voorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken van 1998 tot heden; een voorzitter die met gevoel voor de vaste waarden van de Kamer op een pragmatische manier vergaderingen leidt. U steekt zowel letterlijk als figuurlijk boven het maaiveld uit. Voor uw werkzaamheden als voorzitter van de gemengde commissie voor de Stenografische Dienst, zeg ik u zeer veel dank. Gelukkig zal uw familienaam op velerlei wijzen aan de Kamer verbonden blijven. Willie Swildens, u kende de Tweede Kamer al toen u in 1986 lid werd, omdat u vijf jaar medewerker was geweest van Aad Kosto. U bent in zijn voetsporen getreden als voorzitter van de vaste commissie voor Justitie van 1989 tot 1994 en opnieuw vanaf 2000. Daar heeft u zich met hart en ziel gestort op het Nieuw Burgerlijk Wetboek. Daarnaast hebt u zich evenzeer met hart en ziel gestort op de Beneluxsamenwerking. Zeer veel dank. Pieter ter Veer kwam in de Kamer in 1981, maar moest na het afscheid in 1982 tot 1989 op de terugkeer in de Kamer wachten. Mijnheer Ter Veer, die lange onderbreking heeft u benut om met nog meer praktijkervaring in de landbouw te kunnen optreden. Zowel van uw kennis van de praktijk als van uw takt werd het uiterste gevraagd toen u als voorzitter van de commissie het wekelijkse, soms dagelijkse overleg met de minister van Landbouw in perioden van veeziekten in goede banen moest leiden. Ook zijn wij u erkentelijk voor uw voorzitterschap in een eerdere periode van de commissie voor EU-zaken die toen procedures ontwikkelde die inmiddels standaard zijn geworden. Olga Scheltema is lid van de Kamer sinds 1989. Mevrouw Scheltema, u verliest wél regelmatig uw paspoort maar nooit uw goede humeur. Met overtuigingskracht heeft u in menig debat medestanders gekregen voor uw ideeën. De staatsrechtelijke vernieuwing heeft uw voortdurende aandacht. De tijdelijke Referendumwet is een van de vruchten daarvan. Het binnenlandse bestuur en de democratie boeien u in hoge mate. Uit uw gepassioneerde toon blijkt uw betrokkenheid. Betrokken, en bijna dwingend overtuigend, maar altijd aardig en elegant. Tineke Witteveen was dolle mina, rode vrouw en bij ons, zeer prozaïsch, ondervoorzitter van de commissie voor de Rijksuitgaven. Mede door u, mevrouw Witteveen, kan iedere Nederlander kennisnemen van de Mijnwet 1801 die nu geheel in het Nederlands is vastgelegd. De Gaswet – en daarmee het op meer afstand zetten van de particuliere bedrijven – was voor u een belangrijk onderwerp, evenals het boren naar gas in Slochteren, de Waddenzee en de Biesbosch. In Drenthe zal men, naar ik denk, snel een plek vrijmaken om uw ervaringen te benutten. Eimert van Middelkoop, de Kamer heeft maar liefst 29 jaar van uw inzet mogen profiteren, namelijk van 1973 tot 1989 als fractiemedewerker van het GPV en van 1989 tot heden als Kamerlid namens het GPV en, sinds maart 2001, namens de ChristenUnie. U heeft in de Kamer veel op uw naam staan. Ik denk onder andere aan de debatten over de Golfoorlog, Kosovo, het Midden-Oosten, de EU en ethische vraagstukken. Steeds wist u een bijzonder stempel op die onderwerpen te drukken. U bent voorzitter geweest van de speciale commissie die zich bezighield met de gevolgen van het broeikaseffect. U heeft een initiatiefwetsvoorstel ingediend, gericht op wijziging van de Grondwet om het Nederlands tot officiële taal van het Koninkrijk te maken. Recent heeft u de tijdelijke commissie aanvullende onderwerpen NIOD-rapport op prima wijze voorgezeten. Uw vertrek is zeer onverwacht. Zo werkt onze democratie, waar u altijd pal voor heeft gestaan en zult blijven staan, maar wij zullen u zeer, zeer missen. Arthie Schimmel is lid sinds 1989. Vele verbeteringen op sociaal terrein zijn aan haar inzet te danken maar, mevrouw Schimmel, er waren ook momenten dat uw gezin, uw kinderen voorrang kregen. Het bevreemdt ons dus niet dat u de combinatie van arbeid en zorg steeds heeft bevorderd. Ook in een ander opzicht liep de praktijk van uw persoonlijke leven parallel met uw politieke ideeën, namelijk waar het betrof de reïntegratie in het arbeidsproces na een lange periode van ziekte. U was daarmee een voorbeeld voor vele collega's en ook naar buiten. Dat u nu samen met uw collega's Geert Wilders en José Smits vertrekt, is op vele wijzen symbolisch. Martin Zijlstra, u komt uit de noordelijkste plaats van ons land. Dat weten wij allen. Het gaat om Woldendorp – ik spreek het vast niet goed uit – waar u bekend bent als supporter van de voetbalvereniging Woest en Onverschillig... U heeft hier belangrijke taken verricht, zoals het eerste ondervoorzitterschap van de Kamer waaraan ik zeer goede persoonlijke herinneringen heb. Ook noem ik het voorzitterschap van de IPU-groep. Voorts was u actief in de vaste commissie voor Defensie waarbij u de schijn van een vooroordeel voor uw eigen vroegere krijgsmachtonderdeel, de luchtmacht, meestal wist te vermijden. U reisde veel maar u was altijd op het goede moment weer hier aanwezig. Thanasis Apostolou, u verhuisde in 1972 van uw geboorteland Griekenland naar Nederland en u werd in 1989 lid van de Kamer, waar u in vele opzichten bent opgevallen onder andere door uw stemgedrag in principiële kwesties, maar toch vooral door uw zachtmoedigheid. U hebt de gehele Kamer gediend door u als voorzitter van de commissie voor de Verzoekschriften te verdiepen in de lastigste dossiers en nooit verstek te laten gaan. Zeer veel dank daarvoor. Bert Middel, u schatte onlangs dat u 25 uur per week bezig bent met huishoudelijke taken. Uw medeleden verbaasden zich daarover, omdat zij weten hoeveel tijd en energie u hier in Den Haag besteedt als typische sociaal-democraat van de oude stempel aan vele onderwerpen, waaronder de asielzoekersproblematiek. Als inwoner van Kollum hebt u de dilemma's rondom dat beleidsterrein van zeer nabij kunnen meemaken. Overigens herinneren wij u ook vanwege uw pleidooi voor de erkenning van sporten als kaatsen, marathonschaatsen en polsstokverspringen op Olympisch niveau. Uw activiteiten in de Brits-Nederlandse contactgroep zijn bijzonder gewaardeerd. Hans Hillen, lid sedert 1990, maar ook daarvoor al goed bekend aan het Binnenhof. Uit de zeer vele aan u gewijde persberichten noem ik het imagoadvies van een kledingwinkel uit Gouda. Volgens dat advies wordt de aandacht te veel naar uw kleding getrokken en komt uw persoon in de presentatie op de tweede plaats. Ik ken enkele leden die dat anders ervaren hebben, maar die wel veel plezier hebben gehad in debatten met u. Alle leden hebben, waarschijnlijk zonder dat zij dat weten, profijt gehad van uw inzet voor de commissie-emolumenten, niet te verwarren met de commissie voor de emancipatie! Ik ben u zeer dankbaar voor uw constructieve deelname aan de besluitvorming in het Presidium. Gerrit Valk, wij kennen u ook van allerlei activiteiten waarin de partijpolitiek niet of nauwelijks meedoet, zoals bij de voorbereiding van 200 jaar gekozen volksvertegenwoordiging en 400 jaar VOC, om maar te zwijgen van ons parlementaire voetbalelftal. U hebt als voorzitter van de vaste commissie voor Defensie veel goed werk verricht en u bent aanwezig geweest op vele plaatsen waar de Nederlandse strijdkrachten actief waren. Dankzij u is een relatie ontstaan met het parlement van Albanië die wij graag zullen onderhouden. Dank daarvoor. Jaap-Jelle Feenstra, u was vanaf uw prille jeugd begaan met natuur en milieu en die betrokkenheid is nadien alleen maar toegenomen. In ons midden waar u van 1988 tot 1994 en wederom vanaf 1997 verbleef, hebt u zich onder meer ingezet voor de fietsers. In debatten was u steeds vriendelijk en vasthoudend. Nellie Verbugt, u werd in 1993 lid van de Kamer en was woordvoerder voor sectoren waar langdurige projecten, zoals de Betuwelijn, aanleiding waren tot vele debatten waarin u zich met een combinatie van charme en hardnekkigheid goed geweerd hebt. Kroon op uw werk was waarschijnlijk de motie die met de kleinst mogelijke meerderheid werd aangenomen als gevolg waarvan de A73 op de oostoever van de Maas wordt aangelegd. Elke keer dat wij daar passeren, zullen we aan u denken en overigens ook aan iemand anders! U streed voor de Limburgse belangen, zonder het algemeen belang te veronachtzamen. U zien we gelukkig vast gauw weer terug. Remy Poppe, toen u hier kwam in 1994, ging uw reputatie u al vooruit en maakten wij onze handen nat. Acht jaar later weten we dat onder uw polemische woorden een groot hart schuil gaat. Ik weet niet of u in totaal langer heeft gesproken in interrupties of vanaf het spreekgestoelte! U noemde laatst een wetsvoorstel van een medelid \"echt hartstikke slecht\", \"het deugde voor geen meter\". Duidelijke taal zoals wij van uw gewend zijn! Niet alleen de heer Duivesteijn zal u missen. Gelukkig mogen wij uitkijken naar berichten van de buitenparlementaire acties die u hebt aangekondigd. Mohammed Rabbae, zoals gemeld hier helaas niet aanwezig. U hebt deel uitgemaakt van de enquêtecommissie opsporingsmethoden – de commissie-Van Traa – en van vele andere commissies. U bent 353 keer opgetreden als spreker in de plenaire zaal en 275 keer in algemene overleggen en steeds zonder papier voor u, fantastisch! U heeft veel gevoel voor uw medemens. U slaat gemakkelijk eens een arm om iemands schouder. Tegelijk was u vaak heel behendig in het tegen elkaar uitspelen van de regeringsfracties. Wij hopen dat u in Leiden waar u vandaag al niet gemist kunt worden, ook uw weg zult vinden. Ik dank u ook zeer voor de goede samenwerking in het presidium. Enric Hessing is generalist met buitenland en ontwikkelingssamenwerking als hobby. U hield eind november 1994 uw maidenspeech. Daarin \"adviseerde\" u de minister, zoals Thorbecke en Groen van Prinsterer dat in hun tijd deden. De naam Hessing is blijvend gevestigd in het geheugen van Bill Clinton, getuige een zeer terechte dankbetuiging voor uw inzet voor de viering van 50 jaar Marshallplan in Nederland. Dat u de geschiedenis een warm hart toedraagt blijkt ook uit de 400 jaar VOC-viering, waarin u de stuwende kracht was en nog steeds bent. Gerritjan van Oven, u bent sinds 1994 lid van de Kamer. U moest daarvoor uw functie als advocaat-generaal bij het Hof Nederlandse Antillen opgeven. Op het terrein van het Europese en internationale recht had u een ongelooflijke dossierkennis en u daagde bewindslieden keer op keer uit met uw zeer indringende vragen. Gebleken is dat ook uw collega's kunnen bouwen op uw kennis. Maar ook de kleine criminaliteit had uw belangstelling, getuige uw schriftelijke vragen over de gestolen snorfiets van Miranda Vonk uit Oegstgeest. Jan Hoekema, in uw eerste periode als Kamerlid werd u al ondervoorzitter van de vaste commissie voor Defensie. In uw tweede periode keerde u terug op uw oude stek: Buitenlandse Zaken, waar u de minister vragen stelde over vrijwel ieder land in de wereld, maar u voerde in de Kamer ook het woord over Binnenlandse Zaken, speciaal over gemeentelijke herindelingen. Zo hebt u in ieder geval de kaart van één deel van de wereld definitief beïnvloed! Dick Stellingwerf, het onverwachte vertrek en afscheid van de Kamer zal u niet makkelijk vallen, omdat er zoveel belangen en waarden zijn waarvoor u wilt blijven opkomen. U hield in een tentje de wacht bij de bedreigde korenwolven in Limburg en was een fervent tegenstander van de Betuweroute. Op veel plaatsen in onze wetgeving en op veel plaatsen in ons land hebt u duidelijk resultaten bereikt. U bleef zich tot het laatste moment inzetten zoals blijkt uit het feit dat de laatste schriftelijke vragen van deze Kamer vandaag door u gesteld zijn. Veel dank voor alles wat u heeft gedaan. Marijke van Lente, u hebt sinds 1994 uw sporen verdiend in als woordvoerder sociale zaken met een indrukwekkende kennis van onderwerpen als SUWI en ontvlechting van de Arbeidsvoorziening. U werd echter commissievoorzitter in een sector waar u zelf niet als woordvoerder optrad: de volksgezondheid. Toch heeft u daar de reputatie opgebouwd van een voorzitter die niet met zich laat spotten: \"Afspraak is afspraak, tijd is tijd\" dat waren en zijn uw adagia. Rob Oudkerk is een medisch wonder: hij heeft het hart op de tong. Vanaf zijn binnenkomst in de Kamer, maar vooral sinds de Bijlmerenquête is hij Nederlands bekendste televisiedokter. U hoefde niet veel te zeggen om duidelijk te vertellen waar het op stond. Uw politieke resultaat in Amsterdam is dan ook welverdiend. Uw bijdragen aan de volksgezondheidsdebatten zullen ook na uw vertrek hun werking blijven hebben. Marijke Augusteijn, u bent in de politiek gegaan vooral onder invloed van uw leraar scheikunde in Baarn, ons vroegere medelid Fred van der Spek. In de Kamer kwam u vooral op voor het milieu en voor de natuur, in het bijzonder voor die vijf unieke stukjes Nederland: de Wadden. Net als Rob Oudkerk herinneren we u voor altijd van de Bijlmerenquête! Doctor Oussama Cherribi, u omschreef de Kamer eens als een zwembad met heel koud water. De zoektocht als beginnend Kamerlid vergeleek u met een \"adventure game\". Die term klinkt niet vreemd uit uw mond want u staat bekend als dé ICT-deskundige. Andere onderwerpen waar u warm voor liep, waren jeugdzorg en jeugdhulpverlening. Daarnaast was u lid van de Commissie voor de Nederlandse Taalunie, de Assemblee van de Raad van Europa en de Contactgroep Frankrijk, dit alles gesymboliseerd door uw \"cravates flamboyantes\"! Toen Wouke van Scherrenburg onlangs in een interview zei dat er geen mooie mannen in de Kamer zijn, moet zij u toch zijn vergeten! Nicky van 't Riet, Verkeer en Waterstaat en Defensie. Wat een onzin dat vrouwelijke politici alleen \"zachte\" onderwerpen zouden behandelen. U heeft het tegendeel gedurende de periode dat u lid was van de Kamer, bewezen. Uw laatste motie, over de JSF, zal zeker de geschiedenis ingaan. En u dus ook! Wij zullen uw bijdragen, vaak vanuit een zeer originele invalshoek, zeer missen. Dank daarvoor! Jan Hendrik Klein Molekamp, u kwam als Rotterdammer en u vertrekt als Zeeuw. Binnen de Kamer heeft u zich vooral met milieuvraagstukken beziggehouden en u getuigde daarbij van een grote dossierkennis. Mede dankzij uw inzet heeft de Kamer in april jl. ingestemd met de planologische kernbeslissing inzake de Tweede Maasvlakte. Theo van den Doel, u was woordvoerder Defensie met zeer veel kennis van zaken, zowel van de militaire praktijk als van de theorie. Bij de parlementaire behandeling van twee rampen, die van de Bijlmer en die van Enschede, heeft u een bijzondere rol te vervullen gehad, waarbij u zich als betrokken volksvertegenwoordiger liet kennen. In uw geval was de bijnaam \"de kleine kolonel\" dan ook een eretitel. Jan van Walsem, één van de weinige ex-ondernemers en daarom bekend en gevreesd op het terrein van Economische Zaken, maar bovenal bekend om zijn maximale inzet voor de positie van de Kamer in het begrotingsproces. Na acht jaar lidmaatschap van de Kamer wordt het ook voor u nu afrekenen: heeft u bereikt wat u beoogde, heeft u gedaan wat u voornemens was te doen, heeft het u de inspanning gekost die u tevoren had ingeschat? Wij lezen het graag in uw memoires! Otto Vos, sinds 1994 lid van de Kamer, waar wij u hebben leren kennen als een betrokken jurist. Uw ervaring als advocaat kwam in twee enquêtecommissies, opsporingsmethoden en bouwnijverheid, naar voren. U was ook mede-initiatiefnemer van voorstellen tot wijziging van de Mediawet, tot strafbaarstelling van belaging, tot wijziging van de Visserijwet, tot verhoging van de maximale strafmaat bij de politierechter en, samen met de heer Van Heemst, tot het sluiten van drugspanden (de zogenaamde Wet Victor). Al deze voorstellen hebben het Staatsblad bereikt, waarschijnlijk een record in de parlementaire geschiedenis. Stefanie van Vliet, u bestreek bijna het gehele terrein van VWS. U bent een bevlogen debater, die in uw optredens ook vaak humor etaleerde. In één van de eerste AO's na uw bevalling hebt u omstandig uitgelegd hoe moeilijk het was een crèche voor uw kind te vinden, dit ondanks de beweerde uitbreiding van het aantal plaatsen daar. Ook bij uw vertrek behoort u nog steeds tot de jongste Kamerleden. Daar kunnen wij over nadenken! Peter Rehwinkel, u hebt belangrijke politieke en staatsrechtelijke vraagstukken op een aansprekende wijze aan de burgers weten te presenteren. Ten aanzien van de positie van het staatshoofd, de positie van de minister-president, de gang van zaken bij een kabinetsformatie, het kiesstelsel en de verruiming van mogelijkheden om te stemmen leverde u zeer belangrijke bijdragen. Ik zeg u veel dank voor de vele malen waarop u op uitstekende wijze de Kamer heeft voorgezeten. Wim Passtoors heeft in de vaste commissie voor VWS met name het woord gevoerd op de terreinen gehandicaptenzorg en geestelijke gezondheidszorg. U was ook altijd bereid om een algemeen overleg voor te zitten. Met behulp van een eigen chronometer houdt u dan nauwgezet de spreektijden in de gaten. De Kamer is u ook erkentelijk voor uw trouwe opkomst bij de commissie voor de Werkwijze en uw actieve deelname aan de discussie daar. Wij wensen u veel succes in uw oude vak, het onderwijs, waarnaar u weer terugkeert. Marry Visser-van Doorn, u staat bekend als een sociaal bewuste vrouw met veel idealen. Met name bij de behandeling van de cultuurnota stond u uitgebreid in de schijnwerpers: \"U wist door de zure Appel heen te bijten!\" Het aanzicht van de Kamer zelf is mede door uw optreden ingrijpend gewijzigd. Zie de prachtige beeldengalerij in de Statenpassage en de aankleding van de vergaderzalen met kunstobjecten. Zeer veel dank daarvoor. Marja Wagenaar, alweer een doctor. Op het punt van de communicatie tussen overheid en burgers was u al deskundig bij uw aantreden. Die deskundigheid heeft u op verscheidene niveaus ingezet. De rapporten van de commissie-Wallage en de commissie-Docters van Leeuwen hadden uw intensieve aandacht. Uw aandacht ging minstens even sterk uit naar de momenten waarop de overheid misschien wel op de meest intensieve wijze in contact treedt met burgers: in noodsituaties, bij rampen. Naar aanleiding van \"Enschede\" en \"Volendam\" heeft u zich intensief ingezet voor de slachtoffers. En het woord frequentieveiling kunt u waarschijnlijk niet meer horen! Ruud Luchtenveld, u volgde in 1997 een volksvertegenwoordiger pur sang op: wijlen Broos van Erp. Ook voor u is het ambt van volksvertegenwoordiger het hoogste en eervolste ambt. Het verbaast dan ook niet dat u het Kamerlidmaatschap combineerde met het raadslidmaatschap in Amersfoort. Binnen de commissie BZK gaf u niet alleen aandacht aan onderwerpen als gemeentefinanciën en grotestedenbeleid, maar ook aan de rechtspositie van volksvertegenwoordigers. Uw inzet op dit punt heeft veel waardering gekregen. Wouter Gortzak, u heeft ná uw VUT een politieke loopbaan gevolgd van deelgemeente naar Tweede Kamer, waar anderen op hun 30ste mee beginnen en veel langer over doen. U heeft van huis uit het gevoel meegekregen voor mensen aan de onderkant van de samenleving. Tot die onderkant heeft u ook gerekend mensen in de West en Suriname. Dankzij uw relativeringsvermogen en uw grote taalgevoel zijn uw soms harde boodschappen altijd overgekomen. Het was een groot plezier om met u op reis te zijn, onder meer in Suriname. Corrie Hermann, u behoort qua leeftijd tot de éminences grises maar in uw optreden bent u de sprankelende jeugd. Zeer authentiek en vaak onconventioneel. Menige inbreng begon u met een anekdote, een ondeugende opmerking of een visualisering van het aan de orde zijnde onderwerp door het omhoog houden van een medisch attribuut, een boekwerk, een brochure. Bekend bent u ook geworden door uw eigentijdse interpretatie van het Reglement van Orde. Ook met uw vertrek daalt het artsengehalte in de politiek kwalitatief en kwantitatief aanzienlijk. Peter van Wijmen, u bent erudiet of in een recente bewoording van Komrij: u hebt leesliefde. U bent gezaghebbend jurist. Gezaghebbend niet alleen hier, maar bijvoorbeeld ook op de Haagse boekenmarkt waar u een koopman eens verbood een prachtig boek voor de gevraagde prijs te verkopen waarna u hem het dubbele gaf. Uw open houding maakte het voor u gemakkelijk aan tegenstanders in het debat toe te geven, zodra zij u overtuigden. Professor, het ga u goed. Theo Stroeken, u heeft over uiteenlopende zaken het woord gevoerd: onder andere de taxiwetgeving, regionale luchthavens, de Wet personenvervoer en asbestslachtoffers. U heeft zich sterk ingezet voor het oplossen van de problematiek van grensarbeiders. U behoorde tot de groep Limburgse Kamerleden, die pal stonden voor hun provincie. Hans van den Akker, u heeft altijd met verve het belang van de industrie, als economische motor van Nederland verdedigd, maar u heeft ook in de omgekeerde richting het Kamerlidmaatschap en de betekenis van het parlement verdedigd tegenover uw vroegere collega's uit het bedrijfsleven. U koos zelf voor uw vertrek uit de Kamer onder het motto dat het er niet om gaat hoe lang je hier zit, maar wat je voor elkaar krijgt. Dank daarvoor. Judith Belinfante, in 1998 van museumdirecteur naar Kamerlid. U kreeg in uw fractie direct een moeilijke interne taak te vervullen. Vanaf 2000 was u plaatsvervangend voorzitter van de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, een functie die u met waardigheid bekleedde. Waarschijnlijk denkt u met genoegen terug aan het werkbezoek aan India, waaraan uw vele contacten een extra dimensie toevoegden. U zet zich thans in voor de dialoog tussen moslims en joden in Nederland om een bijdrage te leveren aan oplossingen in het Midden-Oostenconflict. Wij wensen u daar veel succes mee. Dr. Lucy Kortram, u schreef ooit een dissertatie over oordeelsvorming in interetnische relaties. Dit onderwerp is medebepalend geweest voor de onderwerpen waar u zich hier vanaf 1998 aan hebt gewijd. Uw specialisme omschrijft u als het \"door de ogen van anderen naar de omgeving kijken\". Tijdens procedurevergaderingen was u als een terriër als het ging om onderwerpen zoals intercultureel onderwijs, schooluitval/spijbelbeleid, medezeggenschap en onderwijs in allochtone levende talen. Veel dank. Jan Geluk, u vulde in 1998 het Zeeuwse contingent in de Kamer aan. U liet onder meer van u spreken door in de zomer van 2000 de commissie voor LNV terug te laten komen van reces om met de minister van VROM het plan te bespreken om het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen te verbieden. U was een van de weinigen die uit het bedrijfsleven de politiek ingingen. Dat leidde, met uw Zeeuw-zijn, tot grote, wijze nuchterheid. Francisca Ravestein, u was het eerste Rotterdamse Kamerlid van D66. We hebben u dan ook regelmatig gehoord over de belangen van de haven van Rotterdam. Maar tot uw portefeuille behoorden ook ruimtelijke ordening en sport. U combineerde in een opiniestuk in het Rotterdams Dagblad een aantal onderdelen van uw portefeuilles en achtergrond tot de volgende opmerking: \"Voor de Olympische Spelen is Nederland echt te klein, tenzij minister Pronk in zijn Vijfde nota ruimtelijke ordening aangeeft toch een nieuwe stad te willen bouwen, die dan in eerste instantie zou kunnen dienen als Olympisch dorp.\" Desirée Duijkers, u was de trouwste bezoeker van de procedurevergadering van de commissie voor de Rijksuitgaven. Ook op het terrein van justitie heeft u niet stilgezeten. Wij herinneren u ook vanwege uw aandeel in de behandeling van de wetten inzake noodopvang van drugssmokkelaars begin dit jaar. Uw bijdrage aan het debat over de raming is ook zeer gewaardeerd. Hugo van der Steenhoven, u was mede-initiatiefnemer van een fietssnelwegproject tussen Amsterdam en Utrecht. In uw Kamertijd werd u een warm pleitbezorger voor de invoering van een antidiefstalchip voor de fiets. Verder exporteerde u uw ideeën naar andere landen. Tot in Zuid-Afrika toe gaat uw naam over de tong in verband met het aanleggen van door de Nederlandse overheid gesubsidieerde fietspaden. Ik hoop dat u Den Haag nog vaak, al dan niet op uw tweewieler, zult bezoeken. Dank. José Smits, u bent een groot voorstander van de verbetering van het beleid inzake de reïntegratie van arbeidsongeschikten. De confrontatie ging u graag aan; de felle interruptiedebatten met collega Wilders over de WAO zijn daar een voorbeeld van. U bewees, net als collega Barth, dat de overgang van journalistiek naar politiek zeer goed mogelijk is. Jacques Niederer, in 1998 werd u in het koude water gegooid van de tijdelijke commissie Kalsbeek. U heeft daar aan den lijve het probleem meegemaakt dat optreedt wanneer leden van een onderzoekscommissie op belangrijke punten van mening verschillen; niet de gemakkelijkste ervaring. U hield zich verder bezig met uiteenlopende justitieonderwerpen, waaronder de bolletjesslikkers. Helaas leverde uw voorkeursactie niet voldoende rode bolletjes op het stembiljet op. Marleen Barth, idealisme dreef u in de politiek, zoals u in een interview hebt aangegeven. De overstap van de journalistiek naar de politiek is u in eerste instantie, net als collega Smits, door uw collega-journalisten niet in dank afgenomen. Maar uw standpunt was: \"door hard en met inzet te werken, zal ik mezelf waarmaken\". U was een spraakmakende en gedreven onderwijswoordvoerder. Laurette Spoelman, u wilde in de Kamer niet woordvoerder worden voor het onderwerp waar uw voorgeschiedenis u voor leek te bestemmen. Dat illustreert uw onafhankelijke en zelfkritische houding. In volksgezondheidskwesties nam u krachtige standpunten in, bijvoorbeeld bij de reorganisatie van de inspectie waardoor die mannenwereld u niet snel zal vergeten. Gert Jan Oplaat, u bent een man uit de praktijk van de pluimveehouderij en dat was nuttig. Uw bijdragen op het terrein van LNV waren veelal dualistisch en dat is goed. Tijdens de MKZ-crisis was uw opstelling duidelijk en constructief. Buiten de Kamer bent u bekend als musicus-cabaretier, met een aantal eigen cd's, maar komt u toch maar hier terug. Patricia Remak, als lid van de deelraad Amsterdam Zuidoost en als wethouder kende u de praktijk van het bestuur en u bleef in de Kamer een praktisch iemand. U gebruikte als eerste uw laptop in deze zaal. Tijdens een treinrit op de Schiphollijn hielp u bij de arrestatie van een zakkenroller. Wij herinneren ons uw binnenkomst hier in 1998 in indrukwekkende traditionele Surinaamse kleding. Als woordvoerder ontwikkelingssamenwerking was u enthousiast en vasthoudend. Frans Weekers was de enige mannelijke woordvoerder emancipatiebeleid. Tot genoegen van uw vrouwelijke collega's deed u dat op deskundige wijze, met verve en charme. Voorts stond u op de bres voor de belangen van de gehandicapten en hield u zich bezig met arbeidsmobiliteit en -migratie, de sociale werkvoorziening en de socialeverzekeringspositie van grensarbeiders. Ook u hebt een open oog voor het Limburgs belang. Limburg is de provincie waarnaar u iedere avond terugreisde om 's ochtends uw kinderen te kunnen zien. Fadime Örgü, in de commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid was u woordvoerder arbeid en zorg en Europese zaken. De uitvoering van de Bijstandswet en het emancipatiebeleid zijn onderwerpen waarmee u zich intensief hebt beziggehouden. U had een zeer sterke band met uw oorspronkelijk Turkse achterban in Nederland. Dat is door hen zeer gewaardeerd. Gerrit Schoenmakers, alweer een man van de praktijk, alweer iemand met wethouderservaring en niet zo'n klein beetje, maar bovenal met liefde voor de provincie Zeeland, voor haar geschiedenis en cultuur. Els Meijer, u hebt op de u eigen persoonlijke en openhartige wijze al van ons afscheid genomen voordat wij dat van u doen. U spreekt over dak- en thuislozen als over \"mijn dak- en thuislozen\". Uw inzet voor mensen die het moeilijk hebben, was zeer groot. Dat geldt ook voor uw activiteiten ten behoeve van Kosovo in het kader van de OVSE. Arie Kuijper, u hebt als Kamerlid een grote verscheidenheid aan contacten in de maatschappij onderhouden. U toonde u begaan met mensen die in de rafelrand van het maatschappelijk leven verzeild raken en u zette zich intensief in voor de opvang van zwerfjongeren. Daarbij nam u uw taak als medewetgever zeer serieus op, ook als indiener van initiatiefwetgeving. Harm Evert Waalkens, als woordvoerder landbouw, met een eigen deskundigheid als eigenaar van een boerderij, groeide u in korte tijd uit tot deskundige op het lastige EU-terrein en u was niet bang voor het innemen van impopulaire standpunten. Wij weten dat u ook een ander en misschien wel mooier leven heeft buiten de Haagse politiek. Annet van der Hoek behoort tot de harde supporterskern van de voetbalvereniging Heerenveen. Als passieve sportvrouw bent u voorts voorzitter van de vakbond van beroepswielrenners. Deze sporten worden gekenmerkt door afzien en willen winnen en die kenmerken hebt u ook tentoongespreid in de Kamer, vooral waar het inzet voor de geestelijke gezondheidszorg en de maatschappelijke opvang betreft. De behandeling van de wijziging van de BOPZ krijgt zeker een plaats in de parlementaire geschiedenis, vooral dankzij het amendement dat u samen met de heer Passtoors hebt ingediend over observatie. Thijs Udo, u kwam in 1998 in de Kamer. Als secretaris van MKB Nederland was u goed op de hoogte van wat er in de sector speelde, hetgeen u in de Kamer als woordvoerder toonde. Ook speelde u een grote rol bij wetgeving en beraadslaging inzake de biotechnologie. Dank daarvoor. Usman Santi, in de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid hield u zich bezig met de Arbeidstijdenwet en de Wet beperking export uitkeringen. Een van uw laatste plenaire debatten betrof de opzegging van het socialezekerheidsverdrag met Marokko. De juridische aspecten van beleid kregen altijd uw bijzondere aandacht. U was bescheiden en vasthoudend tegelijk, goede eigenschappen voor een volksvertegenwoordiger en een advocaat. Eric Balemans, net als collega Hoekema een man van binnen- en buitenland: herindelingen en Defensie. Het JSF-dossier was uw laatste lastige klus, die overigens nog niet geheel afgerond is. Als lid van de commissie-Bakker deed u zeer nuttig werk. Het onderwerp \"arbeid en zorg\" brengt u in de praktijk. Geert Wilders was het gezicht van zijn fractie bij belangrijke onderwerpen op het terrein van de sociale zekerheid, waaronder de WAO. Ook de (lage) representativiteit van de vakbeweging was een thema waar u vaak over sprak. U bent een goede debater, helder in uw standpunten en u schuwde de controverse niet. Mevrouw Smits kan daarover meepraten. Ook op het terrein van de buitenlandse politiek, met name het Midden-Oosten, bent U een groot deskundige. U zette het onderwerp moslimextremisme hier op de agenda. Stef Blok, u was met mevrouw Voûte het gezicht van uw fractie op economisch terrein. U had en heeft een grote dossierkennis. Wij hebben u leren kennen als een zeer aimabel collega en bovendien als een sportief mens. Twee keer liep u, met het Kamerteam, de City-Pier-Cityloop in Den Haag en u liep hem ook helemaal uit. Willem Herrebrugh, u hebt met de kroonprins uw interesse voor het watermanagement gemeen. Wij zullen uw aanstekelijke verhalen uit de scheepvaart en visserij missen. U bent een van de weinige Kamerleden die zonder papier en zonder microfoon in de plenaire zaal kon spreken. Rik Hindriks, uw financiële expertise kwam tot uitdrukking bij de behandeling van de begroting. U bent openhartig, onconventioneel en wars van procedures. Hans van Baalen, u werd in 1999 lid onder omstandigheden die het u niet makkelijk maakten. U heeft grote Europese deskundigheid, onder andere doordat u adviseerde over de wijze waarop de Tweede Kamer haar invloed op de Brusselse besluitvorming zou kunnen versterken. Als een ware consultant reisde u parlementen af en formuleerde u een helder rapport: \"Op tijd is te laat\". Voor uw bijdragen aan de Europese conventie zeg ik u ook veel dank. Janneke Snijder-Hazelhoff heeft zich onder andere bezig gehouden met het emancipatiebeleid van het ministerie van LNV. Ook hebt u namens uw fractie het woord gevoerd over de ingewikkelde en gevoelige Algemene nabestaandenwet. Voorts was u in de vaste commissie voor LNV altijd bereid de voorzitter te vervangen en u had dan een harde hand, zoals het hoort, juist voor leden van uw eigen fractie, zoals dat ook hoort. Jeroen Dijsselbloem werd op 28 maart 2000 lid van de Tweede Kamer als laatste schakel in de zogenaamde \"Pepercarrousel\". U was in uw element bij een combinatie van uw twee specialismen: de vergroening van het belastingstelsel. U diende samen met Bibi de Vries de allerlaatste motie vóór de verkiezingen in, over de fiscale behandeling van de bestelbus. Ton de Swart werd op 9 mei 2000 beëdigd, als opvolger van Philip Brood. Dat was geen makkelijke positie. Uw maidenspeech op 14 september 2000 betrof een onderwerp waarop twee bewindslieden eerder sneuvelden: de Paspoortwet. Het tekent uw rechtvaardigheid dat minister Van Boxtel dat debat overleefde. Wij wensen u veel succes als wethouder in Schiedam. Hillie Molenaar, u zag uw lidmaatschap van de Tweede Kamer als een kans om meer kennis op te doen, net als bij het maken van filmdocumentaires. We hopen van u te horen als op 15 juli a.s. de fiscale overgangsregeling film vervalt. Misschien jammer dat u niet net als degene die u opvolgde, Marjet van Zuijlen, een dagboek hebt bijgehouden! Staf Depla, u hield zich bezig met pensioenen, alhoewel u van huis uit landbouwdeskundige bent. Helaas zult u de hoofdlijnennotitie nieuwe Pensioenwet, waarop u zo veel heeft gehamerd, waarschijnlijk niet zelf kunnen behandelen. Eppo Bolhuis, u kwam in 2001 in de Kamer als opvolger van Ella Kalsbeek, maar u was al bekend met het Binnenhof waar u 15 jaar geleden als fractiemedewerker hebt gewerkt. U was op het terrein van EZ vasthoudend, met oog voor het detail. Een zakenman in de politiek! Arie Slob, in de zeven jaar als raadslid voor het GPV in Zwolle deed u al de nodige ervaring op. Uw neiging tot actiegerichtheid heeft u wel eens de Geuzentitel opgeleverd van \"de SP'er van het GPV\"! U werd in februari 2001 benoemd tot lid van de Kamer als opvolger van Gerd Schutte. Het is niet eenvoudig een Kamerlid van dergelijk formaat op te volgen. Met uw eerste optreden in het Enschededebat verwierf u veel bewondering van uw collega's voor het niveau van uw bijdrage en dat is steeds zo gebleven. Ernst van Splunter, tijdens uw studie schreef u al een scriptie over de staatscommissie Cals-Donner. U hebt dan ook bewust gekozen voor een politieke carrière. Voordat u vorig jaar de heer Patijn opvolgde, hebt u bij uw fractie al gewerkt als persoonlijk medewerker, beleidsmedewerker en voorlichter. Het kleine uitstapje naar het bedrijfsleven leverde u aardige kennis op over bedrijfspensioenfondsen. In de korte periode dat u lid was van de Kamer heeft u zich vooral beziggehouden met onderwerpen op het onderwijsterrein, zoals de verlaging van de leerplichtige leeftijd en de onderwijshuisvesting. Ook u bracht het onderwerp arbeid en zorg zeer in de praktijk. Ton Pitstra, pacifist, met een rode shawl. Vandaag niet, zie ik. U gaat de actie niet uit de weg, zoals blijkt uit uw deelneming aan een protest tegen de opslag van kernwapens op de vliegbasis Volkel en uit uw verzet tegen grootschalige nieuwbouw in de binnenstad van Groningen. In elk geval nooit saai; in de korte tijd dat u lid was van de Tweede Kamer hebt u een behoorlijk stempel weten te drukken op de onderwerpen die u waren toebedeeld. Jo Horn, u hebt een halfjaar in de Kamer gezeten als opvolger van Margreet de Boer en u hebt zich in die korte periode voornamelijk beziggehouden met het grotestedenbeleid en het consumentenbeleid. U zag het Kamerlidmaatschap als een interimbaan en pakt morgen uw functie als interimmanager weer op, hetgeen erop wijst dat Kamer en samenleving wel degelijk met elkaar zijn verbonden. Gerdi Verbeet, uw aanwezigheid in deze Kamer lijkt van korte duur te zijn geweest, maar als politiek adviseur van staatssecretaris van OCW, Tineke Netelenbos, hebben we u in de periode van 1994 tot 1998 zeer regelmatig in de Kamer kunnen vinden. Vervolgens was u politiek adviseur van de fractievoorzitter van de PvdA. Bij uw benoeming liet u in de Kamerbode optekenen als meisje van 12 al grote bewondering te hebben gehad voor Gerda Brautigam en Haya van Someren-Downer, omdat zij sterke vrouwen zijn die wisten wat ze wilden en dat ook bereikten. U moet een moeilijke periode achter de rug hebben en voor u is het onverwachte vertrek dat vandaag voor velen geldt, denk ik, extra moeilijk. Corien Jonker, op 5 maart jl. maakte u als opvolger van Gerd Leers uw entree in de Tweede Kamer voor een wel hele korte politieke carrière. U hebt gezegd: \"Ik moet 4 jaar in 3 maanden waarmaken\". Uw officieuze maidenspeech hield u tijdens het overleg over het wetsvoorstel Justitiële gegevens. Hopelijk heeft u de afgelopen 3 maanden veel waardevolle ervaringen op kunnen doen en heeft u uw praktijkervaring op het terrein van asielbeleid met de andere leden kunnen delen. Aan het einde van deze lange lijst van medeleden die niet terugkeren, wil ik nog één iemand in het bijzonder noemen, namelijk Nancy Dankers die mij per brief heeft meegedeeld dat zij haar benoeming tot Kamerlid niet heeft aanvaard om gezondheidsredenen en dus ook morgen niet beëdigd zal worden. Ik stel u voor haar brief als bijlage bij de Handelingen af te drukken, maar wil toch enkele opmerkingen uit die brief citeren." 2002-06-18;Hermans;01894;"";h-ek-20012002-1563-1576.1.2.1;"Onderwijstoezicht ";35849;36;"Voorzitter. Mag ik mijn beantwoording beginnen met felicitaties uit te brengen aan de heer Groen voor zijn maidenspeech? Bij zo'n wetsvoorstel een maidenspeech houden zouden velen graag wensen. Ik zie ook maidenspeeches van twee minuten bij een plenair debat naar aanleiding van een algemeen overleg in de Tweede Kamer. Een wetsvoorstel als het onderhavige is het nadrukkelijk waard om dat te doen. Ik ben ook alle afgevaardigden die vandaag het woord hebben gevoerd, zeer dankbaar voor hun reactie waarin in algemene zin grote steun werd gegeven aan wat nu voorligt. Samen met de staatssecretaris ben ik er ook zeer verheugd over, dat wij dat in deze demissionaire periode nog kunnen afronden. Naar onze mening ligt immers een wetsvoorstel voor dat het scharnierpunt is in onze aanpak van het onderwijsbeleid. Het is een scharnierwet op weg naar een onderwijsstelsel waarin wij sterk de nadruk leggen op autonomie en zelfregulering van de scholen. Als je ruimte en mogelijkheden geeft en regelgeving wilt afschaffen, dan dien je ook op basis van artikel 23 ruimte te hebben voor een kwaliteitstoets. Ouders, instellingen, deelnemers, de politiek, de Eerste en Tweede Kamer, hebben er recht op te weten wat er gebeurt met het totale budget van zo'n 23 mld euro voor het onderwijs. De voorliggende wetgeving is van grote betekenis, ook in samenhang met enerzijds het onderwijsnummer en anderzijds de wet beroepen in het onderwijs, een wetsvoorstel dat helaas in de Tweede Kamer controversieel is verklaard. Deze drie wetten zijn zo belangrijk, omdat je met een goed onderwijsnummer in staat bent om heel gewogen budgetten toe te delen, bijna per leerling. Het is ook van belang om met een zogenaamde begintoets te kunnen zien wat uiteindelijk aan het eind van een schoolperiode de toegevoegde waarde van de school is geweest. Laten wij echter niet de fout maken – ik heb het vandaag niet gehoord, maar het is toch goed om het nog even aan te geven – om te veronderstellen dat het onderhavige wetsvoorstel een soort veredelde Citotoets zou inhouden waarbij wordt gekeken naar wat het cijfer aan het einde van een schoolperiode zou moeten zijn. Een goede school levert toegevoegde waarde door ervoor te zorgen dat het maximale uit leerlingen wordt gehaald. Het wetsvoorstel biedt een goede mogelijkheid voor een school om daar rekenschap en verantwoording over af te leggen. Dat is gebouwd op de eigen kwaliteitszorg en op het onderwijsnummer. In de wet beroepen in het onderwijs, waarvan ik hoop dat die snel uw Kamer zal bereiken, staat een aantal voorwaarden op basis waarvan iemand zich docent mag noemen, anders dan alleen het hebben van een bevoegdheid. Eens bevoegd is namelijk nog niet altijd bekwaam. Dat betekent dat je wel een opleiding kunt hebben gevolgd, maar zoals eenieder van u moeten ook docenten hun vak bijhouden. In onze eerste beleidsnotitie bij de begroting voor het jaar 2000 hebben wij aangegeven dat wij uiteindelijk willen komen tot een sterke instelling en een verantwoordelijke overheid. Met zo'n sterke instelling sluiten overheid en ouders eigenlijk een soort contract af voor een bepaalde prestatie die moet worden geleverd. Er zal ook worden bekeken wat dat precies betekent voor de inzet van middelen. Via het onderwijsnummer kun je goed berekenen wat aan gewogen middelen is ingezet. In het kader van de wet beroepen in het onderwijs wordt niet meer precies voorgeschreven aan welke voorwaarden iemand moet voldoen die voor de klas staat, maar wordt de schoolleiding afgerekend op de prestatie die een school levert. Hoe en met welke mensen die school die prestatie levert, is de verantwoordelijkheid van die school. In de wet is duidelijk neergezet aan welke voorwaarden een leraar moet voldoen om bevoegd en bekwaam te zijn. Het is vervolgens aan de schoolleiding om te bekijken hoe de mix tussen die leraren, onderwijsassistenten, ICT-deskundigen en misschien ook ouders of anderen een gezamenlijk product oplevert dat kwaliteit biedt voor de leerling. Dat is de kern van wat wij graag willen bereiken. Vorig jaar november hebben de staatssecretaris en ik naar de Kamer een bericht gestuurd waarin wij aangaven dat er 28 regelingen in het primair en voortgezet onderwijs kunnen vervallen als de genoemde drie wetten zijn ingevoerd. Dat is immers de funderende wetgeving voor het nieuwe beleid van aansturing van het onderwijs, waarin de ruimte voor scholen maximaal wordt gemaakt en de overheid de richting aangeeft en ook rekenschap wil laten afleggen en resultaat wil zien. Ik geef de Kamer een paar voorbeelden van voorstellen die wij hebben gedaan. Een van de punten waar wij vanaf willen is het toelatingstijdstip voor leerlingen in het primair onderwijs. Waarom kan een leerling alleen maar worden toegelaten aan het begin van een schooljaar? De scholen hebben een eigen verantwoordelijkheid; geef ze dan ook die ruimte. Laat zij daarover afspraken maken, ook met de ouders. Een ander voorbeeld is de maximale duur van verschillende onderwijssoorten. Waarom is de eis dat het basisonderwijs voor 4- tot 12-jarigen dus binnen acht jaar moet plaatsvinden? Waarom kan dat niet langer of korter? Waarom is de duur voor het voortgezet onderwijs precies vastgelegd? Als de overheid daarvoor ruimte geeft, moet zij een kwaliteitstoets hebben om te bekijken of de middelen effectief zijn ingezet. Als je dat soort dingen wilt loslaten, heb je een wet beroepen in het onderwijs, de wet op het onderwijstoezicht en het onderwijsnummer nodig om te kunnen bekijken wat de weging van verschillende factoren voor de betaling van leerlingen aan de school eigenlijk is. De Kamer weet dat wij een formulering van algemene beginselen van behoorlijke onderwijskwaliteit willen. Daarover worden hele discussies gevoerd. Daarmee ziet de overheid af van gedetailleerde voorschriften, maar voor het budget dat zij ter beschikking stelt, moet het onderwijs een bepaalde kwaliteit hebben: algemene beginselen van behoorlijke kwaliteit in het onderwijs. Als je die invoert, kun je uitgangspunt en doelstelling van het onderwijs door de scholen zelf laten bepalen. Als wij die kant opgaan – dat kunnen wij echter niet even in vier jaar – moeten er voorwaarden geschapen worden via een aantal aanpassingen die wij nu voor een groot deel op tafel hebben liggen. Een volgend kabinet kan daar volop mee verder gaan, om datgene te realiseren waarvoor, naar ik gezien heb, zowel in de Eerste als in de Tweede Kamer, heel veel steun is. Ouders, leerlingen en het politiek verantwoordelijke parlement, hebben recht op casu quo moeten inzicht krijgen in het kwaliteitsproduct dat een onderwijsinstelling levert. Daarvoor moeten zij goed geïnformeerd zijn. Daarom wordt de inspectie via de wet op het onderwijstoezicht getransformeerd van een informant van de bewindslieden van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen tot een instrument in handen van het Nederlandse onderwijsveld dat de onderwijsinstellingen een spiegel voorhoudt. Zij laat zien wat de kwaliteit van hun product is. Zij kan benchmarken en good practises laten zien, waardoor scholen hun product kunnen verbeteren en kwalitatief beter onderwijs kunnen gaan geven. Uiteindelijk is op die manier een gevarieerd onderwijsaanbod dat naar aard en plaats vaak verschillend in te vullen is, noodzakelijk en mogelijk. De kwaliteit van het onderwijs die de overheid moet bieden volgens artikel 23, kan zo worden uitgevoerd. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen heeft daarbij een taak. Ik constateer dat zowel in de Tweede Kamer als in dit huis de discussie gaat over de vraag wat de rol van de instellingen zelf is. De rol van instellingen is in onze ogen heel zwaar wat betreft een eigen systeem van kwaliteitszorg. Men kan kiezen voor een eigen opbouw of voor bijvoorbeeld Q-primair of Q5. Aan de voorbeelden die genoemd zijn, kun je zien dat ook in het onderwijs steeds meer wordt ingespeeld op deze nieuwe ontwikkelingen. Als scholen beschikken over een soort certificering, bestaat er bijna een systeem zoals wij hier twee weken geleden besproken hebben, de accreditatie. De inspectie constateert dat de kwaliteitszorg op een school in orde is, als die school voldoet aan een bepaalde certificerende norm van kwaliteitszorg. De inspectie zal steekproefsgewijs blijven bekijken of dat ook daadwerkelijk het geval is. Dat gebeurt natuurlijk onder meer via visitaties overal in het onderwijs. In de hele wetgeving wordt daar steeds naar verwezen. De rol van de inspectie mag je niet marginaliseren. De inspectie kan niet naar achter worden gedrukt, terwijl een en ander alleen maar aan de scholen wordt overgelaten. Dan zou ik in strijd komen met artikel 23, waarin wordt bepaald dat de onderwijskwaliteit de verantwoordelijkheid van de bewindslieden van Onderwijs is. De grondwettelijke verantwoordelijkheid van de overheid voor het toezicht op het onderwijs moet gewaarborgd blijven. De inspectie zal altijd in staat moeten zijn om onderzoek te doen naar de kwaliteit van het onderwijs in een onderwijsinstelling. Zij moet vanuit haar professionele onafhankelijkheid de instellingen aanspreken, zo nodig incidenteel maar het liefst structureel, volgens de aanpak die wij nu voor ogen hebben. Daarbij moet worden gekeken naar de kwaliteit en naar eventueel geconstateerde tekortkomingen, niet als veroordelend toezicht, maar als stimulerend toezicht. Stimulerend toezicht betekent dat de inspectie niet moet komen met allerlei nieuwe regelingen. Het toetsingskader wordt vastgesteld door de inspectie en goedgekeurd door de minister. Je kijkt of er in die school daadwerkelijk is voldaan aan de beginselen van kwaliteit van het onderwijs. Het is meer dan alleen boekhouden; je moet namelijk ook kijken of het zo is. Laten wij nu niet de discussie voeren over de rol van accountants in verband met het toezicht. Je moet verder gaan dan alleen controleren of de stukken precies kloppen. Je zult het toezicht op de scholen nadrukkelijk niet alleen moeten uitoefenen via het vinkenlijstje, maar veel meer door observaties in de klas, door het meten van het pedagogisch klimaat in de school, door te praten met ouders, deelnemers en docenten en door te kijken hoe het team in de school opereert. Die elementen zijn van grote betekenis. De inspectie dient volgens artikel 17 zorg te dragen voor een verantwoorde uitoefening van het toezicht. De onderwijsinstelling kan de inspectie daarop aanspreken. Een raad van advies staat de inspectie bij in de vormgeving van de kwaliteitszorg. De inspectie streeft ernaar om zichzelf in het najaar van 2004 te laten accrediteren, doordat ook in internationaal verband wordt bekeken of hier sprake is van een goed systeem van kwaliteitstoezicht. In de wet zijn procedurele waarborgen opgenomen in verband met de vaststelling van het toezichtskader en de inspectierapportages. In artikel 18 van de wet is ook heel nadrukkelijk een klachtenprocedure opgenomen. Onderwijsinstellingen hebben er recht op dat de inspectie op een correcte wijze met hen omgaat en niet pas na een halfjaar een rapportage uitbrengt. Ook daarover zijn afspraken gemaakt. Over het algemeen moet dat binnen een week of zes gebeuren. Als er klachten zijn over de uitoefening van het toezicht door de inspectie – onder andere het inspectietoezicht en het inspectierapport kunnen onderwerp van een klacht zijn – dan zullen deze worden behandeld door een klachtenadviescommissie in de zin van de Algemene wet bestuursrecht. In het wetsvoorstel is gewaarborgd dat deze commissie deskundig is op het punt van de vrijheid van onderwijs en een onafhankelijke positie heeft. De inspectie zal slechts gemotiveerd kunnen afwijken van het door de klachtenadviescommissie uitgebrachte advies. Gelet op de algemene inleiding over deze wet op het onderwijstoezicht, ben ik van mening dat zij een scharnierpunt is op weg naar een andere invulling van de onderwijswetgeving: het waarborgen van de kwaliteit van het onderwijs, het regelen van de positie van de inspectie en het waarborgen van de kwaliteit van de uitoefening van het toezicht. Dat zijn drie belangrijke elementen in deze wetgeving. De heer Schuyer heeft expliciet gevraagd naar de zorgvuldige procedure bij de totstandkoming en openbaarmaking van het inspectierapport. Als je deze procedure volgt, kun je al in een vroegtijdig stadium aan eventuele bezwaren tegemoetkomen. De inspectie moet het bestuur van de instelling horen voordat zij tot vaststelling van het rapport overgaat. Als er verschil van mening blijft tussen de inspectie en de instelling, wordt de zienswijze van het bestuur altijd vermeld bij de openbaarmaking van het inspectierapport. Bovendien biedt de klachtenprocedure de mogelijkheid om de inhoud van het rapport ter discussie te stellen. Het gaat dus niet om veroordelend toezicht, maar om stimulerend toezicht, waarbij een zorgvuldige procedure dient te worden gevolgd. Mevrouw Schoondergang vraagt of het niet slecht is als het uitbrengen van het inspectierapport bijvoorbeeld een halfjaar zou duren. Nadat de inspectie van een instelling is afgerond, wordt een voorlopig rapport op hoofdlijnen ter beschikking gesteld aan een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag en een vertegenwoordiger van het personeel. Daarna schrijven de desbetreffende inspecteurs binnen ongeveer zes weken en dus niet na zes maanden, het conceptrapport. Het conceptrapport wordt opgesteld, gecontroleerd en naar de scholen of instellingen voor commentaar gezonden. Het is mogelijk dat dit door onvoorziene omstandigheden meer tijd kost, maar de termijn is zes weken. Het is onjuist dat het rapport pas na een halfjaar wordt opgestuurd. Voor de school is een termijn van drie dagen zeker niet reëel, want dat is veel te kort. Mocht daarvan sprake zijn, dan wil ik dat vernemen om vervolgens maatregelen te kunnen nemen. Als zich zoiets heeft voorgedaan of voordoet, dan kan daarover bij uitstek een klacht worden ingediend bij een onafhankelijke klachtencommissie, zoals in het wetsvoorstel ook is geregeld. De heer Groen heeft gevraagd welke mogelijkheden de school heeft om zich te beschermen tegen een inspectieoordeel. Ik heb al gezegd dat de schoolbesturen altijd in de gelegenheid worden gesteld om hun eigen zienswijze naar voren te brengen. Als men het daarover niet eens wordt, kan de zienswijze bij het inspectierapport worden opgenomen. Daarnaast kunnen scholen een klacht indienen. Als er sprake is van onzorgvuldig handelen door de inspectie en er zou daardoor schade zijn ontstaan bij de school, dan kan een schoolbestuur er ook voor kiezen om een actie uit onrechtmatige daad in te stellen. Indien de rechter oordeelt dat er sprake is van een onrechtmatige daad en er ook overigens is voldaan aan de vereisten van artikel 162 van Boek 6 van het BW, kan hij overeenkomstig bepalen dat de schade vergoed moet worden. Ingeval de minister naar aanleiding van het oordeel van de inspectie een beslissing neemt inzake de bekostiging, staat daar de weg van bezwaar en beroep tegen open. Conform artikel 29 zal bij de evaluatie van de WOT worden bekeken of de rechtsbescherming hiermee afdoende is geregeld. Uiteindelijk zal dat in de praktijk moeten blijken. Op welke wijze kan gestimuleerd worden dat de onderwijsinstellingen op het punt van zelfevaluatie hun eigen verantwoordelijkheid volop kunnen waarmaken? Onderwijsinstellingen kunnen een zelfevaluatie uitvoeren met betrokkenen van de samenwerkende instellingen in de vorm van visitatie-audits, het inkopen van externe ondersteuning, bijvoorbeeld bij SLOA-instellingen, het benutten van good practises van andere instellingen en gebruikmaking van elders of gezamenlijk ontwikkelde instrumenten voor zelfevaluatie. Voorbeelden heeft de heer Werner al genoemd. Aan de ondersteuning en de stimulering hiervan heb ik veel gedaan. Ik heb die processen allemaal ondersteund om ervoor te zorgen dat zij ook daadwerkelijk tot stand komen. Daarbij kan de inspectie in het kader van het stimulerend toezicht wel een stimulerende, maar geen ondersteunende rol spelen. De heer Werner heeft de suggestie gedaan om scholen die hun eigen kwaliteitszorg op orde hebben vrijstelling van regelgeving te bieden. Dat vind ik in dit proces een interessante gedachte. Naar mijn mening moeten de 28 regelingen zoals aangegeven in de brief van november 2001 aan de Tweede Kamer uiteindelijk voor het gehele onderwijs gelden. Ik kan mij voorstellen dat in het kader van het project Initiatiefrijke scholen, waaraan de heer Witteveen heeft gerefereerd, vrijstelling van regelgeving nadrukkelijk als mogelijkheid wordt geboden, maar onder de huidige rechtsregeling is dat nogal lastig. De experimentenwet vraagt eerder om meer regels dan dat zij een oplossing biedt. Verruiming van de mogelijkheid tot vrijstelling acht ik dan ook wenselijk. Ik zal nagaan of dit in het kader van het project Initiatiefrijke scholen tot de mogelijkheden kan behoren. Bij de beslissing welke scholen voor zo'n vrijstelling in aanmerking komen, zou de kwaliteit en de professionaliteit van de school een belangrijke rol kunnen c.q. moeten spelen om te kunnen zien wat de ervaringen met een systeem van eigen kwaliteitszorg, de Wet op het onderwijstoezicht en het schrappen van veel regels uiteindelijk in de praktijk betekent. Tegelijkertijd moet echter voorkomen worden dat je in de experimentenval stapt in die zin dat er naast de start van een experiment niets anders meer mag gebeuren. Na een evaluatie van drie jaar wordt vervolgens geconstateerd dat er problemen zijn en vervolgens wordt het experiment gestopt. De discussie over de lumpsumfinanciering is gebaseerd op zo'n ontwikkeling. De scholen die de lumpsum versneld willen, kunnen die versneld krijgen, maar de scholen die een normaal tempo willen aanhouden, moeten daar ook de gelegenheid voor krijgen. Dat geldt ook voor deze wet- en regelgeving. Op dat punt kun je dus een proces van twee snelheden laten bestaan. Mij is gevraagd of ik mogelijkheden zie om in het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en volwasseneneducatie toe te werken naar een systeem van certificering en accreditatie zoals in het hoger onderwijs. De Wet op het onderwijstoezicht voorziet voor deze sectoren in een onafhankelijke beoordeling door de inspectie naar het beginsel van proportionaliteit. Dat betekent dat de inspectie rekening zal houden met de vormen van kwaliteitszorg die door de instelling zelf op tafel worden gelegd. Elke instelling is binnen de wettelijke kaders vrij in de keuze van de inrichting van het kwaliteitszorgstelsel, net zoals zij vrij is in de inrichting van het onderwijs. Instellingen kunnen daarbij kiezen voor een certificerend systeem met een externe certificering: ISO, FEQM, INK. Een aantal systemen kan daarbij van toepassing zijn. De inspectie kan aangeven dat het systeem dat wordt toegepast in de school, door haar wordt gezien als een belangrijk systeem van kwaliteitszorg. Ook brancheorganisaties van instellingen kunnen gebruik maken van breed erkende kwaliteitscertificaten en kwalificaties. In de sectoren van het primair onderwijs, het voortgezet onderwijs en het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie is dus geen sprake van een centraal voorgeschreven eenvormig accreditatiesysteem. Instellingen kunnen op vrijwillige basis wel gebruik maken van een bestaande of een eigen vorm van certificering. Dat systeem is dus anders dan het systeem in het hoger onderwijs. Daarbij is namelijk een internationale vergelijking aan de orde. Daardoor moet ik kiezen voor een kwaliteitsnormsysteem dat vergeleken kan worden met systemen op internationaal niveau. Dat is bij deze systematieken niet het geval. Daarom moet je de vrijheid van onderwijs en de vrijheid van inrichting daarbij maximaal honoreren. In de BVE-sector is op de lange termijn wel een systeem van accreditatie mogelijk. Het is bekend dat ik in Europees verband het initiatief heb genomen om een soort Bologna-verklaring te verkrijgen voor het beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie. Uiteindelijk kan dat dan in 2004 in Nederland worden afgesloten, als Nederland voorzitter is. Als je dat namelijk doet, krijgt het middelbaar beroepsonderwijs een soortgelijk systeem als het hoger onderwijs. De vergelijking van diploma's en certificering met het buitenland is dan noodzakelijk. Als vergelijken wenselijk wordt, maak je wel een aantal systemen waarbij dat mogelijk wordt. De heer Werner vroeg waarom dit niet mogelijk is voor het primair en het voortgezet onderwijs. Volgens mij hebben wij daarbij met een iets andere situatie te maken, zeker ten opzichte van het hoger onderwijs. Bij het primair en voortgezet onderwijs is immers sprake van leerplichtperiode. Dan hebben wij het ook niet over het certificeren van opleidingen, maar over het certificeren van instellingen. Als een opleiding niet wordt gecertificeerd, kan de desbetreffende instelling van het hoger onderwijs gewoon blijven bestaan. Als dat in het PO en VO niet gebeurt, zou je die instelling direct stopzetten, met alle gevolgen van dien voor de leerplicht. In de wet hebben wij, vertaald naar de Gemeentewet, een artikel-12-achtige situatie opgenomen, waarbij een ondersteuning via brancheorganisaties of eigen organisaties voor de scholen die minder goed uit de inspectierapporten komen, mogelijk wordt. Dat is dus een heel ander systeem dan in het hoger onderwijs. De heer Witteveen vroeg naar de zelfevaluatie voor kleine scholen. Via Q-primair en Q5, respectievelijk voor het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs, zijn specifieke projecten opgezet voor de bevordering van zelfevaluatie. Daarbij zijn ook kleine scholen betrokken. Ik ben het met de heer Witteveen eens dat methodieken die aansluiten bij de mogelijkheden van kleine scholen, absoluut noodzakelijk zijn. Ik zal daarom bezien of er in die projecten specifiek aandacht moet zijn voor dat punt. Er zijn immers niet alleen grote scholen. Er zijn ook de nodige kleine scholen. Dat geldt niet alleen voor de uitvoering van het beleid, maar ook voor de organisatie. De heer Groen vroeg mij hoe het toezicht op basis van kwaliteitsaspecten zich verhoudt met de vrijheid van onderwijs. De kern van zijn betoog was dat wij moeten oppassen met grensdiscussies. Ik ben blij dat ook hij heeft aangegeven dat in dit wetsontwerp de positie van de overheid ten opzichte van artikel 23 en het toezichtskader inzake deugdelijkheid en kwaliteit scherp en helder is neergezet. Het toezicht is er niet alleen ten behoeve van de minister, maar juist ten behoeve van de betrokkenen, zoals ouders en leerlingen. Dat is de maatschappelijke functie van toezicht. Dat vereist dat de inspectie inzicht biedt in de kwaliteit van het onderwijs in brede zin. Ik heb het ook weleens de toegevoegde waarde van het onderwijs genoemd. Welk aspect van kwaliteit daarbij van belang wordt, wordt door de wetgever bepaald, doordat in de wet uiteindelijk een toetsingskader wordt vastgelegd. Hoe het onderzoek naar de kwaliteitsaspecten in de praktijk eruit zal zien, zal conform de in het wetsvoorstel neergelegde procedures van overleg vooraf worden besproken door vertegenwoordigers van het onderwijsveld en andere betrokkenen. Er zijn enkele belangrijke waarborgen voor de vrijheid van onderwijs. De inspectie is verplicht bij de uitoefening van het toezicht de vrijheid van onderwijs in acht te nemen. Dat zal de komende tijd op sommige terreinen ongetwijfeld leiden tot jurisprudentie. Dat is bij alle wetgeving zo. Een van de bronnen van het recht is de jurisprudentie. Dat laat onverlet dat je moet proberen dat goed te doen in de ontwikkeling van de formele wetgeving. Het schoolbestuur wordt altijd in de gelegenheid gesteld, de eigen zienswijze naar voren te brengen en kan die zo nodig in het inspectierapport laten opnemen. De inspectie moet als naar haar oordeel sprake is van het niet naleven van deugdelijkheidseisen dit nadrukkelijk in haar rapport vermelden. Als blijkt dat een school voor primair voortgezet onderwijs de deugdelijkheidseisen niet naleeft, kan uiteindelijk een bekostigingsactie plaatsvinden. Bij de discussie over kwaliteit is er geen bekostigingssanctie. Als er voortdurend een probleem is met de kwaliteit, is er zeer waarschijnlijk ook een probleem met de deugdelijkheid. Bij een discussie over de kwaliteit, wordt de wettelijke lijn gevolgd van belangenorganisaties, besturenorganisatie en brancheorganisaties. Je kunt het vergelijken met ondersteuning overeenkomstig artikel 12 van die onderwijsinstellingen om zo snel mogelijk weer op een goed kwaliteitsniveau te komen. Daarnaast is een onafhankelijke klachtenadviescommissie ingesteld. Proportioneel toezicht houdt in dat hoe beter de instelling het voor elkaar heeft, hoe kleiner de rol van de inspectie is. In de Tweede Kamer is gezegd dat als alles voor elkaar is, de inspectie helemaal niet meer hoeft te komen. Dat ging mij veel te ver, omdat ik dan niet meer mijn verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van het onderwijs kan waarmaken. Bij proportioneel toezicht zal directe observatie door de inspectie een zeer belangrijke rol spelen. De inspectie moet zich ervan vergewissen dat de gegevens die de school aanlevert, juist zijn en op juiste wijze tot stand zijn gekomen. Hierbij hoort onder meer het bezoeken van lessen, gesprekken met ouders en met leerlingen. Het gaat niet alleen om dat \"vinklijstje\". Bij het beoordelen van de gegevens over de kwaliteit die de instelling zelf levert, is directe observatie een belangrijk beoordelingscriterium. Lesbezoek door directieleden of externen, enquêtes onder leerlingen en collegiale visitatie behoren allemaal tot de mogelijkheden. Proportioneel toezicht houdt in dat als de instelling adequate informatie over de kwaliteit levert de inspectie met minder directe observatie toe kan. De ontwikkeling van dat proces zal de komende jaren gestalte moeten krijgen. Daarom zal de inspectie in haar werkwijze veranderingen aanbrengen. De brief aan de Tweede Kamer over de 28 regelingen zal naar mijn mening nu zo snel mogelijk moeten worden geconcretiseerd. Je moet daarbij wel enkele ankers hebben voor de kwaliteitsborging. De kwaliteit van het product moet getoetst blijven worden. Ouders moeten geïnformeerd kunnen worden over de kwaliteit van het onderwijs van hun kinderen en deelnemers over de kwaliteit van het onderwijs dat zij volgen. Als je dat doet, moeten die 28 regelingen zo snel mogelijk bekeken en geanalyseerd worden. De heer Werner vroeg of dit kan door goede scholen te belonen. Ik zie meer in fasering. Die goede scholen moeten voorop lopen, waarna de andere volgen. De regelingen moeten wel over het volle veld worden ingevoerd. Je kunt beginnen met die scholen die het beste toezien op de kwaliteitszorg en professionaliteit via een systeem van initiatiefrijke scholen. Wij willen hetzelfde doen bij de lumpsumfinanciering. Uiteindelijk zullen alle scholen in het primair onderwijs overgaan op een systeem van lumpsumfinanciering. De ene school zal dat in een sneller tempo kunnen dan andere. Allemaal beginnen zij bij stap 1 en vervolgens met stap 2, 3 en 4. Sommige kunnen meteen met stap 3 beginnen, omdat zij veel en veel verder zijn. Dat geldt ook in dit geval. De vragen van mevrouw Schoondergang over het vinklijstje meen ik voldoende te hebben beantwoord. De heer Schuyer sprak over de klachtenadviescommissie. Deze commissie is belast met de behandeling en advisering over klachten over gedragingen van de inspectie. Het is inderdaad een onafhankelijke commissie die klachten over gedragingen van de inspectie bij de uitoefening van het toezicht behandelt. De klachten zullen worden behandeld volgens een zwaardere procedure van de Algemene wet bestuursrecht. De reden voor een zwaardere procedure is dat de scholen aldus de mogelijkheid wordt gegeven om op te treden, vooral als zij menen dat de vrijheid van onderwijs in het geding is. De taak van de commissie is echter niet beperkt tot aangelegenheden die alleen de onderwijsvrijheid betreffen. Het kan gaan om alle gedragingen van de inspectie. Als waarborg is in artikel 18, derde lid, van de Wet op het onderwijstoezicht, geregeld dat, omdat de vrijheid van onderwijs in het geding is, de commissie deskundig moet zijn op onderwijsterreinen, in het bijzonder op het gebied van de vrijheid van onderwijs. De heer Schuyer vroeg, net als de heer De Jager en anderen, naar de financiële consequenties die samenhangen met deze Wet op het onderwijstoezicht. Voor de uitbreiding van het toezicht met het jaarlijks bezoek en een driejaarlijks kwaliteitsonderzoek op kwalitatief goede scholen in primair onderwijs, voortgezet onderwijs en de BVE-sector, ontvangt de inspectie vanaf het jaar 2003 structureel 5,4 mln euro extra. Dat heb ik gevonden op de eigen begroting van OCW. Of de scholen uiteindelijk frequenter een kwaliteitsonderzoek nodig hebben, zal blijken uit de professionaliteit en de eigen, interne kwaliteitszorg. Wij hebben een frequenter kwaliteitsonderzoek in de begroting opgenomen in de afgelopen jaren. Dat gaat nu dus verder door. Ik kan ook melden dat in 2000 de inspectie een reorganisatietraject heeft ingezet. Dat wordt in augustus 2002 afgerond, zodat de nieuwe organisatie in het jaar 2003 gereed staat. Kenmerken van die nieuwe organisatie: grote flexibiliteit, onder andere door de vorming van multisectorale toetsings- en kenniseenheden van de inspecties en medewerkers. De inspectie zal ongeveer 65 fte's aan extra medewerkers aantrekken, waarvan 45 fte's inspecteurs. Verder zal er een jaarwerkplan komen. Op basis daarvan kan een verdere prioritering plaatsvinden en kan ook het parlement daarover een oordeel geven. Mevrouw Schoondergang heeft een vraag gesteld over teambreed werken en discussies op pabo's en andere instellingen. Ik kan de Kamer melden dat teambreed werken, bijvoorbeeld bij de universitaire leraaropleidingen, expliciet is vermeld in het bekwaamheidsprofiel van de eerstegraadsleraren. Dat staat in het raamplan voor universitaire leraaropleidingen van 1996. In het raamplan staat dat in de opleiding aandacht wordt besteed aan de vakoverstijgende instellingen. Een van de punten bij het toetsingskader van de inspectie is ook in hoeverre collegiaal kan worden gewerkt in een school. Dat is niet: de deur dichttrekken en keizer in eigen klas spelen. Er moet gekeken worden naar de onderlinge samenwerking en afstemming. Ik zal ten aanzien van de pabo's en hbo-lerarenopleidingen specifiek kijken of dit voldoende in het curriculum is opgenomen. Ik ben blij met de steun van mevrouw Schoondergang bij de stelling dat onderwijsassistenten gemakkelijker moeten kunnen doorstromen naar de pabo's. Verbetering van doorstroming mbo-hbo is een belangrijk onderwerp van dit kabinet geweest als het gaat over de doorlopende leerwegen. De kern van die discussie, die in feite ook op dit terrein speelt, is de volgende. In het beroepsonderwijs hebben de staatssecretaris en ik zeer veel geïnvesteerd, niet alleen qua financiën, maar ook qua organisatie en veranderingen daarin. De route vmbo-mbo-hbo is een koninklijke route naast het algemeen vormend onderwijs/beroepsonderwijs. Het wordt mij veel te gemakkelijk afgedaan als restonderwijs. Dat gebeurde gisteren ook weer, zo heb ik begrepen, in een uitzending van NOVA. Zonder het beroepsonderwijs bestaat onze samenleving helemaal niet. Dat betekent dat al degenen die dat zeggen, naar mijn mening bezig zijn om het onderwijs af te breken in plaats van er een positieve bijdrage aan te leveren. De vraag is of wij in staat zijn om vmbo, mbo en hbo, nu goed voor een termijn van drie maal vier is twaalf jaar, door verwante leerwegen, goede afstemming en betere doorstroming – het weghalen van de scheermessen tussen vmbo, mbo en hbo – terug te brengen naar tien jaar. De overgang moet veel soepeler kunnen verlopen. Bij vmbo-mbo moet het niet gaan om acht jaar, maar om minder, bijvoorbeeld door betere aansluiting en betere afstemming. Dat is de kern van het betoog en de kern van de opstelling die de staatssecretaris en ikzelf in de afgelopen jaren ten aanzien van het beroepsonderwijs naar buiten hebben gebracht. Het is daarbij van groot belang dat je maatwerk moet kunnen leveren. Daarbij past de opmerking van mevrouw Schoondergang dat de doorstroom van mbo naar pabo's verder moet worden verbeterd. Wij zijn daarmee bezig. Het wordt neergezet. In de afgelopen periode is een en ander echter vaak gebruikt als een soort bezuiniging. In mijn ogen moet bij deze doorstroomeffectiviteit de opbrengst aan de instelling gelaten worden. Door een systeem van kwaliteitszorg via deze wet en de accreditatie is men in staat om het eindpunt te meten. Bij de vraag naar de weg hoe men daar komt en de vraag hoe lang men erover doet, moet men ruimte laten aan de instellingen. Dan is men ook in staat om instellingen de gelegenheid te geven om, bijvoorbeeld, een hbo-opleiding of een mbo-opleiding in drie jaar te voltooien en toch aan de kwaliteitseis te voldoen. Het verankeren van deze wet in de Nederlandse onderwijswetgeving biedt mogelijkheden om te komen tot daadwerkelijke deregulering en maatwerk. Mevrouw Schoondergang had het over de relatie tussen de inspectie en de individuele leerling. Ik ben het met haar eens dat het door haar aangegeven voorbeeld moeilijk te verteren is. Het verzoek tot ontheffing van de leeftijdsgrens werd niet in behandeling genomen door de inspecteur omdat de aanvraag te laat was ingediend. Dat is een bureaucratie waar ik pukkeltjes van krijg. Dat betekent dat er een klacht bij de onafhankelijke klachtencommissie zou moeten worden ingediend. Dan moeten wij zoeken naar een goede weg en daar speelt de klachtencommissie een belangrijke rol in. Ik weet dat de inspectie dat soort dingen niet meer wil laten plaatsvinden, maar er kunnen ook weleens dingen fout gaan. De heer De Jager heeft volstrekt terecht de kwaliteit van leerkrachten en docenten genoemd. Dat is het centrum van een goed onderwijsbeleid. Ik heb net al aangegeven hoe wij dat de komende jaren verder inhoud willen geven. Wij denken aan een contract tussen minister en onderwijsinstelling en tussen ouders en onderwijsinstelling, waarin staat welk budget, gewogen of niet gewogen, de onderwijsinstelling krijgt en welke prestaties daarvoor geleverd moeten worden. Zo kan worden afgesproken dat een bepaalde achterstand met een extra budget binnen zoveel jaar wordt ingelopen. Dan kun je een school daar ook op afrekenen. De school weet dan ook dat een extra bonus tot de mogelijkheden behoort. De Arbeiderspartij in Israël heeft bonussen uitgekeerd voor scholen die er sneller in slaagden om Russische joden Hebreeuws te leren. Dat systeem heb ik al eerder genoemd, in dit huis en aan de overkant. Aan dat systeem willen wij de komende jaren verder werken, maar dat kunnen wij pas doen als er een hiatentoets aan het begin is en als er een Wet onderwijstoezicht is waarmee het eindproduct kan worden gemeten. Het beoordelen van docenten is geen taak van de inspectie. Wel kan de inspectie zeggen of de kwaliteit van het geleverde product van de school voldoende is. Als de inspectie constateert dat de kwaliteit onvoldoende is en dat er meer pedagogisch-didactische of vakinhoudelijke kwaliteit moet worden binnengehaald, dan moet de schoolleiding daar wat aan gaan doen. Die discussie kunnen inspectie en school gaan voeren en dat kan openbaar gemaakt worden via een publicatie op het internet. Het Nederlandse onderwijs staat er relatief goed voor. Ik las vanmorgen een artikel met een kop over bijna de volle breedte van de Volkskrant. In dat artikel staat dat het conservatieve onderwijs in Duitsland zo goed scoort, met name in Beieren. Daar stond bij dat de kwaliteit van het Duitse onderwijs minder is dan het Nederlandse onderwijs. Dat zeg ik niet, maar dat wordt aangetoond in internationaal onderzoek. Het lerarentekort vormt echter een voortdurende bedreiging voor de kwaliteit van het onderwijs. Wij hebben daar niet voor niets zo geweldig op ingezet in de afgelopen periode." 2002-12-03;Karimi;02255;GroenLinks;h-tk-20022003-2029-2066.1.6.46;"Buitenlandse Zaken ";961;2;"Ik heb vanavond vaak het gevoel dat ik in een verkeerde begrotingsbehandeling zit. Je denkt eerder aan de behandeling van de begroting van Justitie of van Binnenlandse Zaken, want het gaat regelmatig om thema's die bij die begrotingen aan de orde zouden moeten komen. Maar goed, ik zou de heer Van Aartsen willen vragen om een paar dingen niet door elkaar te halen. Zo is de Arabische wereld echt de Arabische wereld. De mensen die in deze wereld leven, zijn moslims, maar ook christenen en joden. De islamitische wereld is vele, vele malen groter dan de Arabische wereld. Dit zijn gewoon feiten. Als hij een analyse geeft, laat hij dan alstublieft bij feiten blijven. Ik wil ook nog iets anders zeggen. Ik voel mij persoonlijk echt beledigd door zijn betoog, want hij beweert dat de mensen in de islamitische wereld zich geen eigenaar kunnen voelen van mensenrechten of liberale verworvenheden, omdat zij moslims zijn. Ik zal graag zien dat hij dit terugneemt." 2002-12-17;Wilders;02258;VVD;h-tk-20022003-2589-2604.1.2.3;"Rekrutering Jihad in Nederland ";1221;2;"Ik pleit voor twee zaken, voorzitter. In de eerste plaats pleit ik voor een onderzoek naar alle mogelijke maatregelen om de financieringsstromen te beperken, waaronder een verbod. Ik realiseer mij dat dit juridisch ingewikkeld is en vraag de regering daarom hier een notitie over te schrijven. Op korte termijn wil ik dat gelden die naar religieuze instellingen, zoals gebedshuizen, en naar scholen gaan transparant worden gemaakt. Uit ervaringsgegevens en gegevens van de AIVD weet de regering beter dan ik van welke landen en groeperingen die gelden komen. Ik wil dus dat iedereen, maar in ieder geval de overheid, kan zien waar die gelden precies vandaan komen. Extremisme kan het beste worden voorkomen door het tegengaan van intolerantie. Ik zie de minister van Buitenlandse Zaken zitten. Heeft hij al tijd gehad om de banden te bekijken van tv-serie die is uitgezonden op de Egyptische televisie en waarin de joden een samenzwering in de schoenen werd geschoven om te komen tot overheersing van de wereld. Is de minister inmiddels ook van mening dat die serie antisemitisch is? Is hij bereid de ambassadeur daarover op het matje te roepen? Nogmaals, intolerantie en extremisme gaan hand in hand. Vandaar deze vraag." 2002-12-17;De Hoop Scheffer;02798;"";h-tk-20022003-2589-2604.1.13.1;"Rekrutering Jihad in Nederland ";2371;2;"Voorzitter. Het is helder dat dit debat met de vier bewindslieden, ook met Buitenlandse Zaken, voor Buitenlandse Zaken van belang is, omdat Nederland ook op dit terrein zijn internationale verplichtingen dient na te komen. Nederland kan natuurlijk geen terrorisme exporteren. Daarmee zou Nederland in strijd komen met resoluties van de Verenigde Naties. In die zin is het relevant dat de minister van Buitenlandse Zaken – dat lijkt mij ook de reden dat de Kamer mij vanavond heeft uitgenodigd – op dit punt aan de bal blijft. Ik begin met de vraag van de heren Wilders en Dittrich. Dat betreft een gerelateerd onderwerp. Het gaat over tolerantie, over het verspreiden van ideeën die niet in onze samenleving passen, maar die in geen enkele samenleving behoren te passen. Het gaat om een uitzending op de Egyptische televisie waarover wij eerder hebben gesproken. Ik heb op eerdere vragen van de heer Wilders geantwoord, op basis van een advies, dat er geen sprake is van antisemitisme, maar van antizionisme. Dat is op zichzelf al buitengewoon ernstig. Ik heb vervolgens nadere banden laten opsturen vanuit Egypte. Het zijn latere delen van de uitzending die in totaal 41 delen omvat en die is gebaseerd op de protocollen van Zion, buitengewoon ernstige geschriften die onder andere in de Tweede Wereldoorlog door Hitler zijn gebruikt om de holocaust te rechtvaardigen. Wij spreken hier dus over een buitengewoon ernstige categorie. Ik heb geconstateerd dat in de latere, meer recente uitzendingen wel degelijk sprake is van antisemitische tendensen Dat is de reden dat ik nog voor de kerstvakantie de Egyptische ambassadeur zal uitnodigen op mijn ministerie om hem de grote zorg van de Nederlandse regering over te brengen, evenals dat wat de Kamer heeft gezegd. Ik zeg dat, omdat Egypte een vredesverdrag met Israël heeft. Dit soort uitzendingen in dat land getuigt niet alleen van antisemitische tendensen, maar is ook buitengewoon nadelig en schadelijk voor het vredesproces in het Midden-Oosten, waarin Egypte een belangrijke rol moet spelen, hoe je het ook wendt of keert. Wij kunnen ons allen voorstellen hoe daarover in Israël wordt gedacht, maar ook in bredere kring. Ik zal de Kamer op de hoogte houden van mijn bevindingen op dat punt. Dat zeg ik de heren Wilders en Dittrich toe. Er komen nog wel andere gelegenheden waarbij wij op dit punt kunnen terugkomen." 2003-04-10;Wilders;02258;VVD;h-tk-20022003-3642-3657.1.3.1;"Associatieakkoord ";12670;10;"Voorzitter. Naast een bijdrage aan vrede en stabiliteit en het geregeld voeren van een politieke dialoog is de totstandkoming van een vrijhandelszone een van de belangrijkste doeleinden van de Euro-Mediterrane verdragen. Klopt het dat de belangrijke doelstelling dat deze vrijhandelszone in 2010 tot stand gekomen zal zijn, niet meer wordt gehaald? Zo ja, hoe komt dit en wat is dan de nieuwe streefdatum? Bij de plenaire behandeling in dit huis van het Euro-Mediterrane verdrag met Jordanië in juni 1999 heb ik een uitvoerig betoog gehouden over de wenselijkheid en de noodzaak van juist de onderlinge vrijhandel, de \"zuid-zuidhandel\". Niet alleen de handel tussen Europa en de landen aan de Middellandse Zee is relevant, maar vooral de handel tussen deze landen, enerzijds omdat de handel tussen deze landen aan de zuidkant van de Middellandse Zee en die in het Midden-Oosten enerzijds een voorwaarde is voor vrijhandel met Europa, anderzijds omdat de zuid-zuidhandel de stabiliteit, de vrede en de veiligheid ten goede zal komen, misschien wel meer dan de handel met Europa. Als twee buurlanden in het Midden-Oosten of in Noord-Afrika onderling intensief handel drijven, ontstaan er banden en belangen die sterker zijn dan het resultaat van welke diplomatieke inspanningen dan ook. De toenmalige staatssecretaris van Buitenlandse Zaken, de heer Benschop, met wie wij het debat hierover voerden, deelde deze visie. Hij wees er ook op dat de onderlinge handel, de handel op regionaal niveau, slechts 5% van het totaal omvat. Op mijn vraag of Euro-Meditterane verdragen niet ook een expliciete bepaling over onderlinge vrijhandel als voorwaarde voor handel met Europa zouden moeten bevatten, zei hij dat deze landen de liberalisering van de zuid-zuidhandel zelf zouden moeten regelen. En de toenmalige bewindsman van Buitenlandse Zaken beloofde dat de regering, die toen onze mening deelde, zich hiervoor in Europees en bilateraal verband stevig zou inzetten en dit zo mogelijk concreet zou steunen. Ik zou van de minister nu niet alleen willen vernemen of ook hij deze visie deelt, maar ook hoe de noodzakelijke en gewenste zuid-zuidhandel zich heeft ontwikkeld, wat er van de toezeggingen van de regering uit 1999 terecht is gekomen, wat Nederland en Europa er in de afgelopen jaren concreet aan hebben bijgedragen en waartoe dit heeft geleid. Ik vraag de regering in dit verband ook, in te gaan op de overeenkomst van Agadir, een overeenkomst tussen Egypte, Jordanië, Marokko en Tunesië. Deze overeenkomst is relevant omdat ermee beoogd wordt, een vrijhandelszone in deze regio tot stand te brengen. Naar ik heb begrepen, was deze overeenkomst weliswaar op 11 januari van dit jaar uitonderhandeld, maar nog niet ondertekend. Zal dit nog gebeuren en is de minister bekend met de inhoud van deze overeenkomst? Op dit punt vraag ik de minister ten slotte nog, in te gaan op het regionale samenwerkingsverband Comesa, een organisatie waarvan ook Egypte lid is en die volgend jaar tien jaar bestaat. Hoe succesvol of niet succesvol is de Comesa bij de onderlinge zuid-zuidhandel en welke positieve effecten kan Comesa hebben op het verdrag dat wij vandaag bespreken? Bij de behandeling van de vorige associatieovereenkomst met Jordanië gaf ik namens mijn fractie aan, zeer te hechten aan expliciete en volledige terug- en overnameovereenkomsten voor illegalen in dit soort verdragen. Voor Jordanië stond toen nog geen terug- en overnameverplichting in het verdrag, maar was sprake van een gezamenlijke verklaring. In dit verdrag is het gelukkig beter geregeld. De terug- en overnameclausule is weliswaar nog steeds niet 100% volledig, maar wij hebben grote waardering voor de inzet van het vorige kabinet dat op dit punt heel ver is komen. Voor het eerst namelijk is de terug- en overnameclausule in het verdrag zelf opgenomen en zijn er ook goede afspraken gemaakt over zowel de eigen onderdanen als onderdanen van derde landen. Slechts statelozen wist het kabinet er niet in te krijgen, omdat dit op grote bezwaren stuitte bij Egypte, welk land geen Palestijnen wenste op te nemen die door Israël werden uitgezet. Volgens het kabinet gaat het slechts om een marginale groep. Kan de minister vandaag bevestigen dat het inderdaad slechts om een marginale groep gaat? Hoeveel is marginaal en wat zijn de verwachtingen voor de komende jaren? Wie nu naar het Midden-Oosten kijkt, denkt ook snel aan het vredesproces voor het Midden-Oosten. Het gaat in het kader van dit verdrag te ver om de effecten van de oorlog in Irak op het islamitische radicalisme in volle omvang te bespreken. Ik zal dat een andere keer doen. Wel wil ik in dit kader een beoordeling door de Nederlandse regering van de rol van Egypte in dit vredesproces, dat hopelijk nu verder zal komen. Egypte heeft, zoals wij allen weten, onder leiding van wijlen president Sadat in 1979 vrede gesloten met Israël. Die vrede is echter koud en kil. Dat blijkt niet alleen uit de houding van de Egyptische regering, een regering die eigenlijk niet democratisch is, maar nogal dictatoriaal. President Moebarak heeft zijn zoon Gamal als opvolger aangewezen. Dat zie je toch normaal niet in een democratie. Die koude en kille houding blijkt ook uit de vox populi. Zo is het veelzeggend dat de meest populaire Egyptische zanger, Shaaban Abdel-Rahim, die nu in Egypte een megahit heeft met de single \"Laat Irak met rust\", zijn grootste hit scoorde met en 5 miljoen exemplaren verkocht van de hitsingle \"Ik haat Israël\". Ook de Egyptische media – wij hebben daarvan vele rapporten gezien van verschillende organisaties – bedienen zich vaak op grove wijze van anti-Israëlische en zelfs antisemitische retoriek. Een van de meest recente voorbeelden hiervan, waarnaar de heer Dittrich ook al verwees, is de serie \"Horsemen without a horse\", waarover wij de afgelopen maanden vaker met de minister hebben gesproken. De minister stuurde eerst een brief naar de Kamer waarin hij deze op de Egyptische televisie en inderdaad op de staatstelevisie vertoonde film niet antisemitisch, maar antizionistisch noemde. Later herstelde hij zich gelukkig en gaf hij toe dat de serie wel degelijk antisemitisch is. Dat sierde de minister en ik heb hem daarvoor ook geprezen. In december heeft hij gezegd, de Egyptische ambassadeur hierover te ontbieden. Ik vraag hem nu om daarvan verslag te doen. Toevallig sprak ik de vorige week in dit huis de Egyptische ambassadeur. Ik heb hem ook gevraagd hoe het gesprek is verlopen. Ik had niet het gevoel dat hij erg onder de indruk was van dit gesprek met de minister. Hij zei althans tegen mij dat er geen vuiltje aan de lucht was en dat wij ons druk maakten om niets. Ik hoop dat de minister een beter gesprek heeft gehad, want hier word je niet echt vrolijk van. Er gaan in Egypte klaarblijkelijk ook publicaties uit, met steun van de Egyptische regering, die het daglicht nauwelijks of eigenlijk niet kunnen verdragen. Weet de minister dat in 2002 een aantal boeken zijn gepubliceerd in Egypte in het kader van een officieel leerproject, met de titel \"A festival of reading for all, the child, the youngster and the family\". Deze boeken zijn gesponsord door verschillende Egyptische ministeries. Een van de boeken is getiteld \"A legend, called the Jews\". Op de pagina's 65 en 66 van dat boek lezen wij de visie dat het de filosofie van de zionistische beweging was dat het Hitler moest worden toegestaan de joden te vermoorden, om vervolgens de hele wereld ervan te kunnen overtuigen dat de enige oplossing om de joden te redden de oprichting van een joods thuisland in Palestina was. Het boek waar deze walgelijke tekst in staat, heeft op de kaft een foto van Suzanne Moebarak, de vrouw van de Egyptische president. Zij heeft daar niet alleen haar foto aan verleend, maar beveelt op de kaft de Egyptische jeugd ook nog eens het lezen van het boek aan. Ik hoor hier graag een reactie op van de minister van Buitenlandse Zaken. Ik hoop dat het een stevige reactie zal zijn. Eind 2001 heb ik samen met de heren Weisglas en Nicolaï Kamervragen gesteld over het bericht dat een van de veertien door Egypte meest gezochte terroristen, Osama Rushdi Ali Kalifa, in Nederland verbleef. Betrokkene wordt door Egypte gezocht vanwege de belangrijke rol die hij, althans volgens de Egyptenaren, speelde bij de terroristische organisatie al-Gamaa-al-Islamiya. Die organisatie zou overigens ook in contact staan met de organisatie van Osama bin Laden. De regering antwoordde toen dat het Egyptische uitleveringsverzoek was afgewezen, omdat er geen uitleveringsverdrag bestaat tussen Nederland en Egypte. Dat was een feitelijk correct, maar toch enigszins bureaucratisch antwoord. Wel zou er in VN-verband een allesomvattend verdrag tegen terrorisme komen. Dit enkele feit was voor de regering reden om geen apart verdrag te sluiten met Egypte op dit punt. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord van de regering op de vragen van de heren Wilders, Weisglas en Nicolaï van 5 oktober 2001. Inmiddels zijn wij anderhalf jaar verder en is het allesomvattende verdrag nog steeds niet uitonderhandeld, omdat men het niet eens kan worden over een definitie van terrorisme. Als ik goed ben geïnformeerd, verblijft de vermeende Egyptische terrorist nog steeds op Nederlandse bodem. Wat wordt daaraan gedaan? Welke rechtsbasis wil de minister scheppen om deze persoon, maar natuurlijk ook anderen die van moslimextremisme verdacht worden, uit te leveren? Nu er nog steeds geen VN-verdrag is en dit ook niet op korte termijn te verwachten is, hoop ik dat de minister zijn mening over het niet apart sluiten van een verdrag ter zake met Egypte wil herzien. Ik verwacht op dit punt een helder antwoord. Ik sluit mij aan bij de kritiek van collega Dittrich op de vele veroordelingen op grond van vermeende homoseksualiteit in Egypte. Twee weken geleden is Amnesty International weer een schrijfactie begonnen voor twee Egyptenaren. Ik hecht eraan om de naam van die twee Egyptenaren te noemen: Wissam Tawfiq Abyad en Zaki Sayid Zaki 'Abd al-Malak. Deze twee mensen zijn gearresteerd en veroordeeld op grond van hun vermeende homoseksualiteit, nadat zij via het internet in de val waren gelokt door de Egyptische politie. Wat vindt de minister van de arrestatie van deze twee mannen en hun veroordeling wegens vermeende homoseksualiteit? Ook heeft een Egyptische rechtbank enige weken geleden 21 jonge mannen tot drie jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens seksuele onzedelijkheid, hetgeen in werkelijkheid het met andere homoseksuelen bijwonen van een feest op een boot op de Nijl was. De heer Dittrich sprak hier ook al over. Een dergelijke veroordeling wegens seksuele geaardheid is natuurlijk – wij moeten het zeggen zoals het is – een daad van barbarisme. Voor een land dat een politiek belangrijk verdrag met Europa wil sluiten, is dat eigenlijk niet te verkroppen. Hoe ziet de minister dit? Heeft hij de Egyptische autoriteiten inmiddels op zeer kritische wijze aangesproken in bi- en multilateraal verband en ook voor onmiddellijke vrijlating van de wegens homoseksualiteit gearresteerde en veroordeelde mannen gepleit? Heeft hij dat zelf gedaan of heeft de Nederlandse vertegenwoordiger in onze ambassade daar dat gedaan? Het moge duidelijk zijn dat mijn fractie de nodige kritiek heeft op Egypte. Getuige dit verdrag, wil het land echter een meer intensief contact met Europa, zowel op economisch als op politiek gebied. Op zichzelf valt dat toe te juichen, maar het is geenszins vrijblijvend. De VVD-fractie wil tot nu toe bij ieder Euromediterraan verdrag – ik weet niet of dat straks ten aanzien van Syrië ook zo zal zijn – op deze manier bijdragen aan vrede, veiligheid en stabiliteit, het uiteindelijke doel van deze Euromediterrane verdragen. Het is inderdaad aan Europa en de Nederlandse regering om op actieve wijze alle punten die de heer Dittrich en ik hebben genoemd – de collega's die na ons nog het woord zullen voeren, zullen hier ongetwijfeld ook op ingaan – kritisch de revue te laten passeren. Er moet op die punten een kritische dialoog gevoerd worden met Egypte. De kritiek moet op onverbloemde wijze gespuid worden. Bij het ontbreken van broodnodige verbeteringen, waar het gaat om democratisering en mensenrechten, moeten daar consequenties aan verbonden worden. Wil de minister toezeggen dat hij jaarlijks een verslag aan de Tweede Kamer zal sturen, zodra dit verdrag, waaraan wij onze steun zullen geven, nog los van alle verdragsmatige bepalingen, is geratificeerd door alle Europese landen en in werking zal zijn getreden? Kan hij in dat verslag dan ingaan op alle door de VVD-fractie en door andere fracties genoemde punten, zodat wij de voortgang van het debat in de gaten kunnen houden?" 2003-04-10;Herben;02353;LPF;h-tk-20022003-3642-3657.1.13.1;"Associatieakkoord ";1053;2;"Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn uitvoerige beantwoording. Ik ben buitengewoon bezorgd over de serie Ruiters zonder paard. Ik kom daarop terug omdat de daaraan ten grondslag liggende Protocollen van de Wijzen van Zion de bron zijn van nagenoeg alle complottheorieën die de politieke atmosfeer al tijden vergiftigen. De Protocollen van de Wijzen van Zion zijn een vervalsing van de Ochrana, de geheime politie van de tsaar. Zij werden ook al misbruikt door Hitler. In de protocollen worden joden en vrijmetselaars verantwoordelijk gesteld voor alle onheil op deze aardbodem. Ik sluit mij van harte aan bij de woorden van de heer Dittrich inzake de situatie van de mensenrechten in het algemeen en die van de homoseksuelen in het bijzonder. Ik heb met de heer Dittrich begrepen dat de motie voorwaardelijk is ingediend. Als de regering zich bereid verklaart om de strekking ervan over te nemen, wordt de motie overbodig. Ik ben dan ook zeer benieuwd naar het antwoord van de minister in tweede termijn. Mijn naam staat immers ook onder die motie." 2003-04-15;"";02745;"";h-tk-20022003-3719-3720.1.1.4;"Stemmingen ";1116;7;"Ik constateer dat het wetsvoorstel met algemene stemmen is aangenomen. De motie-Dittrich ( 27918 , nr. 7) is in die zin gewijzigd dat een derde overweging is toegevoegd, luidende: overwegende dat de positie van vrouwen, joden en christenen evenzeer in het geding is en dringend moet worden verbeterd; en dat het dictum thans luidt: \"spreekt als haar mening uit dat de regering bij de uitvoering van de Europees-mediterrane Overeenkomst met Egypte voortdurend bijzondere aandacht dient te besteden aan de situatie van de mensenrechten en de positie van homoseksuelen, vrouwen en christenen in Egypte, alsmede die situatie steeds dient te betrekken bij de politieke dialoog als bedoeld in artikel 3 van de Overeenkomst, en bij voortduring van de hierboven bedoelde situatie passende maatregelen als bedoeld in artikel 86 van de overeenkomst dient te treffen en van haar inspanningen op dit gebied elk jaar verslag aan de Kamer dient uit te brengen,\". Deze gewijzigde motie is thans voorgesteld door de leden Dittrich, Haverkamp, Timmermans, Wilders, Vergeer-Mudde, Herben en Huizinga-Heringa. Zij krijgt nr. 8 (27918)." 2003-06-17;Kox;03001;SP;h-ek-20022003-881-901.1.3.1;"Europese Conventie ";9451;11;"Voorzitter. Ook van de kant van de SP-fractie gefeliciteerd. De vorige spreker heeft al verwezen naar het gezamenlijk debat van afgelopen week. Het was als zodanig een positieve ervaring, hoewel de positie van mijn fractie wat gemankeerd was, omdat ik pas mocht spreken nadat ik hier iets beloofd had, o.a. trouw aan de Grondwet. Dat was op zichzelf wel grappig, want wij hadden het vorige week over het opheffen van een grondwet, althans het geven van een wat andere positie aan die grondwet. Toch was het debat wel waardevol, al viel het mij tegen dat het debat vooral ging over instituties en machtsverhoudingen. Natuurlijk zijn instituties en machtsverhoudingen heel belangrijk – wij hebben met Realpolitik te maken – maar van mij had het méér mogen gaan over de aard en de doelstellingen van deze nieuwe grondwet. Wij hebben het er nu alleen kort over gehad, naar aanleiding van de preambule, met de verwijzing naar de Grieks-Romeinse cultuur en naar de joods-christelijke bronnen. Ik heb na het debat nog eens mijn eenvoudige boek over Griekse sagen doorgelezen en vraag de staatssecretaris of ook hij de sage van Europa nog eens goed wil doornemen. Daar zijn toch rare dingen mee gebeurd. Ze werd weggehaald door een rund dat later Zeus bleek te zijn, en die zette haar geheel ongevraagd op kinderen, zoals ze dat in Brabant wat oneerbiedig noemen. Uit die kinderen kwam uiteindelijk de Minotaurus voort en die at kinderen. Het is toen dus niet helemaal goed gegaan met de Griekse bron van onze beschaving. Ik zie bijna een parallel met hetgeen in de jaren tachtig is gebeurd toen Europa opnieuw werd geschaakt door de Ronde Tafel waarachter de Europese industriëlen verborgen gingen. Dit is iets waarover de staatssecretaris misschien nog eens wil nadenken. Inmiddels zijn wij zover dat de Grieken, de Romeinen en de joden en de christenen uit de preambule zijn verdwenen, omdat wij het daarover niet eens konden worden. Mijn fractie is er daarom voorstander van om het voorstel van GroenLinks te volgen, namelijk om de preambule te schrappen. Ik zie ook niet in welke meerwaarde die oplevert. De discussie over de aard en de doelstellingen vonden wij wat mager. Ik wil een motie indienen over hetgeen is bepaald in hoofdstuk 1, artikel 3, lid 2. Het is toch merkwaardig dat de Grieken er niet in mogen en dat de Romeinse herkomst van ons samengaan, onze joods-christelijke bronnen er niet in mogen, maar dat er wel in moet komen te staan dat wij een kapitalistische samenleving zijn. Als ik jood, christen, Griek of Romein was, zou ik zeggen dat ik dit overdreven vind. Daarom stel ik voor om dit ook te schrappen. Voor degenen die dit niet zo voor zich zien, wijs ik erop dat in dit artikel de vrije onvervalste concurrentie op de binnenmarkt als hoofddoelstelling van onze unie wordt genoemd. Zo'n bepaling is constitutioneel nieuw. De heer Thorbecke heeft er niet over gedacht om zo'n bepaling op te nemen, terwijl hij toch de grote liberaal was. Iedereen die na hem kwam, heeft nooit een voorstel gedaan voor een dergelijke toevoeging aan de Grondwet. Ik heb weinig verstand van constituties, maar als ik een beetje blader, moet ik vaststellen dat een dergelijke bepaling in geen enkele grondwet voorkomt, behalve in de grondwet van de Sovjet Unie. Daarin was opgenomen hoe het economische systeem eruit moest zien. Sinds kort staat het ook in de constitutie van Cuba en daartegen is internationaal flink geprotesteerd, omdat je niet aan je volk mag opleggen welk economisch systeem moet worden gekozen. Dit bewijst dat je niet democratisch bent. Ik mag toch veronderstellen dat de staatssecretaris de Europese Unie niet als opvolger van de Sovjet Unie wil aanduiden? Waarom moet die bepaling zonodig in de grondwet worden opgenomen? Ik denk niet dat de industriëlen van Europa zullen besluiten om te stoppen als het er niet in staat of dat zij het stelsel zullen veranderen als het niet mag van de Europese grondwet. Er moet dus een andere reden zijn. Die ken ik niet, of het moet zijn dat de these van Fukuyama dat het liberale kapitalisme het einde van de geschiedenis is en moet zijn en dus in de grondwet moet staan. Het lijkt mij niet dat die mening door alle partijen in dit huis wordt gedeeld. Ik hoor graag de reactie van de staatssecretaris. Ik wil nog een paar opmerkingen maken over de verhouding Grondwet-grondwet. Die verhouding is in het debat wat onderbelicht gebleven, maar dankzij de vrije media is daaraan alsnog meer aandacht geschonken. Er is verwezen naar de strijdigheid die zal ontstaan tussen onze Grondwet en de Europese grondwet. Dit hoeft niet erg zijn, maar je moet daarmee wel op een propere manier omgaan. Het lijkt er nu echter op dat dit niet zal gebeuren. Naar mijn mening is het zo dat er op een aantal punten strijdigheid zal ontstaan met de Grondwet waaraan wij hier vorige week nog trouw hebben gezworen. Dit is onder andere het gevolg van de invoering van een sociaal handvest via hoofdstuk 1, artikel 7, lid 1. Voor mensen in Estland zal dit wel degelijk een vooruitgang zijn, maar voor mensen in Nederland lang niet altijd. Die strijdigheid zal ook ontstaan door het formeel stellen van de Europese grondwet en het recht van de instellingen boven het recht van de lidstaten. Dit staat in hoofdstuk 1, artikel 10. Verder zal dit gebeuren door het neerleggen van wet- en regelgeving bij instituties die een andere vorm van besluitvorming kennen dan de democratische regels die wij in onze Grondwet hebben opgenomen en door het ondergeschikt maken van de Nederlandse aan de Europese defensiepolitiek (hoofdstuk 1, artikel 11). Naar mijn mening is dit in strijd met de bepaling in onze Grondwet over het opperbevel over de krijgsmacht. Die strijdigheid zit hem waarschijnlijk ook in een aantal heel kleine bepalingen. Ik wijs de staatssecretaris bijvoorbeeld op de tegenstelling tussen artikel 9 van de Grondwet, het recht op vrijheid van vereniging en vergadering, en hetgeen er in de Europese conceptgrondwet staat over het recht van vreedzame vergadering en vereniging. Waarom is voor die toevoeging gekozen? Deze opmerking geldt voor alle bepalingen die afwijken van onze Grondwet: op zijn minst dient te worden aangegeven waarom daarvan is afgeweken. De Grondwet was toch het beste dat wij hadden? Ik loop nog even de moties langs, zodat duidelijk wordt wat mijn fractie wel en niet aanspreekt. De motie-Van de Beeten c.s. op stuk nr. 158f lijkt ons in orde; wij zullen ervoor stemmen. De motie tot het betrekken van deze Kamers bij de discussie over de intergouvernementele conferentie, lijkt ons heel nuttig. Wij ondersteunen haar dan ook graag. Dat geldt niet voor de motie op stuk nr. 158h, die naar de mening van mijn fractie de verkeerde kant uitgaat. De verkeerde kant is voor ons het streven naar meerderheidsbesluitvorming. Wij zijn buitengewoon tegen federalisme in Europa, omdat wij denken dat de landen en de volken van Europa daar op dit moment niet aan toe zijn. Wij moeten ze niet die kant op dwingen. Mijn fractie zal dus tegen genoemde motie stemmen. Hetzelfde geldt voor de motie-Jurgens c.s. op stuk nr. 158i, die eigenlijk een soort heiligverklaring van de Conventie is. Ik vind het wel fijn om te zeggen dat het Conventieproces een heel bijzonder proces is, maar eigenlijk is het ook een buitengewoon gemankeerd proces. De besluitvorming is niet erg democratisch. Het is aardig dat er parlementariërs bij worden betrokken, maar ik kan mij toch echt iets beters voorstellen voor de besluitvorming. Dan denk ik bijvoorbeeld aan een officiële relatie tussen deze Kamers en de besluitvorming. Het voorstel op stuk nr. 158j krijgt onze steun ook niet, omdat ook dit tendeert naar besluitvorming door een gekwalificeerde meerderheid. Het voorstel waarbij de heer Jurgens zelf baat heeft omdat hij lid is van de Europese beweging, zal mijn fractie graag steunen. Ik vraag de staatssecretaris dan wel, een positieve grondhouding aan te nemen ten opzichte van vergelijkbare verzoeken van mogelijk meer eurokritische organisaties die het debat willen aanwakkeren. De desbetreffende organisatie is nuttig, maar doorgaans toch erg pro-Europees. Onder de motie op stuk nr. 158l heeft mijn fractie geschreven: beter dan niets. Dat kan ik maar beter niet hardop zeggen, want dat klinkt zo vervelend. Wij zullen deze motie, die gaat over het hebben van een stemhebbend lid in de Europese Commissie, steunen. Mijn fractie vindt het een goed plan om een einde te maken aan de enorme verspilling van Brussel en Straatsburg en gewoon te kiezen voor één lokatie. Ik mag hopen dat de motie van die strekking kamerbreed wordt ondersteund. Mijn fractie zal de motie-Kohnstamm steunen over de scheiding van kerk en Staat. Die motie is evenwel achterhaald indien het voorstel van de GroenLinksfractie wordt aangenomen. Ook het voorstel over het Euratom Verdrag krijgt onze steun. Zoals ik reeds zei, willen wij de motie-Platvoet tot het schrappen van de preambule graag ondersteunen. Dat geldt niet voor de andere door hem ingediende motie, omdat ook die jammer genoeg in de richting gaat van federalisme. Tot slot wilde ik nog iets zeggen over de motie die ik heb aangekondigd over het schrappen van het woord \"Europees\" in artikel 1 lid 2. Ik zal die motie niet indienen, omdat ik mij de wijze woorden van de heer Jurgens aantrek. Ik neem dan aan dat zijn fractie warme steun zal betuigen aan de eerste motie, die gaat over het niet opnemen van het kapitalisme als doelstelling van de Europese Unie." 2003-11-05;Lambrechts;02526;D66;h-tk-20032004-1258-1284.1.6.20;"Onderwijs en Wetenschap ";3754;7;"Het is lastig om mijn visie in twaalf minuten weer te geven maar gelukkig geeft u mij met deze interruptie de kans om wat uit te weiden. U kunt mij 's nachts wakker maken voor artikel 23. Ik heb goede herinneringen aan de debatten die ik met de heer Van der Vlies over dit onderwerp gevoerd heb. Die waren altijd zorgvuldig. Ik hoop dat in de toekomst nog vaak te kunnen doen. Het feit dat in het regeerakkoord is afgesproken dat de vrijheid van onderwijs niet wordt aangetast, betekent natuurlijk niet dat het denken stilstaat. Het terrein moet absoluut verkend worden. Maar ook als wij tot de conclusie komen dat artikel 23 wellicht op onderdelen verheldering behoeft, kunnen wij dat in deze regeerperiode niet regelen want voor een grondwetswijziging zijn twee regeerperiodes nodig. Daarom is de route niet buitengewoon aantrekkelijk omdat dan zes jaar geen stap verder gezet kan worden. Ik ben dan ook voorstander van beide opties: debatteren over artikel 23 in de toekomst en het zoeken van praktische oplossingen voor de problemen waarvoor wij nu staan. Ik denk dat de motie die ik heb ingediend goede handvatten biedt. Uw andere vraag betrof het aantrekkelijk maken van zwarte scholen. Ik denk dat dat inderdaad mogelijk is. Momenteel zijn sommige zwarte scholen zo goed en aantrekkelijk dat witte ouders ernaar terugkeren. Dat is een buitengewoon positief signaal. Als dat op een paar scholen mogelijk is, moet het ook op meer scholen mogelijk zijn. Door mevrouw Kraneveldt is al gesproken over het antisemitisme op school. Sommige leraren durven geen les te geven over de holocaust, durven niet te spreken over joden uit angst voor antisemitische reacties en durven niet uit te komen voor homoseksualiteit. De scholen noch de leraren lijken voldoende toegerust. Ik verzoek de minister om in samenspraak met het onderwijs te bezien welke hulp scholen nodig hebben en wat de overheid en zijzelf kunnen doen om adequater te reageren zodat scholen veiliger worden. Nederland heeft een uitstekende Onderwijsinspectie en het is niet goed voor het gezag en het aanzien van de inspectie wanneer een minister, niet gehinderd door enige kennis van zaken, deze inspectie volledig onderuithaalt door te stellen dat wij ook wel zonder kunnen. Eerder hoorden wij soortgelijke onzin uit de mond van de fractievoorzitter van de PvdA. Ik hoop dat de minister van Onderwijs daar afstand van wil nemen. Ook de inspectie heeft te maken met efficiencykorting. Hoe gaat dat vertaald worden? Hoe staat het met de in de wet verankerde afspraak dat de inspectie eenmaal per jaar de scholen bezoekt? Juist als er twijfel bestaat of scholen wel voldoende bijdragen aan integratie in de Nederlandse samenleving, kan de inspectie ons inzicht verschaffen. Daartoe moet zij dan wel in staat worden gesteld en ook daarover heb ik een motie ingediend in het integratiedebat. Wij hebben de indruk dat jonge universiteiten onterecht in een achterstandssituatie verkeren met betrekking tot de onderzoeksgelden. Wij hebben daarvoor een oplossing gezocht en bereiden nu een amendement voor. Ik hoor daarover graag het oordeel van de minister. Het kunstvakonderwijs heeft al een aantal jaar problemen. Eigenlijk zijn deze problemen blijven liggen toen onverhoeds het kabinet-Kok II viel en toenmalig staatssecretaris Van der Ploeg niet meer in staat was – of niet wilde, maar dat weet ik niet – om dat goed op te lossen. De onderwijsinstellingen zitten in een spagaat tussen de numerus fixus op studenten enerzijds en anderzijds een daarmee samenhangende krappe bekostiging. De instellingen hebben zelf een voorstel gedaan om tot een oplossing te komen. Graag zou ik de staatssecretaris willen vragen of zij bereid is langs de lijnen die worden aangereikt, tot een oplossing te komen." 2003-12-10;Donner;02380;"";h-tk-20032004-2497-2518.1.10.19;"Identificatieplicht ";4585;5;"Met de invoering van deze plicht moet dat soort situaties niet meer worden geaccepteerd. Men moet niet meer de gelegenheid krijgen om de kaart op te halen, want dan loop je elke keer tegen dezelfde situatie aan. Er zijn wel uitzonderingen. We hebben het gehad over de problematiek van orthodoxe joden op de sabbat. In dat soort situaties kan ik me voorstellen dat je die mogelijkheid nog geeft bij de handhaving. Voor het overige moet de consequentie van het wetsvoorstel zijn dat men de legitimatie bij zich heeft. Dat is de enige manier waarop het praktisch effect zal hebben in de publieke ruimte. Men moet niet meer kunnen zeggen dat men de kaart niet bij zich heeft en dat men morgen langskomt om die te tonen. Die praktijk moet worden ingevoerd. Naast de kwestie van de openbare orde speelt er nog iets, namelijk de bestuurlijke boete. Dan kom je bij de toezichthouders terecht. Bij de bestuurlijke boete speelt het probleem dat ambtenaren niet de mogelijkheid hebben naar identificatie te vragen als ze niet als politieagent in de publieke ruimte optreden. Als gemeenten in het kader van het beter handhaven van de openbare orde en het tegengaan van verloedering en hufterigheid die extra inzet willen plegen, als zij toezicht willen gaan houden door middel van bestuurlijke handhaving en de bestuurlijke boete, dan is dit een voorwaarde. Anders word je als ambtenaar iedere keer geconfronteerd met iemand die zijn naam niet opgeeft of een valse naam opgeeft. De bestuurlijke boete in het geval van ergernis in de publieke ruimte is niet mogelijk zonder dit instrument. De heer De Wit wijst erop dat er sprake is van inbreuk op verworvenheden. Wij hadden dit echter niet hoeven voorstellen als die verworvenheden niet hadden geleid tot een voortgaande verloedering in de publieke sfeer en tot voortgaande inbreuken op de openbare orde. Ik weet overigens niet of wij moeten vasthouden aan deze verworvenheden, maar dan kun je het laten zoals het is. Dan is het pas gerechtvaardigd om op te treden als er echt sprake is van criminaliteit. Zolang dat niet aan de orde is, is het een verworvenheid en moet je niet vragen naar de identiteit. Het gestelde over de verworvenheden vind ik niet het beste argument om het niet te doen. Dit wetsvoorstel treedt ook in de plaats van het wetsvoorstel op de incidentele identiteitscontroles, bijvoorbeeld bij het voorkomen van terrorisme. In het geval van de dreiging van een terroristische aanslag biedt dit voorstel de mogelijkheid mensen te vragen naar hun identiteit. Een paar maanden geleden kregen wij het signaal dat er in een tunnel mogelijkerwijs sprake was van een bomontploffing. Toen is er gecontroleerd aan het begin van de tunnel. In die situaties zal men mensen gaan vragen naar hun identiteit, voordat men in de tunnel komt, gewoon preventief. Daar hadden wij de Wet incidentele identiteitscontroles voor voorgesteld. Bij het voorkomen van misdrijven geldt het tot op zekere hoogte ook, omdat er dan nog geen verdachte is. Ik weet dat de Kamer minder gecharmeerd is waar het gaat om de hulpverlening van personen die verward op straat lopen, maar ik wijs erop dat de identificatieplicht ook op dat punt mogelijkheden biedt. Het wetsvoorstel normaliseert namelijk de situatie dat men een identiteitsbewijs bij zich heeft. Daarom snap ik de vrees van mevrouw Vos niet dat deze bevoegdheid zou leiden tot discriminerende handhaving. Dan zou dat nu namelijk al het geval moeten zijn gelet op het feit dat er nu reeds sprake is van toepassing in bepaalde gevallen. Ik zie niet in dat wanneer deze bevoegdheid erbij komt, het dan discriminerend wordt, terwijl het op een aantal terreinen nu ook al mogelijk is om naar de identiteit te vragen. Ik merk er wel bij op dat de bestuurlijke bevoegdheden tot nu toe altijd zijn ingezet bij identiteitsfraude in de sociale zekerheid en de fiscaliteit. Dat is uitgebreid met voetbal en zwartrijden. Ten aanzien van voetbal is de toevoeging opgenomen dat het moet gaan om de uitoefening van de functie. De oorzaak hiervan is gelegen in het feit dat het daarbij ook kan gaan om functionarissen die niet geüniformeerd rondlopen en die wel de bevoegdheid hebben. Kortom, als we het ook in het onderhavige wetsvoorstel opnemen, dan betekent dit dat ik fundamenteel de effectiviteit van de maatregel beperk, omdat een en ander dan in de tenlastelegging iedere keer omschreven moet worden. Dat draait dus fundamenteel de verhouding om. Ik zou het de Kamer dan ook ten stelligste willen ontraden om dit in de delictsomschrijving op te nemen, omdat dit de effectiviteit van de maatregel zal beperken." 2003-12-15;Van Gennip;02864;CDA;h-ek-20032004-520-530.1.2.1;"NAVO ";11695;10;"Mevrouw de voorzitter. Namens de fractie van het CDA heet ik van harte welkom de nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, de heer Bot. Vele malen is hij in deze Kamer geweest, maar dan op de gereserveerde tribune hier boven ons als adviseur en waarnemer. Met des te meer genoegen zien wij hem nu achter de regeringstafel de stoel bezetten van de vele voorgangers die hij zo lang en zo bekwaam heeft geadviseerd. Wij wensen hem veel zegen en geluk in zijn ministerschap, dat in zijn eerste twee weken al op een ongeëvenaarde wijze vroeg om ervaring, deskundigheid en vastberadenheid. Het spijt mij daarom oprecht dat ik vanavond moet beginnen met het afdraaien van een valse grammofoonplaat. Wij worden opnieuw, en voor de zoveelste keer, in deze Kamer geconfronteerd met de noodzaak van een overhaaste afdoening van een verdrag. De Tweede Kamer en het ministerie van Buitenlandse Zaken hebben zes en een halve maand genomen voor de behandeling van dit, toch zeer eenvoudige, verdrag. Ook bij andere gelegenheden, zoals FOL – ik spreek hier ook als voorzitter van de vaste commissie voor Buitenlandse Zaken – heb ik moeten aankondigen dat het niet vanzelfsprekend is dat wij voor onze beurt maar twee weken krijgen. De MP doet nu een beroep op ons om voor het kerstreces dit verdrag af te handelen. Het argument is valabel: ons land blijkt regelmatig hekkensluiter te zijn bij de ratificatie van internationale verdragen en wil in het voorjaar de toetreding van zeven nieuwe leden rond kunnen komen, dan moet de uiterste snelheid betracht worden. Willen wij ons werk zorgvuldig doen, dan is een behandelingsperiode van drie maanden niet overdreven en hebben wij al eerder zes weken als minimum geïndiceerd. Ik hoop dat de nieuwe minister zich zal inspannen om aan die termijnen strikt de hand te houden. Wij kunnen in het vervolg anders moeilijk de garantie geven dat wij zullen meewerken aan tijdige afdoening. Gaarne een toezegging in deze zin van de minister. Het onderwerp van onze behandeling is – hoe eenvoudig wellicht ook volkenrechtelijk – toch van historische betekenis. De voorganger van de minister refereerde aan tot tranen toe bewogen regeringsleiders op de top van Praag vorig jaar. Toetreding van bijvoorbeeld het Balticum tot de NAVO: wie had dat zelfs twaalf jaar geleden voor mogelijk gehouden? Er zijn andere beelden: een demonstratie vier jaar geleden voor het stadhuis in Vilnius. Ik kom dat stadhuis uit, na een vergadering van de NAVO-assemblee. NATO en demonstraties: de reflex van de jaren zeventig en tachtig kwam plotseling weer op. Maar ik vergis mij: de spandoeken en de kreten roepen het tegengestelde uit: \"NATO is cool! We want in!\" Historische momenten uit een land waarvan eenderde van de bevolking door de voormalige Sovjetbezetter naar Siberië is gedeporteerd. En vorig jaar in Boekarest, in dat overdimensionale cultuurpaleis, dat voor een eeuwigheid de onoverwinnelijkheid van de communisten in steen en marmer moest bevestigen, ooit getooid met alleen maar rode vlaggen en beelden van hamer en sikkel, en nu de vlaggen van Vaticaanstad, Bulgarije en de NATO. Tezelfdertijd herbergde het de bezoekende paus, de vergaderende NAVO-assemblee en de ontvangende ex-koning, nu premier, Simeon van Saksen Coburg. De scheppers van dat paleis zullen het zich wel anders hebben voorgesteld voor het Europa van het begin van de 21ste eeuw. Dankbaar begroet mijn fractie daarom de toetreding van de zeven nieuwe leden als een volgende stap in de heling van Europa. Wij onderstrepen de algehele ontspanning die deze toetreding mogelijk maakt. De aanhouders hebben het gered. Dat was, zeker als wij de gigantische strategische betekenis van het Balticum bekijken, niet altijd voor de hand liggend en dat was het evenmin als wij de kritiek in ons eigen land wegen. Vijf jaar geleden moesten wij stelling nemen tegen standpunten als die van onze ambassadeur in Moskou en de toenmalige VVD-leider, tegen zijn eigen minister van BUZA in, dat dit soort uitbreidingen onnodige provocaties waren van de Russische Federatie. Hoe ziet de regering dat nu? Toch zijn er ook vragen te stellen, zorgen te uiten bij dit verdrag. Naast wat in de Tweede Kamer is gezegd, voor ons een viertal. De zorgen van Bolkestein mochten vijf jaar geleden overdreven zijn, ik weet niet of de huidige plannen van de VS – als zij waar zijn – om eigen bases te vestigen in de toetredingslanden van 1997 en in die van nu, zo wijs zijn. Angst is een slechte raadgever in relatie met Rusland, maar onnodige provocatie moet ook vermeden worden. Wij denken dat er allereerst enorm moet worden geïnvesteerd om Rusland zoveel mogelijk te betrekken bij de Atlantische waardegemeenschap, ook door intensivering van de relatie met de EU. Wij sluiten uiteraard de wenselijkheid van bases tegen het terrorisme niet uit, maar dan toch graag in het kader van een samenhangend beleid ten aanzien van Rusland, dat wij in die strijd als bondgenoot moeten houden. Het zou ook voor Nederland goed zijn, als wij aan de verhouding met Rusland meer aandacht zouden schenken en aan de verhouding met de Oekraïne. Wij, Europa, de westerse wereld, hebben alle baat bij een geciviliseerd, in de diepe betekenis van het woord, op onze waarden aanspreekbaar, open en welvarend Rusland. Maar ook de onzekerheid over de richting die de Oekraïne kan gaan inslaan, onderstreept dat de kaarten in Europa en verder oostwaarts nog lang niet definitief getekend zijn; en dat op een moment, dat de situatie in de Centraal-Aziatische republieken met het jaar verslechtert. Ik verwijs voor deze ontwikkelingen en de perspectieven naar het artikel van ambassadeur Hoekema in de Internationale Spectator van januari van dit jaar waarin hij de collectieve defensie ziet uitgroeien tot een systeem van coöperatieve veiligheid. Atlantische waardegemeenschap, zeiden wij, maar dat roept ook meteen de grenzen op van het NAVO-gebied. Wij zien dat vele landen in de wachtkamer zitten, zichzelf uitnodigen of uitgenodigd zijn. Maar mogen wij er nog eens aan herinneren, hoe kritisch – en terecht – wij indertijd hebben gekeken naar het toetredingsproces van een land als Spanje? Hoe belangrijk dat land ook strategisch gezien was, er kon geen sprake van zijn dat dit onder het Franco-regime deel uitmaakte van de NATO. Maar wij zien nu allerlei druk om landen als Azerbeidzjan of Georgië steeds intensiever bij het bondgenootschap te betrekken. We kunnen zoveel Amerikaanse bronnen citeren, die stellen dat er een onevenwichtigheid dreigt tussen de prioriteit van de strijd tegen het terrorisme en de strijd voor democratie, mensenrechten en vrijheid. Ik ben zelf bepaald Atlanticus, en ik heb daarvan ook in recente publicaties getuigd, maar de grenzen van het Atlantisch Bondgenootschap houden voor mij op, waar de dragende waarden van het Westen ook ophouden. Kan de regering onze terughoudendheid delen, en is het niet hoog tijd voor een \"wider NATO\"-beleid parallel aan het \"wider Europe\"-beleid? Ons derde punt is meer militair-technisch van aard. Zesentwintig landen gaan nu deel uitmaken van de verdragorganisatie. Wij kennen de zeer tekortschietende rendementen van onze Europese defensie-inspanning; 15 eurocent op een dollar, zeggen sommigen. De toetreding van deze zeven bovenop de vorige toetreders creëert een NAVO van zesentwintig landen, vooral landjes. Dat alleen al maakt een taakverdeling en specialisatie onvermijdelijk. Is het waar, dat er in een land als Slowakije een paar duizend luchtmachtmilitairen ingezet zijn om vier à vijf straaljagers in de lucht te houden? Zesentwintig lidstaten maken niet alleen de besluitvorming – bij consensus! – wel heel ingewikkeld; dat totaal maakt ook specialisatie voor de nieuwe en de oude leden onvermijdelijk. Hoe ziet de regering deze consequentie van de uitbreiding? Ons vierde, laatste en belangrijkste punt gaat ver uit boven het militair-technische. Het gaat in wezen om de vraag hoe de nieuwe lidstaten omgaan met hun eigen verleden. Zeker, daar zitten ook gewone militaire aspecten aan vast, met name ter zake van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. Binnenkort verschijnt een moedige studie van het Romanian Institute for Recent History, een soort RIOD, over hoe gebrekkig het communistische tijdperk is afgesloten. Moedig, omdat, zoals wordt aangetoond, sleutelfiguren van de Securitate tot in dit decennium invloed konden en kunnen uitoefenen, misschien zelfs een bepalende, ter zake van de politieke machtsverhoudingen. Van de 24 kilometer – vierentwintig kilometer! – persoonlijke dossiers van de Roemenen die door deze dienst zijn aangelegd, zijn ettelijke tienduizenden, zo niet honderdduizenden dossiers zoek, en dus zijn in die orde van grootte Roemeense staatsburgers voorwerp van chantage en belastering. Vorige week nog werd in Tsjechië duidelijk, dat voormalige leden van de inlichtingendiensten nog steeds politici en medeburgers chanteren. Het kan niet zo zijn, dat juist de toetreding tot de NATO de positie van de voormalige vervolgers van hun landgenoten zal beschermen of zelfs versterken. Het is al zo velen in Centraal- en Oost-Europa een doorn in het oog, dat de wachttorens en regenjassen van weleer voor vele voormalige agenten vervangen zijn door BMW's en maatpakken, terwijl de meerderheid van de bevolking, met name gepensioneerden, er juist slechter aan toe is dan vroeger. Het is velen in West en Oost een ergernis, dat de oude nomenclatuur op zoveel plaatsen de macht heeft hernomen. Het niet echt afrekenen met het verschrikkelijke verleden van collaboratie en onderdrukking, van vervolging en martelaarschap zal een generatielange hypotheek leggen op samenlevingen en cultuur van de nieuwe toetreders, tenzij zij, wat wij die volkeren van harte gunnen en waartoe zij ook in staat zijn, met dat verleden in het reine weten te komen. De zucht naar normalisatie is begrijpelijk, maar \"waarheid en verzoening\" zijn niet alleen voor landen als Zuid-Afrika en Chili noodzakelijke recepten voor heling en een echt nieuw begin. De geschiedenis van Europa in de twintigste eeuw zal voor altijd getekend zijn door het litteken van wat onder nazistische en fascistische onderdrukking is gebeurd en het is noodzakelijk dat daarvoor \"Vergangenheitsbewaeltigung\" in het Europa van na de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden. Wat er in het communistisch tijdvak heeft plaatsgevonden, is echter minstens van eenzelfde orde van gruwelijkheid en mensenverachting. Dat is het andere, onverwijderbare litteken op het gelaat van Europa. Theoretische beschouwingen? Wij vragen allereerst van de Nederlandse regering en de \"oude\" NAVO-leden een zeer strikt beleid ten aanzien van de positie krijgsmacht-civiel bestuur in die landen en met name alle inzet om aan misbruik van de kennis en invloed van de voormalige veiligheids- en inlichtingendiensten paal en perk te stellen. Ik erken dat men op de goede weg is, maar er moet nog veel gebeuren. Wij vragen dat in onze contacten duidelijk wordt gemaakt dat wij weet hebben van dat verleden van vervolging en onderdrukking. Wij vragen – daar waar aangelegen en verzocht – steun voor initiatieven van die eigen \"Vergangenheitsbewaeltigung\". Hoe zit het, vragen wij aan de regering, met die garanties rond misbruik van de positie van \"de diensten\"? Ziet de regering ook de noodzaak van voortzetting, misschien intensivering van haar beleid tot versterking van het maatschappelijk middenveld in het algemeen en misschien tot samenwerking met en steun aan initiatieven en instituten die een rol kunnen spelen in dat proces van waarheid en verzoening? Onze fractie zal de toetreding van zeven nieuwe leden van harte ondersteunen, maar wij zien tezelfdertijd met grote belangstelling de antwoorden van de regering tegemoet." 2003-12-16;Wilders;02258;VVD;h-tk-20032004-2650-2681.1.7.15;"Buitenlandse Zaken ";5026;8;"Ik heb hier gelukkig geen vraag in kunnen ontdekken. Voorzitter. Ik verwees zo-even al naar de heer Fergany. Hij heeft gezegd dat het voortbestaan van de huidige status quo zal leiden tot langere periodes van geweld. Hij heeft niet direct een pasklare oplossing maar acht het wel onmogelijk om ervan uit te gaan dat die passieve Arabische samenlevingen in staat zijn om dit zelf te veranderen. Essentieel is dan ook dat aansluiting wordt gezocht bij die moslims die moderniteit, vrijheid en democratie verwelkomen. Het lijkt mij belangrijk om uitwisselingsprogramma's te stimuleren met de meer liberale academici en andere veranderingsgezinde vertegenwoordigers van het maatschappelijk middenveld in die landen. Samen met mevrouw Karimi heb ik bijvoorbeeld een amendement ingediend om the civil society in Iran nader te ondersteunen. Tegelijkertijd moet worden onderkend dat hetgeen wij propageren niet direct op een enorme bijval kan rekenen in de desbetreffende landen. Het rapport-Fergany geeft aan dat autocratisch bestuur in de Arabische wereld eerder regel dan uitzondering is. Een extra drempel voor ontwikkeling wordt gevormd door een fundamentalistische invulling van de islam, die sterk wordt begunstigd door de royale financiële middelen waar men op het Arabisch schiereiland over beschikt en die helaas ook niet zelden de weg naar Europa vinden. Ik wijs op het boek van Rita Katz \"De terroristenjaagster\". Zij heeft zich vanaf 1998 fulltime beziggehouden met onderzoek naar moslimterrorisme. Zij constateert dat de ideologische en financiële input van landen zoals Saoedi-Arabië voor het moslimterrorisme fnuikend is. Zij schrijft: Zolang radicale moslimgeestelijken prediken ten gunste van de Jihad en zolang bijvoorbeeld Saoedische schoolboeken jonge mensen leren dat wij, de ongelovigen, altijd hun vijanden zullen zijn, zal het islamitisch niet worden uitgeroeid. Door middel van politieke druk, diplomatie, sancties en andere maatregelen moet het Westen regeringen als die van Saoedi-Arabië dwingen om te stoppen met het verspreiden van deze ophitsing en om een nieuwe generatie te laten ontstaan die niet de blinde boosaardige haat koestert tegen het Westen en alles waar het Westen voor staat. Dit zijn heel wijze woorden. Ik roep de regering op om zich daadkrachtiger op te stellen tegen deze haatdragende rotzooi die vaak uit dit soort landen wordt verspreid via scholen of via de media. Hechte relaties zijn eigenlijk niet mogelijk wanneer islamisme wordt gefinancierd of wanneer er schoolboekjes worden gebruikt die ons als vijanden afschilderen. Helaas worden bijvoorbeeld ten aanzien van Saoedi-Arabië vaak gelegenheidsargumenten gebruikt om vooral niets tegen dit land te doen. De heer Koenders heeft daar terecht op gewezen. Dit is een land waar niet alleen dubieuze boodschappen worden verkondigd en geld wordt geschonken voor islamisme elders, maar waar ook een enorme achterstand bestaat wat betreft democratie, mensenrechten, de emancipatie van de vrouw en ga maar door. Ik vraag de minister om in Europees verband meer werk te maken van het aanspreken van deze landen op dit gedrag. Er zijn ook andere voorbeelden zoals Syrië. Ook dat land moet kritisch worden bejegend. Er is een Europees associatieverdrag met dit land getekend, maar ik vraag mij af of het wel zin heeft om zo'n verdrag überhaupt te behandelen als het inderdaad waar is dat Syrië nog steeds steun geeft aan terrorisme. Wat heeft het voor zin om een handelsakkoord te sluiten met een land zoals Iran, zolang dat land niet alleen terrorisme steunt en mensenrecht schendt, maar ook het liefst de joden en de staat Israël de Middellandse Zee in ziet verdwijnen? Minister De Hoop Scheffer was dit met ons eens. Turkije is een ander voorbeeld. Dit land kan wat mijn fractie betreft de komende duizend jaar nog niet rekenen op toetreding tot de EU als het inderdaad doorgaat op de weg die wordt aangegeven door een voorstel dat nu in het Turkse parlement behandeld wordt. Het wil een nieuw artikel 327 in het wetboek van strafrecht opnemen waarin staat dat een verkrachter die met zijn slachtoffer trouwt vrijuit gaat. Dit zijn normen en waarden die wij nooit tot de onze kunnen maken. Hier moeten wij tegen in het geweer komen. Het is nodig om op dit soort onderdelen diplomatiek en politiek meer lef te tonen. Wij hebben de notitie over Marokko die voor eind 2002 was toegezegd nog niet mogen ontvangen. Kunnen wij haar nu in januari tegemoet zien? Ook mijn fractie vindt het zeer droevig dat het Israëlisch-Palestijns vredesproces in het slop is geraakt. Wij zijn ook onder de indruk van het ontwerpvredesplan van de heren Beilin en Rabbo. Helaas is dat geen standpunt van hun beider regeringen. Het is echter te prijzen dat de regering in navolging van minister Powell van de VS, maar tegen de zin van de heer Sharon, met beide heren in gesprek wil gaan. Dat is zeker de moeite waard. In hoeverre kan de regering bevorderen dat vooral de Verenigde Staten wat meer engagement krijgen ten aanzien van de Midden-Oostenproblematiek?" 2003-12-16;Dittrich;02512;D66;h-tk-20032004-2650-2681.1.10.1;"Buitenlandse Zaken ";5134;4;"Voorzitter. Allereerst feliciteer ik mevrouw Tjon-A-Ten met haar maidenspeech. Ik vond het een goed verhaal, vooral de passages over aids. Ik feliciteer mevrouw Hirsi Ali ook met haar maidenspeech, maar niet met de inhoud ervan. De VVD-fractie heeft op een heel oppervlakkige manier over Ontwikkelingssamenwerking gesproken. Ik vond dat onthutsend. Ik neem daar namens mijn fractie afstand van. Het was erg oppervlakkig, weinig analytisch en weinig doordacht. Irak heeft het afgelopen jaar het wereldnieuws gedomineerd. Saddam Hoessein is zaterdag opgepakt. Wij hopen dat dit de wederopbouw van Irak een sterke impuls geeft en dat degenen die aanslagen plegen, inzien dat Saddam nooit meer op het politieke toneel terug zal komen en dat zij met dat perspectief in het achterhoofd stoppen met het geweld. Wat D66 betreft wordt Saddam in Irak berecht. Hij zal een naar internationale maatstaven rechtvaardig proces moeten krijgen, het liefst met deelname van Irakese rechters, eventueel aangevuld met internationale rechters. Irak zal geholpen moeten worden met het voorbereiden van dat tribunaal. D66 wil dat de VN hierbij een belangrijke rol speelt. Wij zien die rol veel minder weggelegd voor de VS. Hoe vreselijk de misdaden van Saddam tegen de menselijkheid ook zijn geweest, D66 is geen voorstander van de doodstraf. Ik hoor graag de visie van de regering op deze punten. Dan het conflict tussen Israël en de Palestijnse gebieden, want dat laat een spiraal van geweld en een wederzijdse verharding zien. De schijnbare onoplosbaarheid van het conflict baart onze fractie grote zorgen. Dit conflict wordt door velen, niet alleen door politieke leiders en wetenschappers, maar ook door mensen op straat keer op keer aangewezen als een bron van vele andere conflicten. Zonder oplossing van dit conflict zal de oorlog tegen terrorisme weinig vooruitgang boeken. Ik denk bijvoorbeeld aan de aanslagen in Istanbul. De plegers daarvan zoeken in het Israëlisch-Palestijnse conflict een rechtvaardiging. Het zal ook de binnenlandse situatie in Europa en Nederland verder verharden. We zien dat het antisemitisme in Nederland, Europa en de gehele wereld toeneemt. Het jodendom wordt gelijkgesteld aan Israël en acties van de Israëlische regering worden aan de joden toegeschreven. Ik wijs voorts op de toename van het aantal antisemitische incidenten, het bekladden van joodse graven en het geweld tegen mensen die een keppeltje dragen. Dat is afschuwelijk. Anderzijds zien wij dat kritiek op Israël gelijk wordt gesteld met antisemitisme. Kritiek op het beleid van de Israëlische regering wordt afgedaan als bewijs dat men de Staat Israël geen recht van bestaan toekent. Dat soort reflecties vertroebelt de discussie en maakt een heldere uitwisseling van argumenten onmogelijk. Ik begrijp de angst van Israël heel goed. Dagelijks worden de inwoners in hun bestaansrecht bedreigd, maar Israël neemt steeds verder gaande maatregelen om de terreur te stoppen. Door deze acties worden terroristen en vermeende terroristen gepakt, gedood of tegengehouden, maar het is ook een feit dat de gewone Palestijn geen normaal leven meer kan leiden. Van alle Palestijnen leeft 60% onder de armoedegrens. Nederland en ook Europa hebben als vriend van Israël op dit punt een taak te vervullen. Terug naar het pad van de vrede, naar de onderhandelingstafel, want vrede is de enige weg naar veiligheid. Het alternatieve plan voor het Midden-Oosten, het Akkoord van Genève, wordt door ons dan ook van harte ondersteund, overigens ook door de VN, want Kofi Annan heeft er ook warme woorden over gesproken. Wij vinden het positief dat minister Bot de initiatiefnemers in Nederland wil ontvangen. Wij zien graag dat dit in 2004, als Nederland het voorzitterschap van de EU bekleedt en de kans heeft het vredesproces vlot te trekken, daadwerkelijk wordt opgepakt. Wil minister Bot dit als een van de hoofddoelen van het voorzitterschap nastreven? Dan hiv/aids in Afrika. Dat is een humanitaire ramp. Meer dan 30 miljoen mensen in Afrika zijn met het hiv-virus besmet. Dagelijks worden er 13.000 mensen geïnfecteerd, terwijl 8000 mensen dagelijks in Afrika aan aids sterven. D66 wil dat meer en beter de aanval op hiv en aids wordt geopend. De Clinton Foundation heeft geld ingezameld om onder andere in vier landen waaronder Tanzania, iedereen die daarvoor in aanmerking komt een aidsbehandeling aan te bieden. Dat gaat om honderdduizenden mensen. Eindelijk gebeurt er wat op grote schaal. De Nederlandse organisatie Pharm Access International is aangezocht om de organisatie van deze massale programma's in samenwerking met Tanzania vorm te geven. Deze Nederlandse organisatie heeft alle kennis in huis maar heeft te weinig geld beschikbaar om alle organisatie en logistiek goed te kunnen regelen. Is de minister voor Ontwikkelingssamenwerking bereid uit het budget voor aids 1 mln ten behoeve van die organisatie ter beschikking te stellen en dat bijvoorbeeld via de ambassade in Dar-es-Salaam of via de Clinton Foundation beschikbaar te stellen? Is zij bereid om unilaterale programma's op het gebied van aidsbestrijding en reproductieve gezondheid te ontzien?" 2004-02-17;Bemelmans-Videc;02260;CDA;h-ek-20032004-865-914.1.3.1;"BZK/Gemeentefonds/Provinciefonds ";13879;16;"Mevrouw de voorzitter. De fractie van het CDA heeft met waardering kennis genomen van de bestuursfilosofie gepresenteerd in de kabinetsvisie Andere overheid. Het gaat hier om een uitwerking van herkenbaar CDA-gedachtegoed, met als kernthema: zelfregulering en de overheid als borg. De zelfregulering werd in het hoofdlijnenakkoord kort getypeerd met het motto: meedoen. De uitwerking van dat gedachtegoed weerspiegelt de kabinetsreactie op het WRR-rapport over de toekomst van de nationale rechtsstaat. Het doet ons uiteraard deugd dat twee liberale ministers het op zich hebben genomen dat gedachtegoed uit te werken in een visie op hoofdlijnen aangaande een moderne overheid. Wij hebben deze kabinetsvisie om die reden dan ook gekozen als centraal thema voor een constructief-kritisch debat met de bewindslieden van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. Gezien de centrale betekenis daarvan in de ons in de nota aangeboden bestuursfilosofie, wil ik stilstaan bij het concept van de zelfregulering met bijzondere aandacht voor de functies van het \"middenveld\" als bestuurlijke actor naast de Staat en de markt. Onvermijdelijk komen dan de rolinvulling van de overheid als \"borg\" aan de orde en de gevolgen daarvan voor herordeningsvraagstukken in het verlengde van het beginsel van de zelfregulering. Meer in het bijzonder wil ik in mijn bijdrage aandacht besteden aan de verantwoordingsplicht van die zelfregulerende organen. In de inhoud en de vorm die wij aan de verantwoordingspraktijk wensen te geven, komt immers bij uitstek de taakverdeling tussen die \"borgende\" overheid en de in relatieve zelfstandigheid handelende maatschappelijke instellingen tot uitdrukking, gegeven een bepaalde duiding van het publieke belang. Bij zelfregulering gaat het om een normatieve of empirisch onderbouwde theoretische conceptie achter het bestuur: een besturingstheorie die de wijze van besturing in hoofdlijnen bepaalt. In dit geval gaat het natuurlijk vooral om een normatief model of een streefmodel: een theorie over de wijze waarop men in hoofdlijnen zou wensen te besturen of dienen te besturen. Het gaat, gezien de naamgeving, blijkbaar om een reguleringsmodel, waarbij de bestuurlijke uitwerking vooral wordt gezocht in wetgeving en controle ter realisering van een bepaalde rechtsorde. Het model kan tevens worden beschouwd als een ordeningsmodel, waarbij bestuur wordt beschouwd als een organisatie van handelingsprocessen ter realisering van een bepaalde toekomstige maatschappelijke orde. Maatschappelijke ordening veronderstelt coördinatie. Die wordt gerealiseerd via de markt (de bekende onzichtbare hand van ruil- en prijssystemen), de bewust georganiseerde vorm van hiërarchie als uitdrukking van gezagsrelaties en de informele mechanismen van netwerken van relatief onafhankelijke sociale instellingen. Vanuit het perspectief van de overheid, waarvan het optreden in beginsel met dwang gepaard kan gaan, kan zelfregulering ook worden opgevat als een instrument van bestuursbeleid. Het streven naar zelfregulering bepaalt dan de keuze van de actoren die de overheid betrekt bij de voorbereiding en de uitvoering van haar beleid en bij de bepaling van de aan die actoren toe te kennen taken, bevoegdheden en verantwoordingsplichten. De zelfregulering wortelt in het sociaal-ethische beginsel van de subsidiariteit: aan minder omvangrijke gemeenschappen alsook aan de afzonderlijke personen dient zoveel vrijheid te worden toegestaan als op grond van het algemeen welzijn toelaatbaar is. Die omschrijving lijkt overwegend negatief. Een meer positieve formulering treffen wij aan in de verwoording van het verwante beginsel \"soevereiniteit in eigen kring\", dat in synthese met het subsidiariteitsprincipe in het CDA het kernbegrip van de gespreide verantwoordelijkheid werd. Daarbij is de overheid geroepen, op indirecte wijze bij te dragen aan de doeleinden van de betrokken gemeenschappen door gunstige voorwaarden te scheppen voor de vrije uitoefening van de betrokken activiteit die, opnieuw, de algemene welvaart ten goede komt, ofwel de overheid als \"borg\". Het beginsel dat hogere bestuurslagen geen taken op zich moeten nemen die lagere bestuurslagen of kleinere gemeenschappen kunnen uitvoeren, wordt mede gevoed door de wens de eigen waarden en normen in die kleinschalige gemeenschap een grotere rol te laten spelen. Daaruit spreekt de waardering voor de maatschappelijke functies van het \"middenveld\": de organisaties en instellingen tussen individu en Staat. De uitwerking van de bestuursfilosofie, zoals neergelegd in de nota \"Modernisering van de overheid\", is ook in de geest van het advies van de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling: \"Bevrijdende kaders; Sturen op verantwoordelijkheid\". In dat advies worden zware accenten gelegd op wat de RMO \"kaderstelling\" noemt: de overheid trekt zich terug op essentiële kaders en bemoeit zich vandaaruit actief maar op hoofdlijnen met de samenleving. De samenleving, dat wil zeggen instellingen, professionals, burgers, krijgt de ruimte, maar wordt anderzijds streng bewaakt op de \"kernregels\". Daarmee gecombineerd wordt een bepaalde opvatting van de verantwoordingsplicht gepresenteerd. Die wordt overeenkomstig de mode in de betrokken literatuur getypeerd met horizontalisering en omschreven als het feit dat instellingen en professionals zich veel meer gaan richten op burgers en op elkaar dan op de overheid. Ik kom hier nog op terug. Om te beginnen, stel ik een aantal algemene vragen. In de stukken ontbreekt een definitie van \"modernisering\". Wanneer voldoet de overheid aan welke criteria van moderniteit? Door het ontbreken van die definitie is er, lijkt ons, onvoldoende zicht op de onderliggende probleemanalyse en de daarmee verbonden empirische en normatieve premissen. Wat is precies het probleem waarop het betreffende programma een antwoord wil geven? Is dat de relatie overheid-burger? Daarover wordt zeer verschillend gedacht. Naar mijn beste weten is de empirie ook niet overtuigend aanwezig. Of is het probleem de vermoede of bewezen ineffectiviteit van het overheidsfunctioneren? Ik verwijs hiervoor bijvoorbeeld naar het rapport van de Rekenkamer over de kloof tussen beleid en uitvoering en op de vele andere signalen die de afgelopen decennia op vrij indringende wijze een beeld hebben gecreëerd van een blijkbaar op vele terreinen mankerende, machteloze overheid. Verder ontbreekt een heldere omschrijving van het begrip \"civil society\". Het zal echter blijken dat wij die hard nodig hebben. Nederland kent de grootste non-profitsector ter wereld: 12,5% van de Nederlandse beroepsbevolking is daar werkzaam. Tevens is er sprake van een grote financiële afhankelijkheid van deze sector van de overheid. De grote betekenis van dit veelsoortige en pluriform samengestelde bestel van maatschappelijke organisaties die bijdragen aan een intelligente en duurzame oplossing van maatschappelijke vraagstukken, werd en wordt onderkend door organisaties als de OECD en de Wereldbank. Zij wijzen bij herhaling op factoren als \"institution building\" en \"social capital\" als noodzakelijke voorwaarden voor de ontwikkeling van een gezonde gemeenschap. De socioloog Felling wees in zijn afscheidsrede aan de KUN op processen van reïnstitutionalisering. Er heeft zich inderdaad individualisering voltrokken op diverse levensterreinen, zij het in verschillende snelheden. Mensen maken in toenemende mate zelfstandig hun keuze, maar creëren daartoe ook weer nieuwe netwerken. Felling concludeert dat dit alles anno 2000 nog altijd gebeurt in de context van een bloeiend en zelfs groeiend maatschappelijk middenveld. Een duidelijke omschrijving van \"civil society\" is echter wel nodig, gezien de uiteenlopende vormen die zich bevinden tussen pure overheidsregulering en pure zelfregulering. Meestal is er sprake van gemengde regelingen waarbij overheid en maatschappelijke groeperingen hun rollen delen en waarbij de overheid de van onderaf, dus op initiatief van de betrokken maatschappelijke groepering, ontstane zelfregulering erkent, conditioneert en faciliteert, of een gemengde regeling oplegt, in welk geval het initiatief bij de overheid ligt met uitnodiging aan de betrokken organisatie om de zelfregulering respectievelijk de regulering ter hand te nemen. Waar het gaat om de overheid als borg, stelt de minister op pagina 15 van de nota over modernisering: door het stellen van zekere algemene randvoorwaarden en procedurele waarborgen dient de overheid de mogelijkheid te behouden, in te grijpen om de behartiging van publieke belangen zeker te stellen. Het begrip \"publiek belang\" zal nog herhaaldelijk in mijn betoog terugkomen. Het lijkt ons dat die stelling uiteindelijk toch een visie van de overheid vraagt op haar kerntaken, inclusief de achterliggende visie op een gewilde invulling van het algemeen belang. Het kabinet zegt ook dat het van mening is dat de overheid een aantal kerntaken heeft die onvervreemdbaar zijn en blijven, ongeacht de maatschappelijke opvattingen over individuele verantwoordelijkheden. Verder stelt het kabinet dat tot die kerntaken behoren het recht op veiligheid en de zorg voor de zwakkeren in onze samenleving. Op veel andere terreinen, aldus het kabinet, is de verantwoordelijkheid van de overheid echter niet exclusief, maar eerder aanvullend op de verantwoordelijkheid van de mensen. Overigens, ook op het terrein van bijvoorbeeld de zorg voor de zwakkeren handelt de overheid bepaald niet alleen. Ik wijs op processen van loonvorming, de onderlinge zorgplicht in het huwelijk enz. Ook bij veiligheidsbevordering is er geen sprake van exclusiviteit – dat wordt ook niet beweerd – maar wel bij het met inzet van geweldsmiddelen handhaven van het recht. Hoe wordt dit gedachtegoed nu uitgewerkt in actieprogramma's zoals die in de nota's worden gepresenteerd? Om te beginnen lijkt het aardig om erop te wijzen dat de in deze notities neergelegde bestuursfilosofie een opmerkelijke ontwikkeling weerspiegelt in het denken over de vormgeving van overheden in relatie tot de maatschappij in een aantal landen, niet alleen bij ons, maar ook in de VS, Canada en Groot-Brittannië. Illustratief daarvoor is de ontwikkeling van een \"new public management\" naar \"collaborative management\", \"joined-up management\" of \"joined-up government\". New public management deed met name in het laatste kwart van de vorige eeuw opgeld, met als belangrijkste karakteristiek de hervormingsdrang, wég van traditionele collectivistische waarden van de publieke dienstverlening en de introductie van \"de functionele discipline van het management in de private sector\". Daarnaast was er het streven naar kleinschaligheid van de overheid, met name door het op afstand zetten van bestuursorganen, met plattere hiërarchieën, netwerkmanagement enz. Het accent is verschoven naar wat tegenwoordig \"collaborative government\" heet, dat sterke accenten legt op minder sturing vanuit de nationale overheid en op meer samenwerking met andere, al dan niet in federaal verband georganiseerde overheden, de private sector en vooral ook de zogenaamde derde sector, het eerder genoemde maatschappelijke middenveld, onze civil society. Regeringen blijken ook naar elkaar te kijken als het gaat om de naamgeving van hun nieuwe beleidsprogramma's. Zo vinden wij het begrip \"modernisering\" terug in beleidsdocumenten van het Britse Cabinet Office, dat een van zijn cruciale documenten op dat terrein \"Modernising government\" noemt. De Treasury Board en het Office of the Auditor General gaan in een joint paper in op \"Modernising accountability practices in the public sector\". Zoals de titel al zegt, spelen zij daarbij uitdrukkelijk in op de verantwoordelijkheidsvraag, overigens met concrete aanbevelingen voor de inrichting van de verantwoording bij \"collaborative agreements\": duidelijke rollen en duidelijke verantwoordelijkheden, doelen, prestaties en randvoorwaarden. Ik citeer: \"They should be explicit, understood and agreed upon.\" Een aantal van deze intenties vinden wij terug in de nota's over het toezicht, waarover dadelijk meer. Verantwoordingsformules zijn cruciaal, want hoe houden wij de deelnemers verantwoordelijk voor de deelbijdragen aan het totale effect van de overheidsinterventie? Hierbij duiken klassieke vraagstukken uit de bestuursethiek op: kun je individuen en beperkte organisaties verantwoor delijk houden voor de uiteindelijke totale werking van een beleidsprogramma? Dat is het probleem van de vele handen. De uitwaaiering van de overheidstaak over een veeltal van actoren – publiek, semi-publiek of privaat – en de daarbij wenselijk geachte competitie in de beleidsuitvoering hebben blijkens de ervaringen in verschillende landen alweer geleid tot een ervaren \"verlies van bijzondere waarden\", verbonden met collectieve voorziening van diensten. Wij zien de klepel dus alweer een klein beetje de andere kant op gaan. Complexe problemen zoals sociale uitsluiting, grootstedelijke problemen en criminaliteitsbestrijding lijken, zo wordt in de literatuur geconstateerd, toch ook te vragen om meer systemische en holistische interventiestijlen, zij het dat zij tegelijkertijd vragen om betrokkenheid van een veelheid van organisaties en actoren. In de visie van minister Remkes op de bestuursformules voor bestuur en beheer van de politie herkennen wij het een en ander van die problematiek. De invoering van competitie en differentiatie, vooral in quasi-markten en dienstverlenende organisaties die op een afstand zijn gezet, hebben intussen ook weer geleid tot discussie over de noodzaak om die collaboratie goed te doordenken. Zo heeft de Britse Labour-regering sinds 1997 een aantal beleidsterreinen aangewezen, waaronder gezondheidszorg, sociale bijstand en onderwijs, waarin \"disjointed provision is seen in part as responsible for policy failures and social exclusion\". Dat onderstreept opnieuw de noodzaak van de heldere kaders waar de RMO over spreekt." 2004-03-16;Witteman;03033;PvdA;h-ek-20032004-1064-1086.1.10.8;"Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ";725;1;"Ik wilde eigenlijk het hele Oude Testament doornemen, maar ik neem dan slechts een klein hoofdstukje. De kledingvoorschriften voor de joden, christenen en de islamieten zijn dezelfde. Zij komen alle uit het Oude Testament. Het Oude Testament ligt immers aan de wortels van het jodendom, het christendom en de islam. Wanneer wij dat als gemeenschap hadden geweten – ik denk dat men het hier in deze Kamer wel weet – waren wij misschien niet zo hysterisch geworden over hoofddoekjes en baarden. We hadden in de discussie dan misschien sneller op iets anders kunnen inzoomen. Dat bedoelde ik met de opmerking dat kennis van culturen een bijdrage kan leveren aan het integratiedebat. Ik wil nu toch graag nog een voorbeeld geven." 2004-04-06;Huizinga-Heringa;02320;ChristenUnie;h-tk-20032004-4093-4150.1.7.5;"Rapport commissie-Blok ";2753;4;"Ik geloof niet dat het probleem dat u schetst zo groot is. U vroeg net of mijn achterban zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid neemt. Dat is zeker het geval. Het grootste deel van de christelijke scholen heeft een open toelatingsbeleid en laat alle leerlingen toe. Een heel klein aantal scholen heeft het onderwijs zondanig rond een bepaalde levensovertuiging ingericht, dat daar een heel speciale sfeer hangt. Alle leerlingen op zo'n school hebben dezelfde achtergrond. Ouders van deze leerlingen kiezen voor die scholen. Ik wil de ouders die keuzevrijheid niet ontnemen. Ik vind het onjuist dat men er niet voor kan kiezen om een kind in een bepaalde omgeving en met bepaalde waarden op te laten groeien omdat het onbedoelde gevolg ervan is dat er alleen maar witte kinderen op zo'n school zitten. Ik denk men daarmee het paard achter de wagen spant. Ik meen ook dat dit het geven is van een antwoord op een probleem dat niet bestaat. Voorzitter. Het verband tussen witte of zwarte scholen en achterstand, is helemaal niet duidelijk. De achterstand heeft niet zozeer een samenhang met de etnische afkomst. De achterstand heeft vooral te maken met de sociaal-economische positie. Die treft zowel zwarte als witte kinderen. De commissie laat de meest belangrijke vraag onbeantwoord. Het is toch mogelijk dat er een positieve relatie is tussen op levensbeschouwelijke of religieuze denkbeelden gebaseerd onderwijs en integratie van nieuwkomers. Dat is kennelijk een open vraag, want de commissie stelt zelf dat de invloed van zwarte of islamitische scholen op integratie nauwelijks is onderzocht. Het staat vast dat voor de emancipatie van Nederlandse minderheidsgroepen, daaronder bijvoorbeeld begrepen de minderheidsgroep als de joden, het eigen onderwijs een grote betekenis heeft gehad, juist als emancipatoire en inburgeringsfactor. Mevrouw Hirsi Ali vroeg mij of ik bereid ben om de segregatie tegen te gaan. Mijn antwoord is dat ik bereid ben om mij in te zetten voor een goede integratie. Ik ben bereid mij ervoor in te zetten dat wij elkaar in onze samenleving accepteren, ook in ons anders zijn. Maar ik ben eigenlijk niet bereid om te ontkennen dat er tussen mensen verschillen zijn en dat er nu eenmaal verschillende levensovertuigingen zijn. Met dat onder het kleed vegen, is de integratie niet geholpen. Onduidelijk is wat de commissie uiteindelijk voor heeft met aanbeve lingen als: keuzemogelijkheden vergroten, niet-vrijblijvende afspraken maken. Mij lijkt dat de commissie tracht een niet bestaand probleem op te lossen. Verder lijkt ons dat de vrijheid van ouders die willen kiezen voor een school, werkend vanuit een bepaalde levensovertuiging, niet te kort mag worden gedaan onder het mom van het vergroten van de keuzevrijheid." 2004-04-06;Huizinga-Heringa;02320;ChristenUnie;h-tk-20032004-4093-4150.1.7.1;"Rapport commissie-Blok ";12978;16;"Voorzitter. Integratie is een proces van twee kanten. In dit debat is veel aandacht voor problemen bij allochtonen, maar even belangrijk is de houding van Nederlanders van oudsher. Zij zullen allochtonen open en met flexibiliteit tegemoet moeten treden. Allochtonen hebben recht op hun eigen plek in onze samenleving. Daardoor zal onze samenleving veranderingen ondergaan en autochtone Nederlanders zullen dat moeten accepteren. Wij moeten met elkaar op zoek gaan naar samenbindende waarden en ons niet blind staren op in het oog springende verschillen. Uiteindelijk moet dit moeizame integratieproces leiden tot onderlinge acceptatie en vrede in de samenleving. De commissie wil ik graag nageven dat zij in haar rapport ook aandacht voor deze kanten van het integratieproces heeft. Ik wil haar daarmee complimenteren, want het is bij alle andere factoren toch niet in de laatste plaats de toon waarop het integratiedebat wordt gevoerd, die bepaalt of wij met elkaar die vrede in de samenleving bereiken of dat wij terechtkomen in een sfeer van vijanddenken en escalatie. Het debat van vandaag dient ertoe, de commissie te bevragen over met name haar bevindingen en aanbevelingen, waarbij wij aan het slot van het debat voor de vraag komen te staan of het aangeleverde materiaal voldoende is om het debat met de regering aan te gaan. Ik wil mijn bijdrage daarop ook richten, waarbij ik mij grofweg zal houden aan de indeling van het rapport die de commissie heeft gekozen. Zoals vele andere fracties heeft ook mijn fractie een eigen integratienotitie uitgebracht met de titel Kiezen voor Nederland. In mijn vraagstelling, zeker wanneer die kritisch is, zullen bevindingen uit onze notitie natuurlijk doorklinken en hier en daar zal ik er expliciet aandacht aan schenken. Het is echter mijn primaire doel om in dit debat te spreken over hetgeen de commissie ons heeft aangereikt en om pas in het debat met de regering, over een aantal weken, te debatteren over onze eigen voorstellen. De commissie heeft het onderzoek in grote lijnen gericht op de onderzoeksvragen die de Kamer in de opdracht heeft geformuleerd. Al doende heeft de commissie de onderzoeksvragen verbreed en verdiept door aanvullend onderzoek te doen naar de arbeids- en inkomenssituatie, het functioneren van zelforganisaties en welzijnsorganisaties, emancipatie, de rol van overheden in de landen van herkomst en nog enkele andere zaken. Toch is het voor mijn fractie opvallend dat de bevindingen in grote lijnen beperkt blijven tot hoofdonderzoeksterreinen als wonen en recreëren, inkomen, werk en onderwijs en emancipatie. Anderen hebben er al op gewezen dat het bijvoorbeeld opvallend is dat de criminaliteit als invalshoek onderbelicht blijft. Ook andere zaken die alles met integratie te maken hebben, komen maar mondjesmaat aan de orde. Natuurlijk zijn factoren als werk en inkomen van groot belang, maar de diepte van het integratievraagstuk heeft toch ook te maken met taal en vooral met cultuur en religie. Van die laatste aspecten komt de taal wel aan de orde, maar de cultuur slechts zijdelings en de religie al helemaal niet. Kan de commissie deze keuze verantwoorden? Waarom zag de commissie geen aanleiding om juist naar dit aspect nader onderzoek te verrichten? Is het niet juist de botsing tussen culturen en religies die het integratievraagstuk tot een spannende aangelegenheid maakt? Neem bijvoorbeeld de factor van de islam in het inburgerings- en integratiedebat en direct of indirect hiermee samenhangende opvattingen die op gespannen voet kunnen staan met de wijze waarop de Nederlandse cultuur en rechtsorde, gestempeld en beïnvloed door het joods-christelijke gedachtegoed, is ingericht. Is het ook niet juist de uitdaging, gegeven die soms botsende opvattingen, te komen tot een samenleving waar men in vrede met elkaar kan verkeren? Het is te begrijpen dat de commissie het tijdvak 1970 tot 2003 heeft belicht, gelet op de onderzoeksvragen. De keuze voor deze periode beperkt de invalshoek tegelijkertijd tot de instroom in die jaren. Dat zijn hoofdzakelijk vier groepen: Turken, Marokkanen, Surinamers en Antillianen. De toegelaten asielzoekers komen daar nog bij. Door deze keuze komen eerdere groepen die met integratie te maken hadden, niet aan bod. Daarbij denk ik aan Molukkers en Indische Nederlanders, die hier na de oorlog kwamen, en Chinezen en joden uit een nog verder verleden. Ik neem aan dat de commissie de belichte periode heeft onderzocht om lessen te kunnen trekken voor de toekomst. Uit de eerdere emigratiegolven kunnen echter ook interessante lessen worden getrokken. De Indische Nederlanders integreerden immers goeddeels probleemloos. Molukkers kampten lange tijd met problemen, zeker bij het vinden van werk, maar deze kwamen vooral voort uit de dubbele verbondenheid: lichamelijk in Nederland maar met het hart in de Molukken. Joden kenden een succesvolle integratie zonder taalproblemen, ondanks het behoud van eigen taal, cultuur en religie. Zij kregen echter te maken met het fenomeen van discriminatie en anti-semitisme. Kortom, er valt ook veel te leren uit meer of minder succesvolle integratie-ervaringen uit vroeger tijden. Nu heeft vooral het integratiebeleid de nadruk gekregen; voorheen was er in veel mindere mate sprake van beleid en kwam het aan op de interactie tussen de samenleving en de groep nieuwkomers. Juist die interactie is ook nu buitengewoon belangrijk voor het integratiedebat. Ik begrijp de keuze van de commissie, gelet op haar opdracht. Toch had zij ervoor kunnen kiezen om ook op dit terrein aanvullend onderzoek te verrichten. Wil de commissie hierop nog eens ingaan? Als reactie op het rapport is er kritiek gekomen op de bevinding die stelt dat de integratie van velen geheel of gedeeltelijk is geslaagd. Ook bij mijn fractie roep deze conclusie enige vragen op. De vraag is nu juist of het integratiebeleid als succesvol kan worden betiteld; dát is de onderzoeksvraag. De commissie formuleert op dat punt echter geen duidelijke conclusie. Je kunt blij zijn dat de integratie van veel allochtonen in elk geval wel is geslaagd, maar deze conclusie – hoe plezierig ook – helpt ons in feite niet veel verder. Het probleem is nu juist dat dit van veel andere allochtonen niet kan worden gezegd, dat hun integratie niet is geslaagd. Dáárom is er een commissie opgetuigd, dát is de reden voor dit debat en dáárom heeft in de afgelopen weken bijna elke partij een eigen integratienotitie gepresenteerd. Voor alle duidelijkheid, de conclusie van sommige partijen dat de integratie is mislukt, delen wij niet. Dat is te kort door de bocht en doet geen recht aan de complexe werkelijkheid. In die zin is het goed dat de commissie daartegen tegenwicht heeft willen bieden. Althans, zo begrijp ik haar aanbeveling op dit punt. In zijn algemeenheid lijken in het rapport de bevindingen en aanbevelingen niet altijd in een logisch verband te staan. Er zijn veel soms scherpe bevindingen, maar die worden bijna nooit gevolgd door even scherpe aanbevelingen. De aanbevelingen zijn veel minder in getal en zij zijn ook aanmerkelijk vlakker en minder concreet geformuleerd. Ik zal hiervan een aantal voorbeelden geven. De commissie heeft afgezien van aanbevelingen in concrete zin over de rechten die worden gekoppeld aan voltooide inburgering, hoewel de commissie dat wel opneemt in een aanbeveling. De commissie stelt wel dat arbeidsmigratie geen economische voordelen oplevert, maar doet geen uitspraak over de wenselijkheid ervan. De commissie signaleert dat gesubsidieerde arbeid voor allochtonen een belangrijk participatie-instrument is en dat bezuinigingen dus vooral bij die groep hard zullen aankomen, maar zij komt niet met een aanbeveling om gesubsidieerde arbeid al dan niet te handhaven. Er zijn nog veel meer voorbeelden te noemen, maar de strekking is duidelijk: vanwaar dit gat tussen de heldere conclusies en de veel minder heldere aanbevelingen? De notie van integratie die de commissie hanteert, gaat niet ver genoeg. Zij spreekt over taal, gelijke juridische positie, gelijkwaardige deelname op sociaal-economisch terrein en kennis van omgangsregels die het makkelijker maken om in de samenleving te verkeren. In die definitie ontbreekt naar mijn idee de belangrijke basisnotie van loyaliteit. Integratie veronderstelt ook een innerlijke keuze voor Nederland en een loyaliteit aan onze samenleving, hoewel er natuurlijk altijd een zekere mate van verbondenheid met het land van herkomst zal blijven. Deze keuze maakt integratie tot een succes. Dat is naar mijn idee ook wat wij kunnen leren van de diverse eerder genoemde groepen immigranten van vóór 1970. De integratie gaf problemen waar sprake was van een dubbele loyaliteit, maar waar voluit voor de Nederlandse samenleving werd gekozen niet. De commissie noemt de binding aan de wet en omgangsregels, evenals ruimte voor eigen interpretatie en differentiatie, maar wat niet met zoveel woorden naar voren komt is het onderlinge respect dat de ene groep altijd ten opzichte van de andere op zal moeten brengen. Dat onderlinge respect steekt een laag dieper dan ongeschreven regels die het functioneren in de samenleving gemakkelijker maken. Ik zal vervolgens een aantal opmerkingen maken over de verschillende hoofdstukken. Bij de inburgering staat de Nederlandse taal centraal. Anno 2004 is dat een open deur in trappen en gelukkig maar. In het verleden is daar jammer genoeg anders over gedacht. Na lezing van het rapport bleef bij ons de vraag hangen hoe de commissie aankijkt tegen de verantwoordelijkheidsverdeling inzake het leren van de Nederlandse taal. Ligt die verantwoordelijkheid uiteindelijk bij de inburgeraar of bij de Nederlandse overheid? Het leren van de taal kan toch niet alleen afhankelijk zijn van een inburgeringscursus? De commissie constateert immers dat het rendement van de cursussen laag is. Ligt een heldere keuze over die verantwoordelijkheidsverdeling niet voor de hand? Het leggen van de verantwoordelijkheid bij de inburgeraar zelf zal als vanzelf een belangrijke motivatie en stimulans met zich meebrengen, veel meer dan goed bedoelde maar toch min of meer vrijblijvende cursussen die de inburgeraar worden aangeboden. Overigens betekent dit niet dat de overheid geen medeverantwoordelijkheid draagt voor voldoende aanbod en mogelijkheden om in te burgeren. Het is ons opgevallen dat de commissie, de taal daargelaten, zich niet uitlaat over de overige aspecten van het inburgeren. Inburgeren gaat verder dan kennis van de wet of staatsinrichting. Kern van inburgering is het kiezen voor loyaliteit aan de samenleving waarin je terecht bent gekomen en het aanvaarden van de rechten en plichten die daarbij horen. Het is jammer dat de commissie niet dieper steekt bij de inburgeringseisen omdat richtinggevende aanbevelingen het debat daarover tussen kabinet en Kamer in positieve zin hadden kunnen beïnvloeden. Het gaat hier om spannende zaken. Ook hier komt de botsing tussen culturen en religies om de hoek kijken. Onderwijs is belangrijk bij integratie, maar niet alleen zaligmakend. Mijn vraag is wat de commissie precies bedoelt met de laatste aanbeveling van het hoofdstuk inzake de overdracht van de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat, samenlevingsopbouw en geschiedenis. Op welke manier kan het formuleren van die kernwaarden zijn beslag krijgen en is er bij het formuleren van de kernwaarden een relatie met het huidige waarden en normen debat? Hoe verhoudt deze aanbeveling zich met de magere definitie van integratie? Is het in de visie van de commissie mogelijk dat op de ene school andere kernwaarden bijgebracht worden dan op de andere, samenhangend met de levensovertuiging en invalshoek van de school? De conclusie over de vrijheid van onderwijs liet bij ons nogal wat vragen rijzen. Gesteld wordt dat de vrijheid van onderwijs de keuzevrijheid van de ouders beperkt. Ik wil graag opmerken dat de vrijheid van onderwijs de keuzevrijheid van ouders juist vergroot. Het geeft ouders immers de mogelijkheid onder bepaalde voorwaarden de school van hun keuze op te richten. In de totstandkoming van vele soorten bijzonder onderwijs, inmiddels niet alleen op religieuze grondslag maar ook op andere grondslagen, zien wij dat die keuzevrijheid reëel is en ouders daadwerkelijk mogelijkheden biedt. Een van de conclusies van de commissie luidt desalniettemin dat de vrijheid van onderwijs leidt tot beperking van de keuzevrijheid van ouders en dat mede als gevolg daarvan concentratiescholen ontstaan. Talrijke bevindingen van deze zelfde commissie staan met deze conclusie op gespannen voet en ook overige cijfers spreken dit tegen. Uit cijfers blijkt dat het bijzonder onderwijs niet minder toegankelijk is voor allochtone leerlingen dan het openbare onderwijs. Procentueel gezien neemt het openbaar onderwijs iets meer leerlingen voor zijn rekening, terwijl in absolute aantallen het bijzonder onderwijs veel meer leerlingen voor zijn rekening neemt. Ik wijs op de gegevens die de Onderwijsraad op dit punt aanreikt." 2004-04-08;Sterk;02337;CDA;h-tk-20032004-4264-4283.1.10.9;"Rapport commissie-Blok ";394;1;"Voorzitter. Voor de duidelijkheid wil ik nog een vraag aan mevrouw Hirsi Ali stellen. Begrijp ik het goed dat zij het woord \"apartheid\" heeft teruggenomen, maar erbij blijft dat de ChristenUnie en het CDA een gesegregeerde maatschappij willen, dus blanken bij blanken, zwarten bij zwarten, katholieken bij katholieken, joden bij joden, moslims bij moslims, rijken bij rijken en armen bij armen?" 2004-04-14;Azough;02302;GroenLinks;h-tk-20032004-4287-4290.1.2.14;"Vragenuur ";1283;3;"Voorzitter. Wij hebben vorige week vragen gesteld aan minister Donner naar aanleiding van de publicatie dit jaar van de gids voor islamitische opvoeding. Daarin wordt aangezet tot slaan, tot genitale verminking, een strafbaar feit waar twaalf jaar gevangenisstraf op staat, en tot haat tegen joden. Uit deze publicatie blijkt duidelijk een noodzaak tot onderzoek door het OM. Is al eerder sprake geweest van een poging tot onderzoek naar dit soort publicaties? Hoever staat het met het onderzoek naar deze publicatie? De oplage van dit boek is ongeveer 1000. De uitgeverij daarvan in Delft heeft meerdere boeken uitgebracht. Kan de minister onderzoek doen naar de reikwijdte van deze boeken? Waar worden zij gebruikt? Hoe worden zij gebruikt? In hoeverre kan actie ondernomen worden, bijvoorbeeld door het OM maar ook door de minister, om de publicatie van dit soort boeken tegen te gaan? De El Tawheed-moskee staat tamelijk geïsoleerd. Deze is geen lid van het CMO, van de UMON of van andere koepelorganisaties. Is het mogelijk dat andere moskeeën, met name in Amsterdam, deze moskee en de bestuurders ervan aanspreken op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid? Ik denk dat zij een belangrijke rol kunnen spelen. Niet alleen dialoog voeren maar ook streng optreden en aanspreken." 2004-04-14;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20032004-4302-4360.1.16.1;"Aanslagen Madrid/terrorisme ";6819;11;"Voorzitter. Ik dank de minister-president en de overige ministers voor de uitvoerige en heldere beantwoording tijdens dit debat. Het is goed dat de minister-president nog eens helder heeft aangegeven dat er geen enkel excuus is voor het plegen van aanslagen, zoals die in Madrid hebben plaatsgevonden. Tegelijkertijd heeft hij buitengewoon helder aangegeven dat er geenszins sprake kan zijn van enigerlei vergoelijking van dit soort walgelijke aanslagen. Verder is, voortbouwend op datgene wat in de brief naar voren gebracht is, aangegeven dat er een principiële stap gezet is en dat wij zeer alert behoren te zijn op het beschermen van de Nederlandse samenleving. Ik heb zelf in mijn eerste termijn aangegeven dat wij nu moeten doen wat wij kunnen doen, en in gang moeten zetten wat wij in gang kunnen zetten, opdat wij niet later moeten vaststellen: hadden wij maar... De heer Rouvoet sprak in dit verband over het besef dat wij moeten hebben bij de vraagstelling waarmee wij dit debat voeren en de maatregelen bespreken, namelijk het besef dat een aanslag als in Madrid ook hier had kunnen plaatsvinden. De vraag die wij ons hierbij moeten stellen, is of wij voldoende in staat zijn om daar zo adequaat mogelijk op te reageren. Het kabinet heeft hiervoor een aantal maatregelen voorgesteld en aangegeven hoe het daar tegenover staat. Het kabinet heeft echter ook aangegeven, volgens mij terecht, dat nooit voor de volle 100% gegarandeerd kan worden dat wij gevrijwaard zullen blijven van aanslagen. Wij zullen evenwel altijd alles in het werk moeten stellen, opdat wij niet later moeten zeggen: hadden wij maar... In het debat is helder gemaakt dat er op dit moment gewerkt wordt aan de gewenste en noodzakelijke samenwerking tussen de verschillende diensten, of het nou gaat om AIVD en KLPD, MIVD en AIVD of politie, Justitie en Defensie. Ook is aangegeven dat mensen die verdacht zijn en die op de targetlijst van de AIVD staan, daadwerkelijk gevolgd en gemonitord worden en, zo nodig, in de tang genomen kunnen worden. Ik ben blij met de uitspraak van de minister van Buitenlandse Zaken dat hij in een dialoog met landen waar mensenrechten geschonden worden en waar een voedingsbodem voor terrorisme is, zwaar hecht aan de antiterrorismeclausule. Zeker voor een land als Syrië, dat de minister onlangs heeft bezocht, is het noodzakelijk om te weten wat voor consequenties er zijn verbonden aan bijvoorbeeld het steunen van de Hezbollah. In dat kader herinner ik het kabinet overigens aan de aangenomen motie-Eurlings waarin de Kamer heeft uitgesproken dat de Hezbollah naar haar mening ook op de Europese lijst van terroristische organisaties zou moeten staan. Het is goed dat het kabinet voornemens is om de organisaties die op de Europese lijst staan, ook hier te verbieden. Beter laat dan nooit, maar het is wel dit kabinet dat die stap zet. In eerste termijn heb ik gevraagd hoe het kabinet wil voorkomen dat verboden organisaties onder een andere naam met dezelfde personen of met andere personen, maar met dezelfde doelstellingen voortbestaan en hun activiteiten op Nederlandse bodem voortzetten. Ik hoor hier nog graag een reactie op. Ik ben verheugd dat de minister van Justitie helder heeft aangegeven dat ons strafrecht in sommige opzichten tekortschiet dan wel tekort kan schieten en dat er, wat dat betreft, gehoor gegeven is aan de wens van het CDA om te komen tot aparte wetgeving om terrorisme te bestrijden. In tegenstelling tot andere partijen durft het CDA wel een keuze te maken. Wij zien dat het huidige strafrecht niet voldoet en dat een aparte voorziening noodzakelijk is om terrorisme effectief aan te pakken. Als wij moeten kiezen tussen het vastzetten van een verdachte van terrorisme buiten het reguliere strafrecht om en het laten gebeuren van een aanslag, dan is voor ons de keuze helder. De minister van Justitie heeft toezeggingen gedaan waar het gaat om het aanpakken van gevaarlijke uitwassen, het zaaien van haat en discriminatie, zaken die kunnen leiden tot aantasting van alles wat wij hier van waarde achten. Ik wil hem echter nog wijzen op de manier waarop in Duitsland omgegaan wordt met bepaalde dreigingen. Duitsland kent het systeem van een strijdbare democratie, waarin de wetgeving zodanig is geformuleerd dat kan worden voorkomen dat iemand gebruik maakt van de grondrechten, van de vrijheid van meningsuiting of van de vrijheid van vereniging en vergadering, om daarmee diezelfde democratie, diezelfde vrijheden aan te tasten of omver te werpen. Dat is natuurlijk een gevolg van de ervaringen die zij hebben gehad met Weimar en Hitler. Maar een strijdbare democratie zorgt ervoor dat haar eigen voortbestaan is verzekerd. Pogingen om die op dezelfde wijze, gebruik makend van de democratische rechten, omver te werpen, worden daarmee tegengegaan. In Duitsland is dat vervat in de grondwet. Dat zou hier een jarenlange discussie met zich meebrengen. Het is wel noodzakelijk dat wij alert zijn op dit soort ontwikkelingen, zodat ik de volgende suggestie doe, in de vorm van een minder tijdrovende oplossing dan een grondwetswijziging. Ik geef de minister van Justitie in overweging, de artikelen met betrekking tot gevaarlijke uitwassen of artikel 131 van het Wetboek van Strafrecht, waarover ook de heer Herben sprak, in die zin te wijzigen dat niet alleen opruiing tegen het openbaar gezag strafbaar wordt gesteld, maar ook opruiing tegen de democratische rechtsstaat. Binnenkort is een wetsvoorstel gereed voor plenaire behandeling, waarin dit punt aan de orde is. Ik overweeg op dit punt een amendement, tenzij de ideeën van de minister van Justitie aan onze wensen tegemoetkomen. In eerste termijn heb ik heel duidelijk gepleit voor de totstandkoming van een nationale veiligheidsraad. Uit de antwoorden van de minister-president kreeg ik de indruk dat hij daarvoor wel gevoelig is, zij het onder een andere naam, zoals een raad voor nationale veiligheid. Ik weet niet of mijn naamgeving de aanleiding is om met een andere naam te komen. Het is wel zaak dat er op het moment dat centrale aansturing noodzakelijk is, dat er snel leiding moet kunnen worden gegeven, niet alleen een structuur aanwezig is, maar ook een delegatie van bevoegdheden moet hebben plaatsgevonden. De minister-president zou naar onze mening de veiligheidsraad moeten aansturen, wat de uitbreiding van bevoegdheden van de minister van Justitie, zoals voorgestaan door het kabinet, onverlet laat. Ik leg de Kamer daartoe de volgende motie voor." 2004-04-14;Herben;02353;LPF;h-tk-20032004-4302-4360.1.7.13;"Aanslagen Madrid/terrorisme ";5231;7;"Dat is niet het geval. Ik wil graag mijn betoog vervolgen, want op deze manier ontgaat de toehoorder de spanningsboog in mijn verhaal een beetje. Vanuit Engeland werd het vuur opgestookt tegen Salman Rushdie, die in 1988 de Duivelsverzen publiceerde. De fatwa van ayatollah Khomeini is nimmer ingetrokken of door gezaghebbende geestelijken afgekeurd. In België verklaarde imam Abdullah Ahdel dat hij de Duivelsverzen streng veroordeelde, maar dat het boek in een democratie niet kon worden verboden. Op 30ENTITY-#160maart 1989 werden de imam en zijn assistent in hun Brusselse moskee doodgeschoten. Een militante minderheid gijzelt de moslimwereld door middel van moordaanslagen in Assassijnse traditie. Tot de bekendste aanslagen door de Moslimbroederschap behoort de moord op de Egyptische president Anwar Sadat in 1981, die het had gewaagd vrede te sluiten met Israël. Het brein achter die aanslag was de Egyptenaar Al-Zawahiri, thans de tweede man van Al-Qaeda. Gewaardeerde boeken in het Midden-Oosten zijn Hitlers \"Mein Kampf\" en de beruchte \"Protocollen van de Wijzen van Zion\". Dit antisemitische geschrift werd in 1905 door de geheime politie van de tsaar in omloop gebracht. In talrijke bestsellers en tv-series zoals de Ruiter zonder paard, waarover de heer Dittrich vorig jaar nog vragen stelde, wordt het beeld geschetst dat de ellende in de Arabische wereld natuurlijk niet is terug te voeren op corrupte heersers of een falend politiek bestel, laat staan de islam, maar op een samenzwering van joden, vrijmetselaars en christenen. En de hel wordt natuurlijk vooral bevolkt door vrouwen die van het rechte pad zijn afgeweken. In die boeken en pamfletten wordt gretig geciteerd uit geschriften van de Nazi's, de Amerikaanse moral majority en zelfs het eerste Vaticaans concilie. De kritische Syrische filosoof Sadik Al-Azm, die vorige week werd onderscheiden met de Erasmusprijs – een verlichte moslim – heeft die overeenkomst treffend beschreven. De arabist prof.dr. Hans Jansen geeft in zijn behartigenswaardige essay \"God heeft gezegd\" een plausibele verklaring voor het islamitisch fundamentalisme. De terreur heeft vooral tot doel afvalligheid te voorkomen binnen de eigen geloofsgemeenschap, die blootstaat aan de verlokkingen van de decadente westerse samenleving. De door Atatürk opgelegde secularisatie van de Turkse staat is een traumatische ervaring voor deze aartsconservatieven. De terugtocht van de Sovjet-Unie uit Afghanistan daarentegen is het bewijs dat geweld loont; vandaar de aanslagen in Madrid. Overigens verkondigde Bin Laden al jaren geleden dat Andalusië tot het grondgebied van de islam behoort. Deze logica volgend kunnen Sicilië en na toetreding tot de EU ook Malta maar beter de waakzaamheid opvoeren. In Istanboel zijn reeds bloedige aanslagen gepleegd op synagogen en vrijmetselaarsloges. Dat kan overal in Europa gebeuren. Ook tegen clubs zoals de Rotary en de Lions wordt haat gezaaid. De hersenspinsels van de politieke islam volgend is de samenzwering zonneklaar. Kemal Atatürk was vrijmetselaar, net als Garibaldi, die in Italië de scheiding van kerk en staat afdwong en net als Montesquieu, die de scheiding der machten bedacht. Dat de scheiding van kerk en staat en de daaruit voortvloeiende godsdienstvrijheid tot doel hebben verschillende godsdiensten vreedzaam naast elkaar te laten bestaan, is verwerpelijk, omdat dit de superioriteit van de islam ontkent. Voor polytheïsten zoals hindoes heeft men geen enkel respect. Wat dat betreft is de heibel rond een Haagse hindoetempel een onheilspellend signaal. Echter, de zwaarste straffen hangen ongelovigen boven het hoofd. De sussende taal die ongelovige progressieve politici over de islam spreken, is daarom volstrekt onbegrijpelijk. Mogelijk voelt men door de handig gebruikte retoriek een misplaatste verwantschap met verdrukten die het zouden opnemen tegen Amerikaans imperialisme en zionistische onderdrukking. Voor de politieke islam, die kan worden omschreven als een reactionaire ultrarechtse beweging, past echter geen enkel begrip. Pinochet en Franco waren hiermee vergeleken ongevaarlijke kwajongens. Waakzaamheid is geboden. Ik heb geen enkele behoefte aan een parlementaire enquêtecommissie die achteraf gaat vaststellen waarom er ook in ons land een rampzalige aanslag heeft plaatsgevonden. Met collega Verhagen ben ik van mening dat het islamitisch terrorisme de oorlog heeft verklaard aan de westerse democratie. Ik zie dit echter onvoldoende terug in de brief van het kabinet die wij vandaag bespreken. Zo wordt de NAVO slechtséén keer genoemd en wel om achteraf hulp te verlenen bij de gevolgen van een aanslag. Het is nu niet de tijd voor ongezonde rivaliteit tussen civiele en militaire diensten. De militaire inlichtingendiensten werken binnen de NAVO al jaren uitstekend samen. Zij beschikken ook over de meeste informatie, die zij wel met elkaar willen delen en ruilen maar slechts mondjesmaat met civiele instanties. De EU-veiligheidscoördinator kan beter hierbij aanhaken dan proberen zelf het wiel uit te vinden. Voorzitter. Ik moet van u afronden, want u kijkt streng naar mij, maar ik weet dat de mensen graag willen weten hoe het nu afgelopen is met de orde van de Assassijnen. Daar begon ik mijn verhaal mee." 2004-04-20;Wilders;02258;VVD;h-tk-20032004-4458-4480.1.2.15;"Associatieovereenkomsten EG-Libanon/Algerije ";7051;7;"De inzet is volstrekt logisch. Wij hebben bij Jordanië aangegeven dat het ons niet zinde, maar in ieder geval stond het in de bijlage bij het verdrag. Bij Egypte hebben wij het kabinet ervoor geprezen dat het helder in de stukken stond. Wij zien nu dat het bij Jordanië niet is gebeurd. In Egypte is het nog niet eens geratificeerd door een land dat zich daartegen verzet. Bij Jordanië zien wij nu dat twee jaar na de ratificatie door alle Europese landen en de inwerkingtreding nog niets is gebeurd. Nu zijn de volgende verdragen aan de orde. Vermoedelijk kunnen wij hier niet mee instemmen dan wel willen wij het opschorten als er geen oplossing komt voor het belangrijke punt van de vluchtelingen die wij zonder problemen willen terugsturen, als men hier ten onrechte verblijft. In het verleden is duidelijk gebleken dat er wat Algerije betreft sprake kan zijn en is van een sterk spanningsveld tussen de noodzaak tot het volwaardig functioneren van de democratie aldaar en de vrees voor een dominante rol van een strikte islam, wanneer aanhangers daarvan in partijverband organiseren en meedoen aan de verkiezingen. Wij hebben dat gezien. Feitelijk heeft de Algerijnse regering belangrijke vorderingen gemaakt in de strijd tegen het terrorisme, maar die strijd mag natuurlijk geen excuus zijn voor beperkingen van vrijheden en mensenrechten die veel verder gaan en ook niet gericht zijn op de terroristen, maar op mensen die de sticker \"terrorist\" op het hoofd geplakt krijgen. Hoe denkt de minister hierover in verband met Algerije? Wil hij daarop ingaan? Over de huidige stand van zaken van de strijd tussen de Algerijnse overheid en de extremistische moslimgroepen stond onlangs een interessant artikel in Jane's Intelligence Review van december vorig jaar onder de titel \"Algerian operations compress islamist insurgency\". Daaruit komt naar voren dat de Algerijnse overheid in dat opzicht successen boekt. Het leger zou gebruikmaken van \"human intelligence\" en de voorkeur geven aan bepaalde strategieën om de terroristen aan te pakken. Ook wordt in toenemende mate gebruikgemaakt van precisiewapens. Dat lijken positieve gegevens, ook voor ons land. Voor mijn fractie is het van belang dat adequate informatie-uitwisseling met Algerije zal plaatsvinden over groepen die niet alleen in Algerije, maar in heel Noord-Afrika actief zijn. Hoe zal de minister vorm geven aan de samenwerking met Algerije op het punt van terrorismebestrijding? Ik denk dat dit verdrag, als het al van kracht zal worden, een nuttig effect kan hebben. Dan zullen wij ook op andere punten, niet alleen terrorismebestrijding, maar ook goed bestuur, corruptiebestrijding en democratie, vorderingen moeten maken. Als ik spreek over terrorisme en de bestrijding ervan, gaat het natuurlijk ook over het verbieden van de politieke tak van Hezbollah in Libanon. Wij spraken daarover bij de begrotingsbehandeling en tijdens een debat een paar weken geleden. Vorige week heeft de fractievoorzitter van het CDA, de heer Verhagen, er in het debat met de regering wijze woorden over gezegd. De minister heeft eerder aangegeven dat er wordt gewerkt aan een dossier over Hezbollah. Bij de begrotingsbehandeling vier maanden geleden hebben wij de motie van collega Eurlings aangenomen. De minister zei toen, samengevat in mijn eigen woorden: Kamer, u heeft eigenlijk wel gelijk; als zij zelf zeggen dat zij terroristen zijn, dan is dat zo; alleen hebben wij de juridische bewijslast om dat voor elkaar te krijgen. Vier maanden lijkt mij een vrij lange tijd. Ik heb het eens goed nagekeken, maar ik heb niet zoveel gevonden van dit kabinet over dit onderwerp. Vier maanden na dato vraag ik of de minister al meer informatie heeft. Het zou jammer zijn als de CDA-fractie, als zij dat al wil, of ik opnieuw een motie moet indienen om een eerdere motie te laten uitvoeren. Ik overweeg dat overigens wel, maar ik hoop dat de minister enige voortgang kan geven. De politieke tak van Hezbollah moet, zoals de Kamer heeft uitgesproken, gewoon verboden worden. Ik kom op de media en vraag aandacht voor het televisiestation Al Manar van Hezbollah, Arabisch voor vuurtoren. Dit station verzorgt uitzendingen die een uitgesproken antisemitisch karakter hebben en die ook zonder meer als haatzaaiend kunnen worden bestempeld. Het zijn uitzendingen die sinds mei 2000 ook via de satelliet in Europa ontvangen kunnen worden. Inmiddels wordt geschat dat Al Manar behoort tot de top vijf van meest bekeken zenders in de Arabische wereld, met ongeveer 10 miljoen kijkers per dag. En dan hebben wij het nog niet over de mensen die er ook in Europa naar kunnen kijken. Samen met de collega's Eurlings en Bakker heb ik hierover eerder vragen gesteld aan de ambtsvoorganger van deze minister. Op 3ENTITY-#160december van het vorig jaar heeft hij geantwoord dat hij er ook zorgen over had, maar dat hij een en ander vooral wilde bespreken in de dialoog der culturen en de associatieraden. Ik heb hier vervelende citaten over joden, die ik niet zal voorlezen. De minister weet goed waar ik het over heb. Het is rotzooi en dat kan dus gewoon niet. Als mediterrane landen hechten aan een intensievere band met Europa, economisch, cultureel en op ieder mogelijk gebied, dan zullen ze ervoor moeten zorgen dat ze met hun zenders, die allemaal staatszenders zijn, niet iets verkondigen dat niet alleen haaks staat op de normen en waarden die wij allemaal hebben, maar dat ook antisemitisch, terroristisch en extremistisch is. Dergelijke landen moeten die rotzooi niet de Europese huiskamers in zenden. Het is al erg genoeg dat dit soort dingen uitgezonden wordt in het eigen land, maar als ze een verdrag met ons willen sluiten, kunnen wij de landen vragen om hiermee te stoppen. Als concreet voorbeeld heb ik het Hezbollah-station in Libanon genoemd. Ik vraag de minister om ervoor te zorgen dat dit soort zaken tot een eind wordt gebracht. Ik zal daarover zo nodig een motie indienen, maar ik hoop de minister goed genoeg te kennen om te kunnen verwachten dat hij zijn uiterste best zal doen om landen als Libanon met dit soort zenders daarop aan te spreken. Eerder hebben wij een discussie gehad over \"Horseman without a horse\" in Egypte. De minister zal zich dat herinneren. Ik vraag hem de Kamer te informeren over zijn activiteiten om hieraan een eind te maken. In het debat over het euro-mediterrane verdrag met Egypte heeft minister De Hoop Scheffer gezegd de gedachten over onderlinge zuid-zuidhandel te zullen peilen en daarna met een stuk te komen, ook met de invalshoek vanuit Buitenlandse Zaken en niet alleen met die vanuit Ontwikkelingssamenwerking. Naast die vrijhandelszone met Europa is er onderlinge handel tussen die landen. Vaak heeft die handel politieke implicaties. Het is van eminent belang om enige vooruitgang, ook economisch en politiek, in de regio te krijgen. Ik heb er bij ieder verdrag over gesproken en ik heb nog steeds geen stuk gezien. Ik hoop dat de minister kan toezeggen dat hij er een concreet stuk over zal opstellen. Wij moeten hier een uitgebreidere discussie over kunnen voeren." 2004-04-21;Wilders;02258;VVD;h-tk-20032004-4509-4510.1.1.4;"Regeling van werkzaamheden ";1129;1;"Voorzitter. Ik wil een interpellatie aanvragen en als u het mij toestaat wil ik mijn verzoek kort toelichten. Vanmorgen konden wij in Trouw het bericht lezen over boeken in de Nederlandse taal die worden verkocht in de El Tawheed-moskee in Amsterdam. Vorige week hebben wij al mondelinge vragen gesteld over een ander boek in dezelfde moskee. De boeken waarvan Trouw melding maakt en die nota bene door de verkoper in de moskee worden aangeprezen als \"betrouwbare en goede boeken\", gaan onder meer over het oproepen tot de jihad, het slaan van vrouwen, het doden van joden en christenen en over het van hoge gebouwen met het hoofd naar beneden gooien van homoseksuelen. Dit alles is natuurlijk onaanvaardbaar. Het zijn inmiddels ook geen incidenten meer met deze El Tawheed-moskee; het is een trend waarover wij al jaren klagen en vragen hebben gesteld. Daarom verzoek ik u mij toe te staan de ministers van Justitie, BZK en Vreemdelingenzaken en Integratie hierover te interpelleren. Dat zou dan bij voorkeur op korte termijn moeten gebeuren, maar in ieder geval op een moment waarop alle drie de ministers aanwezig kunnen zijn." 2004-04-28;Nawijn;02385;LPF;h-tk-20032004-4714-4742.1.6.1;"Al Tawheed-moskee ";3413;3;"Voorzitter. Dit debat gaat over een aantal fundamenten van onze rechtsstaat. In het boek waar het vandaag allemaal om draait, \"De weg van de moslim\", komen onze vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst in frontale botsing met ons strafrecht en het gelijkheidsbeginsel. Homoseksuelen en ongelovigen moeten van hoge gebouwen worden gegooid en daarna worden gestenigd, zo schrijft de Arabische geleerde El Djezeïri in zijn in 1964 verschenen boek, geschreven in de traditie van de strengste leer van de islam, het wahabisme. Zorgwekkende teksten, zeker in het licht van de Nederlandse realiteit waarin moslimjongeren zich veelvuldig schuldig maken aan discriminatie van homo's en joden. Het verspreiden van boeken als \"De weg van de moslim\" in de Nederlandse moskeeën onder Nederlandse moslims is in deze realiteit de olie op het vuur van de homohaat gooien. Niets minder dan de veiligheid van de Nederlandse homoseksuelen en ongelovigen in het algemeen is hier in het geding. In het licht van die constatering is het niet meer de vraag of de overheid moet ingrijpen, maar hoe zij moet ingrijpen. Volgens mijn fractie kan dat op twee manieren: intellectueel en strafrechtelijk. Intellectueel ingrijpen van de Nederlandse overheid vereist het inzicht dat het wahabisme – waartoe de auteur van \"De weg van de moslim\" behoort – gelijk moet worden gesteld met een staats- en integratieondermijnende sekte die alle basale mensenrechten ontkent. Als er een toekomst is voor een westerse islam in de Nederlandse samenleving, dan kan deze alleen bestaan bij de gratie van een keiharde bestrijding van het extremistische wahabisme, dat vanuit Saoedi-Arabië wordt verspreid. Met die strijd kan een begin worden gemaakt door het verbieden van alle financiële en stoffelijke steun vanuit Saoedi-Arabië aan Nederlandse moskeeën. De regering moet zich realiseren dat, wat de Saoedische ambassadeur ons ook wil doen geloven, de huidige verspreiding vanuit zijn land leidt tot de aantasting van de Nederlandse fundamentele normen en waarden. In een artikel in De Telegraaf van vanochtend wordt de betrokkenheid van een ambassademedewerker bij de verspreiding van het wahabisme gemeld. Ik verzoek de regering hiernaar een onderzoek te laten instellen, al dan niet via de minister van Buitenlandse Zaken. De tijd van praten en het op het matje roepen van de ambassadeur van Saoedi-Arabië is voorbij. Wanneer gaat de regering nu eens echt actie ondernemen? Ik wijs de regering in dit verband op artikel 9 van de Conventie van Genève, dat het aan het ontvangende land toestaat om ambassadepersoneel zonder opgaaf van redenen tot persona non grata te verklaren. Hierop krijg ik graag een reactie van de regering. Om het wahabisme in Nederland de kop in te drukken is ook strafrechtelijk ingrijpen geboden. De aanpak van het achterlijke boek \"De weg van de moslim\" – waar wij vandaag voor kiezen – moet een voorbeeldfunctie hebben, en uitstralen dat het aanzetten tot haat en geweld, het misbruiken van de vrijheid van meningsuiting en het desintegreren van de Nederlandse samenleving niet worden getolereerd. Een verbod op het boek lijkt mijn fractie in deze tijden van internet naïef en onverstandig. Daar moeten wij niet aan beginnen, alleen al omdat een hoop andere boeken misschien ook wel voor een dergelijk verbod in aanmerking zouden kunnen komen. De aandacht moet zich vooral richten op de verspreiders van het boek." 2004-04-28;Azough;02302;GroenLinks;h-tk-20032004-4714-4742.1.9.5;"Al Tawheed-moskee ";391;1;"Ik ben het met de heer Van der Staaij eens, dat een gemakkelijke verwijzing naar de bijbel in dit debat niet past. Ik vind zijn houding echter ook enigszins die van het braafste jongetje van de klas. Hij wil toch niet ontkennen dat er ook christenen en joden zijn die wel het Oude Testament zien als de universele waarheid in deze samenleving, niet per se in Nederland maar wel in de wereld?" 2004-05-25;Pormes;02295;GroenLinks;h-ek-20032004-1589-1656.1.4.1;"Beleidsdebat Buitenlandse Zaken ";10008;13;"Voorzitter. De heer Van Gennip is een beetje boos op twee zeer gewaardeerde collega's van mij aan de overzijde. Misschien kunnen wij een soort uitruil overeenkomen. Ik zal bezien wat ik eraan kan doen om hen te overtuigen, als de heer Van Gennip bereid is meer te luisteren naar het standpunt over Irak van twee prominente CDA'ers, te weten de heren Andriessen en Van den Broek. Ik wil eerst de minister feliciteren. De heer Van Thijn begon zijn bijdrage met felicitaties aan het adres van de heer Bot, maar ik feliciteer mevrouw Van Ardenne met de eerste plaats op de ranglijst van het Center for Global Development voor de ontwikkelingsvriendelijkheid van het beleid van rijke landen ten opzichte van arme landen. Deze ranglijst is vorige week verschenen in het Amerikaanse blad Foreign Policy. Ik begin mijn bijdrage met buitenlandse zaken. Ter wille van de tijd zal ik mij beperken tot het conflict in het Midden-Oosten, Afghanistan en Irak. Voorzitter. Zelfmoordaanslagen, vergeldingsacties, terreur, executies, het geweld in de Palestijnse gebieden escaleert. Het wordt steeds erger. Zonder enige schaamte worden woningen vernietigd. Burgers, vrouwen en kinderen worden bestookt met raketten. Gevechtshelikopters beschieten een vreedzame rouwmars. In Rafah zijn meer dan 40 Palestijnen gedood, en honderden gewond door Apachehelikopters en tanks, die in het wilde weg het vuur openden op woonwijken. Het slopen van honderden huizen maakte meer dan 1100 mensen dakloos. Vreedzame demonstranten zijn vermoord met tankgeschut. Ondanks een veroordeling door de VN-veiligheidsraad en de algemene internationale woede om Israëlische acties, gaat Israël door met zijn verwoestende acties. Waarom accepteren wij dit? Kan de minister ons uitleggen waarom Nederland accepteert dat een bevriende natie, want zo noemen wij Israël, tot zulke misdaden in staat is? Wat heeft een bevriende natie als Nederland gedaan om Israël tot de orde te roepen? Elf jaar na de ondertekening van de Osloakkoorden lijkt vrede verder weg dan ooit. Toch blijven miljoenen mensen in Israël en Palestina geloven in vrede en veiligheid. Neem de verklaring van 153 prominente Israëlische academici: Urgent Appeal for International Involvement, met als motto: Save Palestine and Israel. Deze verklaring is nog geen jaar geleden uitgebracht. Zij beschouwen de \"road map\" als een de facto uitgangspunt, gedicteerd door de heersende politieke omstandigheden. Zij vrezen dat uitstel van het vredesproces zal leiden tot een voorzetting van de vernietiging van de Palestijnse infrastructuur en dat dit uiteindelijk kan resulteren in een moedwillige verdrijving van Palestijnen door Israël. Al geruime tijd wordt in Israël publiekelijk gesproken over een vorm van transfer van Palestijnen naar de buurlanden. Deze 153 Israëlische academici van naam hebben zich gewend tot de wereldleiders en tot de internationale gemeenschap met het dringende verzoek tussenbeide te komen. Is de minister hiertoe bereid? Deelt hij de angst van deze 153 academici? De fractie van GroenLinks steunt het Israëlisch-Palestijnse vredesplan van een half jaar geleden, overeengekomen in Genève. De auteurs van \"Genève\" hebben overeenstemming bereikt over zaken als de status van Jeruzalem, de ontruiming van nederzettingen en de terugkeer van Palestijnse vluchtelingen. Daarop zijn vele vredesinitiatieven tot nu toe gestrand. na maanden van geweld en cynisme over de routekaart voor vrede is dit een bemoedigend teken. Uit onderzoek blijkt dat ook burgers van Israël ervoor open staan. Ook is er veel internationale steun, zoals van de minister van Staat, de heer Kok, en met hem van meer dan vijftig voormalige staatshoofden. Ik heb ook begrepen dat er steun is van minister Bot. Een belangrijke meerwaarde van dit plan is dat het zich heeft opgewerkt van de \"grass roots\" tot de hotshots van de internationale politiek. Nederland moet de Europese Unie aanspreken als speler in het kwartet dat toeziet op de naleving van de routekaart voor de vrede en moet maximaal gebruikmaken van de impuls die de initiatiefnemers hebben gecreëerd. Minister Bot vindt dit ook, maar hoe vertaalt hij dit nu feitelijk in zijn beleid? De rol van de Verenigde Staten als aanjager van de routekaart is mistig. Zij zijn wederom bezig met het bedenken van eigen oplossingen zonder de actoren van de routekaart te consulteren. Waarom? Heeft dit te maken met de herverkiezing van Bush of heeft het te maken met het joodse electoraat? Willen ze dat sussen? Het is een veel geopperde misvatting, een mythe die groepen graag in stand houden. De feiten zijn anders: 81% van de Amerikaanse joden stemde bij de recente verkiezingen op Al Gore. Bush heeft eerder te duchten van zijn eigen rechterflank als hij niet aardig is voor Israël en – \"erger\" nog – té aardig lijkt te zijn voor Arafat. Voor de Amerikaanse neoconservatieven is de vijand sinds 11ENTITY-#160september het internationale terrorisme, inclusief Arafat. Het christenfundamentalisme lijkt de agenda te bepalen. Nederland en Europa kunnen niet langer toekijken en zich gedragen als schoothondje van de Verenigde Staten. Veel tijd is er niet meer over, want de situatie in de bezette Palestijnse gebieden wordt nijpender. Liquidaties, invallen in vluchtelingenkampen en steden zijn aan de orde van de dag. De bezetter verwoest en bombardeert huizen. Dorpen en steden worden hoe langer, hoe meer van de buitenwereld en van elkaar afgesneden. De beschamende \"gettoïsering\" van de Palestijnse gebieden gaat gepaard met een extreem hoge werkloosheid, met het ontbreken van elementaire medische en hygiënische voorzieningen en algehele ondervoeding. Ook de Israëlische bevolking begint de pijn te voelen. De onevenredig grote investeringen in het nederzettingengebied en in het militaire apparaat hebben een ernstige economische recessie en een hoge werkloosheid veroorzaakt. Een derde van de Israëlische bevolking leeft zelfs beneden het bestaansminimum. Israël is hard op weg om een nieuwe vorm van Apartheid te creëren. De veel besproken muur, de scheidingsbarrière die ervoor zorgt dat duizenden hectaren Palestijns land de facto worden geannexeerd door Israël, moet ongeveer zeshonderd kilometer lang en 8 meter hoog worden. Zij is voorzien van bewapende wachttorens, elektronische hekken, greppels, camera's, sensoren en patrouilles. Honderdduizenden Palestijnen worden gescheiden van hun werkplek en van basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg en onderwijs. Land wordt hen ontstolen. Niemand zal het recht van Israël ontzeggen om zich te verdedigen tegen terreur. Waarom wordt er alleen niet gekozen voor effectievere middelen, voor alternatieven die deskundigen hebben aangereikt en die op veel draagvlak kunnen rekenen? Zo kan het functioneren van de checkpoints langs de groene lijn tussen de Westelijke Jordaanoever en Israël worden verbeterd. Ook kan een VN-macht langs de groene lijn worden geplaatst. Gelet op de gekozen route, de achterliggende motieven, de geconstateerde nalatigheid, de veroorzaakte schade en de schendingen van de mensenrechten is de bouw van de barrière geen legitieme veiligheidsmaatregel, maar een illegale maatregel, gericht op de annexatie van Palestijns land. Wij staan niet alleen in onze kritiek. Ook de VN-rapporteur John Dugard concludeert terecht dat het illegale handelingen zijn. Met de bouw van de barrière consolideert Israël de bezetting van meer dan 50% van de bezette gebieden. 90% van de Palestijnse bevolking in de bezette gebieden blijft op het verbrokkelde, resterende deel achter. De nederzettingen en Israëls controle over de Westelijke Jordaanoever krijgen een permanent karakter. Een tweestatenoplossing met een onafhankelijke en levensvatbare Palestijnse staat wordt praktisch onmogelijk. De internationale gemeenschap staat erbij en kijkt ernaar. De fractie van GroenLinks dringt aan op actie en beleid. Ook minister Bot wenst een veel prominentere rol van de Europese Unie. Humanitaire hulp aan bezette gebieden moet worden vermeerderd. De \"civil society\" en de vredesbeweging moeten worden versterkt. Dit kan geschieden door samen met ontwikkelingsorganisaties te werken aan een gemeenschappelijk actieplan. De fractie van GroenLinks wil de mogelijkheid tot het opleggen van economische sancties en tot het opschorten van culturele verdragen met Israël onderzoeken. Daarbij dient de hulp aan de Palestijnse Autoriteit te worden betrokken. Er moet dus pressie worden uitgeoefend op beide partijen, proportioneel. Op deze wijze moeten wij trachten om druk uit te oefenen op de partijen om ze weer om de onderhandelingstafel te krijgen. Europa is voor Israël een belangrijke exportpartner, want Europa importeert jaarlijks voor zo'n 10 mld euro aan Israëlische producten. Door het associatieakkoord, een handelsovereenkomst tussen Europa en Israël, heft de douane van de EU-landen geen importbelasting op Israëlische producten, variërend van wijn en waterkoelers tot chips en verse kruiden. Een voorbeeld van een geslaagde maatregel is dat producten uit de illegale nederzettingen in bezette gebieden niet meer als \"Israëlische producten\" op de Europese markt mogen worden gebracht. De fractie van GroenLinks wil via economische druk duidelijk maken dat zij de illegale nederzettingen in bezet gebied afkeurt. Die principiële houding is noodzakelijk om Israël ook echt werk te laten maken van terugtrekking uit de bezette gebieden. Dat economische druk kan werken blijkt uit een voorbeeld van de Duitse douane. Deze oordeelde dat het associatieakkoord niet van toepassing was op handzame waterkoelers, waardoor de exporteur de aantrekkelijke importkorting voortaan misloopt. Misschien moeten wij ook denken aan andere slimme maatregelen: vervolging van oud-bewindslieden in Israël die zich schuldig hebben gemaakt aan die schendingen, en ook van militairen. Misschien moeten wij ons visumbeleid daarop aanpassen. Graag een uitgebreide reactie op dit onderdeel, betreffende het conflict Israël-Palestina. Misschien kunnen de bewindslieden ook zelf komen met heel concrete maatregelen." 2004-05-25;Van Gennip;02864;CDA;h-ek-20032004-1589-1656.1.3.1;"Beleidsdebat Buitenlandse Zaken ";6478;10;"Mevrouw de voorzitter. \"Nederland is voornemens activiteiten te ondersteunen op het gebied van de DDR en wel training van de grenspolitie.\" Dit is geen citaat uit \"Bye, bye Lenin\", waarin de maker van deze recente film de Muur de andere kant op laat vallen en hem opent naar oostelijke richting, zodat de onderdrukte en uitgebuite West-Europeanen opvang en troost in de woonkazernes van Oost-Berlijn vinden. Het is ook geen nachtmerrie waarin Muuraanbidders als Ien van den Heuvel en Elsbeth Etty de macht hebben overgenomen en dankbaar de Vopo's gaan steunen. Nee, het was wel onze eerste ambassadeur in de DDR, die deze woorden sprak en wel op 17ENTITY-#160december: ja zeker, de net aangetreden nieuwe minister van Buitenlandse Zaken, de heer Bot. In dat nieuwe jargon ligt namelijk precies de spanning tussen 9-11 en 11-9: \"9-11\" de val van de Muur en \"11-9\" de aanval op het Wereldhandelscentrum in New York. In november 1989 dachten we dat de vrije markt het laatste woord had gekregen en op 11ENTITY-#160september 2001 gingen wij ons realiseren dat die tien, twaalf jaren na de Koude Oorlog slechts een interregnum van de vrije markt waren geweest, zoals Schäuble dat zegt in zijn jongste boek \"Scheitert der Westen?\", of een \"terme de grace\" zoals het door onze fractie enige malen bij de begrotingsbehandeling van Buitenlandse Zaken en Defensie is genoemd, ruim vóór 2001 overigens. DDR: disarmament, demobilization and reintegration. Ik wijs op de doorbraak in de vorm van het Stabiliteitsfonds – ik vond Vredesfonds toch een mooiere naam en minder verwarrend – dat strijdende partijen in burgeroorlogen, niet zelden kindsoldaten, een ander perspectief moet bieden dan de medewerking aan het verbloeden van de eigen natie èn van zichzelf. Het is ook een symbool van de nieuwe verantwoordelijkheid van westerse, Europese landen om op rare plaatsen in de wereld ons bezig te houden met veiligheid, ordeherstel, vredesopbouw. \"Wat hebben wij in 's hemelsnaam te zoeken in Liberia?\", zeiden sommigen, ook in het regeringskamp, naar aanleiding van de sonderingen van de ministers van Buitenlandse Zaken en Defensie. Het antwoord had kunnen zijn: gelukkig maar, dat de Amerikanen in 1915 en in 1941 niet hetzelfde hadden gezegd over onze landen en landjes. Maar er is ook dat andere antwoord: een globaliserende wereld heeft integrale veiligheid nodig of zal nergens veilig zijn. Het beleidsdebat vandaag heeft iets, moet iets hebben, van een tweeslachtigheid, een paradox. Het definitief uitgummen van de door Stalin en Hitler getekende grenslijnen in Europa aan het begin van deze maand is een buitengewone verworvenheid, een zegen, een overwinning. Zonder om te zien in wrok is het bij tijd en wijle goed ons te herinneren aan wie we dat vooral te danken hebben en aan wie niet. De Süddeutsche Zeitung citeerde twee weken geleden nog eens een van de leidende veiligheidsmensen van de toenmalige DDR: \"We waren op alles voorbereid, alleen niet op kaarsen en gebeden.\" Vijftien jaren waren er nodig om vijfenveertig jaren communistische dictatuur economisch, politiek, cultureel, in de opbouw van instellingen en vooral psychologisch te herstellen, enigszins te herstellen. Het perspectief op de terugkeer naar Europa was richtinggevend; de inzet van vooral de Europese Commissie daarbij instrumenteel. Het is goed om nu en hier daarbij de namen van twee van de drie verantwoordelijke Commissarissen te vermelden: Andriessen en Van den Broek. Ook aan hen behoort respect voor de op 1ENTITY-#160mei bereikte mijlpaal, en zij staan ook een beetje symbool voor de inzet vanuit Nederland – zij het wat laat – om onze politieke uitkijk een kwart slag te draaien, ons meer bezig te gaan houden met de kansen en problemen van dat grote Europese achterland. Daarmee werd ons buitenlandse beleid de afgelopen vijftien jaar ook sterk gevangen in de noodzaak het momentum van 1989 te verzilveren in een Europees groeiproces. \"Ein Kontinent wächst zusammen.\" Maar die mijlpaal geeft het Nederlandse buitenlandse beleid misschien ook weer wat meer ruimte om globaal te gaan. En dat is nodig. De beelden van de spuitende sektflessen op de Trabantjes zijn allang aan het verbleken; prangender werden al de foto's van Romameisjes van negen jaar die zich aan de Duits-Tsjechische grens aanbieden. Maar dat de Europaforie tijdelijk was, blijkt als op 11/9 de beelden van imploderende Twin Towers de vallende Muur definitief in de schaduw stellen. De andere wereldorde die zich dan aankondigt, vraagt ook van Nederland een andere buitenlandse politieke agenda. Een agenda, die gemarkeerd wordt door kindsoldaten die soms kleiner zijn dan hun kalasnikows; door op lichamen van dode Amerikanen dansende Irakezen en al die andere beelden van de laatste weken – helaas ook van Amerikanen – waarvan we dachten dat zulke shots na 1945 niet meer gemaakt konden worden. Die twee over elkaar heen kruipende, tegenstrijdige bewegingen, die paradox, bepalen de noodzaak van dubbele creativiteit en engagement van ons buitenlandse beleid: een naar eenheid, veiligheid en welvaart werkende Europeanisering aan de ene kant en een gendarmearme, misdaad en terrorisme kans biedende globalisering aan de ene kant. Het is aan beide concurrerende en bijna monopoliserende bewegingen dat het Nederlandse buitenlandse beleid aandacht, creativiteit en actie moet besteden. Deelt de regering deze analyse? Mijn fractie juicht het toe dat daarmee ook de wereld van de ontwikkelingspolitiek in nauwe verbinding wordt gebracht met die van het buitenlandse beleid en dat beide ministers in de Eerste Kamer aanwezig zijn bij een geïntegreerd debat. Het een is niet ondergeschikt aan het ander, maar beide dienen instrumenten te zijn, waarmee ons land de realiteit van de globalisering dient de koppelen aan de norm van humaniteit. Het al gehouden Europadebat geeft ons de vrijheid aan de eerste beweging voorbij te gaan en ons te concentreren op die probleemgebieden die het meest de veiligheid van de wereld en daarmee dus ook die van ons bedreigen. In het Midden Oosten is Irak voor ons directe buitenlandse beleid de meest urgente kwestie. Wij willen niet voor onze beurt spreken in de afweging tussen bevoegdheid bestuur Irakezen, VN-mandaat en abandonneren van Irak en het dus een nieuw Rwanda laten worden. Dat is het echte dilemma waarvoor wij op dit moment staan: Irak in een verscheurende burgeroorlog storten. De minister heeft gezegd dat de resolutie die vannacht door de VS is ingediend, goed klinkt. Ik hoor graag een nadere toelichting." 2004-08-31;Rouvoet;02541;ChristenUnie;h-tk-20032004-5931-5978.1.3.1;"Rapport \"Bruggen bouwen\" ";19152;23;"Voorzitter. Als er ergens gesproken kan worden van schuivende panelen, dan wel op het terrein van het integratiebeleid. De commissie-Blok beschrijft het, het kabinet beaamt het: wij zijn van het welzijnsbeleid via het minderhedenbeleid terecht gekomen bij het integratiebeleid. De verschuiving in het maatschappelijke en politieke debat gaat verder dan deze wijziging van accent en benaming van het beleid. De sfeer waarin, de toon waarop en het klimaat waarin wij spreken over zaken als immigratie en integratie is wezenlijk veranderd. Het is nog niet zo lang geleden dat het debat werd overheerst door een meer idealistisch en optimistisch spreken over de multiculturele samenleving. Dat hing samen met de dominante politieke opvattingen: een ideologisch multiculturalisme dat ook sterke cultuurrelativistische trekken had. Culturele diversiteit en pluraliteit waren niet alleen feitelijkheden, maar tevens nastrevenswaardige idealen op zichzelf. Toenmalig minister van Justitie Hirsch Ballin wilde, ook vanuit die benadering, zelfs toe naar een pluriform rechtssysteem. De meer problematische kanten die er natuurlijk toen ook al waren, bleven vaak onderbelicht. Het gevolg was te veel vrijblijvendheid in het beleid en een brede neiging om de reële problemen die met de komst van groepen allochtone nieuwkomers in ons land samenhingen, te ontkennen of in ieder geval te bagatelliseren. Wie vragen stelde rond het absorptievermogen van de Nederlandse samenleving of het waagde te spreken over het evenwicht tussen rechten en plichten, de zorgwekkende cijfers met betrekking tot het aandeel van allochtone minderheden in de criminaliteit of de noodzaak tot het aanvaarden van bepaalde kernwaarden van de Nederlandse rechtsorde en de beperkingen die dus vanuit die rechtsorde zouden moeten worden gesteld aan de beleving van de eigen identiteit van de nieuwe medelanders, kon op veel weerstand en bestrijding rekenen. Daarmee begaf je je buiten de algemeen aanvaarde grenzen van het debat. Verwijten van stigmatisering en het inspelen op onderbuikgevoelens waren al gauw je deel. Ik herinner mij dat ik tien jaar geleden sprak op een partijcongres over het thema \"vreemdelingen voor elkaar\" en daar kritiek uitoefende op de heersende ideologie van het multiculturalisme. Dat was toen niet erg politiek correct. Nu staat het met zoveel woorden in het kabinetsstandpunt dat wij vandaag bespreken, en wordt het ook breed gedragen in politiek en samenleving. Het mag duidelijk zijn dat mijn fractie deze klimaatverandering als zodanig positief waardeert: een evenwichtiger benadering, oog voor schaduwzijden en problematische aspecten van onze multi-etnische samenleving, verplichtend in plaats van vrijblijvend en – zoals het kabinet terecht schrijft – zonder het multiculturalisme als normatief ideaal te beschouwen. Het klinkt ons vandaag de dag misschien meer dan vroeger als tamelijk vanzelfsprekend in de oren, maar toch gaat het hier om een betrekkelijk nieuw geluid. Ik herinner mij nog de storm van protest die CDA-lijsttrekker Balkenende over zich heen kreeg toen hij het waagde een opinieartikel met deze strekking te publiceren. Veel van de uitgangspunten van het kabinet worden dus door mijn fractie gedeeld. Tegelijkertijd wil ik een kanttekening plaatsen. Wij moeten ervoor oppassen door te schieten naar de andere kant. Een zakelijke, nuchtere benadering met oog voor de problemen is prima. Sterker nog: dit is noodzakelijk. Er is echter geen noodzaak om alles wat met integratie samenhangt, te problematiseren. Ik proef dat wel een beetje bij het kabinet dat nu tegenover het normatieve ideaal van het multiculturalisme, het centrale sociale probleem van de integratie plaatst. De vraag is of dat nodig is en of dat ons als zodanig verder helpt. Het kabinet mag dan aan het einde van de reactie zeggen niet te streven naar polarisatie of afwijzing van minderheden – ik neem dat direct aan en val het kabinet daarin bij – maar toch kunnen wij er niet omheen dat de discussie momenteel met scherpte wordt gevoerd en in ieder geval zo wordt gevoeld. Dat geeft wel degelijk aanleiding tot zorg omdat het ook kan leiden tot een gevoel van onheuse bejegening. Met andere woorden: uitgangspunten als \"integratie is geen assimilatie\", \"integratie is wederzijds\" en \"de noodzaak van het voorkomen van wantrouwen\" zijn goed en worden door mijn fractie onderstreept. Het komt echter zeker ook aan op de uitwerking in de praktijk en de toonhoogte van het debat. Ook in zakelijkheid kan men doorschieten en daar moeten wij voor blijven waken. Ik wil nog een kanttekening plaatsen. Ik ontkom af en toe niet aan de indruk dat achter bepaalde maatregelen op het terrein van het integratiebeleid niet primair bevordering van integratie het motief is, maar veeleer beheersing van de immigratie. Ik denk daarbij aan de maatregelen op het terrein van huwelijksmigratie, ook al is daar veel over te zeggen. Dergelijke verzwegen doelen van het integratiebeleid dragen niet bij aan een zuiver en evenwichtig debat. Zij kunnen mogelijk wel leiden tot ongerustheid en onzekerheid bij degenen over wie het gaat. Er is in het debat geen behoefte aan taboes, maar ook niet aan onnodig zware en grote woorden. De tekortkomingen binnen het integratiebeleid moeten worden benoemd, maar het helpt niet als politieke leiders lukraak roepen dat het integratiebeleid is mislukt. Ik heb er geen behoefte aan om het debat met de commissie-Blok op dit punt over te doen. Ik vind echter de manier waarop door sommigen aan de haal werd gegaan met dit eigen onderzoek van de Kamer, zelfs voor dat het rapport publiek was gemaakt, een schoolbeeld van onnodige en ook weinig behulpzame polarisatie van een complex vraagstuk. Mijn fractie voelt zich in dat opzicht meer thuis bij de benadering van de commissie-Blok, ondanks de kritische opmerkingen die wij over het rapport en de aanbevelingen hadden. De commissie heeft ten aanzien van de hoofdvraag benadrukt dat het bij de beoordeling van het integratiebeleid van de afgelopen decennia van groot belang is om heel precies te zijn bij het aanwijzen van de terreinen en de effecten van het beleid op die verschillende terreinen zonder tot categorische oordelen te komen over de vraag of zaken zijn mislukt of niet. Er is een opmerking van dezelfde strekking te maken over de manier waarop de laatste jaren over de rol van religie wordt gesproken. Ik signaleer steeds meer de neiging om niet alleen naar de reële problematische aspecten van een ons vreemde religie te kijken, maar om gemakshalve de islam als zodanig te problematiseren. De zorg over uitwassen die samenhangen met het islamitische geloof zijn natuurlijk reëel. Daarin past geen naïviteit. Die zijn wij voorbij. Wij moeten ervoor oppassen dat het debat over integratie in zijn geheel wordt overschaduwd door uitingen van fundamentalistisch extremisme en dreigend terrorisme en het debat daarover. Dat helpt ons niet verder en het dient zeker de integratie zelf niet. Ik vind het riskant dat niet iedereen de verleiding kan weerstaan om vanuit eigen opvattingen over de rol van religie in het publieke leven vergaand in te grijpen in de grondrechten en vrijheden van anderen. Soms valt er zelfs een seculier-humanistische zendingsdrang te bespeuren om religie als zodanig te bestrijden. Juist dezer dagen hebben wij daar weer een voorbeeld van gezien dat in de media wordt beschreven als een provocatie en een kruistocht tegen de islam. Hierachter kunnen goede intenties zitten, zoals verzet tegen geweld tegen vrouwen, maar volgens mij dient dit soort acties de integratie en het debat daarover niet echt. Een van onze kritiekpunten ten aanzien van het rapport van de commissie-Blok was dat er nauwelijks oog was voor de factor cultuur en religie in het proces van integratie. Mevrouw Huizinga-Heringa heeft namens de ChristenUnie-fractie dat in het debat met de commissie uitvoerig ter sprake gebracht. Wij zijn ervan overtuigd dat de integratie echt onmogelijk zal blijken te zijn als de betekenis van cultuur, religie en levensovertuiging voor de identiteit van mensen en derhalve ook voor hun positie in een samenleving, zeker als dat een nieuwe samenleving is, wordt miskend. Ik ben het eens met de stelling van het kabinet dat integratie geen assimilatie is. Dat betekent dat wij moeten accepteren dat er grenzen zijn aan wat wij onder de noemer van gedeeld burgerschap kunnen afdwingen. Dat impliceert het aanvaarden van een eigen identiteit van mensen die onder meer is bepaald door cultuur en religie. Zelfs als het om kernwaarden van de Nederlandse samenleving gaat, zijn er – of wij dat nu leuk vinden of niet – grenzen aan de mogelijkheden om mensen, autochtoon of allochtoon, tot conformiteit aan die kernwaarden te brengen. De grenzen van die mogelijkheden vallen samen met de grenzen van het publieke domein. Ik vind de commissie-Blok op dit punt zeer zorgvuldig. Ik citeer een passage: \"De waarden en normen zoals die in de wet zijn verankerd, worden door eenieder in acht genomen. In het publieke domein dient de wet zondermeer te worden gerespecteerd. In het private domein is er ruimte voor differentiatie en eigen interpretatie zolang dat niet in strijd is met de wet. Naast de waarden en normen die in de wet zijn verankerd, zijn er ook ongeschreven regels die het functioneren in de samenleving makkelijker maken en daarom van belang zijn voor nieuwkomers om zich op te oriënteren.\" Een uitstekende benadering. Een consequentie is wel dat wij de vrijheid om in eigen kring naar eigen cultureel-religieuze maatstaven te leven respecteren, ook als dat tegen onze waarden ingaat. Als wij dit als samenleving niet kunnen opbrengen en als wij grondrechten van nieuwkomers als hinderlijk ervaren bij het realiseren van ons idee van een goede samenleving, lopen wij het risico dat wij op de lange termijn grondrechten aantasten en dat wij ons schuldig maken aan eenzelfde type onverdraagzaamheid, om niet te zeggen fundamentalisme, als wat wij op andere fronten zeggen te willen bestrijden. Ik ben ermee ingenomen dat het kabinet zich in zijn standpunt van de beperkingen in dit opzicht bewust blijkt te zijn. Het zegt dat het over onderwerpen die op het terrein van de persoonlijke vrijheid liggen, maar die wel een relatie hebben met wat in onze samenleving als kernwaarden wordt aangeduid, in discussie – ik zou zelf liever zeggen: in gesprek – wil gaan met in dit geval de moslimgemeenschap. Dit lijkt mij inderdaad de juiste benadering: helderheid over de wet, de wetten als \"muren van de samenleving\", zoals het zo mooi wordt genoemd, en daarbinnen is er ruimte om met elkaar in gesprek te komen over wat wij belangrijk vinden, maar daarbij zijn de mogelijkheden van de overheid om in het private domein dingen af te dwingen beperkt. Ik onderstreep dit. Wel geldt natuurlijk voor nieuwkomers net zo goed als voor autochtone Nederlanders dat de vrijheid die in de grondrechten aan iedereen toekomt, behoort te worden beleefd en genoten binnen de grenzen die onze rechtsorde eraan stelt. Daar doet ook het principe dat integratie een proces van twee kanten is, niets aan af. Integratie is geen totale aanpassing, geen assimilatie, van de nieuwkomer aan \"de Nederlander\", zo die al zou bestaan, maar wel een inpassing van de medelander met zijn eigen cultureel-religieuze identiteit in de Nederlandse rechtsorde. Je durft het bijna niet meer hardop te zeggen, maar in die zin is wat mij betreft de slogan \"integratie met behoud van identiteit\" nog altijd wel actueel. Het kan ook eigenlijk niet anders, je kunt niemand met regelgeving afnemen wat wezenlijk is voor zijn persoonlijkheid. Je kunt wel grenzen stellen aan de uiting daarvan, in ieder geval in het publieke domein. Waartoe leidt dit uitgangspunt? Ik zal niet proberen om een uitputtende opsomming te geven, ik noem willekeurig een aantal punten. Tegen vrouwenbesnijdenis moet hard worden opgetreden, stevig en consequent. Antisemitisme, ook allochtoon antisemitisme, mag niet worden getolereerd. Daarnaast is ten aanzien van kleding en andere religieuze uitingen terughoudendheid op haar plaats, maar er kunnen functionele gronden zijn om beperkingen te stellen aan de individuele vrijheid. Het kabinet heeft een aparte nota hierover aan de Kamer voorgelegd en wij kunnen hierover volop in debat. Overigens is het wel goed om te bedenken dat godsdienstvrijheid niet alleen ziet op de vrijheid voor een groep, maar eerst en vooral op een individuele vrijheid. De paradox van de rechtsstaat is dat de mogelijkheden van de overheid om bijvoorbeeld uit emancipatoir oogpunt in te grijpen in de privé-sfeer om de individuele keuzevrijheid van bijvoorbeeld vrouwen te bevorderen beperkt zijn. Zulke nobele doelstellingen stuiten vroeg of laat op de grenzen die de rechtsstaat aan ons handelen stelt. Na deze wat meer beschouwende inleiding, die ik essentieel vind voor mijn bijdrage aan dit debat omdat er over een heleboel meer concrete punten al uitvoerig is gesproken in het debat met de commissie-Blok en in het kader van andere trajecten, zoals de nieuwe Wet op de inburgering en de aanpak van de illegaliteit, kom ik toch op een aantal meer concrete onderwerpen. Onze woordvoerder, mevrouw Huizinga, heeft bij verschillende gelegenheden klip en klaar gemaakt wat het standpunt van de ChristenUnie is; ik zal dit niet nogmaals doen. Bovendien heeft de fractie van de ChristenUnie net als de meeste andere fracties in het debat met de commissie-Blok al een eigen notitie met een aantal gedachten, opvattingen en voorstellen op het terrein van integratie gepresenteerd. Aangezien dat debat vooral in het teken stond van de bevindingen en aanbevelingen van deze commissie, lijkt het mij goed om op een enkel punt onze ideeën en voorstellen nog voor het voetlicht te brengen. Het was een zeer bewuste keuze om onze notitie de titel \"Kiezen voor Nederland\" te geven. Deze titel hangt nauw samen met de visie van de ChristenUnie op integreren. Het gaat om medeburgerschap en om kansen om zich te ontplooien voor degene die kiest voor een toekomst in Nederland. Dit laatste is cruciaal; integreren begint met wezenlijk kiezen voor je nieuwe land. Het is een voorwaarde voor verwezenlijking van een groot aantal andere met integratie verbonden zaken, zoals werkgelegenheid, sociale integratie enz., al is het niet voldoende. Vandaar ook ons voorstel om bij naturalisatie via een loyaliteitsverklaring het moment te markeren waarop de aspirant-Nederlander duidelijk maakt, zich ook innerlijk te willen verbinden met het land waarin hij zijn nieuwe toekomst ziet. Dit sluit ook wat ons betreft – zo zeg ik mede in de richting van mevrouw Halsema, die daar ook over gesproken heeft – een zekere mate van blijvende verbondenheid met het land van herkomst vanzelfsprekend niet uit. Dat zou ook niet kunnen, maar het geeft wel uitdrukking aan de innerlijke keuze en het commitment om de toekomst niet dáár maar híer te zoeken. Mevrouw Huizinga heeft in het debat met de commissie er de vinger bij gelegd dat hier een les ligt in het kader van de eerdere immigratiebewegingen van vóór 1970: waar sprake was van een dubbele loyaliteit, gaf de integratie ook veelal problemen. Een voorbeeld dat toen ook besproken is in het debat, is dat van de Molukkers. Dit, terwijl een meer besliste keuze voor Nederland als nieuw vaderland een succesvolle integratie vergemakkelijkte. Immers, het is geen garantie, maar het vergemakkelijkt het wel. Dit dan zonder dat er sprake was van een totaal verlies van eigen taal, cultuur en religie. Denk aan de joden en grote groepen van de Indische Nederlanders. Ik vraag de bewindslieden hoe zij vanuit de uitgangspunten van het kabinet – integratie is meedoen – en ook vanuit de voorstellen van het kabinet om tot een meer ceremoniële vormgeving van de naturalisatie te komen, aan kijken tegen zo'n loyaliteitsverklaring als door ons is voorgesteld. Vanuit dezelfde gedachtegang – er is zonet al even bij interruptie over gesproken – is het dat de fractie van de ChristenUnie, net als het kabinet, pleit voor het tegengaan van dubbele nationaliteit. Ik heb eigenlijk niet veel toe te voegen aan wat daarover zojuist gewisseld is – daarom maakte ik die opmerking zo-even in de richting van mevrouw Halsema – namelijk als het erom gaat of dit per definitie betekent dat je deloyaal moet zijn aan en afstand moet nemen van het land van herkomst. Daarvan kan ook geen sprake zijn, maar wat dat betreft hoef ik niet te herhalen wat ik zojuist over de loyaliteitsverklaring heb gezegd. Voorzitter. Ik kom bij het thema criminaliteit. Men kan er niet omheen dat een belangrijk deel van de moeite rond het actuele integratievraagstuk direct dan wel indirect ook te maken heeft met de hinder die de bevolking ondervindt van overlastgevend en crimineel gedrag. Daarbij moet – in elk geval in de waarneming, maar ook méér dan dat: zie de cijfers – een groot deel van die overlast en dat criminele gedrag op het conto worden geschreven van allochtonen. Niet alleen de overlast of kleinere vormen van criminaliteit vormen een probleem. De parlementaire commissie opsporingsmethoden, de commissie-Van Traa, deed in 1996 op basis van haar bevindingen al de aanbeveling om hoge prioriteit te geven aan het verminderen van de betrokkenheid van gemeenschappen, etnische gemeenschappen, bij de georganiseerde criminaliteit. Het is goed dat het kabinet hier oog voor heeft. Dit in tegenstelling tot de commissie-Blok; dit punt hebben wij ook als kritiekpunt ingebracht tijdens het debat met de commissie. Het is jammer dat de commissie-Blok dit goeddeels heeft laten liggen. De maatregelen van het kabinet liggen vooral op algemeen niveau. Op zichzelf is dat begrijpelijk en ook goed, want de wet is voor iedereen gelijk. Wel is het belangrijk dat wij ons realiseren dat bevolkingsgroepen waarbinnen veel crimineel gedraag voorkomt, daar zelf vaak de meeste last van hebben. Het is dus in het belang van de allochtone groeperingen zelf om de criminaliteitsbestrijding te versterken. Vanuit dit belang is er ook vaak een reële voedingsbodem om hieraan mee te werken. Dit zal ook een aanknopingspunt voor beleid moeten zijn: medewerking krijgen vanuit de risicogroepen zelf. Ik roep het kabinet op om daar voortvarend vorm aan te geven. Er is één uitzondering te onderkennen op de onwenselijkheid om allochtone criminelen op een andere wijze tegemoet te treden dan autochtone criminelen. Een punt waar ik zelf buitengewoon terughoudend in zou willen zijn. De Vreemdelingenwet biedt de mogelijkheid om bij zwaardere veroordelingen wegens een misdrijf waarop drie jaar of méér staat, verlenging van verblijfsvergunningen te weigeren of tijdelijke verblijfsvergunningen in te trekken. Ik heb de indruk dat dit niet of niet consequent wordt gedaan. Ik vraag of daar van de kant van het kabinet iets over gezegd kan worden. Ik heb de indruk dat het daarbij nog wel schort aan communicatie tussen politie en justitie enerzijds en bijvoorbeeld de IND anderzijds. Aangezien die mogelijkheden in de Vreemdelingenwet zijn opgenomen, zou ik erop willen aandringen om van de intrekkingsgronden of weigeringsgronden een consequenter gebruik te maken. Ik krijg graag een reactie van de kant van het kabinet." 2004-11-09;Jurgens;01992;PvdA;h-ek-20042005-62-91.1.2.1;"Europadebat ";18140;23;"Mevrouw de voorzitter. Het publieke debat over Europa is het afgelopen jaar opgeleefd, dankzij de toetreding van tien nieuwe lidstaten, de kandidatuur van nog drie en vooral de kandidatuur van Turkije. Helaas waren degenen die het debat begonnen vooral defensief: Behoren die landen wel tot Europa, tot de Europese identiteit? Wordt de Europese Unie niet te groot? Komen er niet te veel vreemdelingen op onze arbeidsmarkt? Die laatste vraag miskent de aard van de gemeenschappelijke markt, dunkt mij. De vraag of de EU niet te groot wordt om nog een bestuurbare eenheid te blijven is echter alleszins relevant. Tegenover de critici moeten wij het Constitutioneel Verdrag stellen. Dat is er immers op gericht om de bestuurbaarheid, de rechtsstatelijkheid en de doorzichtigheid van de EU te vergroten. Het is nog niet genoeg, maar het is weer een stap voorwaarts. Het is zo'n stap als vanaf 1956 telkens weer gemaakt is. Hecht aan elkaar verankerd, wil Europa de gruwelijke oorlogen waardoor het tot 1945 werd verwoest onmogelijk maken. De vraag over de Europese identiteit is veel moeilijker te beantwoorden. De regering, en met name de minister-president, heeft zich tijdens het EU-voorzitterschap ten doel gesteld om in een reeks conferenties \"de aandacht te vestigen op het Europese beschavingsideaal en zijn waarden\". Vandaag is het 9ENTITY-#160november. 15 jaar geleden viel de Muur die 28 jaar Duitsland en ons allen terroriseerde. In 1938, ook op 9ENTITY-#160november, vond de Kristalnacht plaats en op 11ENTITY-#160november 1918 werd de wapenstilstand voor het einde van de Eerste Wereldoorlog getekend; een slachting van miljoenen soldaten. Voor iemand die net als ik zojuist is teruggekeerd van een reis, georganiseerd door het Auschwitz Comité, naar Auschwitz-Birkenau, Maidanek en Sobibor kost het moeite om dit idealisme, dit Europese beschavingsideaal, als werkelijkheid onder ogen te zien. Voor Helga Deen die in het kamp Vught in 1943, achttien jaar oud, haar zojuist ontdekte dagboek schreef voordat zij met haar lotgenoten in juli 1943 werd afgevoerd en beestachtig vermoord in Sobibor – dat overigens nu ligt aan de uiterste oostgrens van de EU – was van die beschaving en waarden weinig te zien. Wij moeten ons, zo werd mij opnieuw duidelijk verleden week, geen illusies maken. In 1939 woonden er in Polen 3 miljoen joden, nu 2000. De Sjoa betekent een ontwaarding aller waarden. Daarover dus geen illusies, voorzitter, laat staan pretenties. De minister, als hij hier aanwezig was geweest, zal zich het interruptiedebatje herinneren dat ik met hem voerde over de vraag of het begrip \"humanisme\" in de preambule van het grondwettelijke verdrag al dan niet de joods-christelijke tradities omvat. Naar mijn gevoelen omvat dit begrip, de \"humanitas\" van Marcus Tullius Cicero en van de 15de-eeuwse humanist Aeneas Silvius Piccolamini, de latere paus Pius II, wel degelijk de kernwaarden van onze beschaving. In de 19de eeuw was het onder meer Friedrich von Humboldt die, als neo-humanist, deze humanitas verbreidde. In de naar hem genoemde universiteit in Berlijn hield onze minister van Buitenlandse Zaken dan ook onlangs een rede die de aandacht trok, omdat hij voor Europa een federatie sui generis bepleitte. Deze humanitas, deze menselijkheid, heeft ten doel de harmonische ontwikkeling van de begaafdheden van de mens, de hoogste ontplooiing van de menselijke cultuur en beschaving en voorts de milde houding tegenover medemensen, ja, de hele creatuur die daarbij past. \"Menselijkheid\", zei Goethe, \"geeft aan genot een ziel en aan verlangen een geest, zij verschaft aan kracht bevalligheid en aan gezag een hart.\" Menselijkheid is dus het ethos waarnaar wij streven. Het was de Verlichting die dit vertaalde, veelvuldig onder verzet van de georganiseerde religieuze rechtzinnigheid, in mensenrechten, rechtsstaat en democratie. Het waren de Franse en Amerikaanse revoluties die het uitdroegen. Verleden week dinsdag vielen in Amsterdam schoten vanuit een reactionaire wereldvisie die dit humanistische ethos wil ontkennen. Het gaat dus om de Europese identiteit. Zijn dat de waarden, die ik zojuist trachtte te omschrijven? Artikel 1, lid 2, van het grondwettelijke verdrag, zoals het helaas nog niet geldt maar hopelijk zal gelden, omschrijft de waarden van de Unie: menselijke waardigheid, vrijheid, democratie, gelijkheid, rechtsstaat, mensenrechten. Het wil dat onze samenleving gekenmerkt wordt door pluralisme, non-discriminatie, verdraagzaamheid, rechtvaardigheid en solidariteit. Dit is een opsomming van de waarden die de EU wil nastreven. Het zijn dezelfde waarden van de menselijkheid, de humanitas, die ik zojuist omschreef. Vormen zij tevens onze Europese identiteit, zoals de minister-president lijkt te geloven? Kunnen we ze gebruiken om na te gaan waar de grenzen van Europa liggen? Mij dunkt van niet. De Raad van Europa kent 42 lidstaten plus 4 dwergstaatjes. De Kaukasus hoort daarbij, Rusland, de Balkan en Turkije. Juist de Raad van Europa draagt de waarden uit waarover het artikel 1, lid 2, spreekt. Daarom valt het zo op dat in alle officiële stukken, ook in die van de regering, bij het bespreken van het Europese Uniebeleid het bestaan van de Raad van Europa consequent wordt genegeerd. Deze woorden zullen collega Van der Linden zeker aanspreken. Hij hamert daar ook voortdurend op. De EU probeert zelf opnieuw haar waarden te formuleren, terwijl bij een Hof te Straatsburg de burgers van die 46 staten al bescherming kunnen zoeken tegen schending van hun mensenrechten. De regering zou veel uitdrukkelijker de Raad van Europa ten voorbeeld moeten stellen. Dat kan onder meer volgend jaar als er een Europese Top van de 46 plaatsvindt. Het kan ook door veel nadrukkelijker de Raad van Europa, de enige werkelijke pan-Europese organisatie die waarden nastreeft, te steunen en zijn werk te onderbouwen door bijvoorbeeld tijdig het Kaderverdrag minderheden te ratificeren. Niemand kan volhouden dat in die 46 staten die waarden werkelijk gelden. Het is een ideaal waarnaar wij streven, een visioen van een betere wereld. De mensen zelf zullen deze waarden vorm en inhoud moeten geven. De EU en de Raad van Europa, maar ook de OVSE en de NAVO, scheppen de grondvormen waarbinnen dit kan. Dat moet de EU doen, niet zozeer waarden prediken, maar situaties scheppen en structuur geven waarin mensen waarden kunnen beleven. Als stevige statelijk en bovenstatelijke structuren ontbreken, bij wie kan de burger dan immers die medebeslissing en bescherming van zijn rechten opeisen? Menno ter Braak gaf in 1933 in zijn lezing \"Wat zijn de goede Europeanen?\" geen idealistisch antwoord. Hij wees op de praktisch assimilerende factoren binnen Europa, zoals verkeer, radio en mode. Mijn fractie vraagt de regering niet zozeer waarden als grondslag te nemen, maar praktische factoren die de identiteit van een staat, en dus ook van een samenwerking van staten, sinds het begin van de 19de eeuw hebben helpen bepalen. Er is een grote hoeveelheid literatuur over de vraag waaruit de identiteit van de staat eigenlijk bestaat. Het gezaghebbende boek uit 1991 van Antony Smith met de titel National Identity poneert vijf basiseigenschappen van die statelijke identiteit: 1. een historisch territorium of Heimat 2. collectieve mythen en historische herinneringen 3. een gezamenlijke publieke massacultuur 4. gedeelde rechten en plichten van alle burgers 5. een gemeenschappelijke economie met interne mobiliteit voor allen. Toegepast op de EU, de federatie sui generis, zagen Monnet en Schuman in dat je met die laatste twee moest beginnen, dus met de gedeelde rechten en plichten van alle burgers en een gemeenschappelijke economie met interne mobiliteit voor allen. Waar wij aan moeten werken is niet een queeste naar waarden, maar aan een analyse van de elementen waaruit een Europees gevoel van saamhorigheid zou kunnen bestaan, aan de vaststelling welke elementen reeds aanwezig zijn en nagaan welke elementen kunnen worden versterkt en welke nooit een rol kunnen spelen, hoewel ze binnen staten wel een functie hebben zoals taal en religie. Graag krijgt mijn fractie inzicht in de vraag in hoeverre de regering bereid is pretenties over het reeds bestaan van Europese waarden in te ruilen voor een streven, deze te verwerkelijken. Mijn fractie wil voorts vernemen in hoeverre de regering onderschrijft dat overheden niet veel meer kunnen doen dat de bovenstatelijke structuren scheppen waarin de mensen zelf die Europese waarden inhoud moeten geven. Tot slot wil mijn fractie vernemen hoe ver de regering is gevorderd met de analyse van de elementen die kunnen bijdragen tot de ontwikkeling van een Europese identiteit die breder is dan alleen die van een culturele waardengemeenschap. Bij de toelating van met name Turkije tot de EU zal de ontwikkeling van die elementen van grote betekenis blijken, zoals Menno ter Braak al voorzag. Het lijkt mijn fractie van belang dat wij eerst eens binnen Nederland zelf nagaan wat onze gezamenlijke waarden zijn. Die discussie is sinds verleden week opnieuw opgelaaid. Daarbij kan een actieve rol worden gespeeld door het Nationaal Comité 4/5ENTITY-#160mei dat immers poogt om van 5ENTITY-#160mei een feestelijke vrijheidsdag te maken, een dag waarop wij de humanistische ethos gedenken, zoals andere landen hun onafhankelijkheid gedenken of de omverwerping van de tirannie, zoals 14 juillet in Frankrijk. Is de regering bereid om de leiding van het waardendebat niet zelf te voeren, maar over te laten aan het 4/5-mei Comité en dit daarbij extra steun te verlenen? Het past de Senaat om bij een debat als dit zo'n fundamenteel punt voorop te stellen. Daarnaast vraag ik aandacht voor een aantal andere punten. De relatie tussen het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid van de EU tot de WEU zal mijn fractiegenoot Ton Doesburg voor zijn rekening nemen. Ik wil nog iets zeggen over de implementatie van richtlijnen in het Nederlandse recht, de Nederlandse inzet en de rol van de permanente vertegenwoordiging in Brussel, de voortgang van de goedkeuring en ratificatie van het Constitutioneel Verdrag, subsidiariteit, het Europees Parlement en de wijze van benoeming van leden van de Commissie. Reeds in december 2000 werd in dit huis bij het Europa-debat een motie aangenomen waarvan ik de eerste ondertekenaar was. De aanleiding was de manier waarop de regering meende versnelde implementatie van EG-richtlijnen te mogen doorvoeren in de nationale wetgeving. Bepalingen van wetten zouden door AMvB's en zelfs door ministeriële verordeningen opzij gezet kunnen worden, terwijl wetgeving een taak is van regering en Staten-Generaal. Gevraagd werd een rapport te doen opstellen over de relatie EU-Grondwet. Dat rapport, \"De Nederlandse Grondwet en de Europese Unie\", verscheen inderdaad in samenwerking met juristen van de Rijksuniversiteit te Utrecht en de Erasmus Universiteit te Rotterdam in mei 2002. Dat was betrekkelijk snel. Intussen is het eind 2004, vier jaar na het aannemen van de motie, en de regering heeft nog steeds niet laten weten hoe zij de EU en de Grondwet wil integreren. Thans is de hele structuur van de EU, wat Nederland betreft, gebouwd op de artikelen 92 t/m 94 van de Grondwet die voor alle verdragen gelden met direct werkende bepalingen. De Bondsrepubliek Duitsland bijvoorbeeld heeft uitdrukkelijk artikel 23 waarin staat dat de Bondsrepubliek meewerkt aan verwerkelijking van de EU. Dat is toch met minste wat in onze Grondwet moet staan? Moet onze Grondwet dus ook niet zoiets bevatten plus een procedure hoe richtlijnen snel in Nederlands recht kunnen worden omgezet? Nu zijn wij veelal hekkensluiters, zoals de regering telkens zelf moet aangeven. Hoe staat het met het recente arrest van het Bundesverfassungsgericht in Karlsruhe dat het Grundgesetz hoger plaatst van het EU-verdrag? Wat zijn hiervan de gevolgen? Zou invoering van de toetsing door de rechter aan de Grondwet ook bij ons zulke gevolgen kunnen hebben? De rechter stelt dan vast dat de Grondwet zwaarder weegt dan het Verdrag van de EU, zoals in Karlsruhe is gebeurd. Waarom heeft de regering al sinds 2002 niets laten horen over het rapport De Nederlandse Grondwet en de EU? Nu implementatie toch aan de orde is: wil de staatssecretaris zich hier verdedigen tegen de aantijging dat hij schromelijk overdrijft wanneer hij volhoudt dat minstens 60% van de Nederlandse regelgeving van Europese oorsprong is? In het Handelsblad, door sommigen de NRC genoemd, van 4ENTITY-#160oktober jl. komen de onderzoekers Bovens en Yesilkagit op 23%, terwijl Van Schendelen op 21ENTITY-#160oktober in dezelfde krant al die percentages \"mythes\" noemt. Wil de staatssecretaris zijn 60% blijven verdedigen en wat is het nut van deze getallen? Immers, wij moeten onze verplichtingen in het kader van het EU-Verdrag vervullen. In het preadvies van prof. Geelhoed aan de gemengde commissie uit beide Kamers, welke commissie een procedure moest ontwerpen voor de toepassing van de zogenoemde subsidiariteitstoets door het Nederlandse parlement, staat dat toepassing van deze toets de nationale parlementen uit hun betrekkelijke isolement zal halen, al zal veel van de creativiteit van die parlementen afhangen. Deelt de regering deze mening in die zin dat zij het raadzaam acht om, alvorens in de EU-ministerraad een besluit te nemen over de vraag of een ontwerpbesluit de toets van subsidiariteit kan doorstaan, telkens de beide Kamers te raadplegen? Het is straks mogelijk dat de zogenoemde rode kaart wordt uitgedeeld aan een ontwerp-EU-maatregel. Als de Commissie haar voorstel handhaaft, ondanks het feit dat 17 van de 50 stemmen van de nationale parlementen dit hebben afgewezen, kan het EP naar het Hof gaan, zij het via de regering, merkwaardigerwijze. Deelt de regering de mening van mijn fractie dat onze regering in ieder geval geen eigen politiek oordeel zal behoren te vellen over de vraag of zij dit beroep namens het parlement bij het Hof zal instellen of niet? Bij de behandeling van het wetsvoorstel implementatie van de Kaderrichtlijn Water is het mijn fractie opgevallen hoe weinig pro-actief Nederland heeft geopereerd in het voorstadium van de totstandkoming van de richtlijn. Dit gaf in de fractie aanleiding tot discussie over de rol van de permanente vertegenwoordiger bij de EU in Brussel als politiek coördinator van de Nederlandse inzet. De minister van Buitenlandse Zaken heeft als diplomaat Bot gedurende vele jaren op bekwame wijze leiding gegeven aan die permanente vertegenwoordiging. Ik wil hem daarvoor alsnog huldigen. Er zijn klachten dat de permanente vertegenwoordiging onderbemand is en te weinig eigen kennis heeft van de materie, zodat de coördinerende rol te wensen overlaat. Heeft de minister voornemens om deze buitengewoon belangrijke post sterker te bemannen? Is het, gezien de politieke gevoeligheid, niet beter om de permanente vertegenwoordiger het ambt van staatssecretaris te geven, zodat hij door het parlement ter verantwoording kan worden geroepen, zoals ik reeds in 1993 in mijn inaugurele rede in Maastricht voorstelde? Dat pleidooi was helaas vergeefs. Het kan betekenen dat de heer Nicolaï naar Brussel moet verhuizen, maar misschien vindt hij dat een aantrekkelijk perspectief! Acht de regering het aanvaardbaar dat in de persoon van de permanente vertegenwoordiger inmiddels een belangrijke politieke op ambtelijk ambassadeursniveau wordt vervuld? Deze minister van Buitenlandse Zaken zal deze vraag goed kunnen beantwoorden. Een politieke rol behoort door een politiek ambt te worden vervuld en dat politieke ambt behoort verantwoording af te leggen. Naar het zich laat aanzien zal het Constitutioneel Verdrag voorwerp worden van een door de wetgever uitgeschreven referendum. Hoewel mijn fractie de gedachte dat de bevolking de kans zal krijgen, zich uit te spreken toejuicht, is zij teleurgesteld dat het op deze manier moet gebeuren. Mooier was geweest dat de bevolking vrij de kans had gekregen om te beslissen of zij een referendum wenst of niet. Die mogelijkheid bood de Tijdelijke referendumwet die de afgelopen jaren gold, maar de partijen van deze regeringscoalitie hebben de verlenging van deze referendumwet onlangs in de Tweede Kamer verworpen. Nu wordt een referendum gehouden zonder dat wij weten of – zoals dat bij een referendum hoort – de kiezers dat eigenlijk wel willen doordat zij daarvoor handtekeningen verzamelen. Het is curieus dat de regering een opgelegd referendum steunt maar tegen een facultatief referendum is. Nog belangrijker is de vraag hoe de regering zich voorstelt zich bij het referendum op te stellen. Hoe denkt zij zich te wenden tot de kiezers? Welke campagne wordt opgezet? Kan de regering ons daarover iets mededelen? Een grote meerderheid is voor het verdrag en dat betekent dat wij samen campagne moeten voeren om te proberen het verdrag aangenomen te krijgen. Stel, dat in een van de 25 EU-staten het grondwettelijk verdrag wordt verworpen, welk initiatief neemt de regering dan? Is een nauwere samenwerking op grond van artikel 43 EU-Verdrag denkbaar? Enige jaren geleden is een fatsoenlijke procedure opgezet om te komen tot een onafhankelijke aanbeveling voor de vervulling van vacatures in de internationale hoven waarbij Nederland betrokken is. Het gaat hierbij dus om rechters in die hoven. Te meer valt het op dat zo'n procedure bij het benoemen van leden van de Europese Commissie geheel ontbreekt. Dat de partij waartoe ik behoor al sinds mensenheugenis geen commissaris meer heeft geleverd, is niet de reden dat ik dit stel, al is dit op zijn minst curieus. Zo'n belangrijk politiek ambt zou niet buiten het parlement om moeten worden vervuld. Is de minister bereid er voor de volgende keer voor te zorgen dat hiervoor een procedure is vastgesteld waarbij de Kamers wel zijn gehoord? Het gaat immers om een belangrijke politieke functie. Mijn fractie wil tot slot haar vreugde uitspreken over het feit dat het Europees Parlement de rug recht heeft gehouden inzake de samenstel ling van de nieuwe Commissie. Eindelijk wordt het Europees Parlement voor de kiezers herkenbaar, zoals alle parlementen steeds herkenbaar zijn geworden omdat ze in conflict kwamen met het gezag. Ik wacht met belangstelling het antwoord van de regering af." 2004-11-11;Rouvoet;02541;ChristenUnie;h-tk-20042005-1278-1332.1.11.1;"Moord op de heer Th. van Gogh ";11284;17;"Voorzitter. Dit debat gaat over meer dan de moord op Theo van Gogh. Het gaat óók en misschien wel vooral over de aanwezigheid van extremisme en terrorisme in ons midden. Sinds vorige week zijn er twee vragen die ons allemaal bezighouden: wat is er aan de hand in Nederland en wat staat ons te doen? De afschuwwekkende moord en de spiraal van geweld van de afgelopen dagen drukken ons met de neus op de rauwe feiten. Vrede en rust in de samenleving zijn niet vanzelfsprekend. Eens te meer is er het besef, na 11ENTITY-#160september en 11ENTITY-#160maart, dat de verschrikkingen van terreur en geweld niet alleen maar als tv-beelden van heel ver weg tot ons komen, maar heel dichtbij kunnen komen. Natuurlijk, er waren spanningen, ook in onze samenleving. En ja, wij waren verwikkeld in een debat over wat wel en wat niet kan bij de uitoefening van fundamentele grondrechten. Maar dan ineens is er een moord, ingegeven door religieuze motieven. En vol verbijstering lezen wij een brief in bloed gedoopt en druipend van haat, vol van doodsbedreigingen en verwensingen, tegen Nederland, tegen Europa, tegen Amerika, tegen de joden, maar vooral tegen onze collega Ayaan Hirsi Ali. Jihad in Amsterdam. Ongelooflijk! Onaanvaardbaar ook! Deelnemers aan het publieke debat moeten persoonsbeveiliging krijgen en Kamerleden kunnen niet meer frank en vrij hun werk als volksvertegenwoordiger doen. En intussen woeden op internet heftige discussies en verschijnen er verklaringen waarin met meer aanslagen wordt gedreigd. En nog voor wij bekomen zijn van de eerste schrik, is er de schokgolf van aanslagen, brandstichting en geweld: moskeeën, kerken, scholen zijn de objecten. En dan de gebeurtenissen gisteren in Den Haag. Een terroristische cel, explosieven bij een huiszoeking door de politie, bestorming van een woning, inzet van speciale eenheden en ontruiming van een wijk. Mensen kunnen het niet bevatten, worden er bang van en ervaren dreiging, veelal onbestemd maar niet minder reëel. Dit gebeurt niet op de Balkan, in de Gaza-strook, in Afghanistan of Irak, maar gewoon hier in Nederland, in Den Haag en in Uden. In deze beklemmende situatie heeft de minister-president gisteren in zijn verklaring hier in de Kamer de juiste toon getroffen. De namens de Nederlandse regering geuite scherpe afkeuring van alle geweld en zijn oproep tot dialoog en gezamenlijke inspanningen om de samenleving tot een veilige ruimte voor ons allemaal te houden, waren niet mis te verstaan. Inderdaad, van scholen, moskeeën en kerken blijf je af. Van onze collega's ook. Van andermans vrijheid, laat staan andermans leven, blijf je af. Dit optreden was nodig, dit was goed. Deze inzet van de regering verdient onze onvoorwaardelijke steun. Is het voldoende, zo werd gisteren gevraagd. Nee, natuurlijk niet! Er zijn concrete maatregelen nodig. Daarover gaat dit debat óók. Maar het is minstens zo belangrijk dat het appèl dat de minister-president heeft gedaan op eenieder, wordt overgenomen door politieke leiders, geestelijke leiders, opinieleiders, onderwijsgevenden. Op hen en ons rust de plicht om nu op te roepen tot bezinning en kalmte; om bij te dragen aan depolarisatie en een vreedzame kanalisatie van emoties, van boosheid, frustratie en verontwaardiging. Het is nu essentieel dat wij alles op alles zetten om te voorkomen dat terroristen en extremisten hun zin krijgen en dat daadwerkelijk mensen en groepen in de samenleving tegenover elkaar komen te staan. Daarvoor zijn inspanningen nodig van autoriteiten, die bescherming kunnen en moeten bieden aan scholen en kerken en moskeeën. Daarbij mogen wij niet vergeten dat, als gevolg van het nog steeds in onze samenleving aanwezige anti-semitisme, joodse synagogen, scholen en instellingen al jarenlang niet zonder strenge bewaking kunnen. Inspanningen zijn ook nodig van de betrokken groepen en hun leiders zelf. Gelukkig zit men niet stil: twintig maatschappelijke organisaties roepen vandaag in de kranten op tot verdraagzaamheid, samenwerking en respect, in het bijzonder rond het onderwijs; in kerken zijn christenen opgeroepen ook naar zichzelf en hun houding jegens de vreemdeling te kijken; er ontstaan initiatieven voor gebedssamenkomsten met het oog op de nood van onze samenleving; en er worden contacten gelegd met moslimorganisaties. Marokkaanse jongerengroepen in Amsterdam zijn de site \"Dit pikken wij niet\" begonnen. Om in de beeldspraak van de kabinetsbrief te blijven: dat is allemaal tegengif! Mij viel op dat veel buitenlandse media uiting gaven aan de verbijstering dat dit uitgerekend in Nederland gebeurt: Nederland, dat sinds Willem van Oranje bekend staat als toonbeeld van verdraagzaamheid en tolerantie, juist waar het geloof en levensovertuiging betreft! Dat moet ons veel te zeggen hebben, óók met het oog op onze houding nú; die zal zich moeten kenmerken door tolerantie, ruimte bieden aan geloof, overtuigingen en opvattingen – hoe ver die misschien ook bij ons vandaan staan. Maar dat kan alleen als wij tegelijk een onverbiddelijke intolerantie betonen jegens extremisme, haat, gewelddadigheid en terrorisme, hoe ook gemotiveerd. Daarbij moet glashelder zijn dat wij geen strijd voeren tegen een bevolkingsgroep of tegen een religie. Onze strijd richt zich tegen lieden die hun geloof perverteren, die de burgerlijke vrijheden misbruiken die ons land hun verschaft, om zich met geweld te keren tegen de grondslagen waarop dit land is gebouwd. Er wordt bij religieus geweld vaak verwezen naar voedingsbodems, die dan te vinden zouden zijn in sociale achterstelling, het tussen twee werelden vallen, of, bijvoorbeeld, de crisis in het Midden-Oosten. Daar valt ongetwijfeld veel over te zeggen, maar wij mogen ons door dit soort overwegingen niet laten afleiden van de kern van de zaak: waar de wortels ook liggen, er is nooit een legitimatie in te vinden voor geweld en terreur. Wij zien ons als samenleving voor een enorme uitdaging gesteld. De gebeurtenissen van deze dagen staan niet op zichzelf, collega Van Aartsen en anderen wezen daar terecht op. Nederland blijkt geen eiland. We schrikken daarvan. Maar misschien mogen we niet verrast zijn. In zijn boek \"In Europa\" heeft Geert Mak ons er opnieuw aan herinnerd dat vrede een geschenk is en geen vanzelfsprekende toestand. Wij kunnen verlangen dat het anders was; om met Tolkien te spreken: naar de tijd dat de Gouw nog vredig was. Maar de les van Tolkien is dat aan ons de opdracht is, dát te doen wat in onze dagen van ons verlangd wordt. Dat brengt mij bij de maatregelen in de brief van gisteravond, die eerst ingaat op het onderzoek naar de moord. De fractie van de ChristenUnie heeft waardering voor de brief en de toonzetting ervan. De ministers schrijven dat de verdachte, Mohammed B., wél bekend was bij politie, AIVD en OM, dat hij ook \"gevolgd\" werd, maar minder aandacht kreeg dan de sleutelfiguren in de Hofstadgroep. Ook achteraf – aldus de ministers – kan niet in redelijkheid worden gesteld dat de diensten tot een andere afweging hadden moeten komen. Dat blijft toch een moeilijk te verteren conclusie. Ik begrijp alle uitleg over infoboxen en de \"lijst van 150\". Maar net als bij heel veel mensen is ook mijn primaire gedachte dat het toch niet mogelijk moet zijn dat iemand die bekend is bij de politie en de AIVD, en van wie in de brief wordt gezegd dat bekend was dat hij steeds verder radicaliseerde, niet beter in de gaten is gehouden. Het is dan ook essentieel dat in dit debat op precies dit punt zo volledig mogelijk verantwoording wordt afgelegd over de overwegingen en beslissingen met betrekking tot Mohammed B. Dat geldt ook voor de informatie-uitwisseling tussen de diensten, tussen Amsterdam en AIVD, zowel wat betreft overwegingen om al dan niet te besluiten tot beveiliging van Van Gogh, als ten aanzien van relevante informatie na de moord. Ik heb het dan ook over de brief die op het lichaam van Van Gogh is gevonden en over de vraag wie wanneer wat heeft gedaan met de bedreigende inhoud daarvan. Ik sluit mij aan bij de vele vragen die op dit punt door verschillende collega's zijn gesteld. Een apart punt is het lekken van informatie uit de AIVD. Ik vind het essentieel dat ook daarover, in aanvulling op de aparte brief die we ontvingen, in dit debat volstrekte helderheid wordt verschaft. Wij moeten rotsvast kunnen vertrouwen op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten en ik verwacht dan ook op dit punt een glashelder antwoord van de minister van BZK. De brief geeft een opsomming van beleidsvoornemens en -intensiveringen om radicalisering en vergiftiging van de onderlinge verhoudingen tegen te gaan. In de algemene lijn kan de fractie van de ChristenUnie zich vinden. Intensivering, aanscherping is onontkoombaar. Op veel punten zijn er vragen te stellen over de precieze uitwerking. Ik zie daar nu van af. De meeste voorstellen, voor zover zij raken aan wijziging van wetgeving, zullen ons nog passeren en dan is er alle gelegenheid om over de concrete invulling door te spreken. Ik hecht er echter aan om hier de steun van mijn fractie uit te spreken voor de richting die het kabinet wijst. Dat geldt voor de maatregelen in de sfeer van verdieping en verbreding van de aanpak door AIVD, politie en justitie; voor versterking van bewaking en beveiliging; voor het tegengaan van radicalisering en voor wat genoemd wordt \"tegengaan en verstoren\". Ook meer drastische, onorthodoxe maatregelen als optreden tegen moskeeën en imams worden niet geschuwd en dat is terecht, als het gaat om broedplaatsen van radicalisme, zoals de regering schrijft. Ik heb wel één vraag: als gesteld wordt dat er zal worden geïnvesteerd in een aanzienlijke verbreding van aandacht voor personen die op enige wijze te relateren zijn aan terrorisme, radicaliseringsprocessen of ondersteuning daarvan, impliceert dit dan een aanpassing van de huidige werkwijze met de Contra-Terrorisme infobox en de lijst van 150? Zo ja, dan ontvang ik graag een toelichting daarop. In algemene zin merk ik nog op dat het als gevolg van de gebeurtenissen onontkoombaar is te bezien of de wettelijke begrenzing van grondrechten scherper dient te worden getrokken, bijvoorbeeld bij de vrijheid van meningsuiting in relatie tot belediging of godslastering. Maar even beslist zijn wij in onze overtuiging dat wij de rechtsstaat niet overeind kunnen houden door de waarden die van die rechtsstaat het hart vormen, prijs te geven of aan sommigen te onthouden. Ik spreek in dit debat over politiek extremisme en islamistisch terrorisme als vertegenwoordiger van een christelijke politieke partij. Ik ervaar hierin een spanning, die komt bovenop de emoties als gevolg van wat wij deze dagen in onze samenleving meemaken. Ik hecht eraan om aan het eind van mijn betoog te zeggen dat wat ik zojuist namens de ChristenUnie naar voren heb gebracht over de nood van dit moment, over de noodzaak om bij te dragen aan deëscalatie en depolarisatie en om samen te werken aan een tolerante samenleving, waar het goed is om te wonen, niet is ingegeven door de druk van de huidige situatie, hoe intens wij die druk ook ervaren. Het bieden van ruimte aan elkaar, ook en juist waar het de diepste overtuigingen betreft, behoort principieel tot de christelijke politiek die wij voorstaan. Het is de liefde van Christus die ons dringt om te streven naar een vreedzaam samenleven met al onze naasten." 2004-11-11;Bos;02212;PvdA;h-tk-20042005-1278-1332.1.10.1;"Moord op de heer Th. van Gogh ";18715;23;"Voorzitter. Ik had nooit gedacht dat ik in Nederland nog eens wakker zou worden met als eerste gedachte: zou er vannacht weer brand gesticht zijn in een kerk, een moskee of een school? Toch verging het mij vanmorgen zo en met mij vele Nederlanders. Velen zullen zich met mij hebben afgevraagd: hoort dit nu voor altijd bij Nederland of kunnen wij dit aan, houden wij het in de klauwen, kunnen wij de negatieve spiraal van vervreemding, isolement en haat stoppen, is het een strijd die wij kunnen winnen? Wat mij betreft, zijn dat de vragen die vandaag centraal staan. Het begon allemaal met de brute moord op Theo van Gogh. Voor alles een groot persoonlijk drama voor iedereen die hem lief had, die hij lief had en die wij vooral veel sterkte toewensen. Daar bleef het niet bij. De bedreigingen van mensen die je kent en met wie je werkt: Ayaan Hirsi Ali, Geert Wilders, Ahmed Aboutaleb en Jozias van Aartsen; er zijn momenten dat je allemaal aan dezelfde kant staat. En dan de brief op het lichaam, de arrestaties in diverse steden, de politieactie in Den Haag en de daarmee ontluikende contouren van een ongrijpbare en onbegrijpelijke wereld die wij niet of nauwelijks kennen, laat staan begrijpen, maar die ons goed genoeg begrijpt om ons te kunnen haten. En ten slotte de aanslagen, de brandstichtingen en de relletjes over en weer, waarbij plots moslims tegenover anderen – wie dat ook zijn – komen te staan en waarbij kerken, moskeeën en scholen, de symbolen van een vrije en verdraagzame samenleving, tot doelwit zijn geworden. Iedereen hier is er gelukkig van overtuigd dat deze heilloze ontwikkeling een halt moet worden toegeroepen. Immers, een overheid die haar burgers geen veiligheid kan bieden, is een overheid die faalt. Ik weet ook wel, zoals wij allemaal weten, dat totale veiligheid, nul risico, niet bestaat. Maar onze rechtsstaat is niet slap of weerloos. Onze rechtsstaat heeft tanden, maar die moeten wij wel gaan gebruiken. Wij moeten in dit debat allereerst stilstaan bij de gebeurtenissen van vorige week dinsdag. De centrale vraag daarbij is of de moord op Theo van Gogh voorkomen had kunnen worden. Laat ik allereerst zeggen dat ik de manier waarop het kabinet ons van informatie heeft voorzien, buitengewoon waardeer. Met een voor dit type onderwerp grote ruimhartigheid is de Kamer ingelicht over hoe politie, justitie en inlichtingendiensten de afgelopen tijd te werk zijn gegaan. Ik dank het kabinet oprecht voor de enorme inspanningen die het in de korte daarvoor beschikbare tijd heeft geleverd. Daar komt bij dat de toon van de brief en de breedte van de benadering door mijn fractie in grote lijnen als positief werden ervaren. Terug naar de centrale vraag: had de moord op Theo van Gogh voorkomen kunnen worden? Op dit punt heb ik de nodige vragen, maar vele daarvan zijn al door voorgaande sprekers gesteld. Gemakshalve sluit ik mij daarbij aan. De antwoorden op die vragen hebben wij wel nodig om uiteindelijk te kunnen beoordelen of Theo van Gogh beter beschermd had kunnen en moeten worden en of de aanbevelingen van de commissie-Van den Haak destijds zijn opgevolgd. Diverse sprekers hebber er al op gewezen dat het daarbij in het bijzonder belangrijk is om te weten waarom de aangifte die door Metro is gedaan geen gevolgen heeft gehad. Ook kunnen wij pas na het antwoord op al die deelvragen beoordelen in hoeverre de AIVD steken heeft laten vallen bij de beslissing om Mohammed B. niet intensief te volgen en hem niet in een vroegtijdig stadium, in ieder geval voor de moord plaatsvond, als een potentiële terrorist aan te merken. Met alle informatie die wij hebben, blijft het voor ons moeilijk te volgen wat Mohammed B. nog meer gedaan zou moeten hebben om wel in aanmerking te komen voor intensieve bemoeienis van de AIVD. Net zoals het voor ons cruciaal is om te weten wat de reden is dat er na de moord op Van Gogh plots op tal van adressen invallen worden gedaan, terwijl er kennelijk voor die moord geen reden voor was. Wat was daarbij nu precies de afweging? Het kabinet zegt ook achteraf met alles wat nu bekend is, de beslissing die destijds op grond van de toen beschikbare informatie werd genomen, de goede beslissing te hebben gevonden. Eigenlijk is dat een angstaanjagende conclusie. Ik reken het het kabinet wel een beetje aan dat men niet een stap verder gaat in de brief en zich afvraagt: wat zegt het feit dat iemand die buiten de kerngroep viel van mensen die wij in de gaten moesten houden en die toch tot zoiets gruwelijks in staat blijkt te zijn nu eigenlijk over onze aanpak, over de systematiek die wij hier hanteren? Was dit een toevalsmisser of klopt het systeem niet? Hoe zou dat systeem er dan wel uit moeten zien? Betekent dit dat een veel grotere groep mensen in de gaten moet worden gehouden of dat vooral andere mensen in de gaten moeten worden gehouden? Of speelt hier domweg een capaciteitstekort, een personeelstekort bij de AIVD? Waarom zijn wij daar dan nooit over geïnformeerd? Het is door velen gezegd, eensgezindheid is nu nodig, vooral als wij ons realiseren met wie wij hier van doen hebben en wat er nodig is om te voorkomen dat zoiets als de moord op Van Gogh ons nog eens overkomt. De PvdA kan zich niet aan de indruk onttrekken dat het kabinet nog steeds de aard en ernst van het fenomeen waar wij hier mee te maken hebben onderschat. Laat ik het als volgt samenvatten. Ons bekruipt de zorg dat dit kabinet het gevaar dat uitgaat van een internationaal georganiseerde en gefinancierde politieke beweging reduceert tot een integratieprobleem op polderformaat. Dan sla je de plank echt volledig mis. Begrijp mij goed, u mag mij elke nacht wakker maken om te praten over integratie, jeugdwerkloosheid, onderwijs, segregatie en ga zo maar door. Het is allemaal ontzaglijk belangrijk, maar daar gaat het vandaag niet over. In de tientallen pagina's die wij vandaag onder ogen kregen staat slechts één regeltje over het feit dat het islamitisch geïnspireerde terrorisme een mondiaal probleem vormt. Dat is nogal een vaststelling. Wie wat wij dezer dagen te weten zijn gekomen, reduceert tot een probleem van falende integratie in de Nederlandse polder zal inderdaad denken dat het valt op te lossen met maatregelen rond paspoorten, moskeeën en een tandje erbij voor de task force jeugdwerkloosheid. Maar Mohammed B. was naar onze gangbare maatstaven perfect geïntegreerd en zou het inburgeringsexamen met vlag en wimpel hebben gehaald. Hij had het niet eens hoeven halen, want hij was hier gewoon geboren. Natuurlijk, hij was in een aantal opzichten, in ieder geval de laatste jaren, ook een voorbeeld van een tweede generatie jongeren, die klem kwam te zitten tussen twee culturen, die zich nergens thuis voelde en vatbaar werd voor het houvast dat extreme ideologieën aan kwetsbare en dolende personen kan bieden. Maar wie Mohammed B. en wat hij deed wil zien als het typische product van een falend integratiebeleid voor radicaliserende of geradicaliseerde jongeren mist volkomen waar het hier om gaat. En ook wie de moordaanslag wil zien als een reactie op de film Submission en hoe deze door moslims als kwetsend werd ervaren, mist de kern van de zaak. Het islamitische terrorisme was al onder ons ver voor Submission gemaakt werd. De daders zullen het excuus graag gebruiken om begrip te vragen voor hun daden, maar wij doen er goed aan te beseffen dat hun haat tegen onze samenleving veel dieper zit dan wat zij vinden van een film of een uitspraak. Een haat die net zo gemakkelijk de verdedi gers als de critici van deze film tot doelwit kiest. Nog een filmmaker, Eddy Terstall, vatte dat dinsdagavond in het Parool treffend samen toen hij schreef: \"Zij haten de vrije wereld niet om wat ie doet, maar om wat ie is. Het vrije gedachtegoed beangstigt ze en de resultaten van dat gedachtegoed roepen een fatale jaloezie op. Ook mensen die de islam niet beledigen zijn mogelijk doelwit. Er lijkt nauwelijks verband te bestaan tussen de mate van belediging van de islam en de vergelding.\" Wie de redenering overneemt dat de moordaanslag eerder een reactie is op Submission of op het integratiedebat in onze samenleving dan een manifestatie is van internationaal gefinancierde en georganiseerde politieke beweging doet precies wat de terroristen graag willen: het splijten van de samenleving, het zien van de aanslag in termen van een tegenstelling tussen moslims en niet-moslims en daarmee het onderschatten van de vijand van onze samenleving. Wij maken alleen een kans op het winnen van de strijd tegen de politieke islam en het daarbijbehorende gewelddadige extremisme als wij het zien zoals het is: een internationale, goed georganiseerde en stevig gefinancierde politieke beweging. Een beweging die net zo makkelijk Nederlanders in Amsterdam vermoordt als Marokkanen in Casablanca; een beweging die net zo makkelijk een dolende jongeman in Nederland rekruteert en radicaliseert als het voor elkaar krijgt dat jongeren in Marokko hun Armani-jeans en hippe coupe plots inruilen voor baarden en djellaba's; net zo goed werklozen rekruteert als werkenden; net zo goed iemand met een Nederlands paspoort als iemand met een buitenlands paspoort of iemand met twee paspoorten; een beweging die allang niet meer instrueert, rekruteert en inspireert in moskeeën, maar veel meer in reizende koranklassen en via internet; een beweging die net zo makkelijk moslims opblaast als niet-moslims, en dat al vele malen heeft bewezen; een beweging die vast en zeker gebruikmaakt van het feit dat veel moslims in Nederland zich gemarginaliseerd voelen, maar voor wie het feit dat Amsterdam een joodse burgemeester heeft of dat vrouwen en mannen in dit land gelijk behandeld worden, al genoeg is om haat te voelen en geweld te willen gebruiken. Ik ben dus bezorgd over de analyse van het kabinet; deze zo oer-Hollandse analyse van radicalisering. Eigenlijk vind ik dat die analyse de ernst van het fenomeen waarmee wij te maken hebben, onderschat. Ik heb geen enkele twijfel over de goede bedoelingen van het kabinet, maar wie in dit debat aankomt met algemene integratieproblemen bij islamitische jongeren in Nederland en de daarbij horende oplossingen, versluiert waar het om gaat, haalt urgentie weg, vermengt discussies en reduceert een internationaal fenomeen tot een comfortabel polderthema door het te ontdoen van zijn meest onrustbarende karaktertrekken: dat het gaat om een internationale politieke beweging van mensen die bijna letterlijk in een heel andere wereld leven. Wat dan wel? Onze kritiek op de benadering van het kabinet betekent geenszins dat wij geen waardering zouden hebben voor een aantal van de voorstellen die door het kabinet gedaan wordt. Integendeel, ik zie tal van voorstellen die wij toejuichen. In het algemeen kan ik stellen dat de PvdA deze discussie ingaat met de bereidheid, werkelijk elke suggestie van het kabinet of van anderen op te pakken die ertoe bij kan dragen dat wij grip krijgen op dit gevaar. Wij zullen dat doen vanuit een groot gevoel van urgentie en met een constructieve houding. Op het gebied van die concrete maatregelen die de komende maanden vast nog allemaal langs zullen komen, wil ik op dit moment, evenals enkele collega's, over één punt nog een opmerking maken, namelijk de zorgen die wij kennelijk allen hebben over het gebrek aan een Nederlandse imamopleiding. Omdat die opleiding er niet is, is het ook betrekkelijk gemakkelijk voor imams om Nederland binnen te komen. Omdat dit voor hen zo gemakkelijk is, ontbreken alle prikkels om die opleiding ook echt te starten. Dat is een vicieuze cirkel die wij moeten doorbreken, zeker nu wij weten dat imams de schakels kunnen zijn in de internationale netwerken van radicaal extremistische moslims. Wij stellen daarom voor in de debatten die wij over deze maatregelen en dit onderwerp zullen hebben, ook de suggestie te betrekken dat wij misschien met elkaar moeten besluiten dat er over drie jaar simpelweg geen verblijfsvergunningen meer worden afgegeven voor imams. Wij durven de weddenschap wel aan dat die imamopleiding er dan snel zal zijn. Maar de grote oplossingen, die echt zoden aan de dijk zullen zetten, moeten van elders komen. Want juist vanwege het niets ontziende en internationaal vertakte karakter van de politieke islam zijn wij tot de conclusie gekomen dat op korte termijn de nadruk bij het aanpakken van terroristen en potentiële terroristen zo goed als volledig moet liggen bij een intensivering van de aanpak door politie, justitie en de inlichtingendiensten. De rechtsstaat moet zijn tanden laten zien en moet durven doorbijten. En als daar meer capaciteit voor nodig is, dan moet dat met meer capaciteit. Onze samenleving heeft kennisgemaakt met een dreiging die wij niet kenden. Daar mogen maatregelen tegenover staan die wij ook nog niet kenden. Dat zal – en die eerlijkheid moeten wij ook opbrengen – ook risico's met zich brengen. Een intensiever gebruik van bevoegdheden, laat staan het geven van nieuwe bevoegdheden, zal ook betekenen dat er wel eens iets mis zal gaan. Om die reden zal bij dat intensievere gebruik van die bevoegdheden en al helemaal op het moment dat nieuwe bevoegdheden aan de orde komen, ook altijd door ons een hoger niveau van controle bepleit worden op het doen en laten van met name de inlichtingendiensten. Laten wij ervoor waken, de inlichtingendienst van morgen niet te beoordelen met de criteria van gisteren. De tijden zijn wat dat betreft echt veranderd. Tegelijk, en hiermee onverbrekelijk verbonden, moeten wij iedereen ervan doordringen dat de diensten het niet alleen af kunnen. Politie, justitie en inlichtingendiensten kunnen hun werk alleen doen als zij zich ondersteund voelen door het hele Nederlandse volk en als het hele Nederlandse volk zich beschermd weet door die diensten. Het kabinet legt daar terecht grote nadruk op. Toch zal dat heel moeilijk zijn. Wij merkten het zelf toen wij hierover spraken. Iedereen die vandaag immers pleit voor een dialoog met de islamitische gemeenschap in Nederland moet zich afvragen hoe het kan dat die dialoog er nog niet is en dat wij daar na al die jaren kennelijk nog mee moeten beginnen. Als de samenleving uiteenvalt tussen moslims en niet-moslims, tussen autochtonen en allochtonen of tussen Hollanders en Marokkanen, dan hebben wij echt een probleem. De enige manier waarop deze samenleving uiteen mag vallen, is tussen mensen van goede wil en mensen van kwade wil, tussen mensen die met elkaar vreedzaam verder willen en mensen die deze gezamenlijke toekomst willen ondermijnen. Wat is daarvoor nodig? Waarschijnlijk is het voor ons allemaal zo moeilijk om deze vraag te beantwoorden omdat de roep om verzoening en de roep om tegenstellingen te overbruggen en eensgezindheid te tonen voor je het weet ertoe leidt dat misstanden niet meer kunnen worden benoemd. Als wij niet uitkijken, leidt een te eenzijdige nadruk op het benoemen van de tegenstellingen tot een totaal verlies aan vermogen om met elkaar in gesprek te blijven en vooruitgang te boeken. Kan het allebei? Kunnen wij scherp blijven in het benoemen van wat mis is in dit land, in islamitisch kring en elders, en toch met elkaar in gesprek blijven? Dat is de uitdaging waar wij voor staan. Ik denk dat dit kan, maar daarvoor zijn twee dingen heel hard nodig. Wij moeten er geen misverstand over laten bestaan dat moslims en de islam bij de toekomst van Nederland horen. Ik heb dat tijdens de debatten over het eindrapport van de commissie-Blok ook gezegd. Kritiek op excessen en misstanden mag nooit begrepen worden als kritiek op het recht om in Nederland de eigen godsdienst binnen de grenzen van de wet te beleven. Een recht dat wij actief voor alle Nederlanders moeten waarmaken en waar voor iedereen de plicht tegenover staat te accepteren dat wij in een land leven waar kritiek op elkaars religie mag. Er is meer. De Partij van de Arbeid is er stilaan van overtuigd dat Kamerleden, maar ook bijvoorbeeld het Openbaar Ministerie, lang niet actief genoeg zijn geweest bij het aan de kaak stellen van racisme en discriminatie in dit land, als ook bij het aanzetten tot haat, agressie en geweld. Ik hoorde de heer Verhagen iets vergelijkbaars zeggen. Er wordt te weinig vervolgd en er wordt te weinig gestraft. Ik weet niet hoe het anderen verging, maar ik schrok toen ik op televisie de afgelopen week de bestuurder van de moskee in Huizen, waar brandstichting had plaatsgevonden, hoorde melden dat hij helemaal niet geschrokken was van de brandstichting bij zijn moskee omdat dat zo vaak voorkwam. Waarom hebben die mensen ons al die keren daar niet over gehoord? Er is te veel willekeur bij wat wel en wat niet aan de kaak wordt gesteld. Willen wij iedereen in dit land verenigen in de strijd tegen terrorisme, dan zullen wij die willekeur van ons af moeten werpen. Dan zullen wij de strijd tegen racisme, discriminatie, haat en ophitsing moeten opvoeren, of het nu om joden, moslims, homo's of vrouwen gaat, of het nu om de strijd tegen links-extremistisch geweld of rechts-extremistisch geweld gaat, of het nu om religieus geïnspireerd extremisme gaat of om extremisme dat daar helemaal niets mee te maken heeft. Het is belangrijk. We moeten het doen. Het heeft niks met softheid of correctheid te maken. Het is broodnodig om de samenleving bij elkaar te houden in een effectieve strijd tegen de vijand van de samenleving: het internationaal opererende terrorisme. Wij horen graag vandaag van de minister van Justitie dat hij dat wil ondersteunen door het Openbaar Ministerie ertoe aan te sporen op dit punt een grotere activiteit te ontplooien. Voorzitter. Ik rond af. Het gaat in een heleboel opzichten vandaag ook over burgerschap, over hoeveel vrijheid wij toelaten en hoeveel verschil wij velen. Daarover schreef Hannah Arendt in 1948 de volgende woorden. Een eenstemmige opinie is een erg onheilspellend verschijnsel en een van de kenmerken van onze moderne massatijd. Eenstemmigheid verwoest het sociale leven en privéleven, dat gestoeld is op het feit dat wij door de natuur en door overtuiging verschillend zijn. Van mening verschillen en zich ervan bewust zijn dat anderen anders denken over dezelfde kwestie, behoedt ons van die godenzekerheid waarmee elke discussie wordt gesmoord en maatschappelijke betrekkingen teruggebracht worden tot die van een mierenhoop. Een eenstemmige publieke opinie neigt ertoe om degenen die anders zijn, fysiek uit te schakelen, want massa-eenstemmigheid is niet het resultaat van overeenstemming, maar een uitdrukking van fanatisme en hysterie. Anders dan overeenstemming beperkt eenstemmigheid zich niet tot een aantal precies omschreven dingen, maar verspreidt het zich als een infectie over iedere kwestie die er zijdelings mee te maken heeft. Lang leve de veelstemmigheid! Lang leve de democratie!" 2004-11-11;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20042005-1278-1332.1.8.6;"Moord op de heer Th. van Gogh ";189;1;"Dat laatste staat buiten kijf. Mijn stelling is dat ook als het CIDI geen klacht indient tegen anti-semitisme of tegen haat zaaien richting joden, er een taak voor de overheid is weggelegd." 2004-11-11;Dittrich;02512;D66;h-tk-20042005-1278-1332.1.8.5;"Moord op de heer Th. van Gogh ";632;1;"Ik geloof dat de heer Verhagen zelf het voorbeeld heeft aangehaald van het CIDI, het Centrum Informatie en Documentatie Israël. Het CIDI heeft namens joden die zich gekwetst en beledigd voelden aangifte gedaan van belediging. Die zaak is zelfs helemaal tot aan de Hoge Raad gekomen en heeft tot een veroordeling van Theo van Gogh geleid. Zo zijn er meer stichtingen in Nederland die namens groepen mensen optreden als die mensen beledigd zijn. Dat kan volgens de huidige wetgeving. Ik vind het prima dat die route gevolgd wordt. Het is aan de onafhankelijke rechter om te bepalen of iemand een strafbaar feit gepleegd heeft of niet." 2004-11-11;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20042005-1278-1332.1.8.2;"Moord op de heer Th. van Gogh ";332;1;"Ook voor de vrijheid van meningsuiting geldt: behoudens ieders verantwoordelijkheid voor de wet. Vindt de heer Dittrich dat de overheid moet kunnen optreden als iemand met een beroep op de vrijheid van meningsuiting oproept tot haat, geweld, het doden van joden en homoseksuelen of het toepassen van geweld ten opzichte van vrouwen?" 2004-11-11;Dittrich;02512;D66;h-tk-20042005-1278-1332.1.8.1;"Moord op de heer Th. van Gogh ";9278;14;"Voorzitter. Gisteren werd het Laakkwartier ontruimd. De politie viel er een woning binnen en arresteerde twee mannen die worden verdacht van terrorisme. Ik ben trots op onze politiemensen die dat is gelukt en ik leef mee met de drie man die gewond zijn geraakt bij die actie. Hun werk is gevaarlijk, maar zij doen dat voor ons. Er zijn scholen, moskeeën en kerken in brand gestoken. De veerkracht van de samenleving blijkt uit de manier waarop ouders elkaar troosten, uit het feit dat het hoofd van de islamitische school in Uden zegt door te willen gaan en uit het feit dat alle onderwijsorganisaties de handen ineenslaan en gezamenlijk een oproep doen voor respect en voor het staken van het geweld. Ik heb bewondering voor de mensen van het buurtcomité in het Laakkwartier en van de buurtcomités in Amsterdam. Die mensen zeggen dat zij zich niet uit elkaar laten spelen en dat zij bouwen aan een hechte buurt met iedereen die daar woont. De signalen uit de samenleving zijn dat wij geen tweedeling in de maatschappij laten aanbrengen, geen \"wij\" tegen over een \"zij\". Iedereen die in Nederland woont en hier op een normale manier aan zijn toekomst bouwt, hoort erbij en is één van ons, of je nu Turks bent, Marokkaans of Hollands. Dat is de kracht van Nederland en ik ben trots op die kracht. Het begon vorige week. 's Ochtends fietste Theo van Gogh door Amsterdam naar zijn werk en op beestachtige wijze werd hij afgeslacht. De moordenaar, Mohammed B., liet een brief op zijn lichaam achter. De adem stokt in je keel als je de tekst ervan leest. Het zijn extreem fundamentalistische teksten met name gericht tegen onze VVD-collega Ayaan Hirsi Ali. De joden krijgen er ook weer van langs in een passage die doet denken aan het nazi-tijdperk en de ongelovigen worden gebrandmerkt. De lafhartige moord heeft een kettingreactie van haat, wraak en angst in gang gezet. Die spiraal gaan wij doorbreken. Er is een groep jonge moslims onder ons die radicaal islamitische ideeën heeft en die bereid is om hun visie op de wereld met geweld aan anderen op te leggen. Zij bedreigen anderen, zij beramen aanslagen en zij zetten de samenleving onder enorme druk. Nog nooit in de Nederlandse geschiedenis hebben wij zo'n politiek en religieus geïnspireerd geweld meegemaakt. Het gaat helaas om jongeren die hier geboren en getogen zijn en toch op een gegeven moment in hun leven afdwalen en radicaliseren. Ik begrijp dat de mensen in Nederland onzeker zijn. Het is moeilijk om de dreiging in te schatten. Daarom is het van het grootste belang dat de regering en de overheidsinstanties laten zien dat zij in staat zijn om dit probleem aan te pakken. Het kan niet zo zijn dat een kleine groep radicalen die geweld willen gebruiken de samenleving in gijzeling neemt. Vanaf deze plaats spreek ik namens de fractie van D66 solidariteit uit met onze collega's Hirsi Ali en Wilders. Zij staan onder enorme druk omdat zij opvattingen naar buiten brengen waar de groep extremisten het niet mee eens is. Zij moeten steeds weer op een ander schuiladres worden ondergebracht en zijn omringd door bodyguards. Ook al ben je het niet met hun opvattingen eens, het is volstrekt onacceptabel dat zij in deze positie worden gemanoeuvreerd. Wij wensen hen dan ook heel veel sterkte. Mensen verwachten dat de regering en de andere overheidsinstanties laten zien dat zij de situatie in Nederland aankunnen, dat er leiding wordt gegeven en dat de problemen op een effectieve manier worden aangepakt. Dat brengt mij op de brief van de ministers Donner en Remkes. Die brief is verhelderend en plaatst de gebeurtenissen in perspectief, maar hij roept bij mijn fractie op onderdelen ook grote vragen op. Een aantal daarvan loop ik langs. In de eerste plaats wil ik het hebben over Mohammed B. De Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst werkt dag en nacht om de groep moslimextremisten in de gaten te houden en om in te grijpen wanneer dat nodig is. Er zijn al succesvolle arrestaties verricht. Mohammed B., de moordenaar van Theo van Gogh, was bij de dienst bekend. Bij het afluisteren en het volgen van anderen dook zijn naam op. In zijn huis werd vergaderd en in zijn huis werd een zelfmoordtestament gevonden. Er waren signalen dat hij steeds verder radicaliseerde en dat hij koranteksten schreeuwde. Hij had een strafblad en hij was bij justitie in Amsterdam bekend. Achteraf is het natuurlijk gemakkelijk oordelen, maar gelet op de gegevens die vóór 2ENTITY-#160november bekend waren bij de AIVD en bij andere overheidsdiensten, had het toch in de rede gelegen om Mohammed B. beter in de gaten te houden? Waarom werd hij niet gerekend tot de harde kern van 150 mensen? Word je tot die groep gerekend, dan worden allerlei gegevens uit verschillende dossiers gedeeld en kan er een veel completer beeld ontstaan van de handel en wandel van zo iemand. In de brief zegt de regering dat er naar behoren informatie is uitgewisseld tussen de AIVD en Amsterdam. Ik citeer: \"niet geconcludeerd kan worden dat deze informatie-uitwisseling de besluitvorming over eventueel te treffen preventieve maatregelen heeft belemmerd\". Die conclusie begrijp ik niet. Vast staat dat er geen preventieve maatregelen zijn genomen, want Mohammed B. heeft Theo van Gogh vermoord. Waarom formuleert de regering de conclusie in de brief dan zo voorzichtig? Geeft de regering hiermee eigenlijk het signaal af dat actief ingrijpen wel degelijk denkbaar was geweest? Dan kom ik nu op Theo van Gogh. Er is naar zijn veiligheidssituatie gekeken en men heeft daar geen aanleiding in gezien om hem persoonsbeveiliging te geven, afgezien van de vraag of hij dat zelf zou hebben geaccepteerd. De regering komt in de brief tot de conclusie dat ook achteraf niet in redelijkheid kan worden geconcludeerd dat op het punt van de beveiliging van Van Gogh anders had moeten worden beslist. Die conclusie kan mijn fractie op dit moment nog niet trekken. In april 2004, zo blijkt uit de stukken, heeft de hoofdredacteur van Metro aangifte gedaan van ernstige bedreigingen. In het feitenrelaas staat dat later in 2004 nogmaals afschriften van die dreigementen aan de politie in Amsterdam ter hand werden gesteld. Pas een dikke maand later schrijft de Amsterdamse politie dat door het ontbreken van voldoende aanwijzingen het onderzoek naar de daders thans is gestopt. Even daarvoor staat in het feitenrelaas dat er geen onderzoek werd ingesteld. Mijn vraag aan de regering is: wat voor onderzoek heeft de Amsterdamse politie naar deze dreigementen gedaan? Waren de dreigementen tegen Van Gogh, gevoegd bij de dreigementen die op de website stonden en de dreigementen naar aanleiding van de film Submission allemaal in onderling verband zorgvuldig tegen het licht gehouden? Was er echt geen andere conclusie mogelijk, namelijk dat hij wel had moeten worden beveiligd? Heeft Amsterdam zorgvuldig werk afgeleverd? Graag ontvang ik daarop een uitgebreide reactie. Dan kom ik toe aan het lek bij de Algemene inlichtingen- en veiligheidsdienst. Wij lezen in de krant dat geheimen van de geheime dienst in handen van extremistische verdachten terecht zijn gekomen. Die informatie lekte ook weer uit naar de krant. Hoe is dat nu toch mogelijk? Kunnen wij er verzekerd van zijn dat met de arrestatie van die ene AIVD-medewerker enkele weken geleden dit lek is gedicht? Het is pijnlijk als wij in de brief lezen dat lopende onderzoeken schade hebben ondervonden. Dat brengt de vraag met zich of de medewerkers van de dienst nu wel goed worden gescreend. Ik wil niet te veel woorden vuil maken aan het interview dat minister Remkes heeft gegeven. Hij suggereerde daarin dat er verdeeldheid is in de aanpak tussen hem en minister Donner. Ik vond dat ver beneden de maat. Mensen in Nederland willen weten welke maatregelen de regering neemt. Zij hebben een sterke, eensgezinde overheid nodig. Dan kom ik over die maatregelen te spreken. De regering kondigt er in de brief een groot aantal aan. Ik ga ervan uit dat wij die later nog eens uitgebreid zullen bespreken. Ik kan hier alvast zeggen dat de fractie van D66 die maatregelen op hoofdlijnen steunt. Ik noem de uitbreiding van de AIVD, de intensivering van het zoeken naar nog onbekende geradicaliseerde personen, het versterken van de bewaking van mensen die bedreigd worden, de maatregelen tegen radicale imams of moskeeën die een broedplaats van radicalisme zijn en ook het ontnemen van de Nederlandse nationaliteit wanneer iemand een dubbele nationaliteit heeft en veroordeeld is wegens een ernstig misdrijf. Wij steunen het verstoren en tegengaan van terroristische planvorming met behulp van allerlei overheidsdiensten. Ik wil langer stilstaan bij de vrijheid van meningsuiting, waarover de laatste weken veel is gediscussieerd. De vraag was of de vrijheid van meningsuiting niet te ver is doorgeschoten en of de wettelijke grenzen misschien zouden moeten vervallen of zouden moeten worden aangescherpt. D66 wil de vrijheid van meningsuiting niet inperken. Wij vinden dat het ieders eigen verantwoordelijkheid is hoe met de vrijheid van het woord wordt omgegaan. Wij zien voor de overheid geen taak weggelegd om grenzen van fatsoen af te dwingen. Tegen zelfbeperking bestaat uiteraard geen enkel bezwaar. Het misstaat niet om het debat over de vraag of je alles wat je mag zeggen ook moet willen zeggen te vervolgen." 2004-11-11;Verhagen;02920;CDA;h-tk-20042005-1278-1332.1.3.1;"Moord op de heer Th. van Gogh ";17980;28;"Voorzitter. De moord op Theo van Gogh en de openlijke bedreigingen aan het adres van collega-parlementariërs druisen in tegen alles waar ons land voor staat, zoals vrijheid van meningsuiting, tolerantie en verdraagzaamheid. De noodzaak om het extremisme aan te pakken, is niet alleen gebleken door de brute moord op Van Gogh en doodsbedreigingen aan anderen, maar ook uit de gebeurtenissen sindsdien tot en met de arrestatie van een aantal vermoedelijke terroristen, gisteren in Den Haag. Wij zullen ons teweer moeten stellen tegen radicalisme en terrorisme. Wij staan niet toe dat iemand wordt vermoord om wat hij denkt of zegt, maar dat zullen wij samen moeten doen. Wij zijn daarom blij dat moslimorganisaties in Nederland afstand hebben genomen van de moord. Wij mogen niet toestaan dat een kleine groep extremisten het samenleven bedreigt van alle mensen van goede wil. Wij moeten samen staan voor een aanpak van deze radicalisering, maar dat vraagt ook om een zelfreinigend vermogen. Moskeeën, geestelijk leiders, scholen en leraren mogen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid voor het tegengaan van radicalisme. Het is tegelijkertijd onacceptabel dat islamitische scholen, moskeeën en kerken in brand worden gestoken. Ook deze spiraal van geweld druist in tegen alle waarden waar ons land voor staat. Haat en woede alleen wakkeren radicalisme en intolerantie alleen maar aan. Het is dan ook zaak dat iedereen bij zichzelf te rade gaat en zijn kalmte en zelfbeheersing bewaart, want haat en angst mogen in ons land nooit de overhand krijgen. Het is van het allergrootste belang dat wij in Nederland met elkaar samenleven en niet tegenover elkaar komen te staan. Ons streven is verbondenheid in Nederland en verbondenheid in de Nederlandse waarden en normen. Ik ben blij dat het kabinet die boodschap in zijn brief zeer helder uitdraagt. De brief valt uiteen in twee delen: de reconstructie en de maatregelen voor de toekomst. Met betrekking tot de reconstructie blijkt dat een veel grotere groep dan wij eerder dachten, in de ban is van radicalisme en potentieel bereid en in staat is om aanslagen te plegen. Dat is schokkend en bedreigend. Er werd een fluïde groep van 150 personen in de gaten gehouden, maar als de groepen eromheen ook in de ban zijn van het radicalisme, dan betekent dit dat het gevaar groter is. Nederland is dan ook kwetsbaarder dan wij dachten. Op dit probleem zal het antwoord zich ook moeten focussen. Hoe beschermen wij de samenleving tegen deze groep? Daarom moet ook worden gekeken naar de mogelijkheden van de AIVD en de opsporingsmethoden en - bevoegdheden van justitie om potentiële terroristen op te sporen. Daarvoor is het ook van belang om lessen te trekken uit die reconstructie. De reconstructie zoals het kabinet aangeeft, is verhelderend. Voor zover dat gelet op de aard van de informatie mogelijk is, wordt duidelijkheid geschapen over de wijze van inlichtingenvergaring en informatie-uitwisseling tussen diverse diensten, maar ook tussen de diverse overheden. De regering stelt dat ook achteraf niet in redelijkheid kan worden gezegd dat er tot een andere afweging had moeten worden gekomen ten aanzien van het gevaar dat uitging van Mohammed B. Om die beoordeling te kunnen wegen, is voor mijn fractieéén vraag van belang. Dat is een vraag over het geconstateerde lek bij de AIVD. Heeft dit lek invloed gehad op de werkwijze van Mohammed B. waardoor hij buiten beeld kon blijven? Deze vraag is te meer belangrijk daar uit de brief van hedenochtend blijkt dat lopende onderzoeken van de AIVD schade hebben opgelopen door het lek. Ik denk dat het voor de toekomst van belang is om te bekijken of het benoemen van een actieve groep of een kern waarde heeft als vlak daaromheen een grotere groep is die in de toekomst actief is. Uit de reconstructie kunnen wij zien dat Mohammed B., ondanks het feit dat hij niet tot de kerngroep behoorde, daadwerkelijk in de gaten is gehouden, is gesignaleerd en dat er maatregelen getroffen zijn. De vraag is dus of het benoemen van een groep waarde heeft als er een veel grotere groep is waar je je activiteiten ook op richt. Gelet op de ernst van de situatie, is zwartepieten het laatste wat mijn fractie wil doen. Waar nodig moeten wij hier wel lering uit trekken voor de toekomst. Ook moeten wij de inlichtingendienst de mogelijkheid bieden om het werk dat wij van hen vragen, werkelijk te doen. Er is in het kader van de reconstructie veel te doen geweest om de beveiliging van Theo van Gogh. Vastgesteld moet worden dat de manier waarop met de beveiliging is omgegaan, niet afwijkt van wat hierover is afgesproken in het verleden, ook in de Kamer. Dat laat onverlet dat de vraag rijst waarom politie Amsterdam-Amstelland niets heeft gedaan met de aangifte van bedreigingen die dagblad Metro op 21ENTITY-#160april jongstleden heeft gedaan en waarom dit korps geen aanleiding zag tot reactie op de meldingen van bedreiging die de nationale recherche op 31ENTITY-#160augustus jongstleden heeft gedaan. Dat neemt niet weg dat ook onze fractie op basis van het relaas de conclusies van het kabinet deelt. De vraag waarom het korps Amsterdam-Amstelland niets heeft gedaan met de meldingen van 21ENTITY-#160april en 31ENTITY-#160augustus moet worden beantwoord. Het kabinet zegt dat wij op zichzelf de toepassing van het stelsel van bewaken en beveiligen steeds moeten overdenken. Is er aanleiding om anders om te gaan met meldingen die op diverse plaatsen bij korpsen over bedreigingen binnenkomen? Moeten die niet centraal worden geregistreerd, zodat ieder korps in principe een overzicht heeft van het totale aantal bedreigingen? De situatie die sinds de moord op Theo van Gogh is ontstaan, vergt een krachtdadige aanpak. Er moet doorgepakt worden bij het oppakken van potentiële terroristen. Veiligheid gaat echt boven privacy. Dat hebben wij in het verleden al eens gesteld. Wij zien ook dat er draagvlak voor bestaat onder de bevolking. Wie niets te verbergen heeft, heeft namelijk niets te vrezen. Na de aanslagen in Madrid hebben wij het kabinet gevraagd om op dit punt doortastend op te treden. Uit de voorstellen die het kabinet in september jongstleden heeft gedaan, blijkt dat het een antwoord geeft op de dreiging. Ik constateer overigens dat er destijds veel kritiek op kwam, onder andere van het College bescherming persoonsgegevens. Dat college constateerde dat de noodzaak van de uitbreiding van bevoegdheden niet is aangetoond. Ik denk echter dat de moord op Van Gogh heeft laten zien dat die noodzaak wel degelijk bestaat. Politie en justitie hebben dankzij de in september gedane voorstellen veel meer bevoegdheden om de activiteiten van terroristen te verstoren voordat er een aanslag wordt gepleegd. Zo wordt de mogelijkheid tot preventief fouilleren uitgebreid en kunnen potentiële terroristen veel sneller worden vastgehouden. Dat laatste is van groot belang. Deze voorstellen moeten zo snel mogelijk van kracht worden. Om een aanslag te voorkomen, kun je beter tijdelijk tien onschuldigen in een cel hebben dan één terrorist met een bom op straat. Een paar weken geleden was dit huis nog te klein toen een inval werd gedaan bij een familie in Utrecht. Ook was er vanuit de advocatuur veel commentaar op het OM toen dat in oktober 2003 vier verdachten van terrorisme had aangehouden. Nu blijkt dat die personen tot de groep rond Mohammed B. behoren. Bij serieuze aanwijzingen moet je dus optreden. Je kunt niet wachten tot je voor de volle 100% zeker bent dat er een terroristische cel aanwezig is. Het kabinet en de Kamer zijn er beide verantwoordelijk voor dat nu wordt laten zien dat radicalen niet vrij rond kunnen blijven lopen. Dat geldt voor moslimradicalen; dat geldt voor extreem rechtse radicalen. Wil je de acute dreiging het hoofd bieden, dan moet je laten zien dat allochtonen en autochtonen samen strijden tegen een gemeenschappelijke vijand, het extremisme. De woorden van de minister-president bij zijn bezoek aan de getroffen school in Uden dragen aan dat besef bij. Met waardering en instemming heb ik ook de open brief van de Nederlandse bisschoppen gelezen. Zij schrijven dat deze tijd van ons allen vraagt dat wij het volhouden om een samenleving te zijn waarin verschillen van opvattingen kunnen blijven bestaan. Met een harde aanpak van radicalisering moet je niet alleen aanslagen voorkomen, maar ook een onderscheid tussen wij, de niet-moslims en zij, de moslims. Nee, de tweedeling moet zijn: wij die de waarden van de democratie verdedigen tegen zij die geradicaliseerd zijn. Wij zien het nu al gebeuren dat er een verharding optreedt tegen moslims en vice versa. Als achter elke moslim een terrorist wordt gezien, zijn wij verkeerd met elkaar bezig. Als moskeeën, scholen en kerken in brand worden gestoken, is er iets grondig mis. Terecht wordt in de brief dan ook aandacht gevraagd voor het feit dat moslims moeten worden beschermd. Ik benadruk daarbij wel dat dit voor alle Nederlanders geldt. Iedereen verdient het te worden beschermd tegen elke vorm van intolerantie, want niet alleen moskeeën, maar ook kerken zijn het doelwit. De vrijheid van meningsuiting, waarover de discussie ook in de laatste week is gegaan, moet recht overeind blijven. Die vrijheid wordt alleen beperkt door de grenzen van de wet. Theo van Gogh ging heel ver met zijn mening, maar het stond eenieder vrij met hem in debat te gaan en desnoods een aanklacht tegen hem in te dienen, zoals het CIDI, het Centrum Informatie en Documentatie Israël, dat bijvoorbeeld heeft gedaan. Dat is de manier waarop wij in Nederland daarmee omgaan. Maar niets rechtvaardigt een moord, of is een excuus voor een aanslag. Tegelijkertijd moeten wij wel bij onszelf te rade gaan hoe wij met elkaar omgaan in Nederland. Dat heeft te maken met fatsoen en met waarden en normen. Wat breng ik teweeg wanneer ik de ander tot op het bot beledig? Dat besef, dat fatsoen, dat respect voor de ander en voor diens geloof of mening, moet uit onszelf komen en daarvoor zijn wij samen verantwoordelijk. Maar ook de overheid moet zich bezinnen op de vraag of zij hier voor zichzelf een taak ziet. De overheid zou moeten optreden als met een beroep op de vrijheid van meningsuiting wordt aangezet tot haat, discriminatie of geweld. Ook dat hoort bij een weerbare democratie. Nu wordt het overgelaten aan een individu of hij of zij zich beledigd of bedreigd voelt om een klacht in te dienen. Hoe kijkt de regering aan tegen de suggestie dat dit ook mogelijk zou moeten zijn voor de overheid zelf, of voor bijvoorbeeld voor het Openbaar Ministerie? De regering stelt in haar brief voor dat er een nieuwe commissie, vergelijkbaar met de Commissie Gelijke Behandeling, zou moeten komen, die op verzoek van klagers uitspraken zou beoordelen. Moet deze commissie niet zelfstandig de mogelijkheid krijgen om aangifte te doen van belediging, haat en discriminatie? Men laat dit nu weer over aan het individu, terwijl ik hier ook een rol zie voor de overheid. De CDA-fractie heeft al eerder gepleit voor een weerbare democratie. Willen wij de vrijheid van godsdienst en de vrijheid van meningsuiting kunnen behouden voor hen die deze grondrechten op een normale manier uitoefenen, dan zullen wij degenen die daarvan misbruik maken ook moeten aanpakken, juist om die grondrechten te kunnen handhaven. Dat is een opdracht voor de toekomst. Wanneer bij het praktiseren van het geloof of bij het uiten van meningen wordt opgeroepen tot geweld, tot haat of tot het omverwerpen van de democratische rechtsorde, moet dat worden bestraft. Als zoiets bijvoorbeeld gebeurt in een moskee, moet men de mensen in die moskee ook aanpakken. Wij hebben dit vaker aan de orde gesteld. Het is een sprong voorwaarts in die strijd tegen radicalisering dat de regering nu expliciet aangeeft dat een moskee ook daadwerkelijk zal worden aangepakt. Besturen van moskeeën waar wordt opgeroepen tot, of wordt gerekruteerd voor de jihad, moeten strafrechtelijk worden vervolgd en de imams moeten als ongewenst verklaard het land worden uitgezet. Juist om het mogelijk te houden in dit land dat eenieder vrij zijn geloof kan beleven in een moskee of in een kerk. Daar staan wij pal voor. Het gaat verder. Het gaat ook om lectuur, ook om tv-zenders, ook om internet. Het is onbestaanbaar dat duizenden radicale sites vanuit Nederland worden verspreid. Het is essentieel dat daartegen wordt opgetreden. Er zijn naar onze mening ook mogelijkheden in de wet om dat te doen, bijvoorbeeld het artikel in de wet dat aanzet tot haat strafbaar stelt. Wij zijn blij dat nu ook het verheerlijken van aanslagen strafbaar zal worden gesteld. Ik heb eerder ook voorgesteld, opruiing tegen de democratische rechtsstaat strafbaar te stellen. Het is goed dat de regering radicale sites wil aanpakken, maar dan moeten ook de hosts worden aangepakt, want het kan niet zo zijn dat je voor de uitgave van teksten in een boek wel wordt vervolgd maar niet voor de uitgave daarvan via internet. Dit is een vraag waar wij een antwoord op zullen moeten hebben. Er zijn hier nogal wat organisaties actief, onder andere de organisatie onder de Nederlandse naam Expliciet, die actief is als uitgever van tijdschriften en met het op internet zetten van anti-semitische, anti-joodse, anti-Israëlische teksten, waarin wordt aangezet tot haat en geweld tegen de joden. Dat is geen vrijheid van meningsuiting, dat is misbruik maken van die vrijheid van meningsuiting en dat moet je dus aanpakken. Een ander element waarover wij in dit huis vaker van gedachten hebben gewisseld, is de kwestie van de dubbele nationaliteit. Wij zijn blij dat de regering met spoed een wetsvoorstel voorbereidt om van mensen die activiteiten ontplooien die de essentiële belangen van de staat schaden, de Nederlandse nationaliteit te kunnen afnemen. Maar aan het slot van de eerste alinea in haar brief schrijft de regering dat wie met geweld zijn geloof en meningen aan anderen wil opleggen, of daarvoor respect wil afdwingen, geen ruimte verdient in Nederland. Dat moet dus het criterium zijn om het Nederlanderschap af te nemen. Iemand met een dubbele nationaliteit die laat blijken op geen enkele wijze binding te hebben met onze waarden, moet je naar onze mening de Nederlandse nationaliteit kunnen afnemen. Zulke mensen behoren ons land ook niet in te komen en daarom is het goed dat de regering aan de grenzen de toegang gaat weigeren aan mensen die in Nederland de radicale islamitische ideologie gaan verspreiden. Dat zou dus ook moeten betekenen dat imams die hier naartoe komen de democratische waarden onderschrijven en geweld afzweren. In de voorstellen van het kabinet wordt wel gesteld dat men ook met kracht zal bevorderen dat er een Nederlandse imamopleiding komt en dat er tevens wordt gewerkt aan de verplichting tot inburgeringcursussen voor imams die naar ons land komen. Ik vind dat je aan een imam, die juist ook een grote invloed heeft op zijn geloofsgemeenschap, kunt vragen dat hij de waarden van de Nederlandse rechtstaat onderschrijft en niet geweld predikt. Nu zien wij vaak dat bij al dit soort onderzoeken, ook als het zo ver is, het probleem steeds de bewijsvoering is. Je zult dus ook vooraf maatregelen moeten nemen om dat te verhinderen. Met betrekking tot de bewijsvoering is het uiteraard van belang dat de informatie van de AIVD daadwerkelijk wordt gebruikt. Wij verwachten veel van het wetsvoorstel om die informatie te kunnen gebruiken. Wezenlijk is daarbij natuurlijk dat er ook voldoende mankracht is. Het kabinet doet een aantal voorstellen voor de wijze waarop die dreigingsanalyses tot stand komen, wat wordt onderzocht en of dat voldoende is, dan wel of dat breder zou moeten worden. De CDA-fractie steunt de lijn van het kabinet dat de AIVD meer mogelijkheden en middelen moet krijgen om personen en organisaties met extremistische opvattingen in de gaten te houden en desnoods te verstoren. Maar het is natuurlijk ook zaak dat de relevante informatie terechtkomt waar die moet zijn. Dat betekent dat je er ook op die punten voor moet zorgen dat er een kwalitatieve versterking van de recherche en de AIVD komt, omdat je tevens specifieke kennis nodig hebt. Een ander element waaraan dit kabinet werkt en dat eveneens van het grootste belang is, is de informatie-uitwisseling tussen Europese lidstaten en tussen Europa en de VS. Die moet verder worden verbeterd. Ik sluit af met een opmerking over de preventie. Het is terecht dat het kabinet aandacht vraagt voor een veeleisend integratiebeleid. Het is eveneens terecht dat het kabinet aandacht vraagt voor de noodzaak dat mensen zich verbonden gaan voelen met de Nederlandse samenleving en dat zij bijvoorbeeld op de arbeidsmarkt niet worden gediscrimineerd omdat zij allochtoon zijn. Het kan echter nooit zo zijn dat het niet kunnen vinden van een baan een excuus is voor verdere radicalisering. Dat proefde ik namelijk een beetje uit de tekst. Als in de voorgestelde tekst wordt gesuggereerd dat er een excuus is voor verdere radicalisering omdat men geen baan heeft, geef je daarmee ook een excuus aan extreem rechts om te radicaliseren als men geen baan vindt. Als wij ons verbonden weten met het gevoelen van de Nederlandse samenleving, vind ik dat wij juist niet een wij-zij-tegenstelling moeten creëren, dus ook niet op de arbeidsmarkt. Afgezet tegen de rest van de wereld was Nederland een eiland van fatsoen en tolerantie. Wij worden nu geconfronteerd met zaken die onze vrijheid en democratie bedreigen en met mensen die in onze samenleving verblijven die bereid en in staat zijn aanslagen te plegen. Er is bezorgdheid, schrik en angst in de Nederlandse samenleving en het is noodzakelijk ons gezamenlijk in te zetten voor een fatsoenlijke samenleving waarin iedere burger zich veilig voelt, waar vrijheid wordt gewaarborgd en wij elkaar beschermen tegen wat verwerpelijk is en haaks staat op die waarden die wij hoog achten. Dat vraagt ook dat Nederland niet een maatschappij wordt waarin mensen tegenover elkaar komen te staan. Het is juist nu zaak om samen het hoofd te bieden aan de bedreiging van het radicalisme." 2004-11-11;Van der Vlies;02682;SGP;h-tk-20042005-1278-1332.1.5.1;"Moord op de heer Th. van Gogh ";9327;11;"Mijnheer de voorzitter. Brandstichting, vernielingen in moskeeën, scholen en kerken, schietpartijen op klaarlichte dag, ondergedoken volksvertegenwoordigers; vreselijk. Het was tot voor kort ondenkbaar dat zulke taferelen met een etnische en religieuze achtergrond ook in Nederland konden plaatsvinden. Maar Nederland zit er nu middenin. Wat al langer als een veenbrand smeulde aan gevoelens van haat is nu opgelaaid naar aanleiding van de weerzinwekkende moord op Theo van Gogh. Wie – autochtoon of allochtoon – ook verantwoordelijk moge zijn voor genoemde verschrikkelijke taferelen, dit mag nooit. In deze situatie is het van het grootste belang om het hoofd koel te houden. Het kabinet moet als één man alles op alles zetten om deze toestand te lijf te gaan, om daaraan leiding te geven. Ik ben blij dat de brief van beide ministers deze geest ook ademt. Wij – de politiek – hebben thans een gezamenlijke verantwoordelijkheid voor de noodzakelijke stabiliteit in ons land. Het zou werkelijk onverantwoord zijn als dit moment zou worden gebruikt om elkaar vliegen af te vangen. Dan vervreemden wij de burgers echt van de Haagse politiek. De moord op Theo van Gogh, inclusief de dreigbrief aan Nederland met een uitdrukkelijke anti-semitische toespitsing, bevestigt dat het islamitische terrorisme Nederland niet voorbijgaat. Het is zaak dit uitdrukkelijk te erkennen. Ons land kent meer dan 1 miljoen moslims. Daaronder bevindt zich een kleine radicale kern die geweld tegen de vijanden van Allah niet schuwt. Het is echter niet genoeg om oog te hebben voor de kern in netwerken van gewelddadige moslimextremisten. Wij moeten ook kijken naar de schil eromheen van mensen die openlijk of heimelijk sympathiseren met dit gedachtegoed. Weet de regering hoe dik die schil is, om maar even in die beeldspraak te blijven? Hoe representatief zijn de mensen met wie minister Verdonk aan tafel zit? Natuurlijk is lang niet iedere moslim een terrorist. Helaas moet echter worden vastgesteld dat veruit de meeste terroristen wel moslim zijn. Daarom alleen al is er alle reden om uiterst behoedzaam te reageren op een verdergaande islamisering van Nederland. Er zijn grote verschillen in interpretatie van de koran. Het is aangrijpend dat geradicaliseerde moslims zich bij het hanteren van geweld en het verachten van de dood beroepen op de koran en hun houding verklaren met ultieme gehoorzaamheid aan, zoals zij dat zien, de wil van Allah, zoals uit de vrijgegeven brieven van Mohammed B. blijkt. Deze omgang met de Koran is gelukkig niet voor iedere moslim gebruikelijk, maar blijkbaar wel mogelijk. Dat is geen onschuldige constatering. Ook voor de regering niet bij haar directe of indirecte bemoeienis met de op- en uitbouw van de islamitische zuil in ons land. Heeft men zich daarop wel voldoende beraden? Het blijkt toch te gaan om de fundamenten van onze rechtsstaat. Wij willen eerlijk zeggen dat ons als orthodoxe christenen deze pijnlijke kwestie zeer heeft geraakt. Wij zijn daar bijzonder bij betrokken. Ook wij vanuit de SGP-fractie dragen fundamentele standpunten uit waarvan wij vinden dat het iedereen past die in te nemen. Het is ons echter ten enenmale wezensvreemd ook maar in de verste verte te denken aan, laat staan te grijpen naar, geweldsmiddelen van welke aard ook. Orthodoxie is niet in zichzelf bedreigend. Integendeel, bedreigend kan het eerst worden als een religie verwordt tot een ideologie waarbij mensenlevens niet tellen, ook het eigen leven niet. De brief van de ministers wijst op de noodzaak om het gesprek aan te gaan met moslimgroeperingen. Dat zal zo zijn, maar als Theo van Gogh iets niet heeft gedaan, is het dit. Daarom verbaasden mij de loftuitingen aan zijn adres als held van het vrije woord. Zijn columns kenmerkten zich door het opzettelijk op grove wijze kwetsen van gelovigen, islamieten, joden en christenen en van alles wat hen heilig is. Wij hebben regelmatig gedacht: zo kan dat toch niet! Verdriet en irritatie wisselden zich daarbij in onze boezem intens af. Ook in het buitenland verbaast men zich erover welke grofheden er toegelaten worden in de Nederlandse media. Dit heeft niets meer van doen met de vrijheid van meningsuiting. Integendeel, met een dergelijke invulling van dit recht worden tegenstellingen op de spits gedreven en wordt deze vrijheid op het spel gezet. Het verschil tussen een mening en een belediging is het verschil tussen een gesprek, waardig gevoerd, en een scheldpartij. Maar er mag geen enkel misverstand over bestaan, hoezeer iemand ook prikkelt, provoceert en raakt, men mag zich nimmer aan hem vergrijpen. De taken van onze diensten die terrorisme bestrijden zijn zwaar. De hierin werkenden verdienen onze waardering. Wij leven in een rechtsstaat. Gelukkig maar. Dat levert wel beperkingen op in handelingsbevoegdheid. Het is een alleszins weerbarstige strijd die moeilijk definitief te winnen valt. Toch schreeuwen burgers om geborgenheid en veiligheid. Zij hebben daar ook recht op. Een consequente aanpak dus. Helaas moet er een schepje bovenop. De politie heeft de AIVD vorig jaar al gewaarschuwd omtrent de snelle radicalisering van de aangehouden verdachte. Die verdachte was een bekende voor politie, justitie en veiligheidsdienst. En toch had deze jongeman genoeg ruimte om op klaarlichte dag een brute moord te plegen. Hij die ondersteunde, die loopjongen was, was alleen of vanuit een collectief dan toch maar in staat tot een fatale boodschap, een fatale daad. Daarom klemt de vraag waarom hij, in tegenstelling tot de andere plusminus 150 potentiële verdachten, niet scherper is gevolgd. Achteraf bezien is kennelijk sprake geweest van een nu te betreuren inschatting. Waar is het misgegaan? Welke lessen voor de toekomst trekken wij hier nu uit? Was er, gelet op de bedreigingen aan het adres van de heer Van Gogh, niet alle reden hem uit het decentrale domein van beveiliging te tillen naar dat van het rijksniveau? Waarom zijn enkele dezer dagen gearresteerden toch weer op vrije voeten gesteld? Wat zijn daarvan eigenlijk de risico's? Kunnen wij die overzien? Natuurlijk, wij kennen de strafrechtelijke aspecten die hierbij tellen, maar moet in de huidige context het zekere maar niet genomen worden voor het onzekere? Burgers vragen zich vertwijfeld af waar de overheid mee bezig is om waarschijnlijk potentiële misdadigers, die zich nu eenmaal in de omgeving van daders bevinden, te laten rondlopen. Inderdaad, voorzitter, wij politici moeten aan het werk. Het kabinet komt met een pakket maatregelen. Zij zijn stuk voor stuk door mijn fractie te bezien. Er zal ongetwijfeld nog veel over worden gesproken. Wat vooral telt, is dat zij snel operationeel worden. Zij komen nog wel aan de orde. In dat geheel zijn de trends van toenemend anti-semitisme onderbelicht gebleven. Verder plaats ik nog een enkel accent bij de voorgestelde maatregelen. Justitie en politie hebben de afgelopen tijd gelukkig al meer bevoegdheden gekregen om terreur aan te pakken. Deze bevoegdheden zijn nog onlangs uitgebreid tot de titel \"samenspanning\". Hoe is deze gehanteerd in de laatste tijd? Kan daaraan nog uitbreiding, wat reikwijdte en dergelijke betreft, worden gegeven? Bovendien zal er nog veel extra werk verricht moeten worden in het kader van nationale en internationale samenwerking. Daarnaast moet de voedingsbodem voor terrorisme worden aangepakt. Kritisch moet gekeken worden wie ons land binnenkomt, zeker als het om imams gaat. Dat betekent een streng toelatingsbeleid, gecombineerd met een stevig integratiebeleid. Mijn fractie wil ook dat er nog steviger wordt opgetreden tegen opruiende taal die uit Arabische landen via de schotelantenne ons land binnenkomt. Kunnen daaraan, waar mogelijk, consequenties worden verbonden in de sfeer van handelsbetrekkingen of diplomatieke betrekkingen? In dit verband past ook een straffere aanpak van geldstromen uit Arabische landen naar dubieuze stichtingen en van haatzaaiende websites. Organisaties die banden hebben met terroristische organisaties moeten hard worden aangepakt, ook als deze organisaties geen rechtspersoon zijn. Is dit nu voldoende mogelijk? Dit geldt ook moskeeën waar boodschappen met een radicaal, tegen onze rechtsorde gericht, sentiment worden verkondigd. Al zeer geruime tijd schaduwt de AIVD veel personen die banden hebben met terrorisme. Hoelang houden wij dat vol, als dat bestand ook nog toeneemt? Moet echt gewacht worden tot er een nieuwe aanslag is gepleegd, voordat zij kunnen worden aangepakt? Moeten zij niet eerder worden opgepakt, moet hen de Nederlandse nationaliteit niet worden afgenomen en moeten zij niet het land worden uitgezet? Deze personen verkneukelen zich toch over de Nederlandse aanpak? IJzer, ik erken het, kan niet met handen gebogen worden. Maar waarom duurt het zo lang voordat bekend wordt of er wordt opgetreden tegen boeken waarin wordt opgeroepen om homo's van hoge gebouwen te gooien? De passages zijn nog wel bekend. Bij de bescherming van publieke personen, en dat zijn er meer dan alleen politici, past geen gemillimeter. De overheid heeft tot taak, haar burgers te beschermen. Ik dring er daarom ook op aan, bekende opinieleiders in ons land op een meer dan gemiddelde bescherming van de overheid te doen laten rekenen dan wel dat de overheid in ieder geval financieel bijdraagt aan hun beveiliging, hoe dan ook georganiseerd." 2004-11-16;Schuurman;02771;ChristenUnie;h-ek-20042005-181-194.1.8.1;"Algemene politieke beschouwingen ";3464;7;"Mevrouw de voorzitter. Allereerst zeg ik de minister-president dank voor zijn reactie op onze inbreng. Ik wil daarbij graag ook de dank overbrengen van mijn vriend Holdijk van de SGP-fractie. Deze heeft in eerste termijn zo lang gesproken dat hij zelfs hier niet meer mag komen om zijn dankwoord uit te spreken – waarvan akte. Mevrouw de voorzitter. Ik wil het kort over een drietal punten hebben. Dit betreft in de eerste plaats het vraagstuk van gemeenschap en individu. Het valt mij op – het viel mij vanmiddag ook op – dat de minister-president dit benadert onder het thema liberalisering-individualisering en vervolgens over solidariteit komt te spreken. Ik denk dat als je zelfredzaamheid zo centraal stelt, solidariteit altijd onder druk zal blijven staan. Ik zou het liever omkeren en willen beginnen met het bevorderen van gemeenschappen, opdat de gemeenschapszin toeneemt. Dat levert sterke persoonlijkheden op en impliceert bij voorbaat, doordat iedereen opgevoed wordt, solidariteit. De minister-president heeft ons een gezinsbrief beloofd. De argumentatie die hij daarvoor gebruikte, stemt ons dankbaar. Wij zullen er te zijner tijd met belangstelling kennis van nemen. Vervolgens merk ik op dat het mij een beetje is tegengevallen dat de minister-president in althans de mondelinge bijdrage niet is ingegaan – schriftelijk heeft hij dit wel gedaan – op de zorg die ik heb geuit ten aanzien van het opkomend antisemitisme. Vanzelfsprekend vraagt het verzet tegen moslimhaat in onze tijd aandacht, maar ik denk dat wij sterk moeten onderkennen dat ook het antisemitisme opkomt. Er zijn redenen voor waardoor dat gebeurt. Sommige mensen onderscheiden niet goed tussen het politieke conflict in het Midden-Oosten en antisemitisme. Als je het politiek niet eens bent met Israël, bij wijze van spreken, dan is men ook zomaar antisemiet. Het valt mij ook op dat Europa in dat verband minder alert is dan je wel zou wensen. Als de Maleise premier afscheid neemt en in een vurig betoog ineens weer spreekt over de dominantie van de joden in de wereld, waarbij je dit doet denken aan het zogenaamde jodencomplot in deze wereld, dan volgt daar maar een heel magere reactie op. Als datzelfde Europa, via het waarnemingscentrum voor racisme, ter zake van antisemitisme drie conceptrapporten terzijde moet leggen, waarna het vierde rapport als een mager resultaat moet worden gezien, dan stemt mij dat niet gerust. Vorige week viel mij op dat de brief van de ministers Donner en Remkes – ook de heer Van Aartsen wees daar in de Tweede Kamer op – nauwelijks ingaat op het verschijnsel van het antisemitisme. Voorts worden publieke figuren in Nederland van joodse afkomst in de pers bejegend op een wijze die mij te denken geeft. Antisemitisme heeft diepe wortels in de westerse cultuur en er is blijkbaar altijd weer een voedingsbodem voor. Al heel vroeg heb ik mij voorgenomen om als er opnieuw sprake is van fouten die in het verleden gemaakt zijn, dit zo snel mogelijk te signaleren. Graag had ik op dit punt een uitspraak van de Kamer gekregen. De meeste fractievoorzitters waren het daarmee eens, op twee na. Het leek mij toen niet verstandig die uitspraak te vragen, omdat ik haast wel zeker ben dat men later van zijn tegenstem spijt zal krijgen dan wel – dat zou ik ook betreuren – onder druk alsnog vóór zal moeten stemmen. Ik hoop op een ander moment op dit punt terug te komen. Ik heb nog een derde punt, mevrouw de voorzitter. Heb ik daar nog tijd voor?" 2004-11-17;Van Haersma Buma;02316;CDA;h-tk-20042005-1419-1439.1.3.11;"Justitie ";1197;2;"De wet is er om te bepalen wie gelijk is voor de wet. De wet beschouwt iedereen als gelijk. Deze wet bepaalt dat smalende godslastering zo diep beledigend kan zijn voor die groep, of dat nu joden, christenen of moslims zijn, dat dit een aparte reden is voor strafbaarstelling. U kunt op hoge toon zeggen dat dit schandalig is, maar juist vanwege die hoge toon is het merkwaardig dat u die discussie blijkbaar begint naar aanleiding van wat de minister heeft gezegd. Ik wijs er nogmaals op dat dit valt binnen het eerder door het kabinet aangekondigde onderzoek. De smalende godslastering daarentegen is door uw fractie niet aan de orde gesteld bij de discussie over de strafbaarstellingen in het Wetboek van Strafrecht. Ik heb toen een aantal artikelen laten schrappen die evenmin onderdeel van de discussie waren. Ik wil deze discussie graag met u voeren. Ik heb er alle begrip voor dat u vanuit D66 hier heel stellig over bent. Ik hecht er wel aan, die discussie te voeren in de juiste context. Voor mij is die context de notitie en niet de hectiek en de onrust van dit moment. Ik begrijp de felle reacties op het moment dat de mededelingen van de minister, uit hun context gerukt, tot u kwamen." 2004-11-23;Van Haersma Buma;02316;CDA;h-tk-20042005-1661-1665.1.4.1;"Stemmingen ";1531;3;"Voorzitter. In het kader van de Justitiebegroting leg ik een stemverklaring af over de motie op stuk nr. 55 van mevrouw Vos over een plan van aanpak Minder regels jeugdzorg. Het doel is zeer sympathiek. Wij zijn zeer voor minder regels en daarom hebben wij nog even getwijfeld. De regering is stellig geweest in de uitspraak dat het kernpunt van haar beleid is om minder regels in de jeugdzorg te hebben en dat het mede een van de doelen is van de operatie Jong. Daarom vinden wij deze motie toch overbodig en zullen wij ertegen stemmen. De tweede stemverklaring gaat over de motie op stuk nr. 52 van mevrouw Van der Laan. De uitspraken van de minister van Justitie over haat zaaien, belediging en godslastering vormden onderdeel van een betoog over de aanpak van terrorisme. Zij vielen binnen de marge van de brief daarover die eerder aan de Kamer was gestuurd. Uit hun oorspronkelijk verband gerukt raakten de uitspraken bij sommigen een open zenuw. Er ontstond een ongelukkige en ontijdige discussie. Maar waarom nu die motie? Wanneer deze wordt aangenomen, zullen op hun beurt velen, joden, christenen en moslims, zich door de volksvertegenwoordiging onbegrepen en in de steek gelaten voelen. De CDA-fractie heeft begrip voor de reacties op de uitspraken van de minister. De indieners op hun beurt zouden begrip moeten hebben voor het feit dat voor velen in de samenleving de artikelen 147 en 147a nog steeds van grote waarde zijn. Wat u niet wil dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Het CDA zal tegen de motie stemmen." 2004-12-06;Weisglas;02745;"";h-tk-20042005-5-9.1.1.1;"Herdenking Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard der Nederlanden ";10004;19;"Mevrouw de voorzitter. Op het bericht van het overlijden van Zijne Koninklijke Hoogheid Prins Bernhard waren wij voorbereid vanwege de leeftijd die de Prins had bereikt. Wij waren er ook op voorbereid dat de Prins, die tot voor kort telkens met grote wilskracht herstelde van ziekte en ongevallen, deze keer een ongelijke strijd aanging. Toch geeft dit overlijden ons een grote schok. In de eerste plaats omdat wij beseffen dat Hare Majesteit de Koningin, zo kort na het overlijden van haar man en haar moeder, afscheid heeft moeten nemen van haar vader. Wij wensen haar en de overige leden van de Koninklijke familie de kracht toe om dit verlies te dragen. Het overlijden van Prins Bernhard betekent het einde van een tijdperk. De Prins is meer dan 67 jaar op velerlei manieren hecht met ons land verbonden geweest. De positie van Prins-gemaal is een zeer moeilijke en vraagt veel van alle betrokkenen. Er bestaan voor die functie geen andere leerboeken dan enkele summiere grondwettelijke bepalingen. De jonge Prins Bernhard was opgegroeid in een land dat weliswaar ons buurland was, maar toen toch een geheel andere cultuur dan de onze kende. Voor hem waren zijn gezin, de vriendschappen en het genoten vertrouwen waarschijnlijk heel belangrijk om zich hier thuis te gaan voelen. In de eerste drie jaren na zijn huwelijk op 7ENTITY-#160januari 1937 met Prinses Juliana ontstond, met de geboorte van de prinsessen Beatrix en Irene, een gelukkig gezin, zoals die beide voornamen – die staan voor gelukbrengster en vrede – al aangeven. Zelfs de slagschaduw van het regime dat ons buurland sinds 1933 kende, kon in die eerste jaren die vreugde niet wegnemen. Een hechtere verbondenheid van de Prins met ons land, een verbondenheid die tot op dit moment in alle lagen van onze bevolking en in alle politieke groeperingen wordt gevoeld, werd gevestigd in de oorlogsjaren. Het sprak voor de Prins vanzelf zich volledig in te zetten in de strijd tegen het misdadige regime van de nazi's. Te weinig werd er bij stilgestaan dat dit voor de Prins de consequentie had dat hij zich ook persoonlijk met alle middelen moest keren tegen veel van zijn vroegere landgenoten. Op 12ENTITY-#160mei 1940 moest de Prins met zijn gezin Nederland verlaten. \"Moest\", omdat zijn schoonmoeder hem hiertoe opdracht gaf. Hijzelf had liever deelgenomen aan de verdediging van ons land. Op 16ENTITY-#160mei keerde de Prins dan ook weer terug om deel te nemen aan de gevechten in het enige deel van ons land dat toen nog vrij was: Zeeland. Op 25ENTITY-#160juni 1940 noemde de Prins voor de BBC-radio Hitler \"een Duitse tiran\", beseffende dat hij zijn familieleden in Duitsland hiermee aan sancties blootstelde. Toch duurde het nog enkele maanden voordat de Prins het wantrouwen overwon dat in Engeland bestond vanwege zijn Duitse afkomst. De Prins heeft daarvoor op dat moment en ook later begrip getoond. 29ENTITY-#160juni, de verjaardag van de Prins, was overal in bezet Nederland dé gelegenheid om te demonstreren tegen de bezetting en het nationaal-socialisme, met een witte anjer in het knoopsgat of met oranje bloemen bij paleizen en standbeelden. Anjerdag was de eerste manifestatie van de vaste wens niet in één groot Germaans rijk op te gaan. Naast en mét Koningin Wilhelmina was Prins Bernhard ook in Engeland het symbool van onze nationale soevereiniteit; voorbeeld en inspiratie voor Engelandvaarders. In maart 1941 haalde hij zijn brevet als piloot van jachtvliegtuigen en bommenwerpers. Hij fungeerde later meerdere malen als bemanningslid in een bommenwerper en als piloot in een eenpersoonsjager. Hij vloog zelf vijf maal naar zijn gezin in Canada, waar op zijn verjaardag in 1943 zijn dochter Margriet werd gedoopt. In september 1944, toen het er naar uitzag dat Nederland spoedig geheel zou worden bevrijd, werd Prins Bernhard benoemd tot bevelhebber van de Binnenlandse Strijdkrachten. Voor het bevrijde Zuiden en voor het bezette Noorden was hij de centrale figuur. De maanden april en mei 1945 heeft de Prins later zelf aangeduid als de spannendste van zijn leven. Het moment waarop hij ten slotte door een Duitse generaal de capitulatie zag tekenen, gaf hem immense voldoening, ook omdat hiermee de capitulatie van het Nederlandse leger, vijf jaar eerder, werd goedgemaakt. Vele verhalen vertellen ons over zijn moed en de getoonde kameraadschap. Op 20ENTITY-#160maart 1984 kreeg de Prins een erkenning, die hem zeer veel deed: het Verzetsherdenkingskruis, op unanieme voordracht van het Nationale Comité, waarin alle richtingen van het verzet waren vertegenwoordigd. Onder meer bij de herdenking van de slag bij Arnhem, bleek ieder jaar de gehechtheid van binnen- en buitenlandse veteranen aan de Prins. Die gehechtheid was niet het resultaat van zijn hoge positie en ook niet van zijn formele militaire rang. Die gehechtheid kwam door de uitstraling van zijn enthousiaste, hartelijke en voor zijn vrienden altijd trouwe persoonlijkheid. Die wederzijdse gehechtheid van de Prins en de veteranen was ook ieder jaar op 5ENTITY-#160mei te zien tijdens het défilé in Wageningen. De laatste keer in mei van dit jaar: de Prins, met de groene baret van de commando's, de duim omhoog, een brede lach, wanneer er weer een van zijn oude vrienden strak in het gelid voorbij marcheerde. Het is heel jammer dat de Prins het laatste défilé waar hij zelf bij wilde zijn, op 5ENTITY-#160mei 2005, niet meer kan meemaken. Het gezin van de Prinses en de Prins was in 1947 uitgebreid met een vierde dochter: Prinses Christina. De Prins was een inspirerende vader voor zijn vier dochters, die ieder zijn onverschrokkenheid, elk op hun eigen manier, in hun leven hebben getoond. Na de inhuldiging van zijn vrouw als Koningin op 6ENTITY-#160september 1948, kon Prins Bernhard zijn grote kwaliteiten op andere wijze voor ons land inzetten. Als inspecteur-generaal bleef Prins Bernhard zeer nauw betrokken bij de strijdkrachten. Maar vooral stond de Prins zijn vrouw terzijde, omdat hij zich zeer verantwoordelijk voelde voor de goede uitoefening van haar moeilijke grondwettelijke taak. Samen lieten zij hun verantwoordelijkheidsgevoel voor wat zich in de wereld afspeelde tot uitdrukking komen in de Bilderberg-conferenties, een forum passend in de Nederlandse traditie van geduldig werken aan de wereldrechtsorde. De Britse minister Dennis Healy heeft zich uitgelaten over de manier waarop de Prins die conferenties voorzat: onpartijdig en zodanig dat hij elk van de deelnemers volledig in hun waarde liet. Verschillende kabinetten deden een beroep op de Prins in het kader van de economische betrekkingen van Nederland; eveneens passend bij een oude Nederlandse traditie. Ook was hij zeer actief voor de bescherming van de natuur binnen en buiten Nederland. De Prins wás Mr World Wildlife Fund. Wie kent niet de beelden van Prins Bernhard in Afrika of Azië, waar hij, tot op bijna het laatste moment in zijn leven, opkwam voor dier en natuur. Vrijwel niemand anders kon met zoveel liefde spreken over de baby orang-oetang, de Bengaalse tijger of de olifant. Zelf zei hij in 1987 dat er bij zijn dood niet gezegd zou moeten worden: \"Prins Bernhard is dood\", maar: \"Mr Wildlife has died\". Met zijn dynamische, charmante en bindende karakter heeft Prins Bernhard heel veel bereikt voor ons land, al is hij, zoals in 1976 werd vastgesteld, ook wel eens onvoorzichtig geweest. Het rapport van de commissie van drie over de Lockheedzaak vroeg van het kabinet en de Tweede Kamer een moeilijke afweging. Het resultaat daarvan was vooral aanvaardbaar omdat ieder heeft gezien en gevoeld hoe moeilijk die afweging ook voor de Koningin en haar gezin was. Wij kunnen niet in de harten van alle betrokkenen kijken. Het lijkt mij echter aannemelijk dat niet zozeer de sancties als wel het openbare onderzoek en het openbare debat voor de Prins van blijvende betekenis zijn geweest. Hij heeft de veerkracht getoond om de gebeurtenissen van dat jaar te verwerken, en te erkennen dat hij daarvan had geleerd. Hij verklaarde zijn eigen opstelling ook doordat hij in de Londense jaren en daarna \"over het paard was getild\". Opeenvolgende kabinetten en volksvertegenwoordigingen hebben er van hun kant niet veel aan gedaan om tegenwicht aan die situatie te geven! Toen Koningin Juliana op 30ENTITY-#160april 1980 afstand deed van de troon, brak ook voor Prins Bernhard een periode aan waarin hij op grotere afstand zijn brede belangstelling kon volgen. Zo was het elk jaar de Prins zelf die de prijzen uitreikte, toegekend door het naar hem genoemde fonds, voor uitzonderlijke culturele prestaties. Langs die weg hebben velen de erkenning voor hun verdiensten gekregen en daarbij de oprechte belangstelling van de Prins ervaren. De media bleven aandacht houden voor de Prins, maar de Prins bleef zelf ook aandacht voor de media houden. Hij heeft de publiciteit actief gezocht toen hij, nog in februari van dit jaar, enkele hardnekkig circulerende geruchten over hem en zijn familie (in het bijzonder zijn moeder) wilde corrigeren. Het is tekenend dat vanuit de Tweede Kamer op geen enkele wijze bezwaar werd gemaakt tegen deze actie van de Prins. Velen van ons zullen in hun hart ook plezier hebben gehad over het brullen van deze oude leeuw. En het is, denk ik, heel belangrijk dat in het enkele dagen na het overlijden van de Prins verschenen boek van professor Schrage de verklaringen van de Prins worden onderschreven. De dag na zijn overlijden werd in een krant een op straat geïnterviewde Nederlander geciteerd: \"Prins Bernhard was het soort man dat tegenwoordig niet meer wordt gemaakt. Moeilijk, maar vol karakter; eigenwijs, maar kleurrijk. Zo iemand moet je koesteren.\" Daar sluit ik mij graag bij aan. Dat geldt ook voor de strofe uit het gedicht van Jan F. Cilliers, dat Nelson Mandela en Anton Rupert citeren in de advertentie voor de Prins van de Peace Parks Foundation: \"Stil broers, daar gaan 'n man verbij ... daar was maar net 'n soos hij\". \"Wees stil broeders, daar gaat een man voorbij... er was er maar één zoals hij\". Wij denken met bewondering en dankbaarheid aan de grote betekenis die Prins Bernhard voor ons land heeft gehad!" 2005-02-09;Dittrich;02512;D66;h-tk-20042005-3039-3123.1.4.1;"Terrorismebestrijding ";7586;13;"Mijnheer de voorzitter. Jason W. liep ijsberend door zijn woning in het Haagse Laakkwartier. Hij werd afgeluisterd en hij zei:\"Allah zegt: ga slachtend te werk en dat gaan wij doen. Wij gaan slachten.\" Bij zijn arrestatie gooide hij een handgranaat naar de politie. Jason W. wordt verdacht van moordplannen op onze collega Ayaan Hirsi Ali. Volgens de AIVD zijn er honderden en misschien nog wel meer moslimjongeren geradicaliseerd of zitten in dat radicaliseringsproces. Voor hen heeft de westerse samenleving afgedaan. Of, zoals Mohammed B. die verdacht wordt van de moord op Theo van Gogh, het kernachtig zegt: \"Het zal niet lang duren voordat de ridders van Allah het Haagse Binnenhof op marcheren. Het parlement wordt omgedoopt tot Shariah rechtbank en de voorzittershamer zal het islamitische vonnis bekrachtigen.\" Dit zijn griezelige teksten en het word je koud om het hart. Zij tonen ook de ernst van de situatie aan. Wij moeten niet naïef zijn, potentiële terroristen moeten hard worden aangepakt. De maatregelen die de regering bedenkt, moeten effectief zijn. Wij hebben geen tijd te verliezen. In de Volkskrant van afgelopen zaterdag stond een interview met drie moslima's. Zij wisselden openlijk van gedachten over nieuwe moordplannen. Vroeger had je groupies die rond een popidool cirkelden, nu zie je moslima's die Mohammed B. en andere leden van de Hofstadgroep adoreren. Maar helaas, die Hofstadgroep wil vernietiging van onze samenleving, en er is niets romantisch aan deze subgroep te ontdekken. Mijn fractie wil onderscheid maken tussen de harde kern van terroristen en degenen die zich in hun nabijheid ophouden, maar die nog niet geradicaliseerd zijn. Die laatste groep jongeren moeten we zien terug te halen. We moeten ze losweken uit de invloedsfeer van de gewelddadige politieke islam. Daarom heeft de fractie van D66 het kabinet opgeroepen, effectieve maatregelen te nemen om terrorisme tegen te gaan. De meeste plannen van het kabinet steunen wij. Ik noem er enkele van, omdat wij daarbij nog wat opmerkingen hebben. Ik begin met de uitbreiding van de AIVD, een uitbreiding die wij noodzakelijk vinden. Maar hoe groter de rol van de dienst, des te beter de controle op het werk van de AIVD geregeld moet worden. Het rapport van de commissie-Havermans is nog niet met het kabinet besproken. Mijn fractie zal in dat debat met verdere voorstellen komen. Wij zijn er nog niet van overtuigd dat de controle die nu op de kwaliteit van het werk van de AIVD bestaat, de goede controle is. Wij zijn ook voor uitbreiding van politie, marechaussee en de IND, dat alles in het teken van de strijd tegen terrorisme. Maar ik zeg er ook bij dat wij onder andere van de politiebonden te horen krijgen dat men zoveel aandacht moet besteden aan werk in het kader van terrorisme, bijvoorbeeld het beschermen van ambassades en andere gebouwen, dat men eigenlijk niet toekomt aan het tegengaan van de \"gewone\" criminaliteit. Klopt dat en zo ja, hoe voorkomt de regering dan dat de onveiligheid in Nederland toeneemt? Wij steunen ook het voorstel voor een nieuw meldpunt, dat zich bezighoudt met het verzamelen van strafbare informatie op het Internet. Ongewenste informatie kan worden weggehaald, en de politie kan onderzoek gaan doen naar diegenen, die verantwoordelijk zijn voor het plaatsen van die informatie op het Internet. Ik besef overigens wel dat dat erg moeilijk is, want internetinformatie houdt zich natuurlijk niet aan landsgrenzen, dus het zal best een lastige klus worden, maar dat moet dan maar. Ook de strategie van het verstoren van radicaliseringshaarden door het gebruik van bestaande wettelijke bevoegdheden, met als doel het werk van potentiële terroristen stuk te maken, steunen wij. Het volgende is onze mening over een beroepsverbod. Als een leraar met haatzaaiende, bijvoorbeeld antisemitische teksten voor de klas staat en jongeren opzweept om zich bijvoorbeeld tegen joden te keren, en hij wordt door de rechter veroordeeld, dan vindt de fractie van D66 het een passende straf dat de rechter bepaalt dat die leraar een tijdje niet voor de klas mag staan. Kortom, de regering neemt veel maatregelen die noodzakelijk zijn en die ons effectief lijken. Er ligt een voorstel van de regering om te gaan bezien of iemand, wanneer hij of zij naar een trainingskamp in bijvoorbeeld Pakistan gaat, waar hij of zij les krijgt in het plegen van een terroristisch misdrijf, strafbaar is. De fractie van D66 wil verder gaan: dat moet gewoon strafbaar worden gesteld. Wij willen dat alle wetsvoorstellen die vergaande bevoegdheden regelen een tijdelijk karakter in zich dragen. Ik noem als voorbeeld een grens van vijf jaar, waarna de politiek opnieuw zal moeten kijken of die wetsvoorstellen, die dan kracht van wet hebben, nog nodig zijn. Als ze nodig zijn, moet de wet gewoon worden verlengd, maar als ze niet nodig zijn, kan de wet automatisch vervallen. Ik vraag om een kabinetsreactie hierop. Steeds, bij alle maatregelen, stellen wij ons de vraag of de voorgestelde maatregel bijdraagt aan het doel om potentiële terroristen aan te pakken. Is de maatregel gericht op de groep om de terroristen heen, dan is de vraag of die maatregel geschikt is om hen van die geradicaliseerde groep weg te drijven en hen een ander perspectief te bieden. Als maatregelen hun doel voorbij schieten, zijn wij niet goed bezig. Die maatregelen wekken dan op papier de illusie van veiligheid, maar wij kunnen van een koude kermis thuiskomen als blijkt dat zij niet werken. De bevolking zal dan het vertrouwen in ons rechtssysteem verliezen. De meeste maatregelen die het kabinet voorstelt, steunen wij. Als wij echter in alle nuchterheid daarnaar kijken, kunnen wij een aantal daarvan niet steunen. Dat geldt als eerste voor het strafbaar stellen van verheerlijken van gepleegde misdrijven. Dat heet apologie. Al in het vorige debat naar aanleiding van de moord op Theo van Gogh heb ik gezegd dat D66 de vrijheid van meningsuiting niet verder wil inperken. Wij zijn van mening dat het ieders eigen verantwoordelijkheid is, hoe om te gaan met de vrijheid van het woord. Tegen zelfbeperking hebben wij uiteraard geen bezwaar. Wordt dat verheerlijken een misdrijf van haat zaaien of opruien, dan is dat al strafbaar. Aan verdergaande inbreuk op de vrijheid hebben wij geen behoefte. Diezelfde vrijheid van meningsuiting moet onzes inziens gebruikt worden om in te gaan tegen dit soort bedenkelijke ideeën die mensen uiten. Je moet de vrijheid van meningsuiting aanpakken en zeggen dat iemand die een gepleegd misdrijf ophemelt, absoluut verkeerd bezig is en dat dit een verwerpelijke mening is. Wij stellen ons de vraag of de voorgenomen strafbaarstelling effectief is. Maakt die de samenleving veiliger tegen terrorisme? Zal degene die de aanslagen van Al-Qa'ida verheerlijkt en die onze samenleving bedreigt, zich door een wettelijk verbod op apologie geremd voelen? Wij veronderstellen van niet. Een wettelijk verbod zal iemand met dit soort denkbeelden misschien ondergronds doen gaan, wat op zichzelf ook weer lastig is, want dan kan de AIVD veel moeilijker een vinger achter de ontwikkelingen krijgen die daarmee te maken hebben. Daarom zeg ik heel duidelijk, in tegenstelling tot de heer Bos die geen duidelijkheid wil bieden: kabinet, begin daar gewoon niet aan! Zet de ambtenaren die dat wetsvoorstel zouden moeten voorbereiden, in op andere zaken. Er is werk genoeg te verrichten. Het is zonde van de tijd om een wetsvoorstel voor te bereiden om apologie strafbaar te stellen. Wij vragen het kabinet, af te zien van het plan, de vrijheid van meningsuiting verder in te perken." 2005-02-09;Bos;02212;PvdA;h-tk-20042005-3039-3123.1.17.9;"Terrorismebestrijding ";1815;3;"Ik voeg er zeer nadrukkelijk aan toe dat als het in deze motie gaat over haat zaaien, racisme en discriminatie, het dus gaat over alle vormen van haat zaaien, racisme en discriminatie. Het gaat over haat, geweld, agressie en discriminatie tegen joden, moslims, homo's, hetero's, wit, zwart, over alles wat de dialoog waarvan wij met elkaar zeggen er zo voor te zijn, onder spanning zet. Ik vergeet vast en zeker enkele categorieën, maar daarover wordt wel een nieuw debat aangevraagd. Gisteren kreeg onze koningin een eredoctoraat aan de universiteit van Leiden. Bij het verkrijgen van dat eredoctoraat werd de zogenaamde diesrede uitgesproken door prof. Ineke Sluiter, hoogleraar in de Griekse taal- en letterkunde. Zij hield een verhaal over taal, identiteit en minderheden, waarbij zij helemaal naar de oudheid terugging. Zij gaf voorbeelden van de oude Grieken en Romeinen en van de manier waarop het gebruik van taal en bepaalde begrippen de wereld waarin de mensen toen leefden vormgaf en deed begrijpen. Zij constateerde dat vanaf de oudheid samenlevingen in verwarring zijn geraakt op een moment dat zij kennismaakten met nieuwe culturen en nieuwe religies, en dat vanaf de oudheid de bewoners in die samenleving gebruikmaakten van angstaanjagende bewoordingen om de invloed van die nieuwe culturen en nieuwe religies te duiden. Taal, zo was haar conclusie, kan een werkelijkheid maken en breken. Ik sluit met de slotalinea van haar betoog bij het verlenen van het eredoctoraat aan koningin Beatrix mijn tweede termijn af. \"Omdat taal een wonder is, machtiger en potentieel ook gevaarlijker dan wij vaak denken, een middel om werelden te vangen in woorden, er grip op te krijgen, ze te maken maar potentieel ook te breken. Ik houd het daarom liever bij het motto: pas op uw woorden, maar spreek ze vrijuit.\"" 2005-02-22;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20042005-3231-3261.1.4.1;"Grondrechten in een pluriforme samenleving ";3312;3;"Voorzitter. In Nederland heeft iedereen een mening en dat is niets nieuws. Al in de zeventiende eeuw zei de Engelse ambassadeur over de Verenigde Nederlandse Provinciën: ik geloof dat in de straat waar ik woon bijna evenveel godsdiensten zijn als huizen; laat dit land zo hard als het wil zich de Verenigde Provinciën noemen, ik ben ervan overtuigd dat er geen plek ter wereld is zo onverenigd als hier. Net zo Nederlands als de gedachte dat deze meningen zijn toegestaan, is het dus ook met betrekking tot dit onderwerp. Toen Erasmus zijn Lof der zotheid schreef, beriep hij zich er al op dat verschillende opvattingen en verschillende benaderingen van godsdiensten belangrijk zijn. Ook andere Nederlandse denkers bepleiten dit. Spinoza schreef bijvoorbeeld in zijn politieke traktaat dat de staat niet in staat was om de gedachten van burgers te controleren en te beheersen. Daarom mogen burgers denken en vinden wat zij willen. Ook hebben zij het recht om dat publiek te maken. Spinoza zei ook: het uiteindelijke doel van de politiek is de vrijheid. Nederland is een land waar je kunt zeggen wat je denkt. In de tekst die wel wordt gezien als de geboorteakte van Nederland, het Plakkaat van Verlatinghe uit 1581, wordt die vrijheid expliciet als onze wezensgrond geformuleerd. Het volgende is een citaat uit die tekst: in het bijzonder in ons land moeten onderdanen hun eigen vrijheid veilig stellen. Hoewel die vrijheid van meningsuiting in het begin van onze staat redelijk beperkt was – zeker als je het vergelijkt met nu – werd Nederland een vrijhaven in de wereld. Joden, protestanten, liberale denkers, Hugenoten en vandaag ook vrijzinnige moslims, zoals de uit Egypte afkomstige Leidse hoogleraar Abu Zaid, kwamen hierheen. Om die reden lieten ook in het verleden buitenlandse denkers als Galilei en Descartes hun werk hier uitgeven. De vrijheid van denken was en is uitdrukkelijk niet bedoeld om zomaar alles te mogen doen. De wet stelt restricties aan het handelen op grond van je overtuigingen. Ook die opvatting is niet nieuw. Een van onze grootste rechtsgeleerden, Hugo de Groot, schreef al in 1624 in het Recht van oorlog en vrede: als God zou bevelen om iemand te doden of hem van zijn bezittingen te beroven, zou de doodslag of diefstal nog niet geoorloofd zijn. Ook dat denken over het verschil tussen daden en denken, is nog steeds de kern van onze vrije samenleving. Vrijheid hoort bij Nederland en waar iedereen de vrijheid wil consumeren en de vrijheid wil uiten, vinden er dus ook botsingen plaats. Dat brengt ons tot de nota. De aanleiding van deze nota is de motie van de heer Dittrich. Vandaag discussiëren wij dus over de nota die uiting geeft aan deze motie. Wij zijn blij met de notitie, want er staan een aantal heel wijze dingen in. Het is toch wel belangrijk om na te gaan waarom die notitie ook weer was gevraagd. De reden was de wens om eens inhoudelijk en zeer diepgaand te discussiëren over hoe wij moeten reageren op de waan van de dag. Er worden verschillende dingen in een vrije samenleving geroepen. Door diverse stromingen wordt van alles gezegd. Journalisten, politici en de samenleving reageren daar ad hoc op. Het is belangrijk om te weten langs welke lijnen wij moeten reageren. Ik vind de notitie een goede aanleiding om daarover te discussiëren, ook in deze Kamer." 2005-02-24;De Graaf;02517;"";h-tk-20042005-3354-3373.1.2.130;"Grondrechten in een pluriforme samenleving ";6435;7;"Ik geef de heer Çörüz toe dat de voordelen van een orgaan als de commissie Gelijke behandeling, zoals de laagdrempelige toegang, aanwezig zijn. Ik meen evenwel dat er toch zeer terughoudend dient te worden omgegaan met het instellen van vergelijkbare organen voor dan weer andere vormen van klachten over ongrondrechtelijk gedrag. De commissie Gelijke behandeling vangt al een belangrijk deel af als het gaat om het ongelijk behandelen in allerlei situaties. Ik meen overigens dat het qua omvang wel meevalt met het beroep dat op de rechter wordt gedaan ten aanzien van de botsing van grondrechten. Als het gaat over de vraag of er strafrechtelijk moet worden opgetreden, is er helemaal geen aanleiding om zo'n commissie in het leven te roepen. Bij zo'n commissie zouden mensen zich moeten kunnen beklagen over de overheid of jegens elkaar. Strafrechtelijk optreden is voorbehouden aan het openbaar ministerie, dus op initiatief van de overheid, en vervolgens is het oordeel aan de strafrechter. Ik weet niet of er kwantitatief enorm veel behoefte aan is. Mijn algemene terughoudendheid leidt ertoe dat ik niet in deze richting meedenk, maar ik beloof dat ik erover zal blijven nadenken. Als er aanleiding voor is, kom ik hierop terug. De heer Van der Staaij heeft gevraagd of bepaalde liedjes of kunstuitingen in het algemeen dezelfde bescherming van de vrijheid van meningsuiting kennen of juist extra bescherming. Ik ben van mening dat zij gewoon onder de vrijheid van meningsuiting vallen. Dat is meermalen in jurisprudentie van EVRM en Hoge Raad vastgesteld. Overigens zijn kunstenaars niet immuun voor de mogelijkheid van opgelegde beperkingen. Ook zij hebben plichten en verantwoordelijkheden op grond van de wet. Tegen die achtergrond moeten de vervolging en veroordeling worden gezien van de rappers die eind vorig jaar een dis tegen een van de leden van de Kamer hadden gemaakt. Al eerder oordeelde de Hoge Raad dat een literator zich niet zonder meer kan verschuilen achter een romanfiguur, maar ook heeft in te staan voor de uitlatingen die deze figuur in de mond neemt, tegen de achtergrond van de roman en wat daarmee wordt beoogd. Een dergelijke uiting geniet niet meer bescherming vanwege het enkele feit dat het om een kunstuiting gaat. Er bestaat dus niet zoiets als een exceptio artis als strafuitsluitingsgrond. De heer Van der Staaij heeft ook aandacht gevraagd voor de grens van de toelaatbare kritiek op de staat Israël in relatie tot mogelijk onaanvaardbaar antisemitisme in uitlatingen. Ik denk dat de heer Van der Staaij het met mij eens is dat er onderscheid moet worden gemaakt wat betreft uitingen die kritisch zijn over het beleid van bijvoorbeeld de Israëlische regering. Dergelijke kritiek verdient bijzondere bescherming, zoals in het algemeen geldt voor kritiek jegens regeringen. In de jurisprudentie blijkt dat rechters daarmee zeer zorgvuldig zijn. Als kritiek op regeringen niet mogelijk zou zijn, is het einde zoek. Dat moet duidelijk worden onderscheiden van vooroordelen over joden in het algemeen. Als kritiek op een regering wordt vermengd met dergelijke vooroordelen, kan er sprake zijn van antisemitische en discriminerende uitlatingen die strafrechtelijk vervolgbaar zijn. Die vraag moet dan door de rechter worden beantwoord. Dan kom ik aan de kledingstukken die uitdrukking kunnen geven aan godsdienstige of levensbeschouwelijke opvattingen. Wij hebben er al even kort over gesproken wat betreft politieke bestuurders. De heer Eerdmans heeft terecht gezegd dat de Kamer vorig jaar bij het spoeddebat tamelijk eensgezind was en hij tamelijk alleen. Ik vrees dat dit ook zo zal blijven, als het aan de regering ligt. Een aparte kledingcode komt er wat ons betreft niet. Deze kabinetslijn is ook van toepassing als reactie op de stelling van de voorzitter van de deelgemeenteraad van Charlois, namelijk dat een balieambtenaar met sluier de vereiste onafhankelijkheid en neutraliteit van de overheid in gevaar zou brengen. Het uitgangspunt bij het dragen van kledingsstukken of sieraden die mogelijk uitdrukking geven aan religieuze of levensbeschouwelijke opvattingen is dat zij niet in de weg moeten staan aan het goed ambtenaarschap. Dat is de kern. Alleen de aard van de functie van de ambtenaar kan ertoe leiden dat er een dringende noodzaak is voor het stellen van kledingsvoorschriften, bijvoorbeeld vanwege de veiligheid, de functionaliteit of de onpartijdigheid van de ambtelijke functie. Bij redenen van onpartijdigheid kan worden gedacht aan ambtelijke functies waarvoor een onpersoonlijke of geüniformeerde gezagsuitoefening in het bijzonder van belang is. Dat is overigens geen harde scheidslijn. Het moet per geval bekeken worden. Het doet zich echter bij uitstek voor in het geval van de rechterlijke macht of van functies waarbij de overheid zich presenteert met behulp van de sterke arm: politie, defensie en dergelijke. Men kan ook denken aan het openbaar ministerie, alhoewel daar geen uniformiteit is in de zin van een uniform. Of de keuzes in de praktijk altijd even consequent worden gemaakt, zoals de heer Van der Staaij opmerkt, valt in zijn algemeenheid moeilijk te beantwoorden. Vast staat dat de uitgangspunten die ook hij onderschrijft steeds richtinggevend moeten zijn. De heer Eerdmans wijst naar de casus van een balieambtenaar met sluier. De opmerking dat dit altijd een gevaar oplevert voor de vereiste onpartijdigheid, onafhankelijkheid en neutraliteit van de overheid is onjuist. Dat de heer Eerdmans zich ergert en irriteert is op zichzelf, hoe belangrijk ook, geen doorslaggevend criterium. Wel is doorslaggevend of in het algemeen de onpartijdigheid van overheidshandelingen in gevaar kan komen of in sterke mate wordt betwijfeld. Dan is er een probleem waar de overheid naar moet kijken. Het gaat er niet om of een individuele burger de wijze waarop iemand eruit ziet niet accepteert. Ik noem het voorbeeld dat nogal wat mensen zich ergeren aan een baliemedewerker met een ringetje door zijn of haar neus en andere uiterlijke kenmerken die niet door iedereen op prijs worden gesteld. Moet de overheid daarop reageren door te stellen dat dergelijke versieringen nooit meer gedragen mogen worden? Dat moet niet te snel gebeuren. Als blijkt dat het feitelijk functioneren van de overheidsbalie onder grote druk komt te staan, en dus de functionaliteit, kan overwogen worden om eisen te stellen. Ik ben daar zeer terughoudend in. Dat lijkt mij ook terecht." 2005-03-22;Dijsselbloem;02200;PvdA;h-tk-20042005-4002-4041.1.4.1;"Inburgering in het buitenland ";2210;3;"Voorzitter. Ik dank de minister voor haar antwoorden in eerste termijn. Er is brede overeenstemming in de Kamer en tussen Kamer en regering over de doelstelling van de wet, namelijk een betere integratie en emancipatie van huwelijksmigranten. Er is ook brede steun, exclusief GroenLinks, voor het principe dat het proces van inburgering waar mogelijk in het herkomstland moet beginnen. Er is ook brede zorg over het nieuwe systeem dat, inclusief doel en mogelijke consequenties, nog niet eerder is ingezet. Waar de minister en de PvdA elkaar niet vinden is over de inhoud van de toets. De evaluatie van de Wet inburgering in het buitenland wijst op twee redenen waarom de resultaten van inburgering tegenvallen. De motivatie, waaraan de minister refereert, is zeer afhankelijk van omgevingsfactoren zoals zwangerschap en de aanwezigheid van kinderopvang. De tweede reden is het lage instroomniveau. Motivatie is niet een intrinsiek gegeven. Motivatie kan zeer afhankelijk zijn van omgevingsfactoren, die bepalen of iemand de motivatie kan opbrengen om een cursus in het Nederlands af te maken. Dat is niet mijn hoofdpunt. De minister wijst vooral naar het cruciale punt van motivatie. Ik wijs op het tweede punt uit de instroom, namelijk het lage instroomniveau. Dat blijft de grote kwetsbaarheid van het voorstel van de minister. Het belang van alfabetisering als eerste stap in het leren van een tweede taal en verdere opleiding wordt door de minister een beetje belachelijk gemaakt: wij gaan mensen toch geen Chinees leren lezen en schrijven als wij willen dat zij in Nederland inburgeren? Voor ons is het evident dat mensen kunnen lezen en schrijven in hun eigen taal voordat zij een tweede taal kunnen leren. Vele deskundigen wijzen daar ook op. In onze opvatting is het volstrekt logisch dat die start van het opleidingstraject wordt gemaakt onder eigen verantwoordelijkheid en in het land van herkomst. Ik noem nog eens het voorbeeld van Israël, dat met een luchtbrug de Ethiopische joden naar Israël haalde. Het ging niet om een inburgering in het buitenland. Toch heeft men daar eerst in hoog tempo alfabetisering in eigen taal toegepast en daarna de mensen Hebreeuws geleerd. Een beproefd recept dus." 2005-04-05;"";02278;"";h-ek-20042005-941-942.1.1.1;"Herdenking ZH Paus Johannes Paulus II ";2742;7;"Ik verzoek u te gaan staan. In deze Kamer werd in 1978 in een tijdspanne van drie maanden het heengaan van twee kerkelijke wereldleiders herdacht. Nu herdenken wij hun opvolger, paus Johannes Paulus II, die op 2ENTITY-#160april jongstleden op de leeftijd van 84 jaar is overleden. Geboren in Polen, was hij de eerste niet-Italiaanse paus na 455 jaar. Als staatshoofd en kerkvorst heeft hij 26 jaar lang mede geschiedenis geschreven in een wereld waarin de machts- en krachtverhoudingen ingrijpend veranderden. Het heengaan van deze paus na een langdurig ziekteproces waarin zijn krachten zichtbaar afnamen, beroert miljoenen mensen over de gehele wereld. Staatshoofden en regeringsleiders roemen zijn inzet voor vrijheid, vrede en verzoening. Hij laat op velen een onuitwisbare indruk achter, mede door de wijze waarop hij zijn ambt invulde met naast de kerkelijke, ook nadrukkelijk de geopolitieke dimensie. Het eerste bezoek van de paus aan zijn geboorteland Polen in 1979 werd beschouwd en ervaren als politieke steun aan de Poolse vakbond Solidariteit. Zijn gezaghebbend optreden was van betekenisvolle invloed op de latere ontwikkelingen in Polen zelf en in het verlengde daarvan op de val van de Berlijnse muur in 1989. Zijn naam zal verbonden blijven met ontwikkelingen die leidden tot de val van het communisme en het einde van de Koude Oorlog. Naast zijn onvermoeibare inzet voor vrijheid en vrede in de wereld heeft hij als kerkvorst getracht, tevens bruggen te slaan naar andere godsdiensten. Hij bracht tijdens zijn reis door Syrië in 2001 als eerste paus een officieel bezoek aan een moskee. In de relatie met Israël heeft hij diplomatieke betrekkingen tussen dat land en de Heilige Stoel tot stand gebracht. In ons land was hij de eerste paus die een synagoge bezocht en die zich uitsprak over wat de joden gedurende de Holocaust is aangedaan. Paus Johannes Paulus II wist door zijn talloze reizen en door zijn directe en authentieke wijze van communiceren miljoenen mensen te bereiken, niet alleen in landen waar men naar zijn bezoek uitkeek, maar ook daar waar het politieke systeem op gespannen voet stond met zijn opvattingen over vrede, vrijheid en verzoening. Voor velen waren zijn bezoeken dan ook een teken van hoop. Hij vestigde niet alleen hoop, maar riep ook tegenspraak op, zeker in ons land, met name ten aanzien van de beschermwaardigheid van menselijk leven, de seksuele moraal en de rol van de vrouw in de kerk. Op anderen rust de taak het leven en werken van deze wereldleider in hun historische context te beoordelen. Vandaag herdenken wij hem die zijn gaven van hoofd en hart onvermoeibaar en tot het laatst toe zodanig heeft ingezet dat hij voor miljoenen een bron van inspiratie zal blijven. Moge hij rusten in vrede." 2005-04-05;"";02745;"";h-tk-20042005-4273-4274.1.1.3;"Presentie ";2796;10;"Herdenking Ik verzoek u allen, te gaan staan. Dat verzoek richt ik ook aan onze gasten op de publieke tribune, voorzover die daartoe in staat zijn. Waarde medeleden. Mijn ambtsvoorganger Anne Vondeling sprak op 4ENTITY-#160oktober 1978 bij de herdenking door de Kamer van paus Johannes Paulus I. Nu, ruim 26 jaar later, staan wij stil bij het overlijden van diens opvolger, paus Johannes Paulus II, staatshoofd van Vaticaanstad. Na een periode waarin zijn krachten langzaam en voor iedereen zichtbaar afnamen overleed paus Johannes Paulus II afgelopen zaterdag 2ENTITY-#160april op de leeftijd van 84 jaar. Paus Johannes Paulus II werd geboren als Karolus Józefus Wojtyla op 18ENTITY-#160mei 1920. Een Pool, de eerste niet-Italiaanse paus sinds 400 jaar. Gedurende 26 jaar bekleedde hij het hoogste ambt binnen de rooms-katholieke kerk. Hij verloochende zijn afkomst niet, noch het feit dat hij als jonge man onder het nazisme en het communisme had geleden. Wellicht heeft die achtergrond ertoe bijgedragen dat paus Johannes Paulus II niet alleen kerkelijk leider was, maar dat hij ook zeer grote invloed had op de wereldpolitiek. Tekenend daarvoor zijn de vele reacties van politici uit de hele wereld bij zijn overlijden. Hij zette zich onvermoeibaar in voor de vrede en hij heeft een grote bijdrage geleverd aan het einde van de Koude Oorlog en de val van het communisme.Voorzitter Paus Johannes Paulus II was een authentiek en charismatisch leider en kritiek was hem zeker niet vreemd. Zijn opvatting over abortus en seksualiteit, en zijn verzet tegen het gebruik van de pil en condooms in de strijd tegen overbevolking en tegen aids, maar ook de positie van de vrouw in de kerk riepen verzet op. Paus Johannes Paulus II maakte ook geschiedenis door zijn vele wereldreizen. Tijdens deze bezoeken bracht de paus miljoenen mensen op de been. Ook Nederland, dat hij als bisschop in 1947 al eerder had bezocht, werd in 1985 door de paus bezocht. Een bezoek dat niet onopgemerkt bleef. Niet alleen vanwege het wegblijven van heel veel mensen, maar ook vanwege de openlijke wijze waarop de verschillende stromingen in de Nederlandse kerkprovincie en daarbuiten werden geëtaleerd. Johannes Paulus II zal ook de wereldgeschiedenis ingaan als de paus die niet alleen een van de langst zittende pausen was, maar ook als de paus die wereldgodsdiensten bij elkaar bracht. Vooral zijn historische ontmoetingen met de joodse gemeenschap gaven hier blijk van. Hij verbeterde de verhouding tussen joden en katholieken, die zo grondig verstoord was na de holocaust. De openlijke erkenning van de andere wereldreligies was tevens een blijk van de afkeuring van paus Johannes Paulus II over godsdienst als oorlogskiem en van zijn onvermoeibare inzet voor de wereldvrede. Moge hij rusten in vrede. Ik geef het woord aan de minister-president." 2005-05-10;Middel;02987;PvdA;h-ek-20042005-1104-1134.1.5.11;"Beleidsdebat Defensie ";7661;9;"Het is een interruptie, voorzitter, dus hier moet ik toch wel eventjes op ingaan. Op het moment dat de oorlog in Europa plaatsvond, heeft Amerika geen keuze gemaakt voor Engeland, voor de geallieerden, voor Frankrijk. Dat is niet gebeurd. Daar hadden zij ook geen enkel economisch belang bij, want zij dreven nog handel met de andere kant. Pas op het moment dat Japan Pearl Harbour aanviel in december 1941 heeft Amerika deelgenomen aan de oorlog. Maar wat ik wilde zeggen in het kader van het historische besef is dat als wij Amerika loven, en dat mogen wij dus doen in dat verband, dan moeten wij dat natuurlijk ook doen in de richting van Rusland, maar zeker in de richting van Engeland, want dat was in 1940 het enige land dat overeind bleef op een moment dat iedereen dacht dat Hitler het wel zou gaan winnen. Als je dan toch de geschiedenis even naar voren haalt, vind ik dat je dat punt niet moet veronachtzamen. Ik hoop dat de heer Van Middelkoop dat ook met mij eens is. En met verrechtsen heeft het trouwens niets te maken. Voorzitter. De minister zei dat wij niet een krijgsmacht moeten hebben die pas gaat optreden als het vechten voorbij is, maar dat is nu juist het punt dat ik vorig jaar in het beleidsdebat naar voren heb gebracht. Wij kregen vaak het verwijt dat de Dutchies eraan komen als het vechten voorbij is. Ik begrijp dat de zaak een beetje is veranderd en dat het Nederlandse kabinet een andere oplossing kiest. Dat heeft echter wel een aantal consequenties, ook voor het debat dat moet worden gevoerd in de Kamers over de vraag op welk moment wij een bijdrage moeten gaan leveren. Ik vind het jammer dat het mij niet is gelukt om de discussie op een wat ander abstractieniveau te krijgen, met name met betrekking tot de sociaal-culturele en psychologische aspecten en de vraag of wij wat de menselijke punten betreft in staat zijn om onze bijdrage te leveren. Als dit soort dingen naar voren worden gebracht in een politieke discussie, wordt er ogenblikkelijk geprobeerd om die in procedures te vertalen en wordt gezegd dat het kabinet er alles aan doet. De aspecten die ik probeerde aan te stippen, zijn in het debat niet voldoende door het kabinet behandeld. Misschien ligt het aan mij, maar het is jammer dat dit niet is gebeurd. Wellicht is daar op een ander moment nog eens gelegenheid voor. De minister heeft ons uitgenodigd om naar de Canarische Eilanden te gaan. Dat zullen wij een keer bespreken in de commissie. Ik heb ook gesproken over Afrika. Wij zijn daar op dit moment inderdaad aanwezig. De vraag die ik voorlegde was echter waarom wij begin jaren negentig wel eerst in Irak en later op grote schaal in het voormalige Joegoslavië zaten terwijl op hetzelfde moment in Rwanda meer dan 1 miljoen mensen werden vermoord. Daar vond een genocide plaats die zijn weerga niet kende en de NAVO, de Europese Unie en noem de hele rataplan maar op, bleven afzijdig. Dat punt heb ik geprobeerd aan te stippen. Als er afwegingen worden gemaakt om ergens op te treden, waarom gebeurt het dan niet elders op een plek waar het misschien wel meer nodig is? Het gaat er niet om dat wij nu in Afrika aanwezig zijn. Wij hebben het gewoon laten zitten in Rwanda en dat moeten wij ons allemaal zelf behoorlijk kwalijk nemen. Dat mag nooit weer gebeuren. Minister Kamp zegt dat wij niet moeten kiezen voor één bepaald krijgsmachtonderdeel. Het is hem als eerste bewindspersoon in vele jaren gelukt om de stammenstrijd die er was tussen de krijgsmachtonderdelen voor een groot deel te beslechten. Hij heeft de staven in elkaar geschoven op het departement. Dat is een knappe prestatie. Dat betekent toch niet dat er vervolgens niet verder kan worden gekeken? Hij zei dat er geen prioriteiten mogen worden gesteld tussen de krijgsmachtonderdelen omdat zij elkaar allemaal nodig hebben. Ik vind dat een beetje een vreemd verhaal. In internationaal verband heeft men elkaar immers ook allemaal nodig en spreekt men allemaal dezelfde taal. Men spreekt allemaal Engels. Die mensen van de luchtmacht doen alles in het Engels en die van de marine ook. Als wij bijvoorbeeld gemeenschappelijk met België een marine hebben, kan er toch best worden afgesproken dat wij het grootste gedeelte doen of dat juist de Belgen het grootste gedeelte doen? Dat betekent dat er op een ander krijgsmachtonderdeel weer meer kan worden gedaan of minder, afhankelijk van de keuze die wordt gemaakt. Ik vond het betoog van de minister van Buitenlandse Zaken prima. Ik ben ook voor een groot gedeelte gerustgesteld door zijn uitspraak dat er altijd consensus moet blijven in NAVO-verband. Ik vraag mij af waar voor hem de grens ligt tussen de consensus en het meerderheidsbesluit. Hij heeft gezegd dat als een groep landen ad hoc iets gaat doen, andere landen zich altijd kunnen aansluiten. Ik ben een beetje benauwd. Ik herinner mij, misschien is dat een jeugdtrauma, dat als vroeger op het schoolplein de grote jongens met elkaar speelden zij soms dingen deden die ik eerst niet zo leuk vond. Als ik dan later toch wou meedoen, mocht ik niet meer meedoen. Ik weet niet of dat in het voorbeeld van de minister ook opgaat. Als Nederland wordt geconfronteerd met een of andere actie die buiten het consensusbesluit om is genomen, is het dan mogelijk om er later alsnog tussen te komen? Als Chirac en Fisher met die aardige Belgische minister-president hun gang gaan, heeft Nederland misschien het nakijken. Ik heb een aantal incidenten genoemd die belangwekkend genoeg zijn om even bij stil te staan, met name met betrekking tot de marechaussee. Ik bracht het misschien wat luchtig en badinerend. Er waren veel incidenten: het verwijt dat de marechaussee niet op de taken was berekend in Irak, de gang van zaken rond de grote diamantroof op Schiphol, de situatie rond mensensmokkel en de paspoortcontrole. Die zijn allemaal in de afgelopen paar maanden naar voren gekomen, ook in de publieke discussie. Er is een nieuwe commandant gekomen bij de marechaussee. Ik ken hem nog als hoofd van de politie in Drente. Daar deed hij het voortreffelijk, dus waarom zou hij dat niet kunnen bij de marechaussee. De vraag is echter toch hoe het allemaal kan. Ik wil daar toch graag iets over horen van de staatssecretaris. Ik kom nu aan mijn laatste punt. Dan blijf ik toch binnen mijn tijd, inclusief de interruptie. De vertegenwoordiger van de ChristenUnie, de heer Van Middelkoop, heeft mij toch op de ziel getrapt met de opmerking dat ik zou zijn verrechtst. Ik heb gezegd dat de partij is verrechtst. Maar goed, het is een heldere discussie. Het zit mij hoog, maar wij hebben het er nog wel over. Ik moet nog een punt aanstippen. De heer Kox heeft in zijn eerste termijn gezegd dat er eigenlijk een soort onderzoek moet komen naar hoe het zo ver heeft kunnen komen dat is besloten tot deelname aan de oorlog in Irak. In andere landen wordt dat ook gedaan. De heer Kox vindt dat dit grondig moet worden uitgezocht. Wij hebben een interruptiedebat gevoerd over de vraag of de regering er al dan niet een standpunt over moest hebben. Dat hebben wij uitgepraat. De heer Kox weet dat ik hier welwillend tegenover sta. Ik wil alleen van hem weten wat hij precies wil. Laat hij, als hij het formuleert, niet meteen woorden als parlementaire enquête en dergelijke gebruiken, want dat gaat net een stap te ver. Laat hij proberen duidelijk te maken wat hij in grote lijnen onderzocht wil hebben. Misschien kunnen wij dan een soort procedure afspreken, een soort vooronderzoek, zonder er meteen allerlei grote dingen aan te verbinden. Dan kan de vraag in commissieverband nader worden bestudeerd. Als hij het brengt zoals hij het net bracht, sterft het mijns inziens meteen een zachte dood." 2005-11-23;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20052006-1644-1662.1.7.1;"Buitenlandse Zaken ";4902;7;"Voorzitter. Conflicten, rampen, armoede en onrecht zijn in de wereld van 2005 op ongekende schaal te vinden. Het is geen wonder dat de beleidsagenda van het ministerie van Buitenlandse Zaken goed gevuld is. Dat is namelijk het geval vanuit de ambitie om een steentje bij te dragen aan de bestrijding van al die zaken. Het is goed om van tijd tot tijd nauwkeurig te bezien wat het effect van de Nederlandse inspanningen is. In dit verband breng ik complimenten over aan de minister voor Ontwikkelingssamenwerking voor de rapportage met de titel Resultaten in ontwikkeling. Daarmee kunnen wij verder in de discussie over effectiviteit van hulp. Ik zal mijn korte bijdrage zodanig inrichten dat ik vanuit Indonesië via het Midden-Oosten naar Latijns-Amerika ga. Daarna zal ik ingaan op de godsdienstvrijheid. Ik zal eerst iets zeggen over het thema aids-bestrijding. Mevrouw Huizinga-Heringa heeft zojuist opgemerkt dat wij deel hebben uitgemaakt van een delegatie die in Zuid-Afrika onlangs indringend is geconfronteerd met de ernst en de omvang van de aids-pandemie. Die ramp is onvoorstelbaar groot. Naar aanleiding van die reis hebben wij het verslag gemaakt waarnaar mevrouw Huizinga-Heringa zojuist heeft verwezen. Daarin is ook een aantal politieke aanbevelingen en aandachtspunten opgenomen. Tijdens zo'n reis komt weer eens scherp op het netvlies te staan dat de strijd tegen aids langdurig op veel fronten moet worden gevoerd. Die strijd vraagt bovendien een blijvende politieke prioriteitsstelling, waarvan in het Nederlandse beleid gelukkig sprake is. Eén van de aanbevelingen betreft de positieve rol die kerkelijke organisaties kunnen spelen. Het zou goed zijn als ook het kennisforum Religie en ontwikkelingssamenwerking hiermee aan de slag ging. Ook beklemtoon ik het belang van een goede en betrouwbare informatieverstrekking, alsmede de grote waarde van een gezonde visie op seksualiteit, ingebed in de verhouding tussen man en vrouw van liefde en trouw. In het bijzonder vraag ik aandacht voor de enorme aantallen weeskinderen, namelijk 15 miljoen wereldwijd. Nederland zou zich ook sterk moeten maken voor snelle en goede voorzieningen ten behoeve van de opvang van die aids-wezen. Daartoe heb ik samen met mevrouw Huizinga-Heringa een amendement ingediend, waarvoor ik de warme belangstelling van de Kamer vraag. Vorige week dinsdag werd het lang verwachte onderzoek van prof. Drooglever gepresenteerd. Dat is in 1999 gevraagd bij motie van de leden-Van Middelkoop en Van den Berg. Nederland staat bij de Papoea's in het krijt en moet verantwoording afleggen over de gang van zaken in de jaren zestig. Het onderzoek toont aan dat de Papoea's mede door de slappe opstelling van Nederland het recht op zelfbeschikking niet konden uitoefenen. Wij vinden dat onze regering hardop uitspraken moet durven doen over het onrecht dat hen is aangedaan. Daaraan moet de politieke conclusie worden verbonden dat binnen het huidige staatsverband de autonomie van de Papoea's zo goed mogelijk dient te worden vormgegeven. Er is weliswaar een speciale autonomiewet, maar de uitvoering daarvan laat veel te wensen over. Nederland moet dit bilateraal en in EU-verband agenderen. De regering komt niet meer weg met de woorden dat de uitvoering van die wet van belang is. Ik wijs ook op de erbarmelijke humanitaire situatie op Papoea, mede als gevolg van het optreden van het leger en de mensenrechtenschendingen die laatstgenoemde begaat. De minister moet recht doen aan de onderzoeken. Daarop is ook gewezen in samenhang met eerdere Kamervragen. Wat doet de regering om de humanitaire noden te lenigen en wat onderneemt zij tegen de mensenrechtenschendingen? Wij verwachten een krachtige inzet van de regering in de toegezegde notitie over Indonesië. Ook ik betreur het dat de minister niet aanwezig was bij de presentatie van het boek van Droogleever. Israël heeft een gedurfde en binnenlands omstreden stap gezet door zich uit Gaza terug te trekken. De Palestijnen zetten echter geen enkele herkenbare stap. Ik constateer daarentegen ontwikkelingen in negatieve richting. Hamas heeft bij lokale verkiezingen veel zetels gekregen en zal naar verwachting ook succesvol zijn bij de landelijke verkiezingen in januari. Wij vinden dat de EU niet zomaar een waarnemersmissie kan sturen als Hamas daaraan deelneemt. Democratisch gekozen terroristen helpen het vredesproces immers verder het slop in. Nederland betaalt indirect mee aan Palestijnse schoolboeken. In antwoord op schriftelijke vragen zegt de regering dat de boeken soms weliswaar vanuit een eenzijdig perspectief zijn geschreven, maar vijandigheid en vooroordelen jegens Joden niet voeden. Hoe kan zij dat volhouden als op elke landkaart \"Palestina\" in plaats van \"Israël\" staat en in geen enkel boek over vrede met Israël wordt gerept? Nederland moet de garantie eisen dat zijn bijdrage niet wordt gebruikt om dat soort boeken te financieren." 2005-12-20;Van der Laan;02454;D66;h-tk-20052006-2495-2522.1.3.1;"Europese Top ";6064;6;"De verwachtingen voor deze Eurotop waren niet hoog gespannen. Ook bij D66 niet. Het eerste voorstel van de Britten liet weinig zien van de solidariteit die de Europese Unie normaal zo centraal stelt. Maar tegen de verwachtingen in is het toch gelukt om een akkoord te sluiten over de financiële perspectieven. Een buiging van de Britten op het punt van de eigen rebate en een glansrol voor Angela Merkel die de impasse doorbrak met een nieuw voorstel maakten de Europese Top toch tot een succes. En niet in de laatste plaats voor Nederland. Het kabinet kon met gepaste trots melden dat een korting van 1 mld. bedongen is. Hiermee komt er eindelijk een einde aan de onevenredige betalingspositie van Nederland ten opzichte van andere landen met een zelfde welvaartsniveau. D66 wil het kabinet dan ook van harte feliciteren. Ik wilde eigenlijk voorstellen om na afloop een glaasje champagne te drinken, maar ik heb nog een VAO en een suppletoire begroting. Misschien kunnen wij dat daarna nog even doen met degenen die er nog zijn, want dit is een warme felicitatie waard. D66 hoopt dat met deze overwinning ook een nieuwe tijd aanbreekt. Een tijd waarin de overmatige aandacht voor de nettopositie van Nederland plaatsmaakt voor een sterke rol van Nederland in het structurele hervormingsproces van Europa. Een tijd waarin Nederland als een van de founding fathers van de Europese Unie constructief meedenkt en bijdraagt aan het Europa van morgen. Want op dit punt is de strijd nog lang niet gestreden. De financiële perspectieven zijn nog te veel geschoeid op het Europa van gisteren. D66 heeft hoge verwachtingen van en stelt hoge eisen aan de review clause die is opgenomen, zeker nu in WTO-verband is afgesproken dat de exportsubsidies voor landbouw in 2013 moeten zijn afgeschaft. D66 wil daarom graag van het kabinet weten wat nu precies is afgesproken rondom de review clause – en dan met name hoe hard die is – en wat daarbij de inzet zal zijn. Het valt ons op dat hierbij weer expliciet de nettobetalerspositie van Nederland wordt genoemd, terwijl de nadruk wat D66 betreft juist op de modernisering van de begroting gelegd zou moeten worden. Daarop krijg ik graag een reactie van de regering. Dit alles neemt niet weg dat er, met name in de aanloop naar de Top, weer sprake is geweest van een weinig verheffende koehandel. Daarom wil ik in dit debat nogmaals de aandacht vragen voor alternatieve methoden om de inkomsten van de EU te regelen, zoals wij ook hebben uitgewerkt in de Europanotitie van D66. Ik ben erg blij dat ook Commissievoorzitter Barroso nu in het kader van de review clause heeft voorgesteld om eens te kijken naar nieuwe inkomstenmogelijkheden. Hij wil daarbij zelfs praten over een Europese belasting. Ik hoop nu ook dat dit debat in Nederland langzaam maar zeker op gang kan komen. D66 voorspelde al dat de Fransen Macedonië gingen gebruiken als een van hun vele onderhandelingstroeven. Het is erg goed dat het dus niet gelukt is en dat de Europese Raad Macedonië uiteindelijk de status van kandidaat-lidstaat heeft verleend. Wij zijn daar zeer tevreden over. D66 is er namelijk van overtuigd dat dit een positief effect zal hebben op de verdere hervormingen in Macedonië, maar ook een stabiliserende werking op de Balkan als geheel. Dat neemt niet weg dat Macedonië nog een lange weg te gaan heeft voordat de onderhandelingen geopend kunnen worden, zoals op het punt van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, de politiehervormingen en het vrij verkeer van goederen. Bij ieder uitbreidingsproces zijn daarom heldere criteria, een goede monitoring van het voortgangproces en het verbinden van consequenties aan het niet halen van de afgesproken criteria van groot belang. Daar hebben wij in het verleden ook keer op keer op gewezen. Het is echt een stap vooruit dat nu expliciet is opgenomen in de conclusies van de Raad dat de voortgang van de ontwikkelingen in Macedonië wordt getoetst aan specifieke benchmarks. Ik heb begrepen dat ons kabinet zich daar in het bijzonder voor heeft ingezet, met succes. Kan het kabinet hier een wat uitgebreidere toelichting op geven? Op welke termijn zullen de benchmarks worden ontwikkeld? Betreffen deze vooral de Kopenhagencriteria en verplichtingen van het stabilisatie- en associatieproces, of worden er additionele criteria opgenomen? De fractie van D66 is teleurgesteld over de resultaten met betrekking tot de openbaarheid van de vergaderingen van de Raad. Om het vertrouwen van mensen in Europa terug te winnen, is het nodig om de achterkamertjespolitiek voorgoed vaarwel te zeggen. Open en transparante besluitvorming is een voorwaarde voor een modern en democratisch Europa. De openbaarheid van vergaderingen van de Raad was niet voor niets opgenomen in het grondwettelijk verdrag. Het Europees Parlement en de Europese Ombudsman hebben hier ook om gevraagd. Er is sprake van terughoudendheid van de lidstaten, zelfs van degene de het grondwettelijk verdrag allang hebben geratificeerd en er dus inhoudelijk mee zouden moeten kunnen instemmen. Wij begrijpen dat niet. Kan de regering zich de komende periode hard blijven maken voor openbare vergaderingen van de Raad en alle voorstellen op dit punt ondersteunen? Ik heb nog een suggestie met betrekking tot de uitspraken van de Iraanse president over de holocaust en de staat Israël. Terecht heeft Europa hier een krachtige positie over ingenomen in de conclusies. Het is ook zeer terecht dat de Iraanse ambassadeur hierover over het op matje is geroepen. Dit moet blijven gebeuren. Wij vragen ons echter af of dit niet langzaam verwordt tot een soort diplomatiek ritueel dat weinig effectief is. Zou het niet aan effectiviteit winnen als het gesprek zou worden gevoerd op een plek die illustreert waarom het bagatelliseren of ontkennen van de holocaust zo verwerpelijk is? Ik denk hierbij aan de Hollandsche Schouwburg in Amsterdam bij de eeuwige vlam die de joden gedenkt die zijn weggevoerd. Door de ambassadeur op die plek ter verantwoording te roepen, kan er wellicht nog een leerzaam effect van dit soort acties uitgaan." 2005-12-20;Van Bommel;02211;SP;h-tk-20052006-2495-2522.1.6.13;"Europese Top ";5705;7;"Ik merk dat de constateringen niet worden weersproken door de heer Timmermans. Het is niet alles goud wat er blinkt. De SP-fractie heeft de regering altijd gesteund in haar streven om naast een verbetering van de nettopositie ook een modernisering van de begroting na te streven. Het kabinet streefde naar een strikt uitgavenkader met voldoende middelen voor nieuw beleid op gebieden zoals onderzoek, innovatie, justitie, binnenlandse zaken en extern beleid en naar een duidelijke verbetering van de absolute en relatieve positie als nettobetaler. In het verslag over de Top stelt de regering dat de financiële perspectieven voldoende ruimte bieden voor dekking van beleidsintensiveringen op belangrijke nieuwe beleidsterreinen, zoals de Lissabonagenda, justitie en binnenlandse zaken, maar ook het externe beleid. Toch vernemen wij ook het voornemen om tijdens de herziening van het budget een verdere modernisering van de begroting te bepleiten. Is de regering nu wel of niet van mening dat er voldoende wordt ingezet op nieuw beleid? Als de regering de modernisering van de Europese begroting zo hoog op de agenda heeft staan en als zij zo graag oud beleid voor nieuw beleid wil inruilen, waarom heeft zij dan niet aangedrongen op hardere afspraken over een tussentijdse herziening? Dat zou in de rede hebben gelegen. Is het correct dat de Fransen inmiddels hebben laten weten dat zij vastbesloten zijn om vast te houden aan de huidige landbouwuitgaven tot 2013? De SP-fractie betreurt het dat de regeringsleiders geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de inzet van de structuurfondsen voor de arme lidstaten. Het rondpompen van geld tussen rijke lidstaten gaat gewoon door. Een andere tegenvaller is dat het totale budget van de EU toeneemt in plaats van krimpt naar de 1% die Nederland zich ten doel had gesteld. Ook valt te betreuren dat er geen einde komt aan de Britse korting. De Britse premier wilde de discussie hierover openen als er ook gesproken kon worden over de landbouwuitgaven. Het is dan ook hoogst opmerkelijk dat de Britse premier toch heeft willen snijden in de Britse korting, hoewel de landbouwfinanciering niet onder handen is genomen. Ik snap de Britse publieke opinie wel. Daar wordt Blair gezien als landverrader. Vindt de Nederlandse regering deze deal wel evenwichtig? De SP is, zoals gezegd, gematigd positief over de uitslag van het afgelopen weekend. Wij hebben regelmatig aangegeven dat, als er geen overeenstemming kon worden bereikt over de begroting, dan maar genoegen moest worden genomen met een overbruggingsbegroting. Ik heb het idee dat de regeringsleiders uiteindelijk de facto met zo'n overbruggingsbegroting gekomen zijn, maar helaas is de toezegging over herziening van de uitgaven in 2008/2009 boterzacht. Het is de regeringsleiders niet eens gelukt om een jaartal overeen te komen. De Commissie zal in 2008 of 2009 dus een volledige brede herziening ondernemen van alle aspecten van de EU-uitgaven, inclusief de landbouwuitgaven en de Britse korting. Volgens de overeenkomst over de financiële perspectieven kan de Europese Raad aan de hand van deze herziening beslissingen nemen over alle zaken die onderwerp waren van de herziening. Kan de regering aangeven wat dat precies betekent? Betekent dit dat er vanaf 2010 toch een herziening kan komen van de landbouwuitgaven? Daar lijkt namelijk wel ruimte toe te bestaan. De minister van Buitenlandse Zaken stelde na afloop van de bespreking dat wij erin geslaagd zijn om te bewijzen dat wij ook met z'n vijfentwintigen een besluit kunnen nemen. Dezelfde minister stelde dat er tot twee keer toe tegen de Britten is gezegd: het spijt ons bijzonder erg, maar wij moeten die 1 mld. gewoon hebben. Dat is nog eens duidelijke taal: met minder kunnen wij niet thuiskomen. Deelt de regering de opvatting van de Belgische premier Verhofstadt, samen met D66 de laatste pleitbezorger voor een verenigde staten van Europa, dat dit akkoord een optelsom van nationale belangen is? Deelt de regering zijn analyse dat het steeds moeilijker wordt om het gemeenschappelijk belang van de EU voorop te stellen? Of kan ik hieruit concluderen dat het feit dat Nederland het vetorecht heeft een positieve bijdrage heeft geleverd aan het uiteindelijke resultaat? Is de regering van mening dat dit recht in het voordeel is van nettobetalers zoals Nederland? Of deelt zij de mening van de heer Barroso dat de structuur en methoden van de onderhandelingen over het budget niet meer voldoen? Het verleden bewijst dat het dreigen met een veto, ja zelfs het eenvoudigweg bestaan van dit recht, in veel gevallen leidt tot betere compromissen. Het vetorecht zorgt ervoor dat de besluiten in consensus worden genomen en dat de legitimiteit van de Europese besluitvorming wordt vergroot. Het bevreemdt mij dan ook dat het pleidooi voor een Europese belasting voor de financiering van de EU weer van stal is gehaald. Het moet toch sinds 1ENTITY-#160juni duidelijk zijn dat burgers juist een beperkter Europa willen, dat zij geen verdere macht en zeggenschap willen overdragen aan Brussel? De Turkse rechter heeft besloten om het proces tegen de schrijver Pamuk uit te stellen tot 7ENTITY-#160februari. EU-rapporteur Eurlings had gehoopt dat de zaak gisteren al zou zijn afgehandeld. Volgens hem had de rechter de zaak aan de kant kunnen schuiven, maar dat is niet gebeurd. Ook met het nieuwe wetboek van strafrecht voorziet hij problemen. Deelt de regering die opvatting? Volgens Eurlings zijn er twee scenario's. De ene is dat Turkije zich heel snel aanpast aan de Europese normen. De tweede is dat de onderhandelingen over het EU-lidmaatschap spoedig schipbreuk zullen leiden. De keuze lijkt mij duidelijk. Steunt de regering dit impliciete pleidooi?" 2006-02-01;Timmermans;02244;PvdA;h-tk-20052006-2928-2968.1.3.1;"Toetreding Bulgarije en Roemenië ";2825;6;"Mijnheer de voorzitter. Een van de bekendste Roemeense dichters uit de vorige eeuw was Paul Celan. Hij is in 1920 geboren in een plaats, Czernowitz, die toen in Roemenië lag en nu in de Oekraïne ligt. Zij ouders waren Duits sprekende joden. Zij zijn in de oorlog vergast. Hij is in een concentratiekamp terechtgekomen. Hij is na de oorlog via Boekarest naar Parijs getogen en heeft zich daar gevestigd. Hij is gaan dichten en schrijven in de taal van het volk dat hem vervolgd had, het Duits. Hij heeft prachtige gedichten in het Duits geschreven over de verschrikkingen van de holocaust. Voor mij symboliseert Paul Celan de lotsverbondenheid tussen Roemenië en andere Europese landen. Hij symboliseert de lotsverbondenheid van Zuidoost-Europa met de Europese cultuur en onze geschiedenis. Hij is de drager van dezelfde erfenis, dezelfde verschrikkingen en dezelfde kansen. Roemenië en Bulgarije zijn decennialang uitgesloten geweest van de kansen die de bevolking van onze landen heeft gehad. Nu doet zich het historische moment voor waarop wij kunnen besluiten of Roemenië en Bulgarije, indien zij voldoen aan de criteria die daarvoor zijn opgesteld, kunnen toetreden tot de Europese Unie. Heel kort nu de politiek met de kleine p. Gelet op de opstelling van de fractie van het CDA is het natuurlijk voor mijn fractie, een oppositiefractie, heel verleidelijk om de fractie van het CDA te volgen, als je uitgaat van de politiek met de kleine p. Immers, je kunt dan het kabinet-Balkenende een gevoelige slag toebrengen. Als mijn fractie, vanuit de oppositie redenerend, de redenering van de fractie van het CDA zou volgen, zou de consequentie zijn dat het kabinet-Balkenende een gevoelige slag werd toegebracht, omdat het een verdrag had ondertekend dat niet door het parlement werd geratificeerd. Dat soort politiek met een kleine \"p\" gaat mijn fractie niet bedrijven bij een historisch onderwerp als het onderhavige. Er is nog een moment van politiek met een kleine \"p\": met het oog op de komende verkiezingen en gezien het Europese referendum waarvan de uitkomst, zoals bekend, zeker mij en mijn partij hard geraakt heeft, Roemenië en Bulgarije een signaal geven door een keer \"nee\" te zeggen. Ook dat is politiek met een kleine \"p\" die mijn fractie bij dit onderwerp zeker niet wil bedrijven. Wij hebben de plicht om dit onderwerp op basis van de feiten zo secuur mogelijk te benaderen. Die feiten zijn voortgangsrapportages van de Commissie en antwoorden van de regering op de schriftelijke vragen en de vragen die in eerdere debatten zijn gesteld. Bij zorgvuldige bestudering van dat complex van gegevens komt het beeld naar voren dat zowel Roemenië als Bulgarije in staat moet zijn om binnen de gestelde termijn tot de Europese Unie toe te treden. Dat staat overduidelijk in de rapporten waarop ik zojuist heb gewezen." 2006-02-07;Van Aartsen;01809;VVD;h-tk-20052006-3037-3042.1.3.6;"Vragenuur ";938;1;"Mijnheer de voorzitter. Ik dank de minister-president voor de strekking van zijn antwoorden, maar net als mevrouw Halsema wil ik op één punt het standpunt van de Nederlandse regering nog iets helderder hebben. Ten opzichte van deze landen waar meestal geen persvrijheid geldt en de meest afschuwelijke cartoons tegen joden verschijnen in kranten, georganiseerd en geregeld door regeringen, geldt de noodzaak van keiharde taal. Naar de mening van mijn fractie ontbreekt die op dit moment in het kader van de Europese Unie. Mijn verzoek aan de minister-president is om het idee van mevrouw Halsema naar Europa te brengen en te vragen om een glasheldere verklaring van de Europese Unie, de Europese regeringsleiders, de ministers van Buitenlandse Zaken op korte termijn waaruit duidelijk wordt dat wij volstrekt solidair zijn met de Denen. Dat ontbreekt tot op dit moment. Mijn vraag aan de minister-president is: maakt u zich daarvoor hard?" 2006-02-15;Dittrich;02512;D66;h-tk-20052006-3332-3362.1.13.14;"Overlast en criminaliteit in steden ";935;2;"De vergelijking met de provojongeren in de jaren zestig is naar mijn mening onterecht. Het gaat nu om een groep hardekernjongeren die op basis van discriminatie en haat homo's, joden en vrouwen het leven zuur maakt. Ik wil de minister een vraag stellen over de specifieke maatregelen waarover hij zojuist heeft gesproken. Hij zei zojuist dat er specifiek beleid gericht is op de jongeren van Marokkaanse komaf. Op pagina 4 van zijn brief schrijft hij: \"Een intensievere aanpak van de jeugdcriminaliteit onder jongeren van Marokkaanse herkomst kan gemakkelijk door de jongeren zelf, hun toekomst en hun ouders, worden opgevat als tegen hen gericht.\" Ik wil daar graag een reactie van de minister op vragen, want ik begrijp deze zin helemaal niet. Hij bepleit een specifieke, gerichte aanpak. Daarmee ben ik het eens. Maar deze tekst uit zijn eigen brief wekt de suggestie dat men zich tegen de maatregelen keert waarmee je dit zou doen." 2006-02-15;Kalsbeek;02961;PvdA;h-tk-20052006-3332-3362.1.12.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";6354;7;"Voorzitter. Mijn openingszinnen bevatten dezelfde woorden die door collega's zijn gebruikt. Overlast die is verworden tot straatterreur, mensen die worden weggetreiterd, vrouwen die worden geïntimideerd, joden en homo's die worden aangevallen; het geduld van de samenleving is op. Als wij eerlijk zijn, geven wij toe dat wij niet goed weten hoe wij de situatie op korte termijn kunnen verbeteren. In de reacties was veel onmacht te horen: het land uitzetten, op een onbewoond eiland achterlaten, straattuig direct de cel in. Dat zijn varianten van krachtdadigheid die de onmacht moeten verhullen. Laat er geen misverstand over bestaan dat als jongeren over de schreef gaan, politie en justitie snel en krachtdadig moeten optreden. Wij spreken echter steeds vaker over kinderen van acht, twaalf en veertien jaar, over jongere broertjes en neefjes, over kinderen met ernstige gedragsstoornissen. Dat vertellen leerkrachten en wijkagenten. Door die gedragsstoornissen zijn kinderen nauwelijks onder de indruk van enig gezag, regel of straf. Ouders kijken daarbij bewust de andere kant op of weten oprecht niet van het dubbelleven dat kinderen leiden. Onmachtige pogingen tot opvoeding van eenzame ouders in een vreemde samenleving leiden tot gedragsstoornissen waarvoor wij bij lange na niet voldoende behandelcapaciteit hebben. Mogen wij het daar eens over hebben? Het is niet verwonderlijk dat juist onder de kinderen van de Marokkaanse gemeenschap de symptomen het heftigst zijn. Van de Marokkanen woont 40% in een wijk waarvan minimaal de helft van de bewoners van niet-Westerse afkomst is. Zij zijn veruit het laagst opgeleid en sterk oververtegenwoordigd in het praktijkonderwijs en het leerwegondersteunend onderwijs. Één op de zes leerlingen met een Marokkaanse achtergrond eindigt zijn schoolcarrière als drop-out. Moet ik doorgaan? Zet daartegenover enkele \"kabinetsprestaties\". Terwijl minister Van der Hoeven drie jaar nodig heeft om de verdeelsleutel van het onderwijsachterstandenbeleid te veranderen, is het aantal kinderen dat in een wijk als Bos en Lommer, waar 21% van de bewoners van Marokkaanse afkomst is, niet mee mag doen aan de Cito-toets in een paar jaar tijd opgelopen naar 45%. Terwijl minister Verdonk drie jaar nodig had om een wetsvoorstel inburgering in te dienen bij de Kamer, nam het aantal contacten tussen autochtoon en allochtoon verder af. Terwijl minister Dekker de huurmarkt liberaliseert, neemt de segregatie binnen de steden verder toe. Het aantal vroegtijdig schoolverlaters is onverminderd hoog: 64.000 per jaar. De werkloosheid onder de jongeren en zeker onder Marokkaanse Nederlanders is zelden zo hoog geweest. Een enorme groep kinderen groeit op in armoede en woont, zoals ook de minister van BZK recentelijk heeft vastgesteld, veel te krap. Er zijn hier nog geen toestanden als in de Parijse voorsteden; wij hebben nog steeds de kans om die situatie te voorkomen. Er moet dan nu wel keihard worden aangepakt. Wat de PvdA-fractie betreft, wordt de kreet \"keihard aanpakken\" breder ingezet en van toepassing verklaard op het voortraject, voordat de kinderen compleet ontspoord zijn. Ik doe twaalf voorstellen. Betrek overal waar problemen ontstaan met jongeren onmiddellijk de ouders. Laat hen verantwoordelijkheid nemen. Bied hen daarbij waar nodig ondersteuning. Een kind kan pas onder drang en dwang worden geholpen als het ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Dat blijkt in de praktijk vaak te laat te zijn. De PvdA wil een lichtere kinderbeschermingsmaatregel die eerder kan worden opgelegd. Ouders van kinderen die voor de rechter verschijnen, moeten daarbij verplicht aanwezig zijn. De rechter moet als onderdeel van een straf aan minderjarigen aan ouders verplichte opvoedingsondersteuning kunnen opleggen. Waar opvoeding geheel ontbreekt en kinderen maandenlang van school wegblijven en zich aan elk gezag onttrekken, moeten kinderen uit huis en in een internaatachtige voorziening worden geplaatst. Wachtlijsten voor behandeling van kinderen zoals in de jeugdpsychiatrie of de intensief ambulante thuiszorg zijn niet acceptabel. De wachtlijsten daar zijn met 22% toegenomen terwijl beloofd was dat zij aan het einde van het jaar opgelost zouden zijn. Ik zou zeggen: keihard aanpakken die wachtlijst. Hulpverleners, jongerenwerkers en leerplichtambtenaren moeten meer gelegenheid krijgen om hun echte werk te doen in plaats van zich veel te veel bezig te houden met signaleren, indiceren, doorverwijzen en overleggen. Zoveel mogelijk werken met de jongere en zijn gezin want daar gaat het om. De PvdA-fractie heeft al eerder voorgesteld om het project De Uitdaging, een Defensie-beroepsopleiding voor probleemjongeren in een kazerne-internaat, voort te zetten onder de naam De Buitenschool. Jongeren worden uit hun groep in de stad gehaald en krijgen discipline en een ambacht geleerd. Het kabinet heeft daar ondanks toezeggingen aan de Kamer niets mee gedaan. De spijbelrechter zorgt ervoor dat jongeren die spijbelen en hun ouders heel snel een rechterlijk vonnis krijgen en dus heel snel weer terug op school zijn. Ook discriminatie gaan wij nu eens keihard aanpakken. De papieren afspraken met het Openbaar Ministerie dat aan klachten over discriminatie prioriteit wordt gegeven, moeten eindelijk betekenis krijgen. Breng enkele concrete zaken van discriminatie succesvol voor de rechter. Daar zal een geweldig signaal van uitgaan, zowel naar de werkgevers als naar de jongeren zelf. In elke plaats moet een wethouder zijn die het tekort aan stageplaatsen voor jongeren gaat aanpakken, zoals Aboutaleb dat in Amsterdam op zich heeft genomen. Het voorstel van Jet Bussemaker inzake een no-riskpolis kan werkgevers over de streep trekken om jongeren een kans te geven, zonder dat zij direct het risico van hoge premies lopen. Door direct op te treden tegen straatterreur en door jongeren letterlijk van de straat te houden, moet dit offensief, gecombineerd met de maatregelen die ik voorstel, nu heel snel effect krijgen. Een ding werkt in ieder geval niet: de jongeren steeds weer het signaal geven dat zij hier eigenlijk niet horen. Het gaat om in Nederland geboren en getogen jongeren. Als wij echt willen dat zij zich verantwoordelijk gaan voelen voor de Nederlandse samenleving en gaan investeren in hun eigen toekomst, moeten zij in de eerste plaats als Nederlander worden aangesproken." 2006-02-15;Nawijn;02385;Groep Nawijn;h-tk-20052006-3332-3362.1.10.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";4942;6;"Voorzitter. In de grote steden is er straatterreur. Groepen Marokkaanse jongeren beledigen en slaan joden. Homo's worden uit hun huis gepest. Autoruiten worden ingegooid. Het ergste is nog dat de gevolgen worden gedragen door de zwakkeren in onze samenleving. Ik doel dan met name op ouderen. In Rotterdam vertelden ouderen mij met tranen in de ogen dat zij naar de binnenstad waren verhuisd om dichterbij de winkels te wonen, maar dat zij daar worden weggepest door Marokkanen. Dat is vreselijk. Wij hebben het hier altijd over nadere onderzoeken, maar ik zou wel eens via een enquête willen nagaan wie in Amsterdam of Rotterdam na 20.00 uur over straat durft. Dat lijkt mij interessant en ik vermoed dat wij zullen schrikken van de uitkomst. Burgemeester Cohen wil de boel bij elkaar houden. Als dit echter zo doorgaat, zal dat niet totaal niet lukken. Uit de grote steden komen agressieve, extremistische geluiden. De tijd van de zachte heelmeesters is voorbij. Wat is er aan de hand in een land als politieagenten niet in uniform op straat mogen? In Maastricht is een Deense vlag verbrand door buitenlandse jongeren die daar geen vergunning voor hadden. Het heeft mij hogelijk verbaasd dat de politie daartegen niet is opgetreden. Dergelijke zaken worden breed uitgemeten in de media en zetten veel kwaad bloed bij de bevolking. Ik ben het met de heer Van Schijndel eens dat wij moeten ophouden met het steken van steeds meer geld in preventie. Het wordt tijd voor een repressieve aanpak, zoals minister Remkes in zijn brief schrijft. Waarom was er geen politie in de buurt toen rondom de jaarwisseling in sommige wijken autoruiten werden ingeslagen? Tijdens de jaarwisseling zie je overal politie, maar net niet in deze wijken. Waarom worden de daders niet opgespoord? Als het een kleine groep is, moet hun identiteit toch te achterhalen zijn? Wat wordt bedoeld met de overweging \"een intensievere aanpak van de jeugdcriminaliteit onder jongeren van Marokkaanse herkomst kan gemakkelijk door de jongeren en hun ouders worden opgevat als tegen hen gericht\". Dat zal zeker zo zijn, maar moeten wij hier rekening mee houden als het om strafbare feiten gaat? In de grote steden is per wijk een integrale aanpak nodig. Ik ben ook in Bos en Lommer geweest, onder andere in De Kolenkit. In dat stadsdeel heb ik Marokkaanse gezinnen gezien die de hele dag op elkaars lip zitten. Vader heeft geen werk en ontvangt een uitkering. De kinderen gaan de straat op, omdat zij niets anders te doen hebben. Laten wij ophouden met al die projecten en wijken op gemeentelijk niveau in kaart brengen. Het zou goed zijn als ambtenaren met die gezinnen van gedachten wisselden om te weten te komen wat hun voor ogen staat. Als er in die wijken in de grote steden geen toekomstperspectief is, komen die gezinnen nergens. Als uit gesprekken met die ambtenaren blijkt dat die gezinnen naar school willen gaan en/of willen werken, is dat de moeite van het belonen waard. Als die bereidheid er niet is, lijkt het mij beter om die mensen te laten terugkeren naar het land van herkomst. Ik ben het met de heer Wilders eens dat wij aandacht moeten besteden aan de vreemdelingrechtelijke aanpak. Het is goed om te overwegen dat met name van de zware criminelen en van de veelplegers de Nederlandse nationaliteit wordt afgenomen indien er sprake is van een dubbele nationaliteit. Vervolgens moeten die mensen worden teruggestuurd naar het land van herkomst. Ik doel dan met name op Marokkanen die ook de Nederlandse nationaliteit hebben. Dat heb ik al met enige regelmaat opgemerkt. Kan de regering iets zeggen over de samenwerking met de Marokkaanse politie? Laatst heb ik met een Marokkaan gesproken en hem de vraag gesteld wat hij ervan zou vinden als er één vliegtuig met dit soort raddraaiers terugvloog naar Marokko. Hij vermoedt dat het probleem dan gedeeltelijk opgelost zou zijn. Tegen de Marokkaanse politieagenten in het eigen land slaan die jongeren niet van die taal uit. In Marokko lopen die agenten duidelijk zichtbaar in hun uniform rond. Is de minister van BZK bereid om projecten tussen de Nederlandse politie en de Marokkaanse politie te stimuleren om na te gaan hoe dit probleem kan worden aangepakt? Vermoedelijk schrikt de Marokkaanse politie heel erg van de softe aanpak waarvoor de Nederlandse politie kiest. Aan die softe aanpak moet een eind komen. Waarom wordt er geen verdrag opgesteld inzake de tenuitvoerlegging van strafvonnissen? Ik doel dan op het opleggen van de straf in Nederland en het uitzitten daarvan in het land van herkomst. Met Thailand hebben wij wel een dergelijk verdrag gesloten. Minister Verdonk zegt steeds dat de desbetreffende persoon dan moet instemmen, maar die zal natuurlijk niet zo gek zijn om dat te doen. Laten wij ernaar streven om dat in het internationale recht te veranderen. Wij moeten over dat punt met de overheden van die landen van gedachten wisselen. Met die harde aanpak zullen wij veel verder komen." 2006-02-15;Van Schijndel;02999;VVD;h-tk-20052006-3332-3362.1.9.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";1800;5;"Mijnheer de voorzitter. Bij extreme overlast, zoals in de Diamantbuurt, hebben wij het niet over Pietje Bell-gedrag, maar over straatterreur. Gewone burgers worden bedreigd en te grazen genomen. Het wangedrag is het ergst als er afkeer of haat uit spreekt tegen de autochtone medemens. Dan is het puur discriminatie en racisme. De voorbeelden zijn overbekend: vrouwen die voor hoer worden uitgescholden, homo's die hun huis uit worden gepest en joden die worden geslagen. De strafbare feiten waarmee zulk wangedrag gepaard gaat leveren hooguit korte vrijheidsstraffen op, als het al zover komt. Het gaat hier om een patroon van intimiderend gedrag, waar het strafrecht als ultimum remedium niet goed weg mee weet. Bij de behandeling van de politiebegroting heeft de fractie van de VVD dan ook een motie voorgesteld om de burgemeester en via een mandaat de onder zijn gezag staande politieambtenaren de bevoegdheid te geven om notoire lastpakken zonder tussenkomst van de rechter of de officier van justitie gedragsaanwijzingen te geven. De minister van BZK heeft daarop meteen positief gereageerd. Over de urgentie die uit de brief van 13ENTITY-#160februari spreekt, is de VVD-fractie bijzonder verheugd. De hoofdzaak is dat er snel een nieuw bestuurlijk instrument komt. Als voorbeelden van mogelijke gedragsvoorschriften heb ik bij de behandeling van de politiebegroting genoemd: het opleggen van een meldplicht, contactverbod, avondklok, afkickverplichting en het sturen naar een opvangvoorziening. Vrijheidbeperkende maatregelen zijn volgens de regering zeker mogelijk. Omdat voor de betrokkenen bestuursrechtelijke rechtsbescherming openstaat, menen wij dat ook maatregelen in de vrijheidontnemende sfeer mogelijk zijn. Dat kan binnen de grenzen van artikel 5 EVRM en artikel 2, 4de protocol van het EVRM." 2006-02-15;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20052006-3332-3362.1.7.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";6639;9;"Voorzitter. Uit de Jaarrapportage veiligheid 2005 blijkt dat maar liefst 12% van de bevolking van de steden regelmatig overlast ondervindt van groepen jongeren. Tienduizenden burgers zuchten dus onder het verwerpelijke gedrag van dergelijke groepen. Alleen al in Amsterdam zijn volgens burgemeester Cohen meer dan honderd groepen van overlastgevende jongeren actief. Dat is onaanvaardbaar. Juist de overheid, bij uitstek verantwoordelijk voor de veiligheid van burgers, mag en kan nooit berusten in deze straatterreur. Anders dan mevrouw Vos vind ik dat een prima aanduiding van deze opeenhoping van mishandeling, treiteren, schelden en ruiten ingooien. Dat zijn geen terroristische misdrijven. Daar spreken wij ook niet over. Het is straatterreur in het angstaanjagende effect van verzieking van het woon- en leefklimaat van heel veel mensen. De omvang, ernst en hardnekkigheid van het probleem is duidelijk en bijzonder zorgwekkend. Ik vraag met name aandacht voor uitingen van antisemitisme. Die moeten heel hoog worden opgenomen en daar moet consequent en streng tegen worden opgetreden. Dat zeg ik in navolging op hetgeen gezegd is in debatten over het aantal stijgende antisemitische incidenten. Is in de justitiële reactie daarop vooruitgang geboekt? Wordt daar meer dan in het verleden consequent tegen opgetreden? Eerlijk gezegd vond ik de beantwoording van de vragen van collega Wilders over de intimidatie van een joodse inwoner van Amsterdam nogal vlakjes en niet geruststellend. Een vlakke toon is al helemaal niet op zijn plaats als het gaat om de harde kern van het probleem. In Amsterdam gaat het om groepen jongeren van Marokkaanse afkomst, in Rotterdam gaat het om groepen jongeren met een andere afkomst, maar de problematiek blijft niet tot een paar grote steden beperkt en is veel breder. Het kabinet beklemtoont in de brief vooral de noodzaak van de dialoog met de gemeenschap en de ouders en de jongeren zelf. De minister van Justitie schrijft dat een intensievere aanpak van de jeugdcriminaliteit onder jongeren van Marokkaanse herkomst gemakkelijk door de jongeren zelf en hun ouders worden opgevat als tegen hen en hun toekomst gericht. Ik begrijp dat soort opmerkingen wel en mijn fractie is niet tegen verstandig en prudent optreden, maar ik vraag ook aandacht voor de zorg dat uit angst en vrees om etnische tegenstellingen niet onnodig aan te wakkeren, te veel met fluwelen handschoenen wordt opgetreden. Bepaalde groepen allochtonen zijn nu eenmaal oververtegenwoordigd in groepen raddraaiers. Wij moeten daarvoor oppassen. De dialoog kan, juist als het om de harde kern gaat, nooit in vrijblijvendheid eindigen. Voor talloze burgers in dit land is de maat vol. Het ongenoegen over de overlast en de treiterijen is groot. Als wij niet willen dat het ongenoegen een extremistische uitlaatklep vindt, dan moet meer dan ooit bestuurlijke daadkracht getoond worden. De harde kerngroep van probleemjongeren moet helder en duidelijk merken dat zij hard worden aangepakt en dat hun gedrag niet getolereerd wordt. De jongeren uit die harde kerngroep raken niet geïmponeerd door onze dialogen, pedagogen en taakstrafjes. Hen moet mores geleerd worden. Telkens overlast verzorgen en gericht wangedrag vertonen tegen joden, homoseksuelen of andere minderheden is niet acceptabel en moet merkbaar hard worden bestraft. Ik benadruk dat het niet alleen om de strafmaat gaat, maar juist om de pakkans en de snelheid waarmee een sanctie wordt opgelegd. Ik vraag het kabinet of op het punt van die harde kerngroepen die voor zoveel overlast zorgen duidelijke vooruitgang is geboekt wat betreft de pakkans en de snelheid waarmee een sanctie wordt opgelegd. Hoe wordt omgegaan met de verontrustende, groeiende groep van gewelddadige gedragsgestoorden die door deskundigen als volledig therapieresistent worden aangemerkt. Hoe wordt op deze groep gereageerd? Uit de brief van de ministers blijkt dat het instrumentarium dat nu al beschikbaar is in de strijd tegen overlast, veelomvattend is. Recent zijn bepalingen in het vreemdelingrechtelijke openbare-ordebeleid aangescherpt. Ik hoop dat daarvan ook een preventieve werking uitgaat. Mijn fractie is er dan ook niet op uit om voor een stortvloed van nieuwe bepalingen of aanvullende instrumenten te pleiten. Het komt allereerst aan op de robuuste uitvoering van wat al eerder is aangekondigd en wat aan instrumenten beschikbaar is. Het gaat vooral om stevig lik-op-stukbeleid bij ernstige normoverschrijdingen. Er mag in ieder geval geen vrijblijvende dialoog plaatsvinden omdat daarmee in de ogen van bepaalde groepen jongeren vooral zwakheid en aarzeling worden blootgelegd. Mijn fractie is altijd in voor aanvullende maatregelen, zeker als die gericht zijn op de ouders van de jongeren waarover wij spreken. Het aantal minderjarigen dat met Justitie in aanraking is gekomen, is in de loop der tijd zorgwekkend gestegen. Aanvullende ideeën over manieren waarop ouders kunnen worden aangesproken op hun tekortschieten in de opvoeding verdienen een positieve en frisse bejegening. Alles moet op alles worden gezet om jongeren een langetermijnperspectief te kunnen bieden via scholing en uitzicht op een baan. Ook deze positieve en preventieve kant van het beleid hoort erbij. Het is zorgwekkend hoezeer schooluitval en het niet beschikken over een diploma voorspellende waarden zijn met betrekking tot het gaan behoren tot bepaalde groepen raddraaiers. Daarom moeten wij daar in het bijzonder oog voor hebben. Het is niet voor het eerst dat wij over deze problematiek spreken. Was het maar waar dat dit onderwerp tot voorkort een taboe was dat wij nu voor het eerst doorbreken. Dan kon nog het idee ontstaan dat het nodige kan worden bereikt als wij er fris en stevig tegenaan gaan. Ik stel vast dat er al gedurende een reeks van jaren wordt gesproken over dit onderwerp en ook over de specifieke problematiek van de oververtegenwoordiging van bepaalde allochtone groepen jongeren in de straatterreur. Is er voldoende geleerd van de pogingen die zijn gedaan om hier iets aan te doen in de afgelopen jaren, zoals het betrekken van buurtvaders? Er zijn zo veel al dan niet gesubsidieerde projecten, maatregelen en sancties ingezet. Is er een kritische inventarisatie beschikbaar waaruit kan worden afgeleid welke maatregelen hebben gewerkt en welke niet? De werkende maatregelen moeten verder kunnen worden ingezet, ook in plaatsen die verder buiten het blikveld vallen omdat zij niet bij de grote steden horen. Zijn er voldoende middelen en mogelijkheden voor kleinere steden die met deze problematiek kampen om gebruik te maken van het instrumentarium dat reeds is ontwikkeld?" 2006-02-15;Dittrich;02512;D66;h-tk-20052006-3332-3362.1.6.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";5673;5;"Voorzitter. Met een zekere regelmaat verzieken groepen jongeren de sfeer in de grote steden. Dat is een probleem van alle tijden. Er zijn echter gedragingen die zo ernstig zijn dat er van een fors probleem sprake is. De groep Nederlandse jongeren van Marokkaanse komaf in Amsterdam die dit soort ernstige problemen veroorzaakt, heeft een harde kern van ongeveer tweehonderd man. Behalve dat zij banden lek prikken, ruiten ingooien, brand stichten, treiteren en mishandelen, is het ronduit zorgwekkend dat hun misdragingen voortkomen uit onverdraagzaamheid. Zij hebben het gemunt op homo's, joden en vrouwen en hebben zich afgekeerd van onze samenleving. In de krant staat een reactie van een buurtvader, die zegt dat de ouders van de jongeren niet willen ingrijpen omdat zij een hekel hebben aan Nederlanders. Kortom: het gedrag zelf is fout en onacceptabel en het wordt ook nog eens geïnspireerd door discriminatie en haat. Het effect hiervan is dat bevolkingsgroepen tegenover elkaar komen te staan in een stad waarvan de burgemeester als motto heeft \"de boel bij elkaar houden\". Het blijkt maar weer eens dat dat niet een makkelijke slogan, maar een moeilijke opgave is. Eenheid in verscheidenheid hebben wij in Nederland nog lang niet bereikt. Het is dan ook logisch dat lokale en landelijke politici proberen om de problemen op te lossen en soms rigoureuze maatregelen voorstellen. De voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Slotervaart opperde een jeugd-tbs voor de harde kern. De voorzitter van het Amsterdamse stadsdeel Oud-Zuid had het over het onder toezicht stellen van baby's uit de gezinnen met hangjongeren. De lijsttrekker van D66 in Amsterdam wil de wet aanpassen om een militaire dienstplicht op te leggen aan de harde kern van jongeren die onverbeterlijk zijn. Wethouder Aboutaleb wil de mensen die zich niet aan Nederland willen aanpassen, terugsturen naar het land van herkomst. Er zijn nog veel meer suggesties gedaan, maar er is al ontzettend veel mogelijk. Wat D66 betreft, behoort preventie voorop te staan. Dat betekent: goed onderwijs, schooluitval voorkómen, voldoende stageplaatsen en werk voor jongeren, makkelijke toegang tot sportverenigingen en andere positieve activiteiten, het betrekken van de ouders en de sociale omgeving bij de manier van leven van hun kinderen en het verbeteren van het leefklimaat in achterstandsbuurten, ook door gevarieerde woningbouw, het afleggen van huisbezoeken en opvoedingsondersteuning. Zo kan ik nog wel een tijd doorgaan. In de stukken die het kabinet naar de Kamer heeft gestuurd, staan ook tal van maatregelen. Wat ons betreft, is voorkomen beter dan genezen. Als sluitstuk kunnen wij er echter niet omheen dat er ook streng en consequent opgetreden moet worden als het fout is gegaan. Daar valt nog wel iets over te zeggen. Eergisteren had de politie in het stadsdeel Oud-Zuid een fuik opgezet voor fietsers die vanwege een wegopbreking een stukje over de stoep fietsten. De ene na de andere fietser werd op de bon geslingerd, terwijl even verderop in hetzelfde stadsdeel jongeren in de Diamantbuurt op straat rondhangen. Daar is onvoldoende toezicht en kan de vlam opnieuw in de pan slaan. Er is dus iets mis met de prioriteitsstelling. Mensen ergeren zich daar groen en geel aan. Hoewel minister Remkes het al in veel debatten heeft ontkend, hebben de prestatiecontracten met de politie op straat soms echt een verkeerde uitwerking. Natuurlijk is het goed om regels te handhaven, maar laat de politie dan die regels handhaven die ertoe doen en die de veiligheid van burgers vergroten. In dat kader vind ik bijvoorbeeld een blowverbod werkelijk onzinnig. Het wekt de indruk van krachtdadig optreden, maar het blowen is helemaal niet het probleem. Het gaat om de gedragingen eromheen, zoals vernielingen, wildplassen, geluidsoverlast en noem maar op. Dat kun je aanpakken door stringent toezicht te houden, maar een blowverbod zonder toezicht zet geen zoden aan de dijk en zal de bewoners die snakken naar vrijheid en rust, alleen maar weer teleurstellen. Hun geloof in de overheid zal dus alleen nog maar meer op de proef worden gesteld. Gek genoeg zijn er regels in ons wetboek die een antwoord zouden kunnen geven op de kwesties van ernstige verstoringen van de openbare orde en criminaliteit. Toch wordt dat soort regels weinig toegepast. Ik noem de rechterlijke bevelen tot handhaving van de openbare orde, zoals die vermeld staan in de artikelen 540 e.v. van het Wetboek van Strafvordering. Bij ontdekking op heterdaad van een strafbaar feit waardoor de openbare orde ernstig wordt aangetast, kan de rechter meteen een vrijheidsbenemende maatregel opleggen. Om herhaling te voorkomen, kan de rechter op grond van artikel 543 ook bepaalde bevelen opleggen. Hieronder kunnen ook gedragsbevelen begrepen worden, die volgens het wetboek de vrijheid van godsdienst of levensovertuiging niet mogen beperken. Verder kan er heel veel. Een rechter-commissaris kan bijvoorbeeld een meldplicht opleggen of een straatverbod. Dit artikel moet misschien wat gemoderniseerd worden, maar het kan een effectief wapen zijn in de aanpak van hardekernjongeren die ernstige overlast veroorzaken. Het voordeel van dit artikel is dat de rechter-commissaris nauw moet samenwerken met de politie. Dat kan op basis van een veiligheidsplan dat de burgemeester met de lokale driehoek heeft gemaakt. Ik geef er de voorkeur aan dat de rechter-commissaris in plaats van een burgemeester dit soort bevelen oplegt. Een burgemeester kan er immers politiek belang bij hebben om op een bepaalde manier op te treden. Een rechter kan een situatie echter objectief bekijken. Ik hoor graag een reactie van de ministers op dit voorstel." 2006-02-15;Vos;02547;GroenLinks;h-tk-20052006-3332-3362.1.4.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";1329;3;"Voorzitter. Het is ontoelaatbaar dat jongeren ruiten ingooien, mensen bedreigen en intimideren en homoseksuelen, joden en moslims lastigvallen. Dat alles kan niet getolereerd worden. De tolerantie staat helaas onder druk in een aantal steden in ons land. Het wij-zijgevoel is verscherpt: moslims versus niet-moslims, allochtoon versus autochtoon, Nederlandse jongeren van Marokkaanse komaf versus Nederlanders. Groepen worden gemarginaliseerd en vatbaar voor radicalisering en extremisme. Dit is een zorgelijke situatie die absoluut niet onderschat mag worden en waarvoor een aanpak nodig is. Van de politiek mag betrokkenheid worden gevraagd, daadkracht maar ook wijsheid. Het gaat uiteindelijk om het zoeken naar oplossingen en niet om de problemen en de conflicten nog verder aan te scherpen of uit te vergroten. Eerlijk gezegd vind ik het gebruik van termen als straatterreur niet leiden tot het zoeken naar een oplossing, maar tot het vergroten van het beeld waarover het gaat. Wij spreken overigens al tien jaar over dit type problemen dat zich helaas regelmatig voordoet. In april 1998 was er in Amsterdam-West een grote rel rondom Marokkaanse jongeren. Het begon allemaal met het prullenbakincident en het liep volstrekt uit de hand. Het COT heeft toen een onderzoek gedaan naar wat er misgegaan was en hoe het beter kon." 2006-02-15;Wilders;02258;Groep Wilders;h-tk-20052006-3332-3362.1.2.1;"Overlast en criminaliteit in steden ";5208;10;"Voorzitter. De afgelopen weken zijn wij opnieuw geconfronteerd met straatterreur in Amsterdam, waar vooral Marokkaanse jongeren zich schuldig maakten aan vernielingen en ander wangedrag, maar ook aan intimiderende praktijken tegenover onder anderen joden en homo's. De rellen en incidenten in Amsterdam zijn schokkend, maar wij zouden ons ernstig vergissen wanneer wij zouden denken dat dergelijk wangedrag beperkt blijft tot onze hoofdstad. Een inventarisatie die mijn fractie zelf heeft verricht, heeft onthutsende feiten aan het licht gebracht. Niet alleen in de vier grote steden komt, vooral helaas Marokkaanse, straatterreur voor. Ook in veel andere steden en kleinere gemeenten is dit het geval. Van Weert tot Zeist. Van Breda tot Gouda. Van Assen tot Roosendaal en ga zo maar door. Veel inwoners van dit land hebben er dagelijks last van. Hele gezinnen worden geterroriseerd. Maar de politieke en bestuurlijke elite van de meeste steden, en ook die van ons land, zijn niet bij machte hieraan iets te doen. Minister Remkes van Binnenlandse Zaken spant de kroon. De afgelopen jaren heeft hij helemaal niets gedaan aan de aanpak van straatterreur. Ook nu spreekt hij weer flinke woorden maar laat hij het totaal afweten. Vorige week dinsdag in de Telegraaf konden wij stevige woorden van de minister van Binnenlandse Zaken lezen. Ik laat het u zien. \"Straattuig direct de cel in.\" Hier een citaat van de minister. \"Tegen deze rotzakken helpt alleen repressie. Ze moeten meteen de bak in.\" Maar wie de brief leest die wij gisterenavond van deze zelfde minister hebben ontvangen, kan alleen maar constateren dat er voorlopig niets maar dan ook helemaal niets gebeurt. In de brief staat dat alles nog een keer wordt bezien, dat alles nog een keer wordt onderzocht en dat alles nog een keer wordt bekeken. Maar morgen verandert er niets. Overmorgen verandert er niets. En volgende week verandert er ook niets. Het meest vergaande in de brief van minister Remkes is zijn toezegging dat wij over een paar maanden een nieuwe brief van hem zullen krijgen over dezelfde probleemjongeren. Wat een contrast! Deze minister heeft vorige week duidelijk zijn hand overspeeld! Hij heeft de burger ten onrechte gouden bergen beloofd. Ik zei het al: morgen verandert er niets in alle wijken waar de mensen zoveel problemen ondervinden, in alle Diamantbuurten van Nederland! Als de andere kant opkijken en het niet nakomen van je beloften een olympische sport zou zijn, zou Nederland dankzij minister Remkes opnieuw een gouden medaille hebben behaald. Wij moeten de problemen eerlijk durven benoemen. Het is een feit dat wij behalve met een algemeen criminaliteitsprobleem vooral met een specifiek Marokkanenprobleem te maken hebben. Wie dat ontkent, is horende doof en ziende blind. In Amsterdam zien wij dat vooral joden en homo's het mikpunt zijn van intimiderend gedrag. Marokkaanse ouders laten hun kinderen soms gewoon hun gang gaan, omdat zij ook zelf zijn vervuld van een diepe afkeer tegen de Nederlandse samenleving. Dat zegt een Marokkaanse buurtvader zelf in de Volkskrant van 14ENTITY-#160januari. Dat maakt duidelijk dat de eigenlijke bron van veel van dit soort conflicten niet de sociaal-economische en de educatieve problemen in bepaalde wijken zijn, maar dat wij in werkelijkheid te maken hebben met een etnisch-cultureel conflict. De ingrediënten van het explosieve mengsel dat in de Franse banlieues tot ontploffing is gekomen, zijn ook hier aanwezig. Als de regering en gemeentebesturen zoals dat van Amsterdam nog veel langer zullen blijven weigeren om adequaat op te treden, zullen Franse toestanden ook hier plaatsvinden. Ik heb de afgelopen maanden met veel politieagenten over deze problematiek gesproken. Niet met de hoge politieofficieren met gouden balken op hun pet die zich braaf voor het karretje van een zwakke burgemeester laten spannen, zoals de korpschef van Amsterdam, maar met de politiemannen en politievrouwen die op straat het echte werk doen. Zij zeggen allemaal: \"Geef ons de middelen. Als er in een wijk problemen zijn, moet de politie daar 24 uur per dag aanwezig kunnen zijn. In uniform op straat, maar ook 's avonds verborgen in pandjes met nachtkijkers en ander materiaal. Maak ons niet gek met die rare prestatiecontracten, waardoor wij gedwongen worden om bonnen uit te schrijven voor lichte overtredingen die geen enkele prioriteit hebben. Geef ons de mensen, geef ons de tijd om zo'n wijk te observeren, om verdachten in kaart te brengen en te volgen. Om die mensen te identificeren en in hun lurven te pakken en van de straat te halen.\" Dat gebeurt echter allemaal niet. Ik heb zelfs een interne e-mail van de politie onder ogen gekregen, met een instructie van de chef van het wijkteam in het stadsdeel Slotervaart in Amsterdam, waarin staat dat de politie vooral niet te aanwezig mag zijn in uniform, omdat dan de straatschoffies alleen maar zouden worden geprovoceerd. Hoe veel gekker kan het nog worden in dit land? Ik vind deze e-mail, die al eerder in een aantal kranten heeft gestaan, van groot belang en heb die geanonimiseerd. Ik overhandig deze e-mail aan de voorzitter met het verzoek die te kopiëren en uit te delen zodat ook de collega's daarvan kennis kunnen nemen." 2006-03-22;Wilders;02258;Groep Wilders;h-tk-20052006-3927-3952.1.1.5;"Vrijheid van meningsuiting ";895;1;"Ik ben blij dat ik nog even op dat referaat mag reageren. Wij praten niet alleen over de geschiedenis, wij praten over vandaag. Wij hebben een debat anno 2006. Het verschil is dat mensen die inderdaad vanuit andere geloven soms intolerantie hebben laten zien, die vandaag de dag hebben afgezworen. Dat is de ontwikkeling, de verlichting die ik heb gememoreerd. Er zijn geen christenen of joden die vandaag de dag met geweld en haat een andersgelovige zullen bestrijden. Gelukkig maar. Dat is ook precies het verschil met wat helaas vandaag de dag nog binnen de islam gebeurt. Nog steeds wordt daar met geweld en haat opgetreden tegen andersdenkenden, homoseksuelen en vrouwen. Er is wel degelijk een verschil. U moet kijken naar de situatie van vandaag en niet alleen naar die in het verleden. Die ene religie heeft nog een hele ontwikkeling te gaan die de andere religies al hebben doorgemaakt." 2006-09-07;Wilders;02258;Groep Wilders;h-tk-20052006-6399-6404.1.2.1;"Terrorisme ";3529;13;"Mijnheer de voorzitter. Op zondag 10 en maandag 11ENTITY-#160september vindt er een conferentie plaats in de Taibah-moskee in de Bijlmer, in Amsterdam. Deze conferentie zal worden geleid door de radicale moslimleider Mohammed Anas Noorani Siddiqui, die er tevens zal spreken. Hij kan dit doen, omdat hij een visum heeft gekregen van de Nederlandse regering om daar te spreken. Aan het begin van de middag bereikte mij zelfs de informatie dat betrokkene al sinds eind augustus in het land is. Mijn fractie vindt dit onacceptabel. Deze moslimleider is een voorman van een radicaal-islamitische beweging, genaamd Jamiat Ulema Pakistan, ofwel JUP. Dit is een organisatie die in februari 1998 de beruchte fatwa van Osama bin Laden over de vorming van \"een islamitisch front voor de jihad tegen de Joden en de Kruisvaarders\" medeondertekende, waarin moslims werden opgeroepen Amerikanen en bun bondgenoten, burgers en militairen, te doden. Wij hebben allemaal gezien tot wat voor ellende die fatwa onder andere op 11ENTITY-#160september 2001, maar ook elders daarna, heeft geleid. De organisatie van deze man heeft haar handtekening gezet onder die fatwa van Osama bin Laden. Dat is wat mij betreft onaanvaardbaar. Daarnaast heeft deze radicale leider eerder dit jaar – dat was in maart; ook dat heeft uitgebreid de media gehaald – een doodvonnis ondersteund voor alle lasteraars van de profeet. Het was dus niet alleen in 1998; het was ook nog dit jaar dat hij dat heeft gedaan. Wij hebben vanmorgen een debat gehad over radicalisme, waar wij vooral spraken over het tegengaan van de toename van dit soort extremistische teksten en spreekbeurten in Nederland. Ik wil voorkomen dat deze mijnheer in Nederland blijft en ik wil dat hij linea recta het land uit gaat, want voor extremisten, voor islamitisch-radicalen, is geen plaats in Nederland. Daartoe zal ik een motie indienen. Voordat ik echter de motie indien, wil ik tegen de minister zeggen dat de werkelijkheid méér is dan het wetboek. De werkelijkheid is ook het gezond verstand. Het gezond verstand zegt dat iemand die leiding geeft aan een extremistische organisatie, iemand die een fatwa van Bin Laden tegen de joden, tegen het Westen en tegen wie dan ook heeft medegetekend, iemand die gaat voor dood en verderf jegens het Westen en onze burgers, iemand die ieder jaar hier opnieuw komt spreken – het is de tweede keer dat hij in Nederland komt spreken – en altijd precies rond 11ENTITY-#160september en iemand die daar blijkbaar een satanisch genoegen in heeft, niet in Nederland thuishoort. Ik dien daarom de volgende motie in." 2006-09-07;Van Bommel;02211;SP;h-tk-20052006-6399-6404.1.9.1;"Terrorisme ";2012;6;"Voorzitter. De Pakistaanse moslimleider Siddiqui was eerder in Nederland en er is hem toen een visum verleend. De vraag die de SP-fractie bezighoudt, is hoe dit toen al mogelijk was. Ook toen leek namelijk al bekend te zijn dat hij één van de inspirators was van de aanslagen van 11ENTITY-#160september 2001, dat hij in ieder geval getekend heeft voor het oproepen tot het doden van westerlingen en joden en dat hij mede heeft aangezet tot geweld in het algemeen. De vraag aan de minister is dan ook de volgende. Zijn dit verdenkingen of zijn dit beoordelingen, constateringen? Als dat laatste het geval is, zou je toch wensen dat zo'n persoon de toegang tot Nederland geweigerd kan worden. De vraag die hier in zijn algemeenheid op tafel ligt, is of wij helemaal niemand meer de toegang tot dit land kunnen weigeren. Wanneer dit de feiten zijn – ik kan dat van hier af niet goed beoordelen – dan zou je toch wensen dat wij instrumenten hebben om zo'n persoon de toegang tot Nederland te weigeren. Als de juridisch instrumenten daartoe niet toereikend zijn, is mijn fractie van mening dat in dat geval de wet gewijzigd zou moeten worden. Het huidige acute probleem is dat de moslimleider Siddiqui in Nederland is. Dat leidt bij mijn fractie tot een drietal concrete vragen. 1. Kan deze minister garanderen dat alle uitspraken en oproepen van Siddiqui gevolgd en beoordeeld worden? Daarmee bedoel ik niet alleen de grote bijeenkomsten in de moskeeën maar ook de kleinere bijeenkomsten zoals huiskamerbijeenkomsten. 2. Kan deze minister garanderen dat elke oproep tot haat of geweld onmiddellijk tot uitzetting leidt? 3. Kan deze minister garanderen dat de visumverlenende dienst tot een juist oordeel is gekomen op basis van voldoende informatie, verband houdende met vragen zoals ik die eerder gesteld heb? Ik zou heel graag zien dat deze drie vragen met ja of nee beantwoord werden. Dat zijn namelijk de vragen waarvan de antwoorden bepalend zijn voor de vraag of wij steun geven aan de moties die zo-even zijn ingediend." 2006-09-07;Wilders;02258;Groep Wilders;h-tk-20052006-6399-6404.1.11.10;"Terrorisme ";742;1;"Ik luister echt met verbazing naar de minister. Hoe kan hij het uit zijn mond krijgen dat een partij waarvan de secretaris een fatwa van Bin Laden heeft getekend, waarin over moord en doodslag wordt gepraat, behoort tot het gematigd midden? Een partij waarvan de secretaris, zoals de minister in Kamervragen heeft beaamd, de fatwa ondertekent van Bin Laden tegen de kruisvaarders en de joden, om ze allemaal te doden, is geen gematigde partij, maar een partij vol met gevaarlijke gekken. Als iemand daarvan naar Nederland komt, moet de minister ervoor zorgen dat hij hier geen spreekgestoelte krijgt om die onzin ook nog allemaal in de hoofden van de moslims in Nederland te stoppen. Het is zijn verantwoordelijkheid om daar iets aan te doen." 2006-09-07;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20052006-6399-6404.1.4.1;"Terrorisme ";3171;10;"Mijnheer de voorzitter. In het algemeen overleg over terrorismebestrijding hebben wij van gedachten gewisseld over het probleem van de toenemende radicalisering en over het belang van het zoveel mogelijk voorkomen van radicalisering. In dat licht bevreemdt het zeer dat een voorman van een obscure organisatie als de JUP in Nederland wordt toegelaten. Eerder hebben wij uit informatie van de regering zelf begrepen dat de fatwa van Bin Laden in 1998 tegen joden en kruisvaarders, de fatwa vanwaar een lijn loopt naar de aanslagen van 11ENTITY-#160september, mede is ondertekend door de secretary van de JUP, de Pakistaanse jihadistische organisatie. Het feit dat deze man niet voor de eerste keer omstreeks de datum van 11ENTITY-#160september in Nederland is, roept eveneens vragen op. Daarom spreken ook wij onze verbazing en bevreemding uit over de verlening van het visum. Aan de minister vragen wij waarom aan deze man ondanks de feiten die zijn genoemd en die door de regering zijn bevestigd als het gaat om de positie van de betrokken organisatie, toch een visum is verstrekt. Is het waar, zoals door de heer Wilders naar voren is gebracht en zoals in kranten is gezegd, dat de betrokkene daadwerkelijk doodvonnissen van wat genoemd wordt lasteraars van de profeet heeft ondersteund? Wij krijgen op dit punt graag een reactie van de minister. Wij staan zeer sympathiek tegenover het afgeven van een signaal zoals dat ook met de motie van collega Wilders gebeurt, al beseffen wij dat het altijd lastig is om in een individuele zaak te oordelen als je niet rustig het dossier hebt kunnen bekijken. Niettemin roepen de feiten die bekend zijn en die onomstreden zijn zoveel vragen op dat wij zeer sterk hechten aan een duidelijke uitleg van de kant van de minister. Is het visum terecht verleend? Kan het alsnog worden ingetrokken? Tot slot. Vanuit de staatsrechtelijke positie van de Kamer hebben wij altijd een wat ongelukkig gevoel als wij te veel met een individuele zaak bezig zijn, hoe belangrijk die op zichzelf ook kan zijn, en hechten wij eraan om het debat zo snel mogelijk te kunnen verbreden tot het onderwerp waarover de Kamer wel gaat, namelijk het beleid bij het toelaten van mensen die naar Nederland willen komen. Daarom wil ik daarover een motie indienen, geïnspireerd door deze zaak." 2006-09-27;Van Schijndel;"";Groep Eerdmans/Van Schijndel;h-tk-20062007-233-268.1.4.36;"Algemene politieke beschouwingen ";429;1;"Ik wil graag terugkomen op het waarderelativisme en de vergelijking van verschillende geloven. De kritiek op linkse mensen is altijd dat zij niet realistisch zijn en niet kijken hoe het echt zit. Mevrouw Halsema kan toch moeilijk betwisten dat de meeste christenen in Nederland, de meeste katholieken en de meeste joden geëmancipeerd zijn. Ik zou bijna zeggen dat zij vrijzinnig zijn in de wijze waarop zij met hun geloof omgaan." 2006-10-18;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20062007-920-942.1.13.1;"Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking ";5039;8;"Voorzitter. In het persbericht bij de begroting hadden de ministers het over de Sirenenzang van hen die ons land oproepen, zich terug te trekken achter de dijken met de luiken dicht. Die Sirenenzang moet worden genegeerd, zo las ik. Dat is zeker waar. Dat is ook goed gelukt bij de troonrede. Ik vond het fraai hoe daar op het internationale perspectief werd ingezet. Wij moeten ons echter wel realiseren dat een Sirenenzang betoverend is. Dat maakt haar juist zo gevaarlijk. Zo kan het aantrekkelijk klinken om maar ver weg te blijven van allerlei wespennesten, zoals Irak en Afghanistan. Dat is ook veel gemakkelijker, want spectaculaire resultaten zijn vaak moeilijk te boeken. Ook op het terrein van ontwikkelingssamenwerking is het lang niet altijd mogelijk om op imponerende resultaten te bogen, vooral als het gaat om de positie van de allerarmsten. De enorme omvang van de noden wereldwijd – brandhaarden en armoede – mag ons echter niet ontmoedigen. De oplossing kan niet zijn om ons met Odysseus aan de mast te laten binden. Het beleid moet juist aansporen en aanmoedigen om niet onverschillig weg te kijken, maar bescheiden en toch zelfbewust ons steentje bij te dragen. De SGP-fractie ziet het zelfs als een goddelijke opdracht om ons in te zetten voor gerechtigheid en vrede wereldwijd. De Sirenenzang om je vooral te richten op onderwerpen die in het brandpunt staan van de politieke en maatschappelijke belangstelling, moet ook weerstaan worden. Wij moeten oog hebben voor conflicten waar veel minder aandacht voor is. In dat kader vraag ik aandacht voor Colombia. Ik ben oprecht verheugd dat dit land hoger op de agenda is gekomen. Ik verwacht van de regering dat Nederland naar vermogen blijft bijdragen aan hulp aan ontheemden en re-integratie van ex-strijders. Deze zomer heb ik bij een bezoek gemerkt dat de bijstand van Nederland enorm gewaardeerd wordt. Wellicht kan meer dan nu worden bijgedragen aan versterking van het justitiële apparaat, onder meer om de straffeloosheid te bestrijden. Hoe ziet de regering de suggestie van de aanstelling van een speciale VN-gezant die zich niet alleen beperkt tot de mensenrechten, maar ook gericht is op vermindering van gewelddadige conflicten? Haïti is ook zo'n triest land. Het is geen voorpaginanieuws. Het kampt met grote onderontwikkeling en chronisch slecht bestuur. Nederland draagt slechts minimaal bij aan dit land dat qua armoede weinig onderdoet voor veel Sub-Sahara landen. Wij kunnen Haïti niet links laten liggen. Wat zijn de mogelijkheden om effectieve hulp aan dit land te geven? Een onderwerp dat niet veel aandacht meer krijgt, is Papoea. Vorig jaar is daar nog bij de begrotingsbehan­deling intensief over gediscussieerd. De regering doneert nu 2 mln. per jaar; een goed begin. Wat is de stand van zaken bij de implementatie van de speciale autonomiewet? Welke inzet heeft Nederland getoond om de werking daarvan te verbeteren? Hoe is het gesteld met de straffeloosheid? Werkt Indonesië aan vermindering daarvan? Bijzondere aandacht blijft ook geboden voor de situatie in Sudan. Wij kennen de feiten. Het afgelopen jaar zijn ontzettend veel mensen omgekomen door het bloedige optreden van milities in Darfur. De Sudanese regering houdt een VN-missie tegen. Hoe lang kunnen wij nog lijdelijk toezien? Welke middelen hebben wij om de situatie ten goede te keren? In aanvulling op wat hierover tijdens de algemene politieke beschouwingen over gezegd is, vraag ik de bewindslieden om nader in te gaan op de stand van zaken op dit moment. De publieke aandacht is niet altijd gericht op de geloofsvervolging in tal van landen, maar dit is wel een zeer belangrijk onderwerp. De SGP-fractie heeft de afgelopen tijd meermalen aandacht gevraagd voor de positie van christenen in bepaalde landen. Ik verwacht van de regering een blijvende inzet tegen geloofsvervolging. In navolging van mevrouw Huizinga wijs ik op Eritrea waar veel mensen vanwege hun geloof onder erbarmelijke omstandigheden gevangen worden gehouden en gemarteld. Nederland heeft dit land al eens gekort op ontwikkelingssamenwerking, maar dat heeft geen merkbaar effect gehad. Wat kunnen wij doen om de druk op dit land te vergroten? De brief van de regering die ons gisteren is toegestuurd, biedt weinig aanknopingspunten voor het opvoeren van de druk. Zijn er niet meer maatregelen denkbaar? Wil de regering zich voor deze kwestie inzetten? Ik sluit mij ook aan bij datgene wat mevrouw Huizinga-Heringa over de geloofsvervolging in Indonesië naar voren heeft gebracht. Bijzondere aandacht vraag ik voor de strijd tegen het antisemitisme. Dat is ook een onderwerp waarvoor wij onze ogen niet kunnen sluiten. Wij kunnen en mogen er niet aan wennen dat bijvoorbeeld in het Midden-Oosten wordt aangezet tot haat tegen de Joden. Dat heeft ook invloed op Europa, waaronder Nederland. Ook in de media en in schoolboeken wordt aangezet tot haat. Wij moeten pal staan voor het bestaansrecht van de staat Israël. Er is nog een onderwerp waarvoor geldt dat de nood heel hoog is, namelijk de aidsproblematiek." 2006-12-05;Aptroot;02412;VVD;h-tk-20062007-1536-1539.1.2.1;"Vragenuur ";2097;2;"Voorzitter. Mijn vragen stel ik naar aanleiding van berichten die allereerst in Trouw van afgelopen zaterdag verschenen. Ik wil van de minister weten of het klopt dat een aantal scholen, waaronder twee islamitische scholen, een negatieve beoordeling van de Inspectie van het Onderwijs heeft gekregen. Is de beoordeling van het Islamitisch College Amsterdam net zo negatief als in 2004? Te lezen valt dat de prestaties van de leerlingen beneden het vereiste niveau zijn, het opleidingsniveau van de leraren te laag is en de school de leerlingen niet met de Nederlandse democratie en andere culturen laat kennismaken. Ook is er het bericht dat deze school onder andere in lesboeken aanzet tot haat tegen onze democratie en andere geloven en volken, zoals tegen joden. Het verhaal doet de ronde dat er geld zoek is. In verslagen heb ik gelezen dat de medezeggenschapsraad naar aanleiding van de financiële stukken vragen heeft gesteld over een bedrag van ongeveer €ENTITY-#16060.000 dat nergens is terug te vinden. De directie zegt dat dit bedrag zoek is. Uit de vragen maak ik op dat wordt verondersteld dat het naar extremistische groepen is gegaan. De VVD-fractie vindt het onaanvaardbaar om weer af te wachten wat de school doet. Het afgelopen weekend is namens de Inspectie van het Onderwijs de mededeling gedaan dat zij met de school zal spreken, omdat laatstgenoemde nog niet voldoende beleid heeft ontwikkeld om op orde te komen. Dat vinden wij verontrustend en dus niet afdoende. De VVD-fractie pleit voor keiharde maatregelen. De school is immers twee jaar geleden al gewaarschuwd. Wij vragen de minister of nu niet de fase is aangebroken dat zij aankondigt om de school aan het eind van dit schooljaar te sluiten. Waarom financieren wij deze school en enkele andere scholen nog steeds, ondanks dat die niet aan de minimale kwaliteitseisen voldoen en dat die zich bovendien niet houden aan onze Grondwet? Zij respecteren onze democratische rechtsstaat niet en zetten aan tot haat. De situatie was twee jaar geleden ernstig en dat is zij nog steeds. Is de minister eindelijk van plan om in te grijpen?" 2006-12-05;Van der Vlies;02682;SGP;h-tk-20062007-1536-1539.1.3.4;"Vragenuur ";902;1;"Dit is een ernstige situatie en dat wordt ook door de minister erkend. Er moet snel duidelijkheid komen over bijvoorbeeld de leermiddelen. Het zou echt beschamend zijn als er, bijvoorbeeld tegenover de joden, haat wordt ingescherpt. Dit is een signaal en dat moet natuurlijk wel worden bewezen. Daarom moet er onderzoek worden gedaan. Dit heeft voor mijn fractie echter een zeer dringend karakter. Dit moet zeker stevig worden aangepakt, maar ik loop niet vooruit op de vraag of de school al dan niet kan voortbestaan. De minister zegt dat dit tegen augustus volgend jaar beslecht zou moeten zijn. Dat lijkt mij te laat. Wil je de leerlingen een goed heenkomen bezorgen, als dat al nodig zou zijn, op andere scholen, dan moet je daar eerder duidelijkheid over verschaffen. Datzelfde geldt voor de docenten en anderen met een rechtspositie. Een datum van 1ENTITY-#160april of 1ENTITY-#160mei zou dan meer in de rede liggen." 2007-03-01;Pechtold;02993;D66;h-tk-20062007-2634-2731.1.11.248;"Regeringsverklaring ";1258;2;"Het is mij toch nog niet helemaal duidelijk, en dan vooral niet omdat u ons vraagt, te kijken naar waar de coalitie het over eens is. Als oppositie kijken wij liever naar zaken waarmee wij het niet eens zijn. De heer Slob zei afgelopen zaterdag in het Nederlands Dagblad over deze kwestie: het is duidelijk hoe wij als ChristenUnie hier in staan. De betreffende passage is ook niet op een andere manier uit te leggen. Mochten er problemen rond gewetensbezwaarde trouwambtenaren ontstaan, dan zal de regering initiatieven nemen – mijn vraag is of dat wetsvoorstel er al is – waar alle coalitiepartijen aan gebonden zijn. Daar zullen wij de nieuwe regering aan houden, ook als het gaat om de uitvoering ervan. Ook Wouter Bos is gehouden aan het regeerakkoord, dus dat rimpeltje van de afgelopen dagen is hopelijk snel weer gladgestreken. Zou de minister-president tevens kunnen ingaan – hij heeft het immers over draagvlak voor het homohuwelijk – op een vergelijking waarover op de avond van de installatie van dit kabinet een vraag is gesteld aan mevrouw Vogelaar. Haar werd toen een vergelijking voorgelegd met een islamiet die twee joden niet zou willen trouwen en toen zei zij: dat is heel wat anders. Graag hoor ik van u een antwoord op beide voorbeelden." 2007-06-14;Wilders;02258;PVV;h-tk-20062007-4312-4335.1.1.1;"Handelsmissie Iran ";3592;4;"Voorzitter. Het Nederlands Centrum voor Handelsbevordering leidt later deze maand een delegatie van twaalf Nederlandse bedrijven naar de Islamitische Republiek Iran. Dat is zeer ongewenst en onverstandig. Iran ligt onder VN-sancties, heeft illegale nucleaire ambities en wordt geregeerd door criminele godsdienstfanaten die terroristen elders in het Midden-Oosten steunen. De president van Iran roept inmiddels bijna wekelijks als een dolle hond dat het aftellen voor de vernietiging van Israël is begonnen, waarmee hij niet onderdoet voor de ambities van Hitler. Daar gaat dan vrolijk een Nederlandse handelsmissie heen, alsof er niets aan de hand is. Een klein kind, en dus ook een net benoemde staatssecretaris van Economische Zaken, weet dat er natuurlijk geen handelsmissie moet gaan naar een land met zulke leiders en zulk een abjecte politiek. Maar tot vorige week heeft de staatssecretaris, alsof het om een handelsmissie naar Zwitserland ging, gewoon bijgedragen aan de organisatie van de reis. Niet alleen liepen de aanmeldingen via de EVD, een agentschap van het ministerie van Economische Zaken, er is ook een verkenningsmissie naar Iran gegaan. Er zijn dus kosten gemaakt die door het ministerie zullen worden vergoed. Hoe is het mogelijk dat dit allemaal is gebeurd? Waarom heeft de staatssecretaris dit allemaal helpen organiseren en deels gefaciliteerd? Waarom is de geldkraan pas dichtgedraaid en de medewerking van overheidswege aan deze missie pas gestaakt nadat een aantal Kamerfracties hierover vorige week schande sprak? Waarom is pas daarna aan de NCH dringend in overweging gegeven de missie naar Iran voorlopig op te schorten? De staatssecretaris van Economische Zaken heeft hier amateuristisch zitten blunderen. Dat staat wel vast. Maar ook de minister van Buitenlandse Zaken heeft zitten slapen. Ik begrijp niet waarom hij tijdens het debat vorige week negatief was over deze handelsmissie, maar wel heeft toegestaan dat de onder zijn verantwoordelijkheid vallende Nederlandse ambassade in Teheran blijkbaar heeft meegewerkt aan de voorbereiding en de facilitering van deze reis, bijvoorbeeld door middel van de verkenningsmissie. Wanneer heeft de minister van Buitenlandse Zaken de staatssecretaris van Economische Zaken laten weten dat hij tegen de missie was en wat was het antwoord van de staatssecretaris? Wanneer kreeg de minister dat antwoord? Ik heb nog een aantal vragen. Kunnen wij er nu 100% zeker van zijn dat de overheid deze handelsmissie op geen enkele wijze meer ondersteunt, niet financieel, niet organisatorisch, niet via de EVD, niet via het ministerie van Economische Zaken, niet via het ministerie van Buitenlandse Zaken en ook niet via de ambassade in Teheran; dus helemaal niet? Graag een antwoord van beide bewindslieden. Is de staatssecretaris bereid de Kamer voortaan tijdig uit eigen beweging te informeren indien er een voornemen bestaat tot een handelsmissie met overheidsbetrokkenheid naar een land waartegen de VN-veiligheidsraad sancties heeft afgekondigd, zoals in het geval van Iran? Graag een toezegging. Ik overweeg anders in tweede termijn daarover een motie in te dienen. Wil de minister van Buitenlandse Zaken zich in internationaal verband hard maken voor een totaal handelsverbod met Iran? Gelet op de huidige situatie in Iran vind ik dat er een totaal handelsverbod met Iran moet komen. Nederland kan dat niet alleen. Dat moet in VN-verband, maar wij hebben het daar niet voor het zeggen. De minister kan zich er wel hard voor maken. Is hij daartoe bereid? Ook hierover overweeg ik in tweede termijn een motie in te dienen." 2007-07-04;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20062007-5047-5056.1.5.2;"SIBA-scholen ";591;2;"De fractie van GroenLinks heeft zich ook zorgen gemaakt over de As Siddieq school, vooral op het gebied van sociale integratie en burgerschap. In het verleden is zij in opspraak geraakt, bijvoorbeeld door uitlatingen van de toenmalige voorzitter in 1997, dat joden, dwalenden en christenen brandhout zijn voor de hel. Inmiddels zijn echter veel stappen gezet. De inspectie zegt nu dat zij alleen maar met waardering kan kijken naar de inspanningen die de school op vele fronten tegelijk levert. Burgerschap en sociale integratie gaan vooruit. Waarop baseert de heer Bosma zijn grote woorden?" 2007-09-06;Zijlstra;03068;VVD;h-tk-20062007-5260-5319.1.7.7;"Dynamiek in islamitisch activisme ";874;2;"Ik vind de U-bochten die de heer Pechtold in dit debat maakt knap. Daardoor gaat het debat alle kanten op. Misschien moet ik hem straks ook feliciteren dat hij het debat 1 uur en 38 minuten over andere zaken heeft laten gaan. De VVD is helder over dubbele nationaliteit. Iemand die Nederlander wil worden, moet een keuze maken. Die keuze legt de VVD vaak genoeg uit. Dit debat is daar niet het moment voor. De Nederlanders worden bang van daadwerkelijke gebeurtenissen. Het National Counter Terrorism Centre heeft met een lijstje aangegeven wat er wereldwijd aan religieuze aanslagen is gepleegd: 1563. Vier daarvan door joden gepleegd, 48 door christenen en 1511 door moslims. Als de WRR daarover niets schrijft, gaat die voorbij aan de gevoelens onder de mensen. Er is sprake van een toenemende orthodoxie en radicalisering. Dat wordt in het WRR-rapport te weinig genoemd." 2007-09-06;Wilders;02258;PVV;h-tk-20062007-5260-5319.1.1.46;"Dynamiek in islamitisch activisme ";1356;1;"Voor sommigen zou het niet verkeerd zijn om ook hun hoofd eens leeg te maken, dat ben ik met u eens. Een verbod zou in eerste instantie betekenen dat het boek niet meer mag worden verkocht en dat men het ook niet in zijn bezit mag hebben. Ik heb eerder de vergelijking gemaakt met Mein Kampf. Het zou voor wetenschappelijke doeleinden nog kunnen worden bestudeerd, om later nog eens te zien hoe goed de keuze was om dit boek in 2007 te verbieden. Ik ben het met de heer De Wit eens dat wij daarmee niet alles kunnen verbieden. Ik ben volksvertegenwoordiger en voorzitter van een fractie in het Nederlandse parlement. Ik ga dus ook niet over wetten in andere landen. Sluitend zal het verbod niet zijn omdat men het boek in andere landen kan kopen of het via internet kan verkrijgen. Het is echter beter dan niets doen. Wat zou ik trots zijn als de Nederlandse Tweede Kamer een keer zei niet af te wachten maar ervoor te zorgen dat die zieke ideologie, die foute godsdienst islam en het boek Koran dat oproept tot verschrikkingen tegenover mensen – christenen, joden, ongelovigen, vrouwen – niet meer in de hoofden van de mensen komt en ook niet meer in de moskee wordt voorgelezen door een imam die zegt dat het ook nog het ware woord van God is. Als wij dat zouden voorkomen, zou Nederland er veel beter uitzien. Laten wij dat gewoon doen, mijnheer De Wit!" 2007-09-06;Wilders;02258;PVV;h-tk-20062007-5260-5319.1.1.15;"Dynamiek in islamitisch activisme ";1598;2;"Er is absoluut sprake van een oorlog. Cultuurrelativisten bagatelliseren de problemen, zoals u, mevrouw Halsema. In het verkiezingsprogramma van GroenLinks stond dat er geen Nederlandse cultuur bestaat; zo ken ik er nog wel een paar. Met die houding kunnen wij inderdaad beter maar meteen capituleren en is er geen oorlog nodig. Helaas is het tegendeel het geval. Er is wel degelijk een oorlog gaande. Laten wij blij zijn dat het vandaag de dag hier in Nederland geen gewelddadige oorlog is. Dat moet wat mij betreft ook zo blijven. Er zijn zeker gematigde mensen die zichzelf moslim noemen, mensen die onze wetten respecteren. Tegen die mensen heeft de PVV helemaal niets, maar de Koran heeft dat wel. De Koran zegt namelijk – dat is geen kwestie van interpretatie, want het staat er gewoon letterlijk in – in soera 2, vers 85, dat gelovigen die een deel van de Koran niet geloven, en een ander deel misschien wel, vernederd zullen worden en de hevigste bestraffing zullen krijgen. Met andere woorden: zij zullen braden in het hellevuur. Dat is namelijk de straf die er meestal op staat. Mensen die zeggen dat zij moslim zijn en niet in soera 9, vers 30, geloven dat zegt dat joden en christenen moeten worden bestreden of niet geloven in soera 5, vers 38, waarin staat dat je de hand van een dief moet afhakken, zullen dus worden vernederd en gebraden. Dat verzin ik niet, dat staat letterlijk in de Koran. Volgens de Koran zijn moslims die slechts een deel van de Koran geloven in feite afvalligen en wij weten wat er volgens de Koran met afvalligen moet worden gedaan: zij moeten worden gedood." 2007-09-06;Wilders;02258;PVV;h-tk-20062007-5260-5319.1.1.1;"Dynamiek in islamitisch activisme ";1810;5;"Mevrouw de voorzitter. Om te beginnen mijn oprechte dank aan u persoonlijk omdat u op mijn verjaardag vandaag een debat over de islam heeft gepland. Een mooier cadeau had ik mij niet kunnen wensen! Ongeveer 1400 jaar geleden is ons de oorlog verklaard door een ideologie van haat en geweld die toen ontstond en werd verkondigd door een barbaar die zichzelf profeet Mohammed noemde. Ik heb het over de islam. Laat ik beginnen met het fundament van de islam: de Koran. De plicht voor alle moslims om strijd te leveren tegen niet-moslims vormt het kernthema van de Koran, door mij eerder de islamitische Mein Kampf genoemd. Met strijd wordt bedoeld: oorlog, jihad. De Koran is vooral een krijgsboek waarin opgeroepen wordt om niet-moslims af te slachten, te braden en om bloedbaden onder hen aan te richten. Joden worden vergeleken met apen en zwijnen. Mensen die geloven dat Jezus Christus de zoon van God is, moeten volgens de Koran bestreden worden (Soera 9, vers 30). Het Westen kent geen problemen met het joden- en christendom, maar wel met de islam. Moslims kunnen de teksten in de Koran die eeuwig gelden voor alle moslims, ook vandaag de dag nog beschouwen als een \"license to kill\" en helaas gebeurt dit ook. De inhoud van de Koran is zo geformuleerd dat de bevelen gericht zijn aan moslims van alle tijden, dus ook aan de moslims van nu. In tegenstelling tot teksten in bijvoorbeeld de Bijbel die juist zijn geformuleerd als historische verhalen waarbij de gebeurtenissen in een ver verleden in een context worden geplaatst, is dit bij de Koran niet het geval. Het waren dan ook moslims en geen joden of christenen die de catastrofale terroristische aanslagen in New York, Madrid en Londen pleegden en niet voor niets werd Theo van Gogh door de moslim Mohammed Bouyeri op beestachtige wijze afgeslacht." 2007-09-19;Wilders;02258;PVV;h-tk-20072008-42-77.1.3.46;"Algemene politieke beschouwingen ";1054;1;"Na deze vorm van applaus voor de heer Marijnissen, mevrouw de voorzitter, zou ik willen zeggen dat het absoluut leidt tot een beter Nederland. Een Nederland zonder die fascistische koran, een Nederland zonder een boek dat oproept tot haat en moord. Ik heb hier twee weken geleden ook gepleit voor een andere koran, een kleinere koran, die weliswaar zo dik zou worden als de Donald Duck, maar wel een koran waarin alle haatdragende en tot moord oproepende passages en soera's zouden zijn geschrapt. Voor zo'n koran zou ik morgen tekenen. Als zo'n koran door mensen in Nederland ter hand zou worden genomen, waarmee zij als signaal afgeven dat zij niet geloven dat homoseksuelen moeten worden vermoord of veranderen, dat christenen en joden apen zijn, dat vrouwen minder goed moeten worden behandeld, dat afvalligen moeten worden vermoord en dat overspeligen moeten worden gestenigd – allemaal dingen die letterlijk in de koran staan, mijnheer Marijnissen – dan zou Nederland zo veel prachtiger worden. U zou het eens moeten proberen, mijnheer Marijnissen." 2007-09-20;Slob;01639;ChristenUnie;h-tk-20072008-110-172.1.2.154;"Algemene politieke beschouwingen ";1056;1;"Ik waardeer het dat de minister-president de woorden heeft uitgesproken die hij heeft uitgesproken en dat hij heeft aangegeven dat de vrijheid van godsdienst en van geweten in dit land een groot goed is en dat wij daarvoor willen gaan. Dat waardeer ik zeer. Aanhakend op wat de heer Van der Vlies zei: in dat licht heb ik ook de opmerking in de begroting van mevrouw Vogelaar gelezen – misschien zijn de woorden niet zo gelukkig gekozen – dat jongeren wordt voorgehouden om respect voor elkaar te hebben. Daarvoor is het nodig dat je van elkaar kennis hebt. Het is goed om daaraan aandacht te besteden. Dit geldt uiteraard ook voor islamitische jongeren, die ook respect zullen moeten opbrengen voor christenen of voor joden. Wij weten dat het daar wel eens aan schort. Het is goed om in dat opzicht ook helder naar elkaar te zijn. Wij moeten respect hebben, wij willen die vrijheid van godsdienst en geweten in dit land waarderen en daarvoor in de praktijk ruimte bieden, maar als mensen over die grenzen heengaan en zij radicaliseren, treden wij hard op." 2007-11-06;Bosma;03127;PVV;h-tk-20072008-1294-1297.1.1.1;"Vragenuur ";2096;3;"Voorzitter. De Universiteit Leiden heeft een naam hoog te houden op het gebied van de islamologie. Tenslotte was Leiden ooit de werkplek van Snouck Hurgronje, de aartsvader van de Nederlandse islamkunde. Hij werkte in Nederlands Indië en in de hele islamitische wereld, inclusief Mekka. Hij ontdekte dat de islam totalitair is en dat de jihad een centrale leerstelling van de islam is. Wat de elite in Nederland nu in alle toonaarden ontkent, wist Snouck Hurgronje 150 jaar geleden al. Ik weet niet of het de ironie van de geschiedenis of de onpeilbare onzinnigheid van de multikul is dat uitgerekend op deze universiteit de sultan van Oman zijn oliegeld komt besteden. Oman is een van de islamo-fascistische landen waar het woord democratie geheel onbekend is. En hoe besteedt de sultan zijn oliegeld? Hij betaalt het salaris van Tariq Ramadan, die geen afstand neemt van het stenigen van overspelige vrouwen. Ramadan, wie terecht de toegang tot de VS geweigerd werd; hij wilde daar doceren, maar hij kreeg op basis van de bestrijding van het terrorisme geen visum. Hij wordt door het Amerikaanse ministerie van buitenlandse zaken gezien als iemand die oproept tot geweld, tot terreur. Ramadan geeft zelf geld aan een terreurorganisatie, hij heeft zelf contacten hierover met Ayman Al-Zawahiri, de nummer 2 van Al Qaida. Ramadan vindt dat de joden de media controleren en hij ziet uit naar de vernietiging van de staat Israël. Het vermoorden van jongetjes van acht jaar vindt hij geen probleem, natuurlijk mits het joodse jongetjes zijn. Academische vrijheid is een groot goed en als Leiden, onze oudste universiteit, vindt dat de aanstelling van zo'n persoon een bijdrage aan de wetenschap vormt, dan zou ik zeggen dat een intellectueel klimaat geen garantie is dat waanzin niet voorkomt. Ik verneem graag wat de minister vindt van de benoeming van Tariq Ramadan als hoogleraar in Nederland. En wat vindt hij ervan dat een ondemocratisch land als Oman nu als sponsor van extremisten optreedt, dat het een islamo-fascistische dictatuur wordt toegestaan, de toon te zetten op onze universiteiten?" 2007-11-28;Vogelaar;03156;"";h-tk-20072008-2270-2303.1.2.113;"Wonen, Wijken en Integratie ";3825;4;"Daar zal ik mijn best voor doen. De sociale en de culturele afstand die deze groepen burgers in de samenleving scheidt, moet de komende jaren worden overbrugd. Daarvoor is nodig dat allochtonen zich inspannen om echt mee te doen, te participeren in de samenleving. Het is evenzeer nodig dat autochtonen hen daartoe de kans bieden. Met zijn integratiebeleid wil het kabinet nieuwe Nederlanders aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid en worden zij ondersteund bij het verkleinen van hun maatschappelijke achterstand, daar waar dat nodig is. Dat begint bij inburgering, het bevorderen van betere schoolprestaties, meer werk en stageplaatsen en een prettige leefomgeving. Maar er is meer voor nodig. Wij moeten niet alleen kansen bieden en stimuleren, maar ook grenzen trekken waar dat nodig is, door crimineel straatgedrag van jongeren duidelijk aan te pakken, maar ook neen te zeggen tegen verdergaande polarisering, radicalisering en haatdragendheid jegens minderheden van allerlei aard, of dat nu homo's, moslims, joden, draagsters van hoofddoeken of wie dan ook zijn. Ik heb op 13ENTITY-#160november jongstleden mijn integratienota aan deze Kamer aangeboden. De titel daarvan is \"Zorg dat je erbij hoort!\". Dat geeft in een notendop weer hoe ik tegen integratie aankijk. Er zit in besloten dat integratie niet alleen een zaak is van de overheid. Het is een oproep aan zowel allochtone als autochtone burgers om te investeren in hun toekomst in dit land. Beide groepen moeten niet met hun rug naar de samenleving gaan staan, maar meedoen en ervoor zorgen dat ze erbij horen. Integratie kan in mijn ogen alleen tot stand komen wanneer allochtonen en autochtonen de Nederlandse samenleving zien als hun samenleving en wanneer een voldoende groot aantal van hen daadwerkelijk bereid is daar een bijdrage aan te leveren. Ik dank mevrouw Van Toorenburg van het CDA voor haar inbreng op dit punt, omdat die heel erg aansluit bij wat ik zojuist heb verwoord. De bijdrage van de heer Kamp kwalificeer ik op veel punten ook als heel constructief. In mijn ogen zoekt ook hij de balans tussen wat wij vragen van autochtonen en allochtonen.Vogelaar In mijn benadering van het integratievraagstuk sta ik nu stil bij een aantal sleutelwoorden. Het eerste sleutelwoord betreft veiligheid. Wij moeten ervoor zorgen dat mensen veiligheid ervaren. Criminaliteit, discriminatie en armoede zijn zaken die vaak het leefklimaat van heel veel mensen verpesten. Of het nu gaat om jongeren die van Marokkaanse afkomst zijn en in Amsterdam-West auto's in brand steken, of om een Liberiaans gezin dat wordt weggepest door autochtone jongeren, tegen beide situaties moeten politie en justitie duidelijk optreden. Een tweede sleutelwoord wordt gevormd door de grondrechten, een bottom line die wat mij betreft niet ter discussie kan staan. Daarbij gaat het om verworvenheden die wij koesteren en waarvoor veel mensen juist naar ons land zijn gekomen, namelijk democratie, vrijheid van godsdienst en vereniging, vrijheid van meningsuiting en gelijke behandeling van alle burgers, ongeacht hun overtuiging, kleur, sekse, of seksuele geaardheid. Ik onderstreep dat deze vrijheden zijn vastgelegd als ononderhandelbare rechten en plichten en moeten worden gezien als belangrijke waarborgen voor een veilige toekomst van onze samenleving. Tegen mensen die wetten overtreden, waarin onze vrijheden zijn verankerd, zal met grote strengheid door dit kabinet worden opgetreden. Integratie betekent dus ook leven met de grondrechten die voor alle burgers gelijk zijn. Zo betekent vrijheid van godsdienst niet alleen de vrijheid om je eigen geloof te beleven, maar ook de verplichting om anderen de ruimte te geven hun godsdienstige overtuiging te beleven. Ook geloofsafval en het niet geloof moeten worden geaccepteerd als bestaande verschijnselen in deze samenleving." 2007-12-12;Bosma;03127;PVV;h-tk-20072008-2688-2708.1.4.11;"Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ";5433;5;"Mijn partij heeft geen enkel bezwaar tegen alles wat modern is. Volgens mij is iedereen voorstander van het goed inzetten van mensen. Het lijkt mij dat de heer Van Dijk mij vraagt om een open deur in te trappen. Voorzitter. Minstens zo belangrijk is kwaliteit. Dat hangt samen met bevoegdheden. Wij zien dat een kwart van de leraren in het voortgezet onderwijs in Den Haag onbevoegd is. In heel Nederland is 14% wel bevoegd, maar dan in een ander vak. In het voortgezet onderwijs wordt 6% van de lessen gegeven door onbevoegden. Juist in de grote steden is dat schering en inslag. Wat gaat de minister hieraan doen? Ik zou zeggen: meten is weten. Het allerbelangrijkste is dat wij in ieder geval weten hoe groot het probleem is. Jammer genoeg houdt de onderwijsinspectie dit probleem niet meer bij. Nu kunnen wij er nog over praten aan de hand van cijfers, maar die hebben wij straks niet meer. Is het niet van topbelang om ervoor te zorgen dat de inspectie bijhoudt hoeveel onbevoegde leraren wij in Nederland voor de klas hebben staan? Een ander punt betreft de veiligheid. IRISvo heeft gemeld dat het messenbezit op scholen voor het voortgezet onderwijs in één jaar tijd met 20% is toegenomen. De onderwijsbond AOB meldt dat 26% van de leraren wel eens wordt uitgescholden; klappen of trappen worden gezien als een aanvaardbaar beroepsrisico. Mevrouw Kervezee, indertijd inspecteur-generaal van de onderwijsinspectie, meldt dat vier van de tien directeuren in grote steden de veiligheid van het personeel en leerlingen niet meer kunnen garanderen. Er gebeurt heel veel op het gebied van veiligheid. Mijn partij heeft hiervoor een meldingspunt opgericht en kreeg binnen enkele dagen 250 aanmeldingen. De Landelijke StichtingTegenZinloosGeweld komt met het schokkende cijfer dat gemiddeld één leerling per klas een wapen bij zich heeft. Dit is heel erg. Jammer genoeg komt het kabinet niet echt met maatregelen, behalve met wat flauwe acties: stickertjes met \"Loop jij wapenvrij?\" en posters met \"Durf jij je wapen thuis te laten?\" Ik probeer een jongen in Amsterdam te helpen die door een Antilliaanse bende die zich \"The Bloods\" noemt – geïnspireerd door de Los Angelesbende – van school is geschopt. Die laten zich echt niet van de wijs brengen door een stickertje waarop staat \"Loop jij wapenvrij?\" Binnenkort komen wij hier met de staatssecretaris over te spreken en dan zullen wij een aantal maatregelen voorstellen. Dit probleem is echt heel erg, want het verziekt de sfeer op heel veel scholen. Wat de sfeer ook verziekt, is de zwijgcultuur die er nu heerst. Die gaat twee kanten op. Ten eerste binnen de lerarenkamer. Je wilt niet te boek staan als een leraar die geen orde kan houden en helemaal niet als een leraar die bedreigd wordt, want dan geef je eigenlijk toe dat je je vak niet goed beheerst. Ten tweede bestaat er een zwijgplicht van directeuren, die dat soort incidenten eigenlijk moeten doorgeven aan de politie en die dat niet doen. Ook hier geldt dat geen maatregelen genomen kunnen worden als niet bekend is hoe erg een probleem is. Ik wil iets meer zeggen over \"meten is weten\". Het is goed dat het onderwijs veel meer autonoom is geworden. Wij kennen de lumpsumregeling. Het is goed dat wijlen Zoetermeer niet meer met de kreten komt die het onderwijs tot in detail\"micromanagen\". Maar wij moeten wel weten wat de output is van het onderwijs. Dat doen wij door veel strakker te examineren en veel strakker eindtoetsen te verplichten. Wat de PVV-fractie betreft, gebeurt dit al op de basisschool. Een verplichte eindtoets is een heel goed idee. Wij hebben nu de Citotoets, maar die wordt alleen op basis van vrijwilligheid uitgevoerd. In Amsterdam doet 20% van de scholen al niet meer mee aan deze toets. In het voortgezet onderwijs hebben wij niet alleen een centraal schriftelijk eindexamen, maar ook een schoolonderzoek. Uit de uitvoerige berichtgeving van de laatste tijd blijkt dat het schoolonderzoek heel zwaar telt en daardoor inflatie van het eindcijfer teweegbrengt. Wat de PVV-fractie betreft, wordt de waarde van het schoolonderzoek dramatisch naar beneden bijgesteld en telt het niet meer voor 50%, maar voor 25% mee in het eindcijfer. Ik moet mijn betoog inkorten tot een lijst van \"greatest hits\". Idealisme is heel mooi, maar het moet wel gedragen worden door daden. Consistentie en consequentie zijn hierbij heel belangrijk. Nederland wordt geregeerd door een multiculturele elite die ons volk veroordeelt tot massa-immigratie en islamisering. Overal in onze straten kunnen wij zien wat dit betekent: hoofddoekjes, heimweeschotels, gestegen criminaliteit, overlast, uitkeringsafhankelijkheid, et cetera. Ook het onderwijs betaalt hier een prijs voor. Wij zien dat heel veel immigranten met een slechte vooropleiding terechtkomen in het onderwijs. Er zijn veel analfabeten uit het Rifgebergte en Anatolië. Ook is sprake van enorme taalachterstanden. Mensen praten thuis alleen Turks of Berbers. Nederlandse normen en waarden worden soms niet gedeeld. Tal van anekdotes gaan de ronde. Zo doet men de holocaust af met: ach, het zijn maar joden. Over Amerikanen worden schunnige opmerkingen gemaakt, zoals blijkt uit de volgende kop uit NRC Handelsblad: \"Juf, ze moeten Bush vermoorden\". Gezag van vrouwen wordt niet erkend. Kinderen van elf jaar maken opmerkingen als: ik snijd je keel open, ik maak je dood. Dat is de realiteit van het onderwijs in Nederland in de multiculturele samenleving." 2008-01-30;Hirsch Ballin;02963;"";h-tk-20072008-3505-3536.1.11.65;"Verklaring van verbondenheid ";2702;3;"Ik heb net gezegd dat er bij ernstige levensdelicten in mijn ogen geen enkele reden is om de geboren Nederlander met geen ander staatsburgerschap niet even streng en scherp aan te pakken als de Nederlander met twee staatsburgerschappen. In de zeer bijzondere situatie van staatsondermijnende activiteiten is er onder omstandigheden een verdergaande mogelijkheid. In de brief die ik de Kamer heb gestuurd, heb ik voorgesteld om op dat punt datgene te doen wat maximaal verdragsrechtelijk toelaatbaar is. Als de heer Fritsma zou zeggen dat ik dat maar niet moet doen, omdat dit ongelijke behandeling betekent, dan moeten wij daar morgen over spreken. Er is geen enkele ruimte om op dit punt verder te gaan. Ik hecht eraan om duidelijk te maken dat wij bij zeer ernstige delicten zonder aanzien des persoons handhavend zullen optreden. De heer Fritsma heeft het gevaar van schijnerkenningen genoemd van kinderen onder de zeven jaar. Ik ben op de leeftijdsgrens al ingegaan naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Pechtold. Zoals de heer Pechtold terecht opmerkte, is dit geen probleem bij jonge kinderen die de leeftijd van zeven jaar nog niet hebben bereikt. Mijn doelstelling is om met dit wetsvoorstel een aantal zeer onpraktische en voor de betrokkenen onaangename consequenties van de te ver gaande wetswijziging van 2003 te corrigeren. De heer Dijsselbloem heeft gevraagd of er geen ruimte moet zijn voor individuele inkleuring van de manier waarop de eed wordt afgelegd. Die vraag is vaker gesteld ten aanzien van eden en beloften in het algemeen. Er zijn ook rechtszaken over geweest, bijvoorbeeld toen een benoemd lid van de provinciale staten van Noord-Holland een individuele variant wilde op de eed. De lijn van de wetgeving en van de rechtspraak is tot op heden dat wij het moeten doen met twee standaardteksten en geen eindeloze variëteit en creativiteit moeten toelaten. De verklaring \"Zo waarlijk helpe mij God Almachtig\" wordt in ieder geval door het overgrote deel van de in Nederland aanwezige godsdienstige overtuigingen (joden, christenen, moslims, hindoes) als een bruikbare formule voor de religieuze bevestiging gezien. Degenen die om welke reden dan ook die verklaring niet wensen te gebruiken, hebben als neutrale optie het \"Dat verklaar en beloof ik\". Onder hen zijn ook mensen die wel degelijk godsdienstig zijn, maar bezwaren hebben tegen hetzij deze redactie, hetzij het religieuze element in de eedsformule. Wij hebben met die twee opties tot nu toe goed kunnen leven. Ik zie geen aanleiding om daarin variatie aan te brengen. Andere, eventueel aanvullende vormen van symboliek behoren tot de inrichting van de ceremonie. Daarover behoeven wij niet hier te beslissen." 2008-04-01;Rutte;02396;VVD;h-tk-20072008-4880-4921.1.9.137;"Fitna ";731;1;"Voorzitter, stel dat de heer Wilders minister-president is en te maken krijgt met een politicus die een film wil uitbrengen. Het gaat om een politicus die in de afgelopen jaren uitspraken gedaan heeft als \"de Koran is een fascistisch boek\", \"Mohammed is een duivel, een barbaar, een perverse man\", \"het was toen Hitler, het is nu Mohammed\", \"de islam is een achterlijke cultuur\", \"geen moslim meer toelaten\", \"liever geen moslims in het kabinet\" en \"met Aboutaleb en Albayrak zijn de Marokkaanse en de Turkse overheid in het hart van het Nederlandse machtscentrum geïnfiltreerd\". Nu gaat zo'n politicus een film maken en hij spreekt vervolgens van \"de barbaar Mohammed\" en \"de fascistische Koran\". Wat zou de heer Wilders dan doen?" 2008-04-01;Slob;01639;ChristenUnie;h-tk-20072008-4924-4937.1.6.1;"Fitna ";4265;4;"Voorzitter. Er was vooraf enige scepsis over het nut en de noodzaak van dit debat. Ik denk dat wij nu kunnen stellen dat het goed is dat wij dit debat gevoerd hebben. Ik vond het zelf een belangrijk debat. Ten diepste raakt het de grondvesten van de samenleving, waar wij met elkaar voor staan. Het gaat ook over vragen die de Nederlandse samenleving al eeuwenlang heeft beziggehouden. Met zijn wijze van opereren heeft collega Wilders het debat daarover weer op scherp gezet. Dat mag, al ben ik wel duidelijk geweest over de wijze waarop hij dat heeft gedaan, ook in mijn beoordeling van de film. Ik heb zojuist in de interruptie ook tegenover het kabinet en de Kamer gesteld dat ik geen Salomo ben in de discussie over wat er nu wel of niet allemaal uitgewisseld is tussen de heer Wilders en kabinetsleden of anderen die namens het kabinet met hem gesproken hebben. Als ik de verslagen lees, kan ik mij wel voorstellen, als dat de informatie is die het kabinet heeft gehad, dat het kabinet ook echt alles heeft gedaan wat in zijn vermogen lag en tot zijn verantwoordelijkheden behoorde om te voorkomen dat dit soort zaken zou escaleren. Zoals ik in eerste termijn heb gezegd, was voor mij de kern van dit debat de vraag op welke wijze het ons als Nederlandse samenleving lukt om ondanks alle verscheidenheid, al dan niet religieus bepaald, te functioneren als een nationale gemeenschap. De antwoorden die collega Wilders daarop heeft gegeven, ook in dit debat, zijn niet de antwoorden van de fractie van de ChristenUnie. Laat er geen misverstand over bestaan: wij moeten niet naïef zijn als het gaat om grote misverstanden en gruwelijkheden die in naam van de islam zijn of worden gepleegd. Ook mijn hart huilt als ik zie wat er in totalitaire regimes gebeurt, waar gelovige christenen maar ook joden en moslims – ik heb er een voorbeeld van gegeven – gebukt gaan onder onderdrukking. Dat willen wij daar niet en dat willen wij inderdaad evenmin hier in Nederland. Mede daarom zullen wij pal moeten staan voor onze democratische rechtstaat. Maar, zo zeg ik ook tegen collega Wilders, het verdedigen van die rechtstaat kan nooit gebeuren door middel van het aantasten van die rechtstaat zelf. Dat doet de heer Wilders als hij circa één miljoen Nederlanders democratische rechten ontzegt, zelfs in de Grondwet verankerde vrijheden als de vrijheid van meningsuiting maar ook de vrijheid van godsdienst, die zo onlosmakelijk verbonden zijn met de geschiedenis van ons land en onze identiteit. Ik voel mij in dat opzicht, ook politiek gezien, meer thuis bij de stamvader van het Huis van Oranje-Nassau, Willem van Oranje, die in het jaar 1564 zei: \"Ik kan niet goedkeuren dat vorsten over het geweten van hun onderdanen willen heersen en hen de vrijheid van geloof en godsdienst ontnemen.\" Is dat altijd gemakkelijk? Nee, dat was het niet in die tijd, dat is het in de eeuwen daarna niet geweest en dat is het nu ook niet. Ik zeg dat ook als christen tegen medegelovigen die zich grote zorgen maken over de islam en de gevolgen daarvan. De heer Wilders heeft daar ook over gespeculeerd. De bijbel leert mij niet uit angst te leven, maar uit liefde anderen te benaderen en met hen om te gaan, wie zij ook zijn en wat hun overtuiging ook is. Is dat gemakkelijk? Nogmaals, dat is het niet. De Amerikaanse historicus James Kennedy heeft het in 2005 in een lezing heel mooi gezegd; zoals sommigen hier weten woont en werkt hij in Nederland. Ik maak me zijn woorden eigen en ik wil er ook mee eindigen: \"Het leven met verschillen is hard werken en het is nooit af, zowel voor nieuwkomers als voor oudgedienden, religieus of niet-religieus. Het Koninkrijk der Nederlanden heeft een rijke geschiedenis waaruit veel lering getrokken kan worden over het omgaan met religieuze verschillen. Een krachtige erfenis in onzekere tijden. Laten wij ernaar streven om meer te doen dan alleen de boel bij elkaar houden, maar ook ons steentje bijdragen aan een wereld waarin mensen zich mogen ontplooien en in vrede met elkaar kunnen samenleven. Laten wij daarom proberen ons te blijven inzetten, niet alleen om te zorgen voor de leden van onze eigen religieuze gemeenschap, hoe belangrijk dat ook is, maar ook om anderen die door God rondom ons zijn geplaatst, te eren en te doen dienen.\"" 2008-04-01;Hirsch Ballin;02963;"";h-tk-20072008-4880-4921.1.13.1;"Fitna ";4262;5;"Voorzitter. In aansluiting op wat de minister-president heeft gezegd, zal ik graag een enkel punt aansnijden dat de juridische context betreft. Laat ik beginnen met een punt dat even aan de orde kwam, namelijk of er civielrechtelijke stappen zijn overwogen. Welnu, wij hebben alle mogelijkheden bezien. Wij hebben vrijheid van meningsuiting en wij hebben een censuurverbod, dat is vastgelegd in de Grondwet. Wij hebben wat zulke mogelijkheden betreft, ook bezien wat er zou kunnen worden gedaan in verband met dreigende schade. De doorslag heeft gegeven dat er geen aanknopingspunten waren die zo sterk waren dat wij ons in een discussie hebben willen begeven over wat wij mochten aannemen over de film en wat dat zou betekenen. Dat betekent echter niet dat wij niets mochten aannemen over de film. De minister-president heeft daar al op geduid en ik kom daar straks op terug. Daarbij is ook de vraag aan de orde wat strafrechtelijk kan worden gedaan en wat wij daarover hebben ingeschat vooraf. Ik heb, zoals u weet, mededeling gedaan van het onderzoek dat nu door het OM wordt ingesteld. Dat is uiteraard wat er moet worden gedaan, er zijn aangiften gedaan. Ik zou daarbij willen aantekenen, zonder op enigerlei wijze vooruit te lopen op de conclusies waartoe moet worden gekomen, dat het strafrecht niet de enige norm is waarnaar wij ons moeten richten. Dat heeft, wat mijn aandeel in het besluitvormingsproces betreft, steeds in nauwe afstemming met mijn collega van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en mijn collega van Buitenlandse Zaken ook de doorslag gegeven. Vrijheid en verantwoordelijkheid kunnen niet zonder elkaar bestaan, dat is waar de rechtstaat op is gericht. Dat was en is voor mij en voor mijn collega's maatgevend voor wat wij hier hebben gedaan. Dat is het ijkpunt van ons beleid en dat reikt verder dan mogelijk strafrechtelijk optreden. De film van de heer Wilders wekt de indruk dat de islam, de moslims onder onze medeburgers verantwoordelijk zijn voor geweld en criminaliteit en voor de gruwelijkheden die hij in vertoning heeft gebracht. Die voorstelling van zaken is vals en wakkert angst aan. Het overgrote deel van de moslims in ons land en daarbuiten verwerpt geweld. Wie dat niet ziet en niet wil zeggen, lost geen problemen op, maar veroorzaakt ze. Dat splijt de samenleving, dat drijft een wig in de samenleving tussen mensen van goede wil, moslims en christenen, joden, humanisten en andersdenkenden. In die geest heb ik ook als minister die verantwoordelijk is voor de relaties met de kerkgenootschappen en genootschappen op geestelijke grondslag, samen met mijn collega mevrouw Vogelaar, de gesprekken gevoerd. Een eerste gesprek vond al plaats lang voordat de film werd uitgebracht, maar op het moment dat de discussie in ons land speelde. Een gesprek vond plaats vorige week vrijdag, na het uitbrengen van de film. Wij hebben in die gesprekken met de toonaangevende geestelijke leiders van de verschillende godsdienstige en levensbeschouwelijke gemeenschappen die ons land rijk is, ervaren dat zij achter ons staan. Wat nog belangrijker is, dat zij achter deze fundamentele waarden van de rechtstaat staan. Dat zijn film problemen ging oproepen, besefte de heer Wilders heel goed. In oktober 2007 nam hij zelf het initiatief om zijn filmische plannen te bespreken met de Nationale Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb). Hij gaf daarbij aan dat hij wel begreep dat wij ons ook op mogelijke risico's moesten voorbereiden. Hij zei zelf: dan heb ik jullie gewaarschuwd. Dat er geen reden was voorafgaand aan het uitbrengen van zijn film ons zorgen te maken, zoals de heer Wilders ook zo-even in het debat zei, is gewoon niet waar. Nadat de NCTb met Wilders' instemming collega Ter Horst en mij had geïnformeerd, hoorden wij van hem welk scenario hij in gedachten had. Dat was geen definitief scenario, maar wat hij zei was genoeg om ons duidelijk te maken dat er wel degelijk reden was om ons zorgen te maken. Dat, anders gezegd, de waarschuwing, die van de heer Wilders zelf kwam, niet overbodig was. Dienovereenkomstig hebben wij gehandeld. Het gesprek op 7ENTITY-#160november gaf ons bepaald niet het gevoel dat de waarschuwing overbodig was en dat hij aangaf nog verder te denken over het scenario, maakte dat niet beter." 2008-04-01;Rutte;02396;VVD;h-tk-20072008-4880-4921.1.12.52;"Fitna ";826;1;"Ik zou de heer Wilders willen vragen om bij zichzelf het een en ander na te gaan. Hij heeft toch gezegd dat de Koran moet worden leeggescheurd door een Donald Duck? Hij heeft toch gezegd dat de Koran een fascistisch boek is? Hij heeft het toch gehad over: toen Hitler, nu Mohammed? Die dingen heeft hij toch gezegd en dat heeft de regering toch mee te wegen bij het voorbereiden van een reactie? Dat is toch onvermijdelijk, mijnheer Wilders? U loopt ervoor weg en doet net alsof er niets anders is gebeurd dan dat u een film hebt aangekondigd die ook had kunnen gaan over het paringsgedrag van kolibri's. Wij gingen er echter allemaal vanuit dat die film over de islam zou gaan, en dan in de context van alle eerdere uitspraken die u hebt gedaan. Het is toch alleen maar logisch en terecht dat daarmee rekening wordt gehouden?" 2008-04-01;Balkenende;02207;"";h-tk-20072008-4880-4921.1.12.39;"Fitna ";2653;5;"Ik zal kijken wat ik in tweede termijn kan doen. De heer Wilders heeft over de landsadvocaat gesproken. Daarop gaat de minister van Justitie in. De heer Van der Vlies sprak over de president van Iran. Die heeft opmerkingen gemaakt die inderdaad niet deugen, zo zeg ik tegen hem. Het gaat om beledigende uitspraken over joden en christenen. Het mag duidelijk zijn dat het kabinet daarover hetzelfde standpunt inneemt. Het kabinet wijst het beledigen en kwetsen van aanhangers af. In Nederland staat de gang naar de rechter daarvoor open. Uitspraken vanuit Iran over vernietiging van de staat Israël of het verdrijven van de bevolking aldaar worden door het kabinet ten stelligste verworpen. Dat wordt ook steeds in internationaal verband uitgedragen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft vandaag schriftelijk antwoord gegeven op de vraag van de heer Van der Staaij over haatzaaiende en antisemitische cartoons. De heer Slob heeft gevraagd hoe het kabinet de situatie na de uitzending van de film taxeert, ook op het punt van de internationale contacten die er in de afgelopen dagen zijn geweest. De reacties in het binnenland zijn rustig en beheerst. Ik betuig hierbij nogmaals mijn erkentelijkheid aan de vertegenwoordigers van moslimorganisaties in Nederland. Zij hebben een constructieve rol vervuld. Er hebben een paar kleine incidenten plaatsgevonden maar de openbare orde is niet in gevaar gekomen. In het buitenland is het beeld gemengd. Ik heb afgelopen vrijdag na het uitbrengen van de internetfilm contacten gehad met premier Janša, Commissievoorzitter Barroso, premier Rasmussen en anderen. Zij delen de afkeer van de film en hebben goede verklaringen gegeven van steun en solidariteit. In landen met een grote moslimbevolking houdt de film de gemoederen bezig. Er is scherpe kritiek geuit; geestelijk leiders veroordelen de film. Er zijn veel oproepen gedaan tot juridische actie door de overheid. Ik maak graag een onderscheid tussen de officiële reacties en de emoties bij de bevolking. Het is bemoedigend dat in sommige landen de regering matigend optreedt. De minister van Buitenlandse Zaken heeft afgelopen maandag de ambassadeurs van de landen met een grote moslimbevolking ontvangen. Daarbij is zorg over de film geuit en waardering voor het optreden van de regering. De ambassades, de minister van Buitenlandse Zaken en ikzelf benadrukken in onze contacten dat de film niet voor Nederland spreekt. De boodschap komt duidelijk over, maar het is te vroeg om nu al conclusies te trekken over het beeld in het buitenland. Het verleden heeft aangetoond dat er een langdurig gistingsproces kan optreden. Alertheid blijft daarom geboden." 2008-04-01;Balkenende;02207;"";h-tk-20072008-4880-4921.1.12.7;"Fitna ";3787;7;"Ik wil nog een paar algemene opmerkingen maken. Daarna ga ik in op de vragen van de heer Van Geel. Hij gaat precies in op de vraag waarom het zo is gekomen, waarom ik deze woorden heb gebruikt en wat daarachter zat. Als de heer Rutte het goed vindt, zou ik het op deze manier willen doen. Ik wil hier graag, in dit debat, mijn grote waardering uitspreken voor het overgrote deel van de moslims in Nederland. Zij nemen in volle vrijheid hun verantwoordelijkheid. De reacties van moslimorganisaties in Nederland kenmerken zich door evenwicht, nuance en de wil tot samenwerking. Ook velen met een andere levensovertuiging kiezen voor die gezamenlijke weg. Dit maakt mij trots. Bij de reacties in het buitenland valt mij op dat in de meeste landen de boodschap goed is overgekomen dat de film niet de visie is van de Nederlandse regering of van Nederland. Tegelijk is er in een aantal landen wel maatschappelijke onrust, met demonstraties, oproepen tot boycots en in een enkel geval een oproep tot het verbreken van diplomatieke betrekkingen. Wij doen er alles aan om dit te adresseren. Ik voel mij gesterkt door de verklaringen die wij inmiddels hebben gekregen en door de solidariteit van de Europese Unie, van de Verenigde Naties, van de Raad van Europa en van individuele regeringsleiders, zoals premier Rasmussen van Denemarken. Dan kom ik bij het vraagstuk waar de heer Rutte al op wees. Dit sluit aan bij de vraag die de heer Van Geel stelde. Hij vroeg of er concrete signalen waren voor het kabinet toen het deze zorgen uitsprak. Ook vroeg hij wat het kabinet sinds de eerste signalen concreet heeft gedaan. Het kabinet werd in november vorig jaar gealarmeerd over de op handen zijnde film van de heer Wilders. Wij kenden de eerdere uitlatingen van de heer Wilders over bijvoorbeeld een verbod op de Koran, de vergelijking van de Koran met Mein Kampf van Hitler en de veronderstelde negatieve aspecten van de islam in Nederland. Dit was allemaal bekend. De heer Rutte heeft hieraan vandaag nog eens gerefereerd. Ook heeft begin november een gesprek plaatsgevonden tussen enkele bewindslieden en de heer Wilders. Daarin werd ook gesproken over het voornemen om te komen tot een film. Dat gesprek gaf aanleiding tot grote zorgen. De minister van Justitie zal hierop straks nader ingaan. Het beeld dat wij toen hadden was anders dan dat de heer Wilders zich aan de grenzen van het Nederlands recht zou houden. Ook wie destijds de media heeft gevolgd, en bijvoorbeeld een artikel in De Telegraaf heeft gelezen, weet dat er toen al speculaties waren over het eind van deze film. Nadat er dus eerst een indicatie was van de komst van een film, nadat er vervolgens een gesprek had plaatsgevonden tussen bewindslieden en de heer Wilders, ontstond er vervolgens in het buitenland de nodige commotie. Er ontstond zorg over de inhoud van deze film. Dit waren verontrustende signalen van inlichtingendiensten, van het bedrijfsleven en van ambassades. Er was een bewustzijn dat er sprake was van een mogelijk ernstige situatie. Een parlementariër die zegt een film uit te brengen over de islam, waarin de mogelijkheid niet werd uitgesloten – zie het artikel in De Telegraaf – dat de Koran zou worden verbrand of verscheurd – de heer Wilders zei dat hij er niets over zou zeggen en dat wij maar het resultaat moesten afwachten – gecombineerd met het signaal uit het buitenland, was voor ons alle reden om buitengewoon alert te zijn. Dat is ook de reden geweest dat ik – ik heb niet het woord \"crisis\" gebruikt – op 18ENTITY-#160januari letterlijk heb gezegd: \"Er zijn wel meer crisissituaties geweest, maar dit is wel een forse. Wij hebben natuurlijk in het verleden ook moeilijke dingen meegemaakt, maar dit is een zaak die vooral internationaal veel aandacht trekt. Dat maakt het wel extra gecompliceerd.\"" 2008-04-01;Marijnissen;02529;SP;h-tk-20072008-4880-4921.1.11.1;"Fitna ";6744;10;"Voorzitter. Maanden lang, om precies te zijn vier maanden, was ons land in de ban van een filmpje dat niemand kende behalve de maker. De regering, de media en de hoofdrolspeler hielden elkaar in een vaste greep. Over een paar jaar zal iedereen die terugkijkt op deze afgelopen maanden, zeggen dat dit een typisch voorbeeld was van hysterie. Wil dat zeggen dat ik de regering iets kwalijk neem? Nee. Het had wat minder gemogen en men had de woorden iets zorgvuldiger mogen kiezen, maar voor het overige was de reactie van de regering adequaat. Men moest immers rekening houden met het ergste. Er waren rellen geweest naar aanleiding van de Deense cartoons en er was gesteld dat de zogenaamde fascistische Koran en de barbaarse profeet een slag zou worden toegebracht. De Koran is voor meer dan een miljard mensen een heilig boek. Het gaat hierbij om een boek van 1400 jaar oud, heilig of niet. Het lijkt mij wat onzinnig om zo'n boek te willen bestrijden, omdat dit een beetje neerkomt op fantoombestrijding. Daarop komt het zeker neer als je het boek daarbij niet plaatst in het perspectief van tijd en plaats. Gelukkig zijn de meeste moslims verstandiger en interpreteren zij de Koran naar zijn bedoelingen. Zij zien de Koran als een inspiratiebron. Wij stuiten hierbij op een opmerkelijke overeenkomst tussen enerzijds de zienswijze die tentoon wordt gesteld in de Fitna-video, en anderzijds het gedachtegoed van islamitische fundamentalisten en extremisten. Beide nemen de Koran letterlijk. Dat is erg onverstandig. Extremistische opvattingen zonder enige relativering of nuance leiden onvermijdelijk tot excessen. Of het woord nu religieus of politiek is geïnspireerd – de heer Van der Vlies heeft hierbij gelijk – het kan een rechtvaardiging opleveren voor kleinschalige en grootschalige wandaden. Toevallig is er juist deze week een boek uitgekomen over het ontstaan van Israël en over de etnische zuiveringen die daar toen hebben plaatsgevonden. Ik wil tegen iedereen zeggen die beweert dat het de Koran, en de Koran alleen is, zeggen: ga eens praten met de kolonisten op de Westelijke Jordaanoever. Ga eens praten met de orthodoxe joden daar en merk daarbij op hoe zij spreken over de gebiedsuitbreiding na 1969, waarbij de Gazastrook ook nog even werd geannexeerd. Laten wij verder Noord-Ierland noemen. Wat is daar gebeurd met het geloof als ankerplaats, zowel voor protestanten als katholieken? Daarom is het beter de ideologische strijd door het debat hard en vastberaden te voeren, voordat niet de woorden, maar uiteindelijk de wapenen gaan spreken. Altijd en overal is er sprake van tegenstelling onder de mensen waar het gaat om vooruitstrevendheid versus behoudzucht. De tegenstelling tussen de moderniteit en zij die er een ander waarden- en normenpatroon op nahouden, is iets van alle tijden. Onze vooruitgang heeft ons in ieder geval gebracht: de emancipatie van het individu, democratie, vrijheid van meningsuiting en de bescherming van de belangen van het individu tegen willekeur in de vorm van een rechtsstaat. Er is niemand, letterlijk niemand in staat om deze verworvenheden af te nemen, zeg ik tegen de heer Wilders. Ruim 60 jaar geleden is de laatste massieve aanval hierop afgeslagen en wat mijn partij betreft definitief, als wij het tenminste willen. Onder die vrijheden valt ook de vrijheid van godsdienst. Het geweten is immers vrij. Men mag geloven wat men wil. Of iemands religieuze opvatting verstandig is, is niet aan mij in de hoedanigheid van politicus om te beoordelen, maar wat niet kan, is geloven dat je geloof een rechtvaardiging of zelfs verplichting levert voor het overtreden van de wet. Waar Fitna de plank misslaat, is op het punt van de suggestie dat de excessen in islamitische landen morgen realiteit zouden kunnen worden in ons land. Voor die paranoïde veronderstelling is geen cijfermatig, noch enig ander bewijs voorhanden. Bestaat hier dan geen eerwraak? Jazeker wel. Dat kunnen wij niet hard genoeg aanpakken. Worden hier geen homo's bedreigd, of erger? Jazeker wel. Ook daar moeten wij hard tegen optreden. Er zijn nog veel meer voorbeelden van zeer ongewenst, asociaal en crimineel gedrag dat allemaal moet worden bestreden. Dat doen wij niet door middel van generalisaties en versimpeling. Wij doen dat niet door de zorgvuldigheid van een juiste analyse in te ruilen voor demagogie tegen één bevolkingsgroep. Discriminatie, het maken van ongeoorloofd onderscheid is bij wet verboden. Je kunt niet de moderniteit beschermen door haar kroonjuwelen, de vrijheid en de gelijkheid voor de wet, op te offeren. Mensen maken zich zorgen. Terecht. De integratie verloopt op sommige plaatsen erg moeizaam. In sommige wijken is veel onaangepast gedrag. Culturele verschillen leiden tot spanningen. Mensen hebben hun wijk zien veranderen en niet op een manier die zij toejuichen. Mensen zijn bang, omdat ze vanzelfsprekendheden zien wegvallen in de omgang met elkaar, maar ook als het gaat om rechten en plichten. Sommige mensen hebben het gevoel dat zij keer op keer op keer examen moeten doen om echt geaccepteerd te worden door de samenleving. Het is goedkoop en kwaadaardig om de angsten van mensen te willen vergroten en net te doen alsof hier morgen de sharia van kracht wordt. Dat is namelijk niet het geval. Angst is ook in dezen een zeer slechte raadgever. Laten wij ons hoofd vooral koel houden en angsten wegnemen. Hoe, is dan de terechte vraag. Door te zeggen waar het op staat tegen degenen die denken de vrijheid en de rechtsstaat te kunnen misbruiken om die te ondermijnen. En door de reële problemen in de volkswijken en daarbuiten nu eens echt aan te pakken. Wij waren veel verder geweest met de emancipatie, participatie en integratie van migranten wanneer de segregatie vanaf het begin was bestreden en er dus geen witten en zwarte wijken en scholen in Nederland waren ontstaan. Wat zeker niet zal helpen, is een oorlogsverklaring aan een geloof en de gelovigen van dat geloof, omdat ze zogenaamd op de vernietiging van de westerse samenleving uit zouden zijn. Het is de stellige overtuiging van mij en mijn fractie dat de tijd naderbij komt dat iedereen zonder uitzondering stelling zal moeten nemen, over de vrijheid van meningsuiting, over de vrijheid om te geloven wat je wilt, en over de gelijkberechtiging van man en vrouw. Ook zal iedereen stelling moeten nemen in de discussie over de misdadige oproepen en praktijken van extremisten. Laat iedereen dat doen, in gesprekken en in debatten, op straat en in de kantine. De open democratische samenleving verdient actief burgerschap, neen, kan niet zonder actief burgerschap. Geen angst, maar zelfvertrouwen en hoop, want de verlokkingen van de vrijheden verbonden aan de moderniteit zullen uiteindelijk iedereen overtuigen." 2008-04-01;Slob;01639;ChristenUnie;h-tk-20072008-4880-4921.1.4.5;"Fitna ";3853;5;"Van die suggestie zou ik dan afstand willen nemen. Ik heb door aan de ene kant het voorbeeld te geven van misbruik van een religie en aan de andere kant van misbruik van een ideologie, namelijk die van de libertijnen, juist willen aangeven dat het breed voorkomt. In die zin heeft u gelijk, het kan overal voorkomen dat mensen die zich misdragen, hun overtuiging, al dan niet religieus bepaald, misbruiken ter legitimatie van geweld. Dat moeten wij afkeuren. Ik heb zojuist ook aangegeven dat hiermee geen recht gedaan wordt aan de betrokkenen, in dit geval moslims, maar het kan natuurlijk ook om een andere overtuiging gaan, die juist afstand van het geweld hebben genomen, ook in ons land. Daarom noemde ik de Marokkaan Habib Hashmi als voorbeeld. Als portrettist van de islam schiet filmmaker Wilders stuitend tekort. Fitna is politieke propaganda van een schadelijke soort en de suggestieve afsluiting \"binnenkort in Nederland\" is even provocatief als misleidend. Er wordt ook geen enkele handreiking mee gedaan aan moslims om hen aan onze samenleving te binden. Juist daarom trof het mij hoe weloverwogen de reacties waren van veel Nederlandse moslims en van de organisaties die hen vertegenwoordigen. Zij hebben zich niet of nauwelijks laten provoceren, dat is een compliment waard. Het is onze opdracht om, zonder achteloos voorbij te gaan aan de radicale en gewelddadige gestalte van de islam, de moslims in Nederland blijvend bij onze samenleving te betrekken. Wij moeten hen niet uitsluiten, niet onnodig van ons verwijderen, maar binnensluiten. Wij moeten hun duidelijk maken dat er binnen de kaders van onze democratische rechtsstaat – en daar kan niet over onderhandeld worden – ook voor hen ruimte is om hun leven in te richten zoals zij dat willen, met inbegrip van hun religie. En dit geldt ook voor de kleinzoon van Habib Hashmi uit Amsterdam-Slotervaart over wie, zo bleek in Trouw, zoveel zorgen zijn. Het laatste wat wij zouden moeten laten gebeuren, is dat jongeren zoals hij verder radicaliseren, zich verder vervreemden van onze Nederlandse samenleving, ondanks dat zij hier geboren en getogen zijn. Mijn fractie betreurt het dat Fitna geen begin van een oplossing biedt voor de problemen met integratie. In de verklaring van de minister-president lezen wij dat de Nederlandse regering staat voor een samenleving waarin vrijheid en respect hand in hand gaan. Er wordt ook gesproken van het slaan van bruggen, het werken aan vertrouwen en het overwinnen van vooroordelen. Deze woorden sluiten ook goed aan bij de stevige paragraaf over integratie in het coalitieprogramma: een deltaplan inburgering, het wegwerken van taalachterstanden, het streven naar arbeidsparticipatie, maar ook naar maatschappelijke participatie, een handvest voor verantwoord burgerschap, het tegengaan van discriminatie en noem maar op. Dat zijn zaken waarin wij onze energie moeten steken. De échte Fitna voor de Nederlandse samenleving is of het ons lukt om ondanks alle verscheidenheid, al dan niet religieus bepaald, te functioneren als een nationale gemeenschap. Wij zoeken sjalom, vrede, voor de stad, sjalom voor het land, sjalom voor de wereld. Dat mag ook tot uitdrukking komen in internationale contacten met landen die de mensenrechten schenden en waar gelovige christenen, joden en moslims gebukt gaan onder een totalitair ideologisch regime. Sjalom, vrede, eenheid in verscheidenheid. Juist daarin lag ook in het verleden de kracht van onze natie. Dat mag het ook voor de toekomst zijn. Het is zelfs een individuele opdracht voor iedere burger, zoals het VN-verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten treffend verwoordt, \"uit hoofde van de plichten die eenieder heeft tegenover anderen en tegenover de gemeenschap waartoe hij behoort\". Ik wens iedere burger van dit land toe dat hij of zij zich van deze verantwoordelijkheid bewust is." 2008-04-01;Marijnissen;02529;SP;h-tk-20072008-4880-4921.1.9.70;"Fitna ";1205;1;"Nog lang voordat de PVV het licht zag was de SP tegen witte en zwarte scholen. De VVD, de toenmalige partij van de heer Wilders, was het hiermee absoluut niet eens. Toen hadden wij nog iets kunnen doen om witte en zwarte scholen en witte en zwarte wijken tegen te gaan. Ik heb de heer Wilders destijds hierover nooit gehoord. Tegelijkertijd zien wij het gevaar van deze redenering. Niet voor niets heb ik gepreciseerd wat het woord \"discriminatie\" betekent. Dit betekent niet het maken van onderscheid. Het maken van onderscheid doen wij allemaal, de hele dag. Van belang is de morele toets; is het onderscheid geoorloofd? De heer Wilders – en dit is discriminatoir – gunt de christenen en de joden hun scholen, maar ontzegt dit voorrecht aan degenen die de islam aanhangen. Op dit punt is sprake van discriminatie; dit is ongeoorloofd onderscheid. De heer Wilders zal dit op veel meer terreinen gaan doen, als hij zijn zin krijgt om artikel 1 van de Grondwet te schrappen. Dan kan hij op alle mogelijke terreinen gaan zeggen: tot deze zaken zal iedereen die in Nederland woont toegang hebben, behalve hij of zij die de islam aanhangt. Met de heer Wilders aan het roer wordt Nederland een onleefbaar land." 2008-04-01;Pechtold;02993;D66;h-tk-20072008-4880-4921.1.9.226;"Fitna ";798;1;"Voorzitter. De heer Wilders krijgt nu profetische neigingen, want hij ziet al geschiedenis in de toekomst. Ik vraag u, mijnheer Wilders, heel serieus: uw partij is nu anderhalf jaar hier vertegenwoordigd. U spreekt nu weer over capitulatie. In uw film noemt u de Koran een fascistisch boek en trekt u een lijn met het fascisme van Hitler, met het communisme en de excessen daarvan. U hebt eerder in schriftelijke vragen gesuggereerd om als straf mensen, jongeren, met tandenborstels iets te laten schoonmaken, stadions. Enig historisch besef uit de Tweede Wereldoorlog duidt u wie dat daar moesten doen. Ik vraag u: waarom die vergelijkingen? Waar bent u mee bezig? U suggereert niet zoveel geschiedenis in de toekomst, u legt heel veel verschrikkelijke verbanden, discriminerende, in het verleden." 2008-04-01;Hamer;02221;PvdA;h-tk-20072008-4880-4921.1.3.1;"Fitna ";2696;4;"Voorzitter. Integratie doet pijn. Pijn bij de oorspronkelijke Crooswijker uit Rotterdam die het gevoel heeft dat zijn buurt is overgenomen door buitenlanders. Pijn bij de Utrechtse Turk die keihard zijn best doet om hier in Nederland een bestaan op te bouwen, maar ook op veel onbegrip stuit. En ja, ook pijn bij de Tholenaar die nog nooit een allochtoon in zijn dorp heeft gezien, maar toch het gevoel heeft dat Nederland niet meer is zoals het was. De Nederlandse samenleving heeft de afgelopen decennia grote groepen buitenlanders opgenomen. Voor een groot aantal Nederlanders is de confrontatie met andere culturen, gewoonten en vormen van geloof de ongemakkelijke realiteit van iedere dag. Ik heb van dichtbij meegemaakt hoe ingrijpend dat kan zijn. Mijn moeder heeft haar wijk, Slotervaart, binnen 20 jaar dramatisch zien veranderen. Wat eens hoopvol het nieuwe Amsterdam was, is verworden tot een achterstandswijk waar zij zich niet langer thuis voelde. De bezorgdheid over de veranderingen in de samenleving is versterkt doordat radicale moslims uit naam van de islam terroristische aanslagen hebben gepleegd. Er zijn fatwa's uitgesproken. In de Linnaeusstraat in Amsterdam-Oost is Theo van Gogh op gruwelijke wijze vermoord. Dat was allemaal rechtstreeks gericht tegen onze open, westerse samenleving, tegen alles waar wij voor staan. Tegelijkertijd zien wij dat de integratie van sommige allochtone Nederlanders langzaam verloopt. Zij kennen de Nederlandse taal onvoldoende en participeren te weinig in de Nederlandse samenleving. Daar waar sommige allochtonen zich afsluiten, zijn er ook te veel oorspronkelijke bewoners van Nederland die zich onverschillig of afkerig opstellen. Voor de PvdA is het duidelijk: wij moeten deze spiraal van angst en ongenoegen ombuigen. Dat kan alleen door een basis van weerbaarheid, gemeenschappelijk belang en solidariteit te creëren. Dat betekent dat de problemen die sommigen veroorzaken stevig moeten worden benoemd, maar vervolgens moeten mensen wel weer met elkaar worden verbonden. Dat is voor mij de kern waar het gaat om: benoemen en verbinden. Dat kan alleen door eerlijk te zijn over de plaats van de islam in onze samenleving. De islam is een blijvende godsdienst in Nederland. Moslims horen erbij in ons land. Aan de ene kant betekent dit dat de grenzen waarbinnen de islam zich in Nederland kan nestelen scherp worden gemarkeerd, maar het betekent ook dat wij moslims duidelijk maken dat zij binnen de grenzen van de Nederlandse rechtsstaat de vrijheid hebben om net als christenen, joden en anderen hun geloof in te vullen. Dat is de achtergrond waartegen wij de film van collega Wilders en de reactie van het kabinet daarop beoordelen." 2008-04-01;Van der Vlies;02682;SGP;h-tk-20072008-4880-4921.1.10.1;"Fitna ";5575;9;"Voorzitter. Niemand kan nu nog ontkennen dat Fitna een prikkelende aanleiding is tot een heftig en intensief debat. Maar het is natuurlijk nog iets anders om er gelukkig mee te zijn. Ik wil alle ophef toetsen aan de voor mijn fractie belangrijke waarden: waarheid, waardigheid en wijsheid. Waarheid. De SGP-fractie heeft altijd benadrukt dat misstanden binnen en gevaren van de islam aan de kaak gesteld moeten kunnen worden. New York, Jeruzalem, Londen, Madrid, om in het buitenland te blijven – het is onbetwist dat de in de film aan elkaar gemonteerde beelden echt maar ook schokkend zijn. Het internationaal terrorisme in naam van Allah heeft zijn sporen achtergelaten, ook in Nederland. De AIVD waarschuwt voor groeiende radicalisering onder moslimjongeren. Ook de toename van het antisemitisme onder moslims geeft zeer te denken. Als je deze beeldbepalende gebeurtenissen op je laat inwerken, is het op zichzelf niet verwonderlijk dat de islamisering angstgevoelens oproept in onze samenleving. Het is het recht van collega Wilders om dit aan de orde te stellen. Het gaat vervolgens wel om de wijze waarop hij dit doet. In dit licht acht mijn fractie het jammer en te bekritiseren dat door hem, naar onze mening, veel te rigoureus over een ander deel van de waarheid wordt heengestapt. Veel moslims zijn gematigd en willen helemaal niets met geweld van doen hebben. De meeste terroristen zijn moslim, maar de meeste moslims zijn gelukkig geen terrorist. Deze constatering dwingt tot zorgvuldigheid en verdraagt dus geen ongenuanceerde suggesties. Anderzijds mag zij geen reden zijn om dan maar niets te zeggen over de duistere kanten van de islam en er als het ware de ogen voor te sluiten. Zoals gezegd, moet de waarheid gezegd kunnen worden, ook al doet zij pijn. Waardigheid is dan wel van groot belang. Het bewust kwetsen van mensen – wie dan ook – hoort daarbij niet. Ik neem aan dat de politicus Wilders dit doel niet voor ogen heeft gehad. Wij kunnen moeilijk de hele film gedetailleerd hier bespreken en de vinger leggen op alle generalisaties en suggesties die er in zitten. Het zal duidelijk zijn dat er vanuit het perspectief van waardigheid wel een stuk of wat uiterst kritische vragen kunnen worden gesteld. Die zijn vandaag de revue al gepasseerd. Gezien de voorspellingen en eerdere optredens van de heer Wilders vielen de reacties op Fitna tot nu toe gelukkig mee. De reacties vanuit de Nederlandse moslimwereld bevestigen dit beeld. Kennelijk is hierover nagedacht. Ik hoop dat collega Wilders en alle andere deelnemers het maatschappelijke debat op een waardige wijze zullen voeren. Alleen op die manier kunnen wij verder komen. Wij moeten ook de mouwen opstropen om in achterstandswijken te werken aan perspectief op geluk en geborgenheid. Vanuit de vraag of de film onnodig kwetsend was voor moslims wil ik graag een doorsteek maken naar de rol van het kabinet. Was daarbij sprake van wijsheid, ja of neen? De minister-president heeft in zijn verklaring gezegd dat de film maar één doel dient: het kwetsen van gevoelens. Ik zeg het maar eerlijk: mijn fractie acht dat eenzijdig. Wierp die uitspraak geen olie op het vuur, in plaats van op de golven? Mijn fractie zet ook kanttekeningen bij de bereidheid van het kabinet om op alle mogelijke manieren afkeuring te laten blijken over de film. Ik begrijp natuurlijk wel dat de rust in het land en de banden met islamitische landen in gevaar kwamen door alle dreigementen en dat daarop een heldere beleidsreactie moest worden gegeven. Maar het kan toch niet zo zijn dat alleen de mate van verwachte onrust de beoordeling van de inhoud bepaalt? Is het dan niet op zijn minst opmerkelijk dat de afbeelding van Christus als een aangelijnde hond en de kruisigingsact van Madonna tot heel wat minder kabinetsactiviteit heeft geleid? Ik vraag het maar. Zo komt het ons voor. Mijn fractie mist in de verklaring van de minister-president de aandacht voor de hypocrisie van islamitische landen. President Ahmadinejad leest ons vanuit Iran in grote woorden de les, terwijl hij zelf ongehinderd roept dat de Joden en Israël van de kaart moeten worden geveegd. Is minister Verhagen bereid om nogmaals een open brief aan te bieden aan Arabische kranten, waarin hij ook deze hypocrisie eens aan de orde stelt? Verder wil ik nog even de aandacht vragen voor het volgende. Vrijdag kreeg ik een kritische brief van mijnheer Bos, de politieke leider van de Partij van de Arbeid. Als ik mij niet vergis, zit de heer Bos ook in het kabinet, en ik vergis mij niet. Deze brief verbaasde mij. De Kamer controleert toch de ministers? Ik heb tot nu toe begrepen dat dit andersom niet het geval is. Is hierover in het kabinet gesproken? Ten slotte zeg ik voor alle duidelijkheid dat de SGP-fractie geen film nodig heeft om te wijzen op de duistere kanten van de islam, nog los van het feit dat ik niet bekend sta als een bekwaam filmregisseur. Ik zou deze film op deze manier zelfs niet hebben willen maken. Ik heb geen film nodig om in gesprek te zijn en het debat met andersdenkenden of met wie ook aan te gaan. De SGP-fractie maakt zich ook zorgen over wat de islamisering van onze samenleving is gaan heten. Deze ontwikkeling doet ons best pijn en stemt ons verdrietig. Hetzelfde geldt echter uiteraard voor de opkomst van andere religies en levensbeschouwingen waarin het heil wordt gezocht buiten de gekruisigde en opgestane heiland Jezus Christus, Hij die de weg, de waarheid en het leven is. Van hieruit reiken onze zorgen veel verder en dieper dan die van mijn collega Wilders. Daarover wil ik graag het gesprek aangaan." 2008-04-15;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20072008-5319-5380.1.10.14;"Rapport commissie Onderwijsvernieuwingen ";681;1;"Nee, dat heb ik niet gezegd. Ik heb wel gezegd dat het niet vaststaat of het in het belang is van Nederlandse kinderen om geïntegreerd te worden met moslimkinderen, omdat die nu eenmaal veel problemen en ellende met zich brengen. Als wij het over onderwijs hebben en kijken naar bijvoorbeeld Turkse en Marokkaanse leerlingen, dan zien wij dat er dramatische dingen aan de hand zijn. Ik noem schooluitval. In Amsterdam maakt zeven op de tien Marokkaanse kinderen de school niet af. Ik noem geweld op scholen, met name zwarte vmbo-scholen. Ik noem schofferingen van vrouwen, homo's en joden. Ik noem leerachterstanden, taalachterstanden, kosten van speciaal onderwijs in Amsterdam..." 2008-04-15;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20072008-5319-5380.1.10.79;"Rapport commissie Onderwijsvernieuwingen ";4914;7;"Ik betwijfel of dat een oplossing is. Ik zou voor andere oplossingen kiezen en niet voor spreiding. Als je de door mij genoemde problemen minimaliseert, wordt spreiding minder urgent. Ik was gebleven bij de aanmeldplicht. Het vaste aanmeldmoment zal ongetwijfeld door de commissie-Dijsselbloem worden afgekeurd. Het is tenslotte een aantasting van de mogelijkheid om rond te shoppen met je kind. Die maximale vrije schoolkeuze is juist cruciaal voor de kwaliteit van het onderwijs. Concurrentie houdt scholen immers scherp. De commissie maakt terecht dit punt. Deelt zij de mening van mijn fractie en een groot deel van de Kamer dat het vaste aanmeldmoment een aantasting is van de vrije schoolkeuze? Scholen moeten kleiner worden, ook om ouders in staat te stellen om te kiezen. Alleen als ouders meerdere scholen in hun omgeving hebben, is er sprake van keuzemogelijkheden en gezonde concurrentie. Kleine scholen zijn de toekomst van wat de leerfabrieken nu zijn. Het is onbegrijpelijk dat de PvdA-georiënteerde vakbonden altijd zo enthousiast hebben meegewerkt aan die schoolvergroting. De PVV-fractie wil graag de ambachtsschool terug. Nu worden praktisch ingestelde leerlingen lastiggevallen met bergen theorie, terwijl zij met hun handen aan de slag willen. Wil ook de commissie die ambachtsschool terug? Het pleidooi voor het invoeren van een reguliere arbeidsgerichte leerweg met vakdiploma lijkt dat te impliceren. Het is jammer dat de commissie-Dijsselbloem geen oog heeft voor hét probleem van het Nederlandse onderwijs. Wij hadden het er net al even over: de massa-immigratie. Het kabinet, de elite, kijkt consequent weg als het aankomt op het erkennen van de ramp die massa-immigratie en de daarbij behorende islamisering zijn voor de gehele Nederlandse maatschappij en dus ook voor het onderwijs. Terecht zien zes op de tien Nederlanders de massa-immigratie als de grootste vergissing uit de vaderlandse geschiedenis. Dat is ongetwijfeld ook gebaseerd op de ervaringen van miljoenen Nederlanders in het onderwijs van hun kinderen. De commissie stelt terecht vast dat de overheid het onderwijs ernstig heeft verwaarloosd. Dat komt mede door de kamikazeaanval op ons onderwijs die kabinet na kabinet heeft uitgevoerd door middel van het suïcidale immigratiebeleid. Als je meer dan een miljoen moslims naar Nederland haalt, veelal uit het Rifgebergte en Anatolië, vaak analfabeet en bijna altijd slecht opgeleid, behept met een achterlijke ideologie die aanpassing aan het Westen moeilijk maakt, dan weet je dat je het zelfmoordbriefje van het Nederlandse onderwijs hebt getekend. Onze progressieve elite heeft dit niet alleen aanvaard, zij is er nog trots op ook. Dat hun wereldvreemde multiculturalisme leidt tot grote problemen in het onderwijs, neemt deze links-liberale elite graag op de koop toe. Alle offers zijn geoorloofd om te komen tot het multiculturele paradijs. Onnodig om te melden dat de leden van die elite natuurlijk hun eigen kinderen elke ochtend naar een witte school brengen. De progressieve politici manen ons tot de multikul vanuit de witte villawijken. De problemen met Marokkaantjes laten zij graag over aan het plebs, dat geen kant meer op kan. Die moeten zich maar aanpassen en hun kinderen in een klas zetten waar alle jongetjes Ali of Achmed heten. Zij worden opgeofferd aan de multikul. In deze Haagse biotoop wil niemand dat zien, maar op zomaar een zwarte vmbo-school hier in Den Haag, de François Vatelschool, weten ze wel beter. Daar heeft de multiculturele samenleving keihard toegeslagen. Leraren worden bedreigd en zien zichzelf terug op internet in fotomontages, copulerend met een kameel en mogen hun gestolen spullen terugkopen, nota bene met medewerking van de directie. Wapenvondsten zijn aan de orde van de dag en leraren worden stelselmatig uitgemaakt voor, ik citeer: \"kankerkaaskoppen, koran, hun gaan dood\". Wie meer teksten wil lezen van Marokkaanse middelbare scholieren, moet eens kijken op www.marokko.nl, een haat-site die mede gefinancierd wordt onder verantwoordelijkheid van minister Plasterk. Daar zie je hoe de Holocaust consequent wordt ontkend en hoe \"de\" Joden de schuld krijgen van alles wat verkeerd is. Daar zie je de blinde haat tegen het westen en tegen onze vrijheden. Dit zien wij allemaal op onze scholen terug, en dat is in- en intriest. Dit soort problemen wordt door Dijsselbloem slechts zijdelings besproken. Er is sprake van \"een veranderende bevolkingssamenstelling\" en meer van dat soort algemeenheden en zoekplaatjes. De islamitische toestroom wordt nergens als separaat probleem voor ons onderwijs genoemd, maar dat is het natuurlijk wel. Uit een onderzoek van 's Heeren Loo uit 2005 blijkt dat maar liefst 1 op de 5 allochtonen verstandelijke problemen heeft. Zij worden door 's Heeren Loo zelfs gehandicapt genoemd. Geen wonder dat vervolgens 80% van het speciaal onderwijs in Amsterdam moet worden gegeven aan allochtonen." 2008-04-15;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20072008-5319-5380.1.10.113;"Rapport commissie Onderwijsvernieuwingen ";206;1;"Als je kijkt hoe sommige moslims zich in het onderwijs gedragen, te weten het schofferen van vrouwen, het schofferen van homo's en het schofferen van joden, dan hebben wij daarmee wel degelijk een probleem." 2008-04-15;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20072008-5319-5380.1.10.35;"Rapport commissie Onderwijsvernieuwingen ";500;1;"Ik wil wel ingaan op de stelling van de heer Slob dat de PVV mensen tegen elkaar op zou zetten. Dat is natuurlijk de wereld op zijn kop. Door de massa-immigratie die wij in Nederland hebben gehad, hebben wij een zware ontwrichting van de maatschappij gezien die zich ook uit op het vlak van het onderwijs. Ik heb zojuist de voorbeelden genoemd: massale schooluitval bij allochtone jongeren, geweld op zwarte scholen, schofferingen van vrouwen, homo's en joden, gigantische leer- en taalachterstanden." 2008-05-20;Bosma;03127;PVV;h-tk-20072008-6010-6037.1.4.14;"Vastzetten cartoonist ";873;1;"Voorzitter, als een soort derde termijn. De heer Van der Ham beschuldigt mij van selectieve verontwaardiging, maar dat is niet juist. De heer Dibi zit daar op de eerste rij. Hij kwam ooit in een boevenwagen terecht, omdat hij had gedemonstreerd met de Internationale Socialisten. Dat is een verschrikkelijke club van Hamas- en Hezbollahknuffelaars, mensen die de zelfmoordaanvallen op Joden in Israël goedpraten. Het is een enge, Trotskistische club. Toen de heer Dibi op een zondagmiddag in de boevenwagen terechtkwam, heeft mijn fractieleider echter als eerste en enige gezegd dat dit verkeerd was. Al staat de heer Dibi met een bord met de beeltenis van de heer Wilders op de Dam, met daaronder de tekst \"extremist\", hij heeft daartoe het recht. De heer Wilders heeft zich ook in die zin uitgesproken. Als dat selectief is, zijn wij wel heel breed in onze selectiviteit." 2008-06-18;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20072008-6925-6986.1.12.26;"Rapport commissie Onderwijsvernieuwingen ";524;1;"Dat klopt. Immigratie leidt tot grote problemen in het onderwijs, zoals leerachterstanden, gedragsproblemen, geweld op scholen en schoffering van vrouwen, homo's en joden. Dat zijn grote problemen als gevolg van immigratie. Er is tot op heden geen totaalbeeld van de problemen en de mate waarin die precies voortkomen uit immigratie. Het zou handig zijn om dat totaalbeeld wel te hebben, want de minister moet het toch met mij eens zijn dat problemen alleen maar kunnen worden opgelost als duidelijk is wat de oorzaken zijn." 2008-06-19;Rutte;02396;VVD;h-tk-20072008-6992-7014.1.3.12;"Vastzetten cartoonist ";913;1;"De minister had op twee punten tegen het Openbaar Ministerie moeten zeggen dat hij het gesprek aanging, ongeacht de eigen verantwoordelijkheid van het OM in een concrete casus. Dat gesprek had moeten gaan over de weging van de jurisprudentie, die 180 graden de andere kant op wijst, gelet op de uitspraken van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, op recente uitspraken van de Hoge Raad en op de uitspraak na deze casus van 2ENTITY-#160juni jongstleden door de rechtbank van Amsterdam, in de kwestie van een columnist die de meest vreselijke teksten over joden heeft geschreven, maar die vanwege het belang van de bijdrage aan het publieke debat uiteindelijk is vrijgesproken van vervolging. Dat gesprek had hij moeten aangaan. Daarvoor is hij minister van Justitie en daarmee ook de minister voor de vrijheid van meningsuiting. De minister heeft dat laten zitten. Hij verschuilt zich achter alle mogelijke excuses." 2008-06-19;Rutte;02396;VVD;h-tk-20072008-6992-7014.1.11.2;"Vastzetten cartoonist ";1021;1;"Dank aan de minister voor zijn inleiding. Ik heb een vraag. Het beleidskader mag dan niet aangepast zijn, wij praten natuurlijk wel over ook recente jurisprudentie. In algemene zin geeft de minister daarvan een mooi overzicht, maar er is natuurlijk ook recente jurisprudentie, bijvoorbeeld een aantal recente uitspraken van de Hoge Raad die wijzen op het belang om ook contextueel te kijken naar de positie van degene die de uitlatingen doet in het maatschappelijk debat. De Hoge Raad voegt daaraan toe: uiterste terughoudendheid. Nog recentelijk is dit in een uitspraak van de Rechtbank van Amsterdam van 2ENTITY-#160juni opnieuw bevestigd, in een zaak die misschien wel veel verder gaat dan een aantal andere zaken. Het ging om heel harde uitlatingen van een columnist over joden, joodse mensen in Nederland, de bevolkingsgroep in Nederland die het joodse geloof aanhangt; dat ging heel ver. Toch is daarin uiteindelijk vrijspraak gevolgd, ook tegen de achtergrond van de recente jurisprudentie in het belang van het vrije woord." 2008-09-04;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20072008-7909-7943.1.15.1;"Lijkbezorging ";2796;5;"Mevrouw de voorzitter. Ik bedank allereerst de staatssecretaris voor haar beantwoording. Ik kom op een aantal punten kort terug. Wij steunen de benadering in het amendement van collega Van Beek over de verlenging van de grafrust. Zoals ik in eerste termijn al naar voren heb gebracht, staan wij zelfs een verdergaande verlenging voor, maar ik heb niet geproefd dat daarvoor steun is. Het amendement heeft inderdaad een zekere spanning met het amendement van collega Anker op stuk nr. 15. Ik ben gevoelig voor de benadering van de staatssecretaris. Zij zegt dat gespreide betaling een mooi alternatief zou zijn als je wilt dat niet financiële redenen mensen uiteindelijk van verlenging afhouden. Dat is de intentie van de heer Anker die ik deel. Ik hoor graag van de staatssecretaris dat er geen beletselen zijn om tot die praktijk te komen. Met het amendement-Anker kunnen wij een verkorting van de termijn van grafrust en van uitgifte van een graf voorkomen. Wij hebben een uitgebreid interruptiedebat gevoerd over de misstanden bij het ruimen van graven. De staatssecretaris is daarop ingegaan. Ik kan mij goed vinden in de uitkomst van dit debat, die erop neerkomt dat gemeenten de gelegenheid krijgen om allereerst hun verantwoordelijkheid hierin te nemen, maar dat de AMvB er als stok achter de deur is als dit niet tot de gewenste uitkomst leidt. Ik ga er vanuit dat wij hierover ongetwijfeld over een jaar met de staatssecretaris zullen debatteren, om te bespreken wat er precies geregeld moet worden als wij al vinden dat er iets geregeld moet worden. Daarmee is een formele voorhangprocedure niet nodig. Deze is niet voorzien in het amendement van de collega's Van Raak en Knops. Op de eeuwigdurende grafrechten is de staatssecretaris niet ingegaan. In de tweede termijn zal ik de staatssecretaris daarover horen. Misschien kan zij dan ook op ingaan op het punt dat ik naar voren heb gebracht, namelijk dat moet worden voorkomen dat alleen mogelijkheden voor eeuwigdurende grafrechten geboden worden voor groeperingen als joden en moslims, die per definitie bezwaren hebben tegen grafruimen. Ook anderen die er sterk aan hechten moeten die mogelijkheid krijgen. Alles afwegend wat mevrouw Arib over de lijkschouwing van minderjarige kinderen heeft gezegd en de discussie die daarover is gevoerd, kan ik mij goed vinden in de benadering van het kabinet, zoals die naar aanleiding van de inbreng van mevrouw Arib is komen te luiden. Tot slot steunen wij de motie van collega Anker over de grafkosten. Het is altijd een gevoelig onderwerp en de vraag is hoever je hierin kunt gaan. Het is eerlijk gezegd een dubbeltje op zijn kant, maar wat mij betreft rolt het net de goede kant op en wordt de gemeentelijke autonomie gewaarborgd, terwijl het onderwerp op de politieke agenda blijft staan." 2008-10-09;"";02577;"";h-tk-20082009-900-900.1.1.2;"Stemmingen ";1748;14;"De motie-Anker (19637, nr. 1226) is in die zin gewijzigd dat zij thans luidt: Naar mij blijkt, wordt de indiening van deze gewijzigde motie voldoende ondersteund. Zij krijgt nr. 1227 (19637). Ik stel vast dat wij hierover nu kunnen stemmen." 2008-10-09;Anker;03114;ChristenUnie;h-tk-20082009-888-891.1.2.1;"Vreemdelingen- en asielbeleid ";2829;13;"Voorzitter. Wij hebben vandaag gesproken over een moeilijk besluit, maar dit besluit – gaan wij door of stoppen wij met de categoriale bescherming van asielzoekers uit Irak – moet wel een keer genomen worden. Vanochtend hebben wij hierover een debat gevoerd. Over drie dingen heeft mijn fractie nog vragen en daarom dien ik een motie in. Wij vinden het een erg spannende beslissing. Als je die beslissing neemt, zul je daarbij echt de vinger aan de pols moeten houden. Ik zal straks een motie indienen waarin de regering wordt gevraagd de Kamer regelmatig te rapporteren over hoe het gaat. Naar ons idee worden in het voorstel van de staatssecretaris niet alle groepen genoemd die nog beschermd moeten worden. Een van onze woordvoerders van Buitenlandse Zaken, de heer Voordewind, is in Irak geweest en heeft kennisgemaakt met verschillende religieuze minderheden, namelijk de shabaks en de joden. Dat zijn twee groepen waarover vandaag niet is gesproken, terwijl die wel degelijk worden vervolgd. Wij maken ons zorgen over het willekeurig geweld. Uit het ambtsbericht blijkt dat er minder vaak geweld wordt gebruikt en dat het meeste geweld gelieerd is aan etniciteit of aan religie. Dat neemt niet weg dat er nog steeds sprake is van een gewelddadige situatie. Ik dien daarom de volgende motie in." 2008-11-04;Bosma;03127;PVV;h-tk-20082009-1357-1360.1.2.1;"Vragenuur ";2148;3;"Voorzitter. Inmiddels hebben 2000 scholen een lesboek ontvangen van de Stichting Dag van Respect. Dat is een linkse multiculticlub die vindt dat het Nederlandse volk moet worden heropgevoed. De directeur, mevrouw Bierman, ondertekende de capitulatieverklaring van \"Doekle de Dhimmi\" \"Benoemen en bouwen\" en sloot zich aan bij het manifest \"Eén land, één samenleving\", dat zeer negatief spreekt over het stellen van eisen aan nieuwkomers. Wat de Dag van Respect bedoelt met respect, is dit: buitenlanders hebben een cultuur en daar mag je hen niet op aanspreken. Nederlanders moeten zich aanpassen. De lesbrief staat vol linkse waarheden over slavernij, het klimaat en de islam. Men schoot een beetje door, want het lesboek van de stichting schildert mijn fractieleider af als een racist die \"geen respect heeft voor mensen die er anders uit zien\". De lesbrief stelt Geert Wilders op één lijn met de nationaalsocialist Adolf Hitler. Onze linkse vrienden proberen die informatie in de geesten van kinderen van 10 en 11 jaar te pompen. Hebben zij nog enige schaamte? De belastingbetaler moet ervoor betalen, wat hij ook stemt, want maar liefst drie ministeries, waaronder OCW, financieren dit project. De stichting laat vandaag met een brief weten dat het verschrikkelijke boekje inmiddels in de afgelopen zes weken op heel veel scholen behandeld is. In dezelfde brief aan de participerende scholen volhardt men in het op één lijn stellen van Mein Kampf en Fitna. Het is te danken aan de patriottische klokkenluider Eric Stam, die nu zijn baan kwijt is, en aan GeenStijl dat hier commotie over is ontstaan. Naar aanleiding daarvan komt de stichting nu met een inlegvel. Hitler gaat eruit, maar wat overblijft is het verkondigen van allerlei linkse waarheden. Wat is er belangrijker voor Nederlandse basisscholen: linkse propaganda of, ik noem maar wat, les in taal en rekenen? Er komt nu een inlegvel – Hitler gaat eruit – maar op heel veel scholen is het lesboek al behandeld. Is de staatssecretaris het met mij eens dat op die scholen het lesboek nogmaals behandeld moet worden om die rare vergelijkingen uit de hoofden van onze kinderen te krijgen?" 2008-11-04;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20082009-1357-1360.1.3.8;"Vragenuur ";456;1;"Ook de D66-fractie vindt het niet gepast om vergelijkingen zoals in dit lesmateriaal te maken. Dank voor de heldere boodschap van de staatssecretaris. Vergelijkingen met de Tweede Wereldoorlog zijn altijd slecht, of nu de heer Wilders wordt vergeleken met Hitler of de Koran met Mein Kampf zoals de heer Wilders wel eens heeft gedaan. Laat dat achterwege, of je nu links of rechts bent. Boeken verbieden, vergelijkingen met Mein Kampf of Hitler: niet doen!" 2008-11-04;Verdonk;02995;Verdonk;h-tk-20082009-1357-1360.1.3.19;"Vragenuur ";461;1;"Ik was een van de grondleggers van de Dag van Respect. Ik schaam mij nu voor deze stichting. Ik vind het onacceptabel wat er is gebeurd. Dit kan niet en dit mag niet. Een vergelijking van een van onze parlementariërs met Adolf Hitler is onacceptabel. Er is maar één mogelijkheid, namelijk dat u en uw collega-ministers direct de subsidie stopzetten. Als de Stichting Dag van Respect zelf niet begrijpt wat respect is, verdient zij het niet langer om te bestaan." 2008-11-12;Diks;03123;GroenLinks;h-tk-20082009-1787-1830.1.12.9;"Buitenlandse Zaken (begroting) ";4026;5;"Wij hebben natuurlijk nog veel meer middelen, ook binnen de EU. Wij zien nu dat de keuze is gemaakt \"to change a system from within\", dus om deel uit te maken van een systeem en om van daaruit China, en trouwens ook een heleboel andere landen, te veranderen. Voorts is er voor gekozen om een dialoog aan te gaan. Het gaat dan wel heel erg langzaam met die veranderingen. Er zijn ook andere methoden, zoals handelsboycotten of handelssancties. Maar ja, dat ligt een stuk ingewikkelder. Voorzitter. Israël is met reden een vriend van Nederland. Maar juist onze vrienden moeten wij soms streng toespreken als wij zien dat mensenrechten onder het mom van terrorisme en religie op grote schaal worden geschonden. Ik denk aan Palestijnse kinderen in administratieve detentie, of aan de minimale rechten die niet-joden hebben in Israël, of aan Gaza. Dat de minister het moeilijk vindt om harde woorden te gebruiken tegen een vriend is begrijpelijk. Maar om Israël hiervoor te belonen met het intensiveren van het EU-Associatieakkoord is echt onbegrijpelijk. VN-resolutie 1325 over vrede, vrouwen en veiligheid beoogt vrouwenrechten te integreren in beleid. In de mensenrechtenstrategie van de minister worden vrouwen voornamelijk als slachtoffer genoemd en niet als actor, terwijl veel vrouwelijke mensenrechtenactivisten juist grote risico's lopen. Hoewel de minister de specifieke problematiek van vrouwen nadrukkelijk heeft geadresseerd in de voorliggende begroting voor 2009, blijft het moeilijk om goed geïntegreerd beleid uit te zetten. Onder de twaalf civielen in Uruzgan zit bijvoorbeeld geen enkele genderspecialist. Vrouwen vallen buiten de boot bij re-integratieprogramma's voor rebellen in Sudan. Wat GroenLinks betreft moet elke brief over de stand van zaken in een land een vrouwenparagraaf krijgen, waarin de situatie van vrouwen op het gebied van veiligheid, gezondheid, onderwijs en rechten wordt besproken. Graag krijg ik hierop een reactie. Ambassades hebben er veel verantwoordelijkheden bij gekregen om het ambitieuze mensenrechtenbeleid van de minister uit te voeren. Ik noem de ambassade in Iran, die de deelnemers aan de One Million Signatures campagne goed heeft gemonitord. Of ik noem de ambassade in Cuba, die regelmatig ontmoetingen heeft met dissidenten en die ook regelmatig processen van dissidenten waarneemt. Maar heel vaak komt ambassadepersoneel de ivoren toren niet uit. Ambtsberichten over de situatie in hun land en over de mogelijkheid tot terugkeer van asielzoekers stroken lang niet altijd met de \"facts on the ground\". Opbouw- en mensenrechtenprojecten worden nogal eens slecht gekozen of slecht gecontroleerd, zoals in de ambassade in Kabul, waar projecten door middel van foto's worden beoordeeld. GroenLinks is ervoor om ambassades te versterken met mensenrechtenspecialisten om zo mensenrechten beter te kunnen ondersteunen. Met de 15 mln. voor transitional justice in Afghanistan, die minister Koenders onlangs heeft teruggevorderd, weet de GroenLinks-fractie wel raad. Maar heeft hij hiervoor inmiddels al een invulling gevonden? Al met al moet worden gezegd dat de minister serieus aan de slag is gegaan met de mensenrechten. Met extra geld in het Mensenrechtenfonds geeft hij nogmaals aan dat het hem menens is. Zijn inhoudelijke stukken zijn goed en zijn inzet is aardig. Maar in de uitvoering moet de minister nog meer ruggengraat krijgen. Hij moet zich niet alleen bezighouden met de makkelijke onderwerpen, hij moet ook de moeilijke oppakken. Hij moet dit ook in Nederland zelf doen, waar minister Plasterk mensenrechteneducatie moet opnemen in de curricula van het primair en het voortgezet onderwijs. Ook in de EU heeft de minister een taak, want ook in Europa worden Roma gediscrimineerd. Wij moeten ervoor oppassen dat wij niet hypocriet overkomen als wij in Gambia met ons vingertje wijzen. Daarom krijgt de minister op de GroenLinks-mensenrechtenmeetlat een zeven min. Ik zou zijn rapport graag in de Handelingen laten opnemen en hem zijn rapportcijfer willen overhandigen." 2008-12-02;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20082009-2645-2693.1.9.1;"Wonen, Wijken en Integratie ";4454;6;"Voorzitter. Wij hebben vandaag veel te bespreken, want de problemen op het gebied van integratie zijn werkelijk enorm. 500.000 allochtonen spreken niet of nauwelijks Nederlands en leven volledig langs de Nederlandse samenleving heen. Hele steden en wijken worden geteisterd door een golf van Marokkaans straatgeweld. De criminaliteitscijfers met betrekking tot Marokkanen en andere groepen allochtonen zijn van een waar horrorniveau. Moslimagressie jegens bijvoorbeeld vrouwen, homo's en joden is te tragisch voor woorden. De uitkeringsafhankelijkheid onder niet-westerse allochtonen is schandalig hoog. Wij zitten met een verschrikkelijke islamisering van onze samenleving die alles bedreigt waar wij voor staan. Dit alles is het gevolg van maar één ding, namelijk de nog steeds voortdurende massa-immigratie van met name mensen uit moslimlanden als Turkije en Marokko. Hier betaalt Nederland een veel te hoge prijs voor. Niet voor niets vindt zo'n tweederde deel van de Nederlandse bevolking het toelaten van grote groepen vreemdelingen de grootste fout die in onze naoorlogse geschiedenis is gemaakt. Helaas wordt de stem van de gewone Nederlander genegeerd. De Nederlandse elite klampt zich nog steeds vast aan het door de gewone man en vrouw allang doodverklaarde multiculturalisme. De elite laat de massa-immigratie echter gewoon doorgaan. Zo blijft het met betrekking tot het oplossen van alle integratieproblemen dweilen met de kraan open; dat is voor iedereen duidelijk. Gelukkig erkent de minister het verband tussen immigratie en integratie. Vreemd genoeg heeft hij vorige week tijdens het kennismakingsoverleg gezegd dat de immigratiekraan helemaal niet meer openstaat en dat hij \"dweilen met de kraan open\" in dat verband zelfs een tendentieuze uitlating vindt. Voor de PVV is dit gewoon een ontkenning van de werkelijkheid. Laten wij nog eens kijken naar de feiten. Uit IND-cijfers blijkt dat alleen al dit jaar in het kader van partner- en gezinsmigratie 20.000 immigranten worden toegelaten. Over een periode van slechts vijf jaar zijn er dus maar liefst 100.000 eerstegeneratie nieuwe immigranten. Dan tel ik bijvoorbeeld asielzoekers en arbeidsmigranten nog niet eens mee. Ik wil de minister dan ook allereerst vragen hoe hij vorige week kon zeggen dat de immigratiekraan niet openstaat. Kan ik hieruit opmaken dat hij de huidige migratie-instroom geen probleem vindt? Graag duidelijkheid. Het zou een heel foute insteek zijn om dit geen probleem te vinden. Nogmaals, als je per jaar tienduizenden gezinsmigranten toelaat, dan is sprake van massa-immigratie. Als je hieraan niets wilt doen, dan zal iedere vorm van integratiebeleid neerkomen op dweilen met de kraan open. De PVV is in ieder geval helder op het punt van migratie. Deze willen wij in zijn algemeenheid fors beperken. Reguliere immigratie vanuit moslimlanden moet helemaal worden gestopt. Met een wagenwijd openstaande immigratiekraan wordt het natuurlijk ook niets met de zogenoemde prachtwijken. Zo heeft openstelling van de arbeidsmarkt voor Polen en andere nieuwe EU-onderdanen ook bepaald niet geholpen bij het leefbaarder maken van de prachtwijken. De verloedering is alleen maar toegenomen. Het kabinet kan nog zo veel geld pompen in de prachtwijken, als je de criminelen en veroorzakers van overlast niet keihard aanpakt, zal het natuurlijk nooit wat worden. Dat geldt overigens niet alleen voor de prachtwijken, maar voor heel Nederland. Overal worden de straten geteisterd door met name Marokkaanse straatterroristen, agressievelingen die scheldend, spugend, rovend en onschuldige mensen in elkaar rammend door het leven gaan. Met de veiligheid verdwijnt ook de gezelligheid. Of het nu gaat om koopavonden, lampionoptochten of avondjes naar de bioscoop, de Marokkaanse terreur steekt overal de kop op. De minister zei vorige week dat hij niet overal een integratieprobleem in wil zien, doelend op de verstoring van een lampionnenoptocht in Den Haag. Hij noemde dit zelfs een \"flutincident\". Kun je nagaan, in prachtwijk Transvaal is een kinderfeest niet eens meer mogelijk zonder zware bewaking, en als Marokkaanse raddraaiers de boel toch weten te verzieken, vindt de minister het een flutincident. Daarbij twijfelt hij ook nog eens of het wel een integratieprobleem is. Zo komen wij er natuurlijk niet met de nieuwe minister. Als iets de mislukte integratie laat zien, is het wel het voortdurende wangedrag en de voortdurende overlast van dit Marokkaanse tuig." 2008-12-02;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20082009-2645-2693.1.9.91;"Wonen, Wijken en Integratie ";4618;5;"Vervolgens enkele opmerkingen over de inburgering. De minister is er zelf van geschrokken hoe slecht de inburgering ervoor staat. Slechts een heel klein deel van de vreemdelingen die moeten inburgeren, volgt daadwerkelijk een cursus. Ik heb mij er al eerder over beklaagd hoe de gemeenten dat proberen op te lossen. Er worden aparte inburgeringscursussen voor mannen en vrouwen gehouden, want anders blijven veel moslims weg bij de cursussen. Dit is pure sekseapartheid. Dat mogen wij in Nederland niet tolereren. Ik roep de minister op om hier onmiddellijk een eind aan te maken. Ik vind het bijzonder belangrijk op dit punt de visie van de minister te horen. Stelt hij duidelijke grenzen en wil hij dat immigranten zich aan de Nederlandse samenleving aanpassen, of vindt hij het goed dat een kernwaarde als de gelijkheid van man en vrouw zelfs al tijdens de inburgeringsfase geweld wordt aangedaan? Ik vraag mij overigens af wat inburgering überhaupt nog waard is als wij buigen voor de moslimeis om daarbij segregatie van mannen en vrouwen toe te passen. Dit verhaal zegt natuurlijk ook alles over de onwil van veel nieuwkomers om echt deel uit te maken van onze samenleving. Als je dan ook nog hoort dat veel inburgeraars niet wensen te betalen voor hun cursus, dan is het beeld helemaal in- en intriest. De belastingbetaler mag dat natuurlijk doen. Het gaat daarbij niet om kinderachtige bedragen. Per jaar worden er honderden miljoenen euro's uitgegeven aan inburgeringstrajecten. Volgend jaar komt daar nog 90 mln. extra bij. Dat is natuurlijk veel te veel, vooral als je ziet hoe beroerd het resultaat is van die mega-uitgave. De PVV-fractie wil geen cent belastinggeld uitgeven aan de inburgering, want die is een verantwoordelijkheid van de migranten zelf. Graag ontvangen wij van de minister een reactie op dit punt. Daarnaast wil ik hem vragen wat hij ervan vindt dat sommige gemeenten de eigen bijdrage laten varen, omdat anders veel mensen niet naar de cursus gaan. Er is natuurlijk maar één manier om ervoor te zorgen dat mensen hun inburgeringscursus wél volgen, en dat is het intrekken van het verblijfsrecht als men om welke reden dan ook niet wil inburgeren. Ik roep de minister dan ook op om hier zorg voor te dragen. Inburgering staat vaak gelijk aan wishful thinking. Wij zitten met een groeiende groep allochtonen die zich juist tegen onze samenleving afzet. Ik wijs op het schokkende feit dat 40% van alle Marokkaanse jongeren in Nederland zelfs onze westerse democratie afwijst. Zie alle steun en het begrip van veel moslims voor de gruwelijkste episodes uit onze geschiedenis, zoals de aanslagen op 9/11 en de moord op Theo van Gogh. De PVV kijkt graag eens op www.marokko.nl, om te kijken wat er zoal leeft onder Marokkaanse jongeren. Dit is een haatsite die zijn weerga niet kent. Voor mensen die de site niet kennen, laat ik een drietal willekeurig van de site gehaalde citaten horen. Het eerste citaat: je dient de kafit te haten omwille van hun ongeloof. Tweede citaat: weg met al die vieze gore kk homo's, gewoon van een berg aftrappen die flikkers. Het derde citaat gaat over de terroristen die In Mumbai hebben huisgehouden: moge Allah deze helden belonen met het paradijs. Het kabinet houdt er wel een heel vreemde kijk op integratie op na, door deze haatsite met subsidiegeld te steunen. Wat vindt de minister daar eigenlijk van? Waarom is er al meer dan €ENTITY-#160100.000 aan belastinggeld uitgegeven om via www.marokko.nl uit te dragen dat homo's smerig zijn, vrouwen tweederangs wezens zijn, de joden moeten worden afgemaakt en dat het schitterend is als Nederlandse soldaten om het leven worden gebracht in een ver land? Ik wil hierover graag opheldering van de minister. Ik vind het overigens vreemd dat er zoveel belastinggeld wordt doorgesluisd naar een site die www.marokko.nl heet. De doelgroep moet zich toch op Nederland richten? De PVV is benieuwd of wij het tragische Vogelaartijdperk nu definitief achter ons kunnen laten. Wij hopen er snel achter te komen waaraan wij met de nieuwe minister toe zijn en of wij met hem meer realiteitszin mogen verwelkomen. Daarom wil ik de minister ten slotte nog een drietal simpele maar principiële vragen stellen. Vindt de minister net als de PVV dat wij de boerka, het islamitisch symbool van vrouwenonder­drukking, uit de openbare ruimte moeten weren en het dragen ervan dus strafbaar moeten stellen? Vindt de minister de dubbele nationaliteit, net als de PVV, een groot probleem? Wil hij de dubbele nationaliteit tegengaan? Wil de minister echt doorgaan met het absurde plan van Vogelaar om ook op Curaçao een prachtwijk neer te zetten?" 2008-12-04;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20082009-2844-2889.1.11.20;"Wonen, Wijken en Integratie ";672;1;"Er zijn ook andere punten waarop u een beetje inconsequent bent. Wij hebben de Wet op de lijkbezorging gehad en een wet over ritueel slachten, waarbij u de ene geloofsgroep niets toestaat, terwijl u anderen, bijvoorbeeld joden of christenen, die dingen wel toestaat. Daarin bent u niet helemaal consequent. Ik hoop echt dat u die goede lijn van consequent zijn bij voorstellen die overigens niet zo goed zijn, nu echt hebt gevonden en dat u echt met uw beentjes op de grond komt te staan. Ik verweet u gisteren dat u niet helemaal wijs was met dit voorstel. Nu hebt u uw wijsheid weer een beetje terug en daar ben ik blij om, echt waar, maar nu moet u nog effe doorpakken." 2008-12-04;De Roon;03126;PVV;h-tk-20082009-2889-2892.1.2.1;"Razeb ";962;5;"Voorzitter. Namens de fractie van de PVV spreek ik mijn afschuw uit over de aanslagen in Mumbai. Uit de berichtgeving blijkt dat de terroristen bewust op zoek waren naar westerlingen, waaronder joden, en dat moslims van niet-moslims werden gescheiden. De terroristen hebben gedaan wat hun door de Koran is opgedragen: niet-moslims doden. De wereld heeft opnieuw kunnen zien welke gruwelijkheden kunnen voortvloeien uit de islamitische ideologie. De terroristen, of beter gezegd de jihadisten, zijn Pakistani. De regering wilde tijdens het AO niet toezeggen dat zij de verdere uitbouw van de handelsrelaties tussen de EU en Pakistan wil blokkeren. Daarom dien ik de volgende motie in." 2008-12-10;Bosma;03127;PVV;h-tk-20082009-3104-3122.1.3.1;"Onderwijs, Cultuur en Wetenschap ";10688;14;"Graag gedaan, mevrouw Verdonk. Prettige avond verder. Veel succes. Voorzitter. Ik waardeer de geste dat u de belangrijkste begroting tot het eind hebt bewaard, met LNV als pauzeact. Ik hoop dat wij dit debat vanavond op hetzelfde tomeloze niveau kunnen krijgen als gisterenavond. Ik teken aan dat ik nog steeds het enige Kamerlid ben, met onze nestor, dat tout OCW voor zijn rekening neemt. Daarom is mijn scope vandaag ook wat breder dan sec onderwijs. Mijn eerste punt is de dubbele subsidie aan marokko.nl. Deze minister geeft via het Stimuleringsfonds voor de Pers geld aan een site die de meest vunzige teksten tegen homo's, joden, vrouwen en negers op zijn forum heeft staan. Sommige teksten zijn te schunnig voor woorden. Mijn fractie beukt al enige jaren op dit dossier. Ik heb hierover meermalen Kamervragen gesteld. Twee weken geleden heb ik dit eveneens ter sprake gebracht bij de mediabegroting. Ik verschafte toen enkele tientallen citaten van die site aan de leden, teksten die er soms al sinds 2001 op staan. Als onze soldaten sterven in Afghanistan, is dat reden voor een feestje. Het Amerikaanse persbureau Reuters maakte zelfs een bericht over het feit dat men op marokko.nl de grootste lol heeft vanwege de aanslagen in Mumbai, onder de kop: Dutch financed Moroccan website praises Mumbai attacks: \"May Allah reward these heroes with paradise.\" Dit stukje Hollandpromotie wordt u aangeboden door de Nederlandse belastingbetaler. De minister van homo-emancipatie, vrouwenemancipatie en cultuur verdedigt de herhaalde donatie door erop te wijzen dat deze geschiedt binnen wettelijke kaders. Een paar dagen later echter vond de PVV ineens onverwacht gehoor bij de kersverse minister voor WWI, de heer Van der Laan. Hij liet zich heel anders uit. Van der Laan zei \"erg geschrokken\" te zijn van wat hij aantrof op die site. \"Laat duidelijk zijn dat ik van overheidswege geen bijdrage wil leveren aan een site waar dergelijke opruiende teksten te vinden zijn.\" Ook kondigde minister Van der Laan ineens een onderzoek aan. Dat zou binnen enkele weken klaar zijn. Dat is heel interessant. Minister Plasterk kijkt bij dit dossier al jarenlang naar zijn schoenen. Marokko.nl krijgt niet één keer maar twee keer subsidie. Dan komt minister Van der Laan en die zegt iets heel anders: een onderzoek. Ik stel hierover twee vragen. Ten eerste: hoe gaat dat onderzoek in zijn werk? Gaat minister Van der Laan nu iets onderzoeken dat toch echt tot het terrein van OCW behoort? Hoe werkt dat? En welke relatie heeft dit tot de persbrief, die wij volgende week donderdag bespreken? Dan praten wij immers over het stimuleringsfonds. Gaat deze minister onder het motto \"oog om oog, tand om tand\" straks ook dingen onderzoeken op het terrein van WWI? Ten tweede stel ik de politieke vraag: waarom spreekt het kabinet met twee monden, Plasterk \"ja\", Van der Laan \"nee\"? Waarom ligt de tolerantiegrens van de minister van homo-emancipatie zo veel hoger dan die van de minister voor Integratie? Plasterk zegt: \"geen probleem\"; Van der Laan zegt: \"onderzoek\". Dan nog even de rest van de begroting. Er bevinden zich daarin twee beurze plekken. De eerste is het geld dat naar kunstsubsidies gaat. Er zijn veel berichten over geld dat onverantwoord en ondoelmatig wordt uitgegeven. De vraag of kunstsubsidies bijdragen tot topkunst, is evenmin ooit beantwoord. De cultuur met betrekking tot kunstsubsidies werd perfect verwoord door mevrouw Van Vroonhoven van het CDA, die zei: hoe meer geld er naar kunst gaat, des te beter. De mediabegroting is het tweede probleem. Niet de eersten de besten zijn het erover eens dat de publieke omroep een probleem heeft met de balans links-rechts. De kreet \"drie keer per dag de Volkskrant\" wordt gebruikt. Niet alleen deze minister gaat daarin mee, maar ook de bestuursvoorzitter van de publieke omroep, de heer Hagoort, zijn voorganger, de heer Bruins Slot, alsmede de voormalige netcoördinatoren, de heren Van Dijk en Lips. Oftewel, de slager keurt zijn eigen vlees en stelt vast dat het vlees rood is. Dat is ernstig, want dat betekent dat de wet niet wordt nageleefd, in dit geval de Mediawet, waarin wordt gesteld: ván ons allemaal, vóór ons allemaal. Ik zeg het even in mijn eigen onjuridische woorden. Wij als Kamer oordelen onder andere op basis van die wet. Als de wet, in dit geval de Mediawet, niet wordt nageleefd, dan moeten wij volgens mij tegen die begroting stemmen. Mijn vraag aan de minister is wat hij gaat doen om ervoor te zorgen dat gewoon de wet wordt nageleefd. Ik kom op onderwijs. De Partij voor de Vrijheid is erg blij met de fusietoets en de fusiemotie, die wij gisteren ook uitgebreid mochten bespreken. Hopelijk stemt de volgende keer mevrouw Verdonk ook mee. De erkenning van de minister dat de menselijke maat op scholen onder druk is komen te staan, is heel belangrijk. Leerlingen, docenten en ouders voelen zich vaak niet gezien of gehoord. Er zijn monopolistische schoolbesturen ontstaan. Daardoor is de keuzevrijheid op veel plaatsen aangetast. Ik noem maar wat: Deventer heeft nog één schoolbestuur, zowel voor primair als voor voortgezet onderwijs. Dat is niet goed. Ziet de minister dat ook? Is hij bereid om keuzevrijheid centraal te stellen in het beleid? Onderwijsvrijheid begint ten slotte met de mogelijkheid om te kiezen. De Onderwijsraad doet een voorstel. Hij vindt dat er in elk voedingsgebied meerdere aanbieders moeten zijn per onderwijstype. Dat is erg ambitieus. Mijn vraag aan de minister is of hij bereid is om deze uitspraak van de Onderwijsraad tot beleidsdoel te verheffen. Nieuws en nieuwtjes over de kwaliteit van het onderwijs blijven ons constant bereiken. Gisteren kregen wij weer het bericht over het onderzoek van TIMSS. Ik had er nooit van gehoord, maar het staat voor Trends in International Mathematics and Science Study. Dit ziet een neerwaartse trend in het rekenniveau in Nederland. Sinds 1995 is er sprake van een gestage achteruitgang. Dit soort nieuws dwingt ons om te kijken naar de basis en naar de school die die naam draagt. Daar wordt de kennis opgedaan die cruciaal is voor het verdere onderwijs en daar wordt de basis gelegd voor later succes. Omgedraaid geldt dat als de basis niet goed is, zich achterstanden voordoen die er later nauwelijks nog uit te krijgen zijn. Het grootste probleem, in de bescheiden optiek van mijn fractie, ligt bij de cultuur op scholen. Die is te veel \"alles moet leuk zijn\" en te weinig gericht op resultaat, heel simpel te definiëren als leeropbrengst. De heer Meijerink van de gelijknamige commissie zegt dat kinderen het vooral maar prettig moeten hebben op school, dat er te weinig geautomatiseerd wordt – vroeger heette dat stampen – en dat er te veel \"leuke\" projecten worden gedaan. Gezien de cijfers moet het misschien maar wat minder leuk worden op school. Gezelligheid is prima, maar 1,5 mln. functionele analfabeten is echt geen feestje waard. Heldere eindtermen zijn het antwoord. De Onderwijsraad heeft meermalen gepleit voor harde eindtermen, wat mijn fractie betreft te definiëren op detailniveau. Wij gaan nu richting referentieniveaus. Die stuurt de staatssecretaris ons in het voorjaar van 2009 op. Voor die tijd krijgen wij nog een hele serie veldraadplegingen. Er moet van alles gebeuren voordat er witte rook zal zijn; ik denk even aan al die ambtenaren en politici die er ook nog naar moeten kijken. De heer Jan Jacob van Dijk moet toch ergens \"artikel 23!\" roepen ... Als de staatssecretaris haar deadline niet haalt, wat is dan haar plan B? Moeten wij het haar niet gewoon gemakkelijk maken en nadenken over het adapteren van de Cito-toets als verplichte eindtoets? Dat is ook logisch, want het leerlingvolgsysteem is geënt op het Cito. Misschien is het best een idee om het hele circus over te slaan en vast te stellen dat wij al kerndoelen/referentieniveaus/eindtermen hebben, namelijk de Cito-toets. Maak die verplicht en zorg er ook voor dat kinderen weer gewoon kunnen blijven zitten. Dat gebeurt nu namelijk nog nauwelijks, het moet tenslotte wel leuk blijven allemaal. Dan kom ik op het competentiegericht leren. Mevrouw Verdonk heeft hier al het een en ander over gemeld. De Kamer laat het competentiegericht leren terecht onderzoeken door haar eigen onderzoeksbureau. Wij zien ondertussen dat het uitgerold wordt over de volle breedte van het mbo. Dat is geen goede zaak. Ook mijn fractie bereiken veel negatieve berichten over docenten die geen les meer geven maar passief aanwezig zijn en kennis die niet langer hard is, maar meer gaat in de richting van \"heeft goed meegedaan.\" Onderwijs lijkt een proces geworden en niet meer iets dat moet leiden tot afrekenbare zaken zoals kennisvermeerdering. Er bestaat bij mijn fractie de stellige overtuiging dat de invoering van het competentiegericht onderwijs een verkeerde zaak is. Recente onderzoeken van de AOb en het JOB hebben als uitkomst respectievelijk: te veel top-down en er wordt te weinig geleerd. Ondertussen wordt er nog volop gebouwd en verbouwd. Er komen nieuwe gebouwen, prachtig glimmend, met een nieuwe indeling, dus niet meer van die benauwde, ouderwetse klaslokalen. Er komen echter ook scholen zonder deuren. Heeft de minister een overzicht hoeveel er wordt verspijkerd? Moet er geen pas op de plaats worden gemaakt in afwachting van het Kameronderzoek? Mijn laatste 51 seconden wijd ik aan het hoofddoekje. De Kamer heeft een motie aangenomen die beoogt het dragen van een hoofddoek door politieagenten te beëindigen. Dat is een goede zaak. De minister van BZK heeft het opgepakt en introduceert de term \"lifestyle neutraliteit\". De minister heeft drie argumenten. Zij vindt dat de politie sterk moet zijn op de gebieden van gezagsuitstraling, neutraliteit en veiligheid. Dat zijn termen waar wij in het onderwijs ook iets mee kunnen. Het argument van veiligheid is dan niet zo relevant – er hebben mijn fractie nog geen berichten bereikt over hoofddoekjes die aan het schoolbord blijven haken – maar gezagsuitstraling en neutraliteit hebben wij hard nodig in de klaslokalen. Net als de politieagent neemt ook de leraar in onze maatschappij een bijzondere plaats in. Als ik in de tekst van het ministerie van BZK het word \"politieagent\" vervang door het woord \"leraar\", kom ik tot het volgende. \"Ook de leraar dient bij het uitoefenen van zijn of haar taak richting leerlingen gezag en respect uit te stralen. Uitingen die afbreuk kunnen doen aan de representativiteit en daarmee aan het gezag van de leraar dienen te worden vermeden.\" Een voorbeeld is dan onder andere het hoofddoekje. Ziet de minister de overeenkomsten tussen een politieagent en een leraar en is hij bereid tot een hoofddoekjesverbod voor docenten in het Nederlandse onderwijs?" 2008-12-18;Bosma;03127;PVV;h-tk-20082009-3547-3550.1.1.1;"Persbeleid ";1846;23;"Voorzitter. Ik wil drie moties indienen." 2009-01-14;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20082009-3664-3686.1.4.10;"Gaza ";544;1;"Dat staat ook in de eerste overweging van de motie, dat wij na dat optreden zien dat er sprake is van antisemitische uitingen. Dan trek je een grens. Je mag hierover natuurlijk een negatief oordeel hebben. Dat hoort bij de vrijheid van meningsuiting. Dat oordeel mag je ook in krachtige bewoordingen uiten. Wij moeten echter niet de grens over gaan. De grens moet helder worden gehouden dat wij niet op grond van het Israëlische optreden uitdrukkingen gaan bezigen als \"joden aan het gas\". Daar kan en mag nooit enige rechtvaardiging voor zijn." 2009-01-14;De Roon;03126;PVV;h-tk-20082009-3664-3686.1.5.22;"Gaza ";398;1;"De heer Voordewind hecht nogal veel waarde aan de voorwaarden van het Kwartet. Als Hamas daaraan maar voldoet, is contact wel toegestaan. Ik roep even de jaren dertig in herinnering, toen de heer Chamberlain uit München terugkwam met een vredesakkoord dat ondertekend was door de heer Adolf Hitler. Denkt de heer Voordewind nu echt dat de hellehonden van Hamas betrouwbaarder zijn dan Adolf Hitler?" 2009-01-28;Karabulut;03102;SP;h-tk-20082009-4065-4090.1.2.1;"Antidiscriminatievoorzieningen ";5035;9;"Voorzitter. Het recht op gelijke behandeling is een van onze grondrechten en een parel van onze democratie: \"Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Discriminatie wegens godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras, geslacht of op welke grond dan ook, is niet toegestaan.\" Tegenover dat recht staat een verbod op discriminatie. Vandaag bepreken wij het wetsvoorstel Wet gemeentelijke antidiscriminatievoorzieningen. Een wet die ervoor moet zorgen dat als je te maken krijgt met discriminatie – wie je ook bent en waar je ook woont – je terechtkunt bij een bureau voor advies en bijstand. Een wet die een schakel toevoegt en de keten rond maakt van instrumenten om discriminatie te voorkomen en te bestrijden, mensen weerbaar te maken en te beschermen tegen ongelijke behandeling in de breedste zin des woords. Ieder geval van discriminatie is er een te veel. Nog altijd worden mensen geweigerd voor een baan vanwege hun leeftijd, beperking of naam. Nog altijd is er discriminatie van homoseksuelen, joden, moslims. Wij spreken daar regelmatig met elkaar over. Al een aantal jaren wachten wij op een antidiscriminatieplan. Ook van dit kabinet hebben wij dit plan – ondanks eerdere beloftes dat het snel zou komen – nog altijd niet ontvangen. Aan de minister voor WWI vraag ik: wanneer komt dat er plan er nu? Welke rol krijgen gemeenten daarin? Het voorliggende wetsvoorstel dat ervoor moet zorgen dat alle gemeenten in Nederland hun inwoners toegang bieden tot een antidisriminatievoorziening, is een volgende stap om discriminatie te \"genezen\" maar vooral te voorkomen. Het tot stand komen van dit wetsvoorstel heeft best lang geduurd en heel wat voorwerk gevergd. De SP-fractie kan er alleen maar blij mee zijn dat het er nu ligt. Een aantal gemeenten heeft al een goed antidiscriminatiebureau en een meldpunt, maar een groot aantal heeft dat niet. Met het doel van het wetsvoorstel is de SP-fractie het eens, maar zij heeft nog wel een groot aantal vragen. Die hebben betrekking op drie punten: de taken en het werkterrein, de organisatie en de financiering. Ik begin met de taken. Het kabinet heeft gebruikgemaakt van het advies dat de commissie-Borst heeft uitgebracht over wat nodig is om te komen tot een landelijk dekkend netwerk van antidiscriminatievoorzieningen. Als de taken van deze voorziening noemt de commissie: klachtenbehandeling, klachtenregistratie, monitoring, voorlichting en advies. Het kabinet kiest ervoor om slechts twee van de vijf door de commissie geformuleerde taken over te nemen. Dat is merkwaardig, omdat daarmee geen volwaardig dekkend netwerk ontstaat, en omdat het kabinet ook zelf aangeeft dat alle taken even belangrijk en nodig zijn. De argumentatie van de regering om deze taken niet in het wetsvoorstel op te nemen, is helemaal niet overtuigend. Denkt de minister voor WWI niet dat beleidsadviezen en voorlichting cruciaal zijn om discriminatie terug te dringen, zeker gezien het grote aantal gemeenten dat deze taken nog niet tot onderdeel van hun takenpakket heeft gemaakt? Waarom zouden dit geen wettelijke taken moeten zijn? Wat heb je aan droge cijfers en registratie als je de ontwikkeling niet volgt, geen conclusies trekt, de mensen die er verstand van hebben niet laat adviseren en de betrokken partijen in een gemeente niet voorlicht over zaken als deurbeleid en leeftijdsdiscriminatie? Op die manier kunnen mensen en partijen bij elkaar worden gebracht. Voorkomen is toch beter dan genezen? Graag krijg ik een reactie. Misschien was er een financieel motief om te kiezen voor slechts twee van de vijf taken. Dit kan flink schelen in de kosten. Mijn fractie adviseert dringend om geen half werk te leveren maar echt werk te maken van discriminatiebestrijding. Ik sta dan ook zeer positief tegenover de amendementen hierover op de stukken nrs. 8 en 9 van de fractie van de ChristenUnie. Deze zal ik met een positief advies aan mijn fractie ter bespreking voorleggen. Ik wil wel graag dat de fractie van de ChristenUnie de volgende vraag beantwoordt: deelt u mijn mening dat het onvermijdelijk is om extra geld uit te trekken als wij extra taken in de wet vastleggen, en zo ja, gaat u dit dan ook regelen in het kabinet? Dan kom ik op het punt waarvoor de landelijke vereniging van antidiscriminatievoorzieningen terecht aandacht vraagt, namelijk de reikwijdte van taken. Het kabinet schrijft in de memorie van toelichting dat mensen met alle soorten discriminatieklachten bij een antidiscriminatievoorziening terecht moeten kunnen. Het regelt dat echter niet in het wetsvoorstel. Het kabinet geeft een opsomming van wetten. Die is echter niet volledig en daarin wordt geen rekening gehouden met reeds geplande wetten die betrekking hebben op gelijke behandeling en evenmin met wetten op dat punt die in de toekomst misschien veranderen. In die gevallen zou de wet dus voortdurend moeten worden aangepast. Waarom heeft het kabinet gekozen voor een limiet en regelt het niet wat het zegt te willen regelen? Ik kom op de organisatie." 2009-02-18;Wilders;02258;PVV;h-tk-20082009-4514-4535.1.2.1;"Niet toelaten Wilders ";4061;8;"Voorzitter. Vorige week donderdag werd de vrijheid van meningsuiting een zware slag toegebracht. Dit keer niet door een Amsterdams hof, maar door de regering van het Verenigd Koninkrijk. Een gekozen parlementslid van een land dat lid is van de Europese Unie, die zou spreken op uitnodiging van een lid van het eerbiedwaardige Britse Hogerhuis, werd door de Britse regering al op het vliegveld geweigerd. In plaats van op uitnodiging te spreken in de House of Lords, zat ik een paar uur op Heathrow in een detentiecentrum. Volgens de Britten zou ik de sociale cohesie bedreigen en daardoor een gevaar zijn voor de openbare orde. In een tweede brief, die ik in mijn handen gedrukt kreeg vlak voordat ik in het vliegtuig terug naar Amsterdam werd gezet, wordt niet alleen verwezen naar mijn vervolging in Nederland, maar staat zelfs dat mijn aanwezigheid in het Verenigd Koninkrijk zou kunnen leiden tot geweld tussen bevolkingsgroepen. Er was niet eens één demonstrant op straat! De Britse regering is volledig doorgedraaid. De Britse gastvrijheid blijkt ook selectief te zijn. Mahmud Suleiman Ahmed Aburide, verbonden aan Al Qaida, iemand die geld inzamelt voor jihadistische organisaties, was wel welkom in Engeland, zelfs als gast in het Britse parlement. Demonstraties ter ondersteuning van de terreurorganisatie Hamas worden ook gewoon toegestaan door de Britse regering. Een popgroep die zingt dat homo's moeten worden vermoord, kan gewoon optreden in het Verenigd Koninkrijk. De woordvoerder van de terreurgroep Hezbollah, Ibrahim Mousawi, was nog eind vorig jaar van harte welkom in Londen. Eerder was Yusuf al-Qaradawi, die zelfmoordaanslagen verheerlijkt en wil schieten op Joden, van harte welkom in het Verenigd Koninkrijk. Maar een democratisch gekozen Westerse islamcriticus die door geen rechtbank in de wereld en die door een Britse collega-parlemen­tariër is uitgenodigd, wordt het land uitgeknikkerd. Inderdaad, iemand zei het al eerder: Winston Churchill, diezelfde Winston Churchill die de Koran vergeleek met Mein Kampf, zou zich in zijn graf omdraaien. Dit alles geeft weer eens aan hoe de scheidslijnen van de oorlog liggen die in Europa woedt. Boze moslims oefenen druk uit. Moslimparlementariërs zetten zich in voor de islam en linkse politici bedrijven cliëntelisme en buigen voor die achterlijke woestijnideologie. Zo gaat het. Waar links en de islam samengaan, daar is het met onze vrijheid snel gedaan. Dan de Nederlandse regering. Die liet plichtmatige ketelmuziek horen. De Britse ambassadeur werd weliswaar door minister Verhagen uitgenodigd om, vermoedelijk onder het genot van een kopje Earl Grey, een en ander toe te lichten, maar de Britse ambassadeur had natuurlijk moeten worden ontboden. Niet uitgenodigd, maar ontboden. Het meest kwalijke is wel de totale afwezigheid van de minister-president. Dat is niet voor de eerste keer. Vorig jaar, kort na het verschijnen van mijn film Fitna, verklaarde het Indonesische staatshoofd dat ik nooit meer Indonesië in mag. Ik heb het met eigen ogen op televisie gezien. Waar was de minister-president toen? Hij liet het ook toen afweten. Nu laat de minister-president het met Engeland opnieuw afweten. Een slap telefoontje achteraf op vrijdag, toen het allemaal al gebeurd was, naar de Britse premier Brown met nul komma nul resultaat. Ik moest maar – zo hoorde ik de minister-president zeggen – in beroep gaan tegen die beslissing. Ik was daar immers flink genoeg voor. Mijnheer Balkenende, wanneer wordt u nu een keer flink? Wanneer wordt de minister-president nu een keer flink? Wanneer komt hij nu een keer op voor de belangen van het Nederlandse parlement? Waarom doet hij dat niet? De minister-president toont opnieuw geen enkel leiderschap. Laat ik nog één poging doen en ik hoop niet tegen beter weten in. Ik vraag het kabinet en de minister-president in het bijzonder alsnog te eisen – niet te vragen maar te eisen – dat de Britse regering het besluit om een Nederlands Tweede Kamerlid niet toe te laten tot het Verenigd Koninkrijk, terugdraait. Voor minder doen wij het niet." 2009-02-18;Verhagen;02920;"";h-tk-20082009-4514-4535.1.3.1;"Niet toelaten Wilders ";12202;16;"Voorzitter. Ik dank de heer Wilders voor zijn interpellatievragen. Ik zal eerst reageren op de eerste twee vragen. Op maandag 9ENTITY-#160februari 2009 vernam ik aan het eind van de middag van de Britse ambassadeur dat de Britse autoriteiten voornemens waren om de heer Wilders de toegang tot het Verenigd Koninkrijk te weigeren. Toen ik op de hoogte werd gesteld van dit voornemen, heb ik onmiddellijk bij de Britse ambassadeur bepleit dit voorgenomen besluit in heroverweging te nemen. Ik heb met mijn collega van Justitie contact opgenomen, opdat hij met zijn Britse ambtgenoot zou komen tot een verzoek om heroverweging. Maandag heeft ook de minister van Justitie gebeld met zijn Britse ambtgenoot met hetzelfde verzoek tot heroverweging. Ik was dus op dat moment voor de heer Wilders bezig om aan te dringen op heroverweging en herziening van het voorgenomen besluit. Toen dinsdag duidelijk werd dat er geen heroverweging zou komen en dat de Britse autoriteiten bij hun besluit zouden blijven, heb ik contact gezocht met de heer Wilders. Ik heb hem gebeld en geïnformeerd over de gang van zaken. Hij was mij uiterst dankbaar en was zeer blij met wat ik voor hem deed en gedaan had. In die zin verbaast het mij dan ook dat hij de vraag stelt wanneer ik bekend was met het voornemen om het besluit te nemen. Ik heb hem dat immers allemaal verteld. Ik ben ook verbaasd dat hij in dit debat en in de media heel andere bewoordingen gebruikt dan in een persoonlijk gesprek tussen hem en mij. Hij doet nu alsof er niets goed is, maar vond toen dat er uitstekend was gehandeld. Wie weet, heeft hij per dag een andere opvatting. Dan kom ik bij de derde vraag, namelijk of parlementariërs vrij moeten kunnen reizen. Zoals in de antwoordbrief op vragen van de leden Van Haersma Buma, Haverkamp, Halsema en Pechtold door de staatssecretaris van Justitie en mij reeds werd aangegeven, is het kabinet van mening dat burgers, en zeker ook parlementariërs, binnen de Europese Unie vrij moeten kunnen reizen en moeten kunnen deelnemen aan het publieke debat, zulks niettegenstaande beperkingen die democratisch zijn vastgesteld, zoals ten aanzien van openbare orde en veiligheid. Die beperkingen willen wij ook in Nederland zelf kunnen blijven hanteren. Ook in Nederland willen wij mensen, dus ook parlementariërs, kunnen blijven weren die de openbare orde en veiligheid in gevaar brengen. Ik noem mensen die de Holocaust ontkennen of bagatelliseren, die racistische denkbeelden over Joden tentoonspreiden. Dit zijn zaken waar de heer Wilders zich, en terecht, altijd zeer over opwindt, evenals leden van andere fracties. Het onderwerp van het oproepen tot haat en het zaaien van tweedracht ligt de Kamer ook na aan het hart, zo merkte ik de laatste weken bij de uitlatingen van bisschop Williamson. Ook tegen deze uitspraken hebben wij ons gezamenlijk verzet. Zijn parlementariërs dan ineens gevrijwaard? Parlementariërs die homofobe uitlatingen doen of die oproepen tot haat ten aanzien van deze personen willen wij kunnen blijven weren, als dat een gevaar oplevert voor onze openbare orde, voor onze eigen veiligheid. Ik vind niet dat zij, omdat zij parlementariër zijn, te allen tijde in ons land toegelaten moeten worden. Dat geldt ook als het een directe oproep tot geweld tegenover bijvoorbeeld homoseksuele landgenoten betreft. De heer Wilders vraagt waarom ik de Britse ambassadeur slechts uitgenodigd en niet ontboden heb. Dat heb ik gedaan omdat ik al in zeer duidelijke bewoordingen onze opvattingen aan mijn Britse collega had duidelijk gemaakt en er derhalve geen misverstand over kon bestaan dat het kabinet deze beslissing ten zeerste betreurde, verkeerd achtte en ertegen protesteerde en aangedrongen had op heroverweging. Daarom heb ik de Britse ambassadeur uitgenodigd. Je roept een ambassadeur op het matje op het moment dat je vindt dat hij de minister van Buitenlandse Zaken van zijn land moet aanspreken. Ik had de minister van Buitenlandse Zaken op dit punt in zeer duidelijke bewoordingen onze opvattingen kenbaar gemaakt. Het is de minister die een ambassadeur aanstuurt en niet andersom. Daarom heb ik de minister rechtstreeks aangesproken, evenals mijn collega van Justitie zijn counterpart, om hun mee te delen dat wij dit een onjuist, verkeerd besluit vonden. Ik heb de Britse ambassadeur uitgenodigd om mij te laten informeren over de uitkomst van de heroverweging waartoe wij de Britse regering hadden opgeroepen. De heer Wilders vraagt ook of wij de ambassadeur alsnog willen ontbieden om te eisen dat de Britten hun besluit terugdraaien en, zo nee, waarom niet. Het besluit van de Britse regering om de heer Wilders de toegang tot het Verenigd Koninkrijk te ontzeggen, is genomen op basis van bepalingen 19 en 21 van de Britse Immigration Regulation uit 2006. Regulation 19 luidt: \"A person is not entitled to be admitted to the United Kingdom by virtue of regulation 11 if his exclusion is justified on grounds of public policy, public security or public health in accordance with regulation 21.\" In regulation 21 wordt de toepassing van die weigeringsgrond openbare veiligheid in concreto geregeld. Daar staat onder andere dat het besluit genomen kan worden op basis van de volgende gronden: \"Where a relevant decision is taken on grounds of public policy or public security it shall, in addition to complying with the preceding paragraphs of this regulation, be taken in accordance with the following principles: a. the decision must comply with the principle of proportionality; b. the decision must be based exclusively on the personal conduct of the person concerned; c. the personal conduct of the person concerned must represent a genuine, present and sufficiently serious threat affecting one of the fundamental interests of society ...\" Zo gaat het nog een tijdje door. Wij kennen op dat punt ook Europese regels die dat toetsen, waarbij bekeken wordt of de Britse regels daarmee in overeenstemming zijn. Die Britse regels zijn in wezen de implementatie van Richtlijn 2004/38/EG waarin zeer nadrukkelijk staat dat onverminderd het bepaalde de lidstaten de vrijheid van verkeer en verblijf van burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, kunnen beperken om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid. Die moeten dus in overeenstemming zijn met het evenredigheidsbeginsel en uitsluitend gebaseerd zijn op het gedrag van betrokkenen. Strafrechtelijke veroordelingen vormen als zodanig geen reden voor deze maatregel. Het gedrag moet een actuele, werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van de fundamentele belangen van de samenleving vormen. De Britse autoriteiten hebben de heer Wilders meegedeeld dat hij binnen een redelijke termijn beroep kan aantekenen tegen deze beslissing. Zij baseren zich dus op EG-recht, op een richtlijn, op hun eigen regulering die een implementatie is van die richtlijn. Wij – en ik neem aan ook de heer Wilders – zijn echter van mening dat dit een onjuiste toepassing is en dat men onvoldoende grond heeft om de heer Wilders de toegang te weigeren op basis van bedreiging van de openbare orde. Ik heb op 12ENTITY-#160februari al publiekelijk gezegd dat ik van mening ben dat de heer Wilders beroep zou moeten aantekenen tegen deze beslissing. Dat is het enige wat gedaan kan worden om dit naar onze mening onterechte besluit van tafel te krijgen. Naar mijn mening is dit de weg die de heer Wilders zou moeten bewandelen om deze op zijn persoon gerichte beslissing te kunnen laten terugdraaien. Overigens heeft Nederland ook wetgeving, gedragen door een meerderheid van deze Kamer, op basis van deze richtlijn. Nederland moet zich, als het aan de heer Wilders ligt, hier ook vaak op beroepen. De heer Wilders is altijd voor streng, zo kennen wij hem, en als een ander land dit doet, kunnen wij niet ineens doen alsof dat niet mag of zou mogen, dan moeten wij gewoon de juridische procedure volgen. Ik acht de heer Wilders prima in staat om deze beslissing aan te vechten bij de rechter en ik raad hem nogmaals aan om dat te doen. De vraag is gesteld of ik ervoor wil zorgen, dan wel of de Nederlandse regering ervoor wil zorgen dat democratisch gekozen parlementariërs hoe dan ook vrij kunnen reizen en nooit de toegang tot een andere lidstaat zou mogen worden ontzegd. De heer Wilders vroeg wat wij zullen doen om dit te bewerkstelligen. Noch de Nederlandse regering, noch enige andere individuele regering kan daarvoor zorgen, omdat wij het vrij verkeer van personen gezamenlijk regelen in Europa. De regels die het Verenigd Koninkrijk toepast, zijn op een EU-brede richtlijn gebaseerd en ook Nederland heeft zijn eigen regels, aanvaard door de Kamer, met dezelfde strekking. Als iemand een gevaar oplevert of kan opleveren voor de openbare orde of de nationale veiligheid, zeggen wij ook dat hem de toegang mag worden geweigerd. Laat ik het zo zeggen: wij weerden de heer Haniyeh om soortgelijke redenen. Hij is weliswaar geen Europees parlementariër maar wel een democratisch gekozen volksvertegenwoordiger, of wij dat nu leuk vinden of niet. Niettemin was het kabinet van mening dat zijn komst ongewenst was uit overwegingen van openbare orde en veiligheid en de Kamer was het daarmee eens. Bijzondere regels die het vrije verkeer van nationale parlementsleden onvoorwaardelijk zouden garanderen, kunnen theoretisch worden opgenomen in een aparte regeling of in een wijziging van de richtlijn voor vrij verkeer van personen, maar het initiatiefrecht daarvoor ligt niet bij de lidstaten, maar bij de Europese Commissie, die daartoe een voorstel zou moeten doen aan de Raad en aan het Europees Parlement die gezamenlijk moeten beslissen. De heer Wilders heeft gevraagd of wij zijn mening delen over de motivering om hem de toegang tot het Verenigd Koninkrijk te weigeren. Ik wijs erop dat de citaten die in de vragen zijn gebruikt, niet overeenkomen met de motivering die in de brief van de UK Border Agency van 10ENTITY-#160februari jongstleden. Ik verwijs naar mijn antwoorden van 17ENTITY-#160februari op schriftelijke Kamervragen. Ik stel daarin dat ik de beslissing niet alleen in hoge mate betreur, maar ook verkeerd acht. Ik vind het dus een verkeerd besluit en ik deel dus niet de opvatting dat de heer Wilders op basis van deze motivering geweigerd zou moeten zijn. De heer Wilders vraagt vervolgens wat mijn aanbod inhoudt om hem bij te staan in een mogelijke beroepsprocedure. De heer Wilders kan in beroep gaan tegen het besluit van het Verenigd Koninkrijk bij de Britse rechter. Ik ben van mening dat hij dat ook moet doen en als hij dat wenst, zal Nederland hem daarbij met advies bijstaan. Dit betekent: advisering bij de keuze van een advocaat als de heer Wilders dat op prijs stelt en het verstrekken van inhoudelijke informatie, maar het betekent niet: betalen of de Staat als procespartij. Ten eerste is de Staat geen procespartij omdat het besluit zich richt op een individu. Het is gericht op de heer Wilders, dus wij kunnen überhaupt niet in beroep gaan. Hij kan dat wel. Ten tweede zeg ik ja als het gaat om normale consulaire bijstand, maar als het gaat om het financieren van een advocaat, zeg ik nee. Geen enkele Nederlander die €ENTITY-#16090.000 verdient, met alle respect, krijgt gratis rechtsbijstand. Ik neem toch aan dat ook de heer Wilders vindt dat wij niet met twee maten moeten meten, een voor de heer Wilders en een voor de gewone Nederlander. Tenminste, dat zijn wij niet van plan. Ik kom op de laatste vraag die ik voor mijn rekening zal nemen. Op de andere vragen zal de minister-president ingaan. Op de vraag of wij de mening delen dat het aanbod aan de heer Wilders om hem bij te staan meer indruk zal maken op de Britten als dit gepaard gaat met grotere politieke druk, antwoord ik nee, want het standpunt van het Nederlandse kabinet is overduidelijk bekend bij de Britse autoriteiten. Dus los van deze vraag: of er, hoezeer wij ook op onze kop gaan staan, een andere uitkomst zou zijn dan nu het geval is en dan wij zelf zouden wensen, waag ik ten zeerste te betwijfelen. Ik denk dat er maar één oplossing is en die wil ik hier onderstrepen. Juist omdat naar onze mening de Britse autoriteiten een onterecht besluit hebben genomen, moet de heer Wilders dat ook aanvechten bij de Britse rechter." 2009-05-19;Verdonk;02995;Verdonk;h-tk-20082009-6637-6639.1.2.12;"Vragenuur ";760;1;"Voorzitter. Ik geef de staatssecretaris een compliment voor haar adequate handelen. Ik roep haar op om dat veel breder te doen. Het gebeurt in het onderwijs veel vaker dan alleen bij schriftelijke stukken dat er gewoon politieke indoctrinatie plaatsvindt. Het gebeurt dat ik word benaderd door leerlingen van lagere scholen die als zij op school vertellen dat hun ouders iets doen voor Trots op Nederland worden uitgemaakt voor Hitler. Het gebeurt dat hoogleraren politicologie Trots op Nederland wegzetten als een extreem racistische partij. Dat gebeurt allemaal binnen het onderwijs, een links bolwerk. Ik vraag de staatssecretaris wat voor maatregelen zij gaat nemen om dit soort wantoestanden, deze schandalige, niet te tolereren praktijken, tegen te gaan." 2009-06-23;De Roon;03126;PVV;h-tk-20082009-7742-7773.1.5.37;"Europese Top ";1708;2;"Het is natuurlijk niet de bedoeling van de PVV dat er oorlog gevoerd gaat worden tegen Iran. Wij hopen dat dit nooit nodig zal zijn. Het is echter afhankelijk van de ontwikkelingen in Iran. We praten dan niet over de huidige politieke ontwikkelingen, maar over de ontwikkeling van kernenergie in Iran en het gebrek aan openheid over de bedoelingen daarvan. We praten over het weren van de buitenwereld, die daarover informatie wil hebben. Daar hebben we het over. Als de realisering van een Iraanse kernbom dichtbij lijkt te komen en bepaalde landen vinden dat zij militair moeten gaan optreden voordat Iran de kernbom daadwerkelijk produceert, dan vind ik dat Nederland in principe open moet staan voor een verzoek om assistentie daarbij. Dat is de enige inhoud van de moties. Wij hebben niet gezegd dat er Nederlandse bommenwerpers naar Iran gestuurd moeten worden. We hebben alleen gezegd: als het zo ver lijkt te komen, moet de Nederlandse regering open staan voor zo'n verzoek. We zullen dat verzoek uiteraard op dat moment op zijn redelijkheid en billijkheid beoordelen. Ik moet zeggen dat ik wel verbaasd ben dat de heer Van Bommel ... nee, eigenlijk ben ik ook niet verbaasd dat de heer Van Bommel nu met dit verhaal naar voren komt. Hij is in onze ogen een soort shariasocialist. Hij heeft namens de SP geroepen dat Ahmadinejad een man van het volk is. Zo kennen we hem en de SP ook wel: altijd aan de verkeerde kant van de streep, met lovende woorden voor een van de grootste misdadigers en antisemieten ter wereld en vooropgaand in een demonstratie waarin \"Hamas, hamas, Joden aan het gas\" klinkt. De SP en Ahmadinejad tegen de kleine satan, zo gaat dat. En dan raar opkijken als kiezers weglopen." 2009-10-14;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-1026-1048.1.7.1;"Klimaatconferentie Kopenhagen ";2047;9;"Voorzitter. De PVV is voor een eerlijk en open debat. Het klimaatdebat is kil. Collega Thieme had het in haar eerste termijn vol lof over voorzitter Pachauri van het IPCC. Het was wel diezelfde Pachauri die de Deense klimaatbeleidcriticus Bjorn Lomborg vergeleek met Adolf Hitler. Al Gore noemde critici holocaustontkenners. In zijn eerste termijn moet heerschap Samsom van de almaar krimpende PvdA ook lelijk doen richting de enige kritische partij in het klimaatdebat; een partij die wil weten of al die miljarden belastingeuro's wel goed besteed worden. Ik houd het maar op: een kat in het nauw maakt rare sprongen. De PVV zet vraagtekens of met het spenderen van miljarden euro's het klimaat kan worden beïnvloed. Zelfs in het boekje \"De Staat van het Klimaat\" van het PCCC staat: \"Het klimaatsysteem is zeer complex door vele processen en interacties.\" De belangrijkste onzekerheden zijn onzekerheden in menselijke en natuurlijke factoren die een rol spelen bij veranderingen, onzekerheden in de mate van veranderingen, onzekerheden in de oorzaken van veranderingen en onzekerheden in de betekenis van veranderingen in de toekomst. Op basis van deze onzekerheden willen sommigen hier wereldwijd miljarden euro's uitgeven. Wat wij weten van het klimaat, is dat wij het niet weten. Bijvoorbeeld over de rol van de zon en wolken, die niet in computermodellen passen, is onvoldoende bekend. Wat als wetenschappers die afkoeling voorspellen gelijk hebben? Dan zijn wij al die centjes kwijt die wij op een andere manier hadden kunnen benutten. Vandaar deze motie." 2009-11-18;De Roon;03126;PVV;h-tk-20092010-26-2341.1.10.14;"Buitenlandse Zaken (begroting) ";778;1;"Dan gaan wij terug naar de situatie toen Turkije die gebieden nog bezet hield. Turkije is eruit gegooid door Engeland en Frankrijk. Toen is het overgenomen door Engeland. Engeland heeft in de Balfour Declaration een deel van dat gebied beloofd aan de Joden. Die zijn dat recht komen opeisen in de jaren veertig. Eigenlijk al eerder, want zij zijn er al eerder naar toe getrokken, maar uiteindelijk hebben zij in de jaren veertig daar de staat Israël uitgeroepen. Wat mij betreft hebben zij gewoon recht op het gebied tot aan de Jordaan. De Palestijnse staat ligt aan de oostzijde van de Jordaan en mensen die in Israël en Judea en Samaria wonen en het daarmee niet eens zijn, zijn wat mij betreft volledig vrij om te vertrekken naar het gebied aan de andere kant van de Jordaan." 2009-11-19;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-27-2471.1.7.1;"Winkelsluiting ";259;1;"Voorzitter. Na dit debat moeten we constateren dat moslims en joden toleranter zijn dan neomaoïsten en staatkundig gereformeerden. Joden en moslims hebben immers geen initiatieven genomen om ervoor te zorgen dat op hun heilige dagen niet mag worden gewinkeld." 2009-11-19;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-27-2471.1.2.9;"Winkelsluiting ";425;1;"Inderdaad, er is respect voor joden en moslims die op andere dagen een rustdag hebben. D66, maar ook de VVD, links en rechts zeggen: voor werknemers die op die dag niet willen werken, moeten wij respect hebben. Dat vinden wij allen in deze Kamer. Alleen wij vinden ook dat er respect moet zijn voor de mensen die hun zondag, zaterdag of vrijdag anders willen invullen. Die wederkerigheid kunnen wij toch van elkaar verlangen." 2009-11-19;Van der Vlies;02682;SGP;h-tk-20092010-27-2471.1.2.8;"Winkelsluiting ";671;1;"Dat is inherent aan de christelijke traditie, en die is medebepalend geweest voor de wetgeving waarin wij, om het zo te zeggen, ademen. Dat kan toch niet worden ontkend. Inderdaad zijn er andere religies met andere rustdagen. De joden vormen daarvan het heel duidelijke voorbeeld. Zij hebben altijd een plek in onze samenleving gehad en zij ontmoeten ook volop respect voor hun vereiste. Dat is altijd in de sfeer van arbeidscontracten en dergelijke geregeld, maar dat heeft er nooit toe geleid om het symbool van die ene rustdag op de zevende dag van de week op te geven of ter discussie te stellen, dan wel om dat diffuus te maken door iedereen een dag te laten kiezen." 2009-11-19;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-27-2471.1.2.7;"Winkelsluiting ";354;1;"U hebt het over joods-christelijk, een term die wij als heel natuurlijk aannemen, maar de joden hebben als rustdag de zaterdag. Wij hebben nooit een rustdag op de zaterdag gehad. Dat hebben wij niet zo georganiseerd. Dus de joden laten wel anderen de ruimte om op hun rustdag, hun heilige dag te winkelen. Waarom zouden de christenen dat ook niet kunnen?" 2009-11-19;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-27-2471.1.2.5;"Winkelsluiting ";912;1;"Het belang van een rustdag onderschrijf ik heel erg. Het is heel belangrijk dat je niet alleen maar doorjakkert, maar dat je ook eens af en toe een dagje rust pakt of misschien wel twee. Daarover ben ik het dus helemaal met de heer Van der Vlies eens. Levens lopen echter niet helemaal synchroon. Sommige mensen werken in de gezondheidszorg en moeten op zondag werken, wat hij naar ik aanneem ook niet kwalijk zal vinden. Die hebben dus een ander patroon. Hij had het over andere religies. Joden en moslims hebben andere rustdagen, maar zijn gewend dat in de Nederlandse samenleving – overigens ook in de samenlevingen waar zij vandaan komen – op die dag gewerkt wordt. In elk geval in de Nederlandse samenleving. Met hun rustdag wordt geen rekening gehouden in het economische model wat de winkeltijden betreft. De bijna synchrone wereld die de heer Van der Vlies hier schetst, bestaat dus in de realiteit niet." 2009-11-24;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-28-2553.1.6.8;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";282;1;"Wat doen wij met de orthodoxe joden, wier vrouwen hun haar afscheren en pruiken opzetten? Wat doen wij met christelijk-gereformeerde mensen die hoedjes opzetten in de kerk, wat ook te maken heeft met het hoofd bedekken? Hoe gaat u in de uiterlijke schijn een onderscheid aanbrengen?" 2009-11-24;Van der Ham;02317;D66;h-tk-20092010-28-2553.1.6.15;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";659;1;"Dat is goed. Het is natuurlijk afschuwelijk als er op een school geen lessen kunnen worden gegeven over de Holocaust. Maar wat is er naar aanleiding van die incidenten gebeurd? Er zijn toen projecten opgestart met joodse en islamitische jongeren die samen zijn gaan lesgeven op dat soort scholen. En inderdaad, toen die leerlingen er meer van wisten, zijn zij er anders over gaan nadenken. Als u hier zegt dat het niet goed is als dat gebeurt, dan maakt u dus wel een punt, maar er zijn zo veel initiatieven, ook van moslims samen met joden, christenen en niet-gelovige mensen, die uiteindelijk resultaat kunnen sorteren. Waarom geeft u daaraan geen aandacht?" 2009-11-24;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20092010-28-2553.1.6.42;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";782;1;"Ik heb net een paar cijfers genoemd. Meer dan de helft van alle Turken in Nederland vindt dat vrouwen hier te veel vrijheden en te veel rechten hebben. Als u dat geen maatschappelijk probleem vindt, hebt u het niet goed begrepen. Ik heb ook aangegeven dat de helft van alle Turken en Marokkanen in Nederland de islamitische achtergrond niet samen vindt gaan met onze Westerse leefwijze. Deze mensen geven dus zelf aan, mevrouw Karabulut, dat hun islamitische achtergrond niet in dit land past. U moet ervaringsdeskundige zijn. U hebt gezien dat er een demonstratie is geweest waarbij mensen hardop: \"Hamas, Hamas, Joden aan het gas\" riepen. U was erbij! Ik hoef u toch niet uit te leggen dat wij hier te maken hebben met toenemende homohaat, toenemende Jodenhaat. U was er zelf bij!" 2009-11-24;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20092010-28-2553.1.9.15;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";251;1;"Of de heer Van der Ham daar even naar wil kijken. In de islam wordt alles wat niet moslim is – vrouwen, homo's, joden, ongelovigen in het algemeen – weggezet als minderwaardig aan moslims. Als hij het over ongelijkheid heeft, moet hij daarnaar kijken." 2009-11-25;Van der Laan;03180;"";h-tk-20092010-29-2636.1.12.36;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";4217;7;"Daar heb ik op zich geen bezwaar tegen. Het kan zijn dat de bewindspersonen van OCW er al iets over kunnen zeggen, dat sluit ik niet uit. Ik kan dat in elk geval niet toezeggen. Ik zal deze motie aan de bewindslieden van OCW doorgeleiden. De motie op stuk nr. 40 van de heer Dijsselbloem betreft de jobcoaches. Dat is een motie voor SZW. De evaluatie ligt ook bij SZW. Volgens mijn informatie is die gaande. Ik zal de motie naar de minister van SZW doorgeleiden. Ik weet niet of hij voor de stemmingen kan reageren. Ik wil wederom vragen of de heer Dijsselbloem bereid is om deze motie aan te houden, ervan uitgaande dat er snel op wordt gereageerd omdat het 1ENTITY-#160januari bekend moet zijn. Ik kom op de motie-Dijsselbloem op stuk nr. 41 over het openstellen van het Programma Meedoen. Ik zal dit met de collega van VWS opnemen, die daar primair over gaat. In 2010 zal ik de Kamer daarover informeren. Ik kan daarover niet op voorhand iets toezeggen, dus het is naar mijn idee het veiligst om de Kamer te ontraden, die motie aan te nemen. Ik kom op de motie-Fritsma op stuk nr. 42 over de slappe manier waarop het kabinet omgaat met de toenemende invloed van de islam. Die motie gaat over grote integratieproblemen, zoals toenemende haat tegen homo's en joden en de kernwaarde gelijkheid van man en vrouw die onder druk staat. Ik onderstreep nadrukkelijk de ernst en de urgentie van de problemen die de heer Fritsma in zijn motie beschrijft. Die exclusieve koppeling aan de islam kan ik niet delen. Bovendien pakt het kabinet de problemen wel aan. Ik ontraad de Kamer dan ook om deze motie aan te nemen. Ik ga in op de motie-Fritsma op stuk nr. 43 over het reisje van de \"hang- en reljeugd\". Ik zeg nogmaals dat het niet de \"hang- en reljeugd\" is, maar dat ik begrepen heb dat het juist gaat om een ander soort jeugd. Zojuist heb ik gehoord dat daarover gisteren gesproken is en dat daartegen in de stadsdeelraad veel verzet was, maar dat het wel doorgaat. Het ligt weer bij het dagelijks bestuur. Ik ben er ongelukkig mee en vind het ook van belang dat de uitgaven proportioneel worden gedaan. Ik blijf erbij dat je die jongens ook kunt belonen, dat je ze aan het werk kunt zetten en dat je ze nuttige dingen kunt laten doen. Ik wil dan ook onderzoeken hoe het zit. Het is de macht der gewoonte om te spreken over tuig en dergelijke. Daarin ga ik echt niet mee, dus vanwege de formulering ontraad ik de Kamer om deze motie aan te nemen. Dat neemt niet weg dat ik van mening ben dat de heer Fritsma een reëel probleem aan de orde stelt. Ik zeg dus nogmaals dat ik een en ander zal onderzoeken en dat ik erop terugkom. Ik kom op de motie-Fritsma op stuk nr. 44 over het opzeggen van internationale verdragen. Ik vind het niet verstandig om verdragen op te zeggen vanwege het feit dat je tegen bepaalde problemen aanloopt. Ik vind wel dat we op zoek moeten gaan naar andere mogelijkheden om meer dwang en drang in het stelsel te brengen. Dat zeg ik dus als het ware toe, maar ik ontraad de Kamer om deze motie aan te nemen. Ik kom op de motie-Ortega op stuk nr. 45 die betrekking heeft op laagdrempelige participatievoorzieningen. Ik beschouw deze motie als ondersteuning van het beleid en wijs erop dat het participatiebudget daarvoor al mogelijkheden biedt. Vorige week heb ik de Kamer geïnformeerd over het feit dat deelexamens in dat participatiebudget gehonoreerd kunnen worden. Ik ga in op de motie-Dibi op stuk nr. 46. Ik ben nieuwsgierig naar de gedachte van de heer Dibi. Hij zei dat hij meent dat het werkt. Dat is professionele voorzichtigheid, want ik twijfel er geen seconde aan dat hij dat zo ziet. Waarschijnlijk zal dat dan ook het geval zijn. Toch moet ik de Kamer op dit moment ontraden om die motie aan te nemen. Het geld voor de inburgeringscursussen wordt via de gemeenten geregeld. Ik kan initiatieven dus niet rechtstreeks betalen. Wel kan ik hierover met gemeenten praten. Ook kan ik in de rondeonderzoeken nagaan of zij dit herkennen en of zij bereid zijn om dat ook in te schakelen. Tevens zou ik de onderwijskoepels daarbij willen betrekken en ik neem daarover contact op met mijn collega. Ondanks dat ik de Kamer ontraad om deze motie aan te nemen, is niet gezegd dat daarmee niets wordt gedaan." 2009-11-25;Fritsma;03131;PVV;h-tk-20092010-29-2636.1.2.214;"Wonen, Wijken en Integratie (begroting) ";579;1;"De minister is ingegaan op vier voorbeelden en hij noemt ze integratieproblemen. Is de minister ook bereid om problemen als toenemende homo- en Jodenhaat in verband te brengen met de islam? Dat was mijn eigenlijke vraag. In zijn brief heeft de minister het wel over de toenemende homo- en Jodenhaat en dat de gelijkheid tussen man en vrouw, de scheiding tussen kerk en staat en de vrijheid van meningsuiting onder druk staan, maar waarom legt hij dan niet gewoon een relatie met de islam? Het zijn vaak geen boeddhisten die vinden dat vrouwen, homo's en Joden minderwaardig zijn." 2009-12-02;Graus;03128;PVV;h-tk-20092010-32-2992.1.6.5;"Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (begroting) ";84;1;"Ik maak hier bezwaar tegen, want wij zijn ook tegen het ritueel slachten door joden." 2009-12-02;Graus;03128;PVV;h-tk-20092010-32-2992.1.6.7;"Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (begroting) ";80;1;"Dat is echt zo, wij zijn tegen iedere vorm van ritueel slachten, ook door joden." 2009-12-02;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20092010-32-2992.1.6.12;"Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (begroting) ";482;1;"Ik ben benieuwd wat de heer Wilders ervan vindt dat de heer Graus hier zegt dat ook het ritueel slachten door joden bekritiseerd moet worden, want ik ken hem als iemand die daarover nooit wat zou willen zeggen. Volgens mij is het standpunt van GroenLinks heel duidelijk. Religie mag niet worden gebruikt om levende wezens onrecht of geweld aan te doen. Dat mag ook nooit zo worden uitgelegd, ook niet in dit geval. GroenLinks is voor verdoofd ritueel slachten. Daar laat ik het bij." 2010-01-13;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-41-4013.1.7.2;"Klimaatverandering ";403;1;"Ik werd getriggerd door de opmerking van de minister dat niemand mag worden uitgesloten. Wat vindt de minister dan van de uitspraak van oud-VN-secretaris-generaal Kofi Annan eind 2007: klimaatsceptici zijn persona non grata. De minister kent ook de heer Pachauri van het IPCC. Hij vergelijkt sceptici met Adolf Hitler. Wat vindt de minister van die uitspraken? Worden die mensen dan niet buitengesloten?" 2010-01-14;Anker;03114;ChristenUnie;h-tk-20092010-42-4131.1.4.1;"Nederlanderschap ";6973;9;"Voorzitter. Vorig jaar januari spraken wij in een algemeen overleg over de hoofdlijnen van de wijziging van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Die wetswijziging zijn wij nu aan het bespreken. In diezelfde week hebben wij ook het wetsvoorstel over een verklaring van verbondenheid besproken. Nu bespreken wij in het begin van een nieuw jaar wederom de wijzigingen in de Rijkswet op het Nederlanderschap. Het Nederlanderschap en het hebben van meerdere nationaliteiten zijn belangrijke onderwerpen. Het is dan ook helemaal niet verkeerd dat de Tweede Kamer daar jaarlijks grondig bij stilstaat. Daarbij zijn het ook emotionele onderwerpen. Het is een belangrijk gegeven jezelf verbonden te weten met de Nederlandse samenleving. Dat is een samenleving met een bepaald karakter, een waardengemeenschap. Nationaliteit is geen vrijblijvende kwestie alsof het om een abonnement op een krant zou gaan of een of ander leuk blad. Er zijn waardevolle rechten verbonden aan de Nederlandse nationaliteit en ook bepaalde plichten. In zijn algemeenheid spreekt de ChristenUnie-fractie graag over burgerschap, wat neerkomt op een betrokken deelname aan de samenleving. Uitgaande van die verbondenheid met een land is het goed te verdedigen dat de Rijkswet op het Nederlanderschap uitgaat van de hoofdregel dat er sprake is van één nationaliteit. Ook geeft het juridisch de nodige duidelijkheid, zeker wanneer er uit de andere nationaliteit bepaalde verplichtingen voortkomen. Een belangrijke nuance wil ik daar wel bij maken. In de Kamer wordt wel eens gesproken op een toon alsof iedereen met meerdere nationaliteiten een soort potentiële landverrader is omdat er een enorm loyaliteitsconflict zou zijn met de Nederlandse samenleving. Een dubbele nationaliteit zou gelijkstaan aan een dubbele loyaliteit. Aan die verdachtmakingen doet de ChristenUnie niet mee. Om het maar concreet te maken, wij hebben inmiddels een aantal prima politici en bestuurders in Nederland dat om verschillende redenen in het bezit is van meerdere nationaliteiten. Dat heeft hen er niet van weerhouden om zich met heel veel energie in te zetten voor de Nederlandse samenleving. Zij zijn in hun werk en leven juist een voorbeeld van loyale Nederlanders. Van een loyaliteitsbreuk mag je pas spreken als die zich echt manifesteert in daadwerkelijk handelen tegen essentiële belangen van het Koninkrijk. Ten overvloede merk ik op dat het bezit van de Nederlandse nationaliteit, of je die al bij je geboorte hebt of later verkrijgt, niet automatisch betekent dat iemand een voorbeeldburger is. Het wetsvoorstel dat wij nu bespreken, is er gekomen nadat een vorig wetsvoorstel aangaande het Nederlanderschap werd ingetrokken. Mijn voorgangster op dit onderwerp, Tineke Huizinga-Heringa, heeft daarin een belangrijke rol gespeeld, doordat het door haar ingediende amendement zich moeilijk leek te verhouden tot het wetsvoorstel. Daarom is uiteindelijk de definitieve stemming afgeblazen. Met haar amendement heeft zij destijds de verplichting om afstand te doen van andere nationaliteiten in verhouding willen brengen tot de eventuele negatieve gevolgen voor de persoon in kwestie. Dat deed zij overigens al vanuit de zeer gematigde verwachtingen over het nut van het toenmalige voorstel. Wij spreken vandaag over een wetsvoorstel met een nuchtere lijn als het gaat om het Nederlanderschap waarin een aantal zaken wordt geregeld. De belangrijkste wijziging is wat de ChristenUnie betreft, de wijziging in artikel 14, waarin wordt geregeld dat ook veroordeelden van bepaalde misdrijven het Nederlanderschap kunnen verliezen. Dat is een belangrijke verbetering in vergelijking met het vorige voorstel. Deze mensen hebben in hun daden laten zien geen enkele prijs te stellen op de Nederlandse samenleving. Sterker nog, zij willen die samenleving te gronde richten. Er is geen enkele loyaliteit met het Koninkrijk. Zij willen er niet bij horen. Dan is het ontnemen van de Nederlandse nationaliteit meer dan logisch. Er is zelfs een goede vergelijking te maken met mensen die in dienst treden van een vijandige krijgsmacht. Het is ook zuiver om dat geen straf te laten zijn, maar een ordemaatregel. Het eventuele verlies van de nationaliteit hoeft geen rol te spelen bij de strafbepaling. Ik heb daarover nog wel een vraag. Bij de bestudering van het wetsvoorstel voor deze bijdrage zijn wij erop gestuit dat het werven voor de gewapende strijd tegen Nederland of het werven voor een vreemde krijgsmacht buiten toestemming van de koningin om, niet valt binnen de bepalingen waarmee men zijn Nederlandse nationaliteit zou kunnen verliezen. Al het andere, zoals terroristische misdrijven, voorbereidingshandelingen et cetera, valt daar wel onder, maar het werven voor de gewapende strijd niet. Toch hebben wij in de afgelopen jaren weleens gehoord dat ook in Nederland mensen worden benaderd om bijvoorbeeld richting Afghanistan of Jemen te gaan voor een terroristenkamp. Hoort dat er eigenlijk ook niet in? Wij zijn ermee aan de gang geweest en zijn al bezig om een amendement erover voor te bereiden, maar ik wil er eigenlijk allereerst een reactie van de minister op. Is het een omissie? Had het erin moeten staan? Is het vergeten of is er een heel goede reden waarom dat er niet in staat? Het is overigens goed om te benadrukken dat wij mensen niet stateloos burger kunnen maken. Elk land is verantwoordelijk voor de berechting van zijn eigen veroordeelden. Wij moeten niet het beeld creëren dat wij mensen rücksichtslos hun nationaliteit kunnen ontnemen. De uitbreiding van de afstandsverplichting voor degenen voor wie de andere nationaliteit nauwelijks nog enige betekenis heeft, kunnen wij steunen. Het argument dat zij zich primair zullen beroepen op hun recht als Nederlander is daarbij voor ons belangrijk. Als iemand van kinds af aan in Nederland verblijft, is dat begrijpelijk en ook redelijk. Ik vraag de minister nog wel hoe wij de zinsnede \"tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden verlangd\" precies moeten duiden. Ik sluit mij aan bij de woorden van de vorige spreekster over de latente Nederlanders. Het is goed dat dit eindelijk geregeld wordt in dit wetsvoorstel. Ik kom tot een afronding. Mijn fractie steunt dit wetsvoorstel. Er wordt in geregeld wat moet worden geregeld. Tegelijkertijd moeten wij ook nu constateren dat wij met deze wijzigingen niets doen aan landen die vast blijven houden aan hun burgers, zoals Marokko doet. De bemoeienis van dat land wordt door sommige Marokkaanse Nederlanders als uiterst vervelend ervaren. Ook kan juist daar de nationaliteitskwestie de integratie belemmeren. Uit eerdere debatten begreep ik dat ook Marokko wil dat de Marokkaanse Nederlanders goed integreren. Er is nogal eens wat diplomatiek verkeer geweest de laatste tijd. Die opstelling van het land verwart mij dan ook. Dit zal voorlopig nog wel een kwestie blijven van diplomatie, maar misschien is het een goed moment om aan de minister te vragen of op dat punt alweer wat vorderingen te melden zijn." 2010-01-28;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-48-4538.1.5.4;"Verkeerde informatie IPCC-rapport ";489;1;"Ik mag dan wel een ADO-supporter zijn, maar met stenen gooien doe ik niet. Ik heb het kamp misschien wel verlaten, omdat het erg moeilijk werd voor mij als kritisch iemand om daar te blijven. We zijn uitgemaakt voor persona non grata en voor platte-aardedenkers. Bjorn Lomborg is uitgemaakt voor Adolf Hitler. Pachauri heeft klimaatsceptici Holocaustontkenners genoemd. Niet echt heel gezellig om dan samen een kopje koffie te drinken, dus misschien hebben we daarom wel het huis verlaten." 2010-01-28;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-48-4538.1.12.7;"Verkeerde informatie IPCC-rapport ";418;1;"Zoals u ziet heb ik geen stenen in de hand. Laten we hier nu niet met tranen in de ogen gaan beweren dat inzake het klimaat alle ministers altijd zo netjes zijn geweest tegenover de klimaatsceptici. Ik heb geen Holocaust gebruikt, ik heb geen vergelijking met Adolf Hitler gebruikt. Ik heb alleen aangekaart dat 2,7 mln. pleite is en dat heeft de heer Pachauri, de baas van het IPCC, op zijn geweten en niemand anders." 2010-03-10;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-61-5376.1.13.11;"Fouten in klimaatrapport ";382;2;"Zij begon op de persoon, niet ik, voorzitter. Laten wij het dan over de lawaaimoties hebben. Er is 2,7 mln. weg. Die is door Pachauri weggesluisd naar zijn eigen bedrijf. Dat is gewoon pikken. Als Pachauri daarnaast mensen die kritiek hebben op het klimaatbeleid vergelijkt met Adolf Hitler en Holocaustontkenners, is dat een zeer kwalijke zaak. Daar mag ik een motie over indienen." 2010-03-10;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-61-5376.1.11.1;"Fouten in klimaatrapport ";791;8;"Voorzitter. Ik heb nog twee moties. De eerste luidt als volgt." 2010-03-10;De Mos;03183;PVV;h-tk-20092010-61-5376.1.11.4;"Fouten in klimaatrapport ";393;1;"Voorzitter. Allereerst ga ik over mijn eigen woorden. In eerste termijn heb ik die Nobelprijs genoemd. Het is mijn goed recht hier een motie in te dienen om het IPCC, dat fouten heeft gemaakt, heeft gemanipuleerd en gelogen en bovendien een voorzitter heeft die diverse mensen heeft weggezet als Holocaustontkenners en Bjorn Lomborg heeft vergeleken met Hitler, die Nobelprijs terug te vragen." 2010-06-15;Hirsch Ballin;02963;"";h-ek-20092010-32-1377.1.7.3;"Nederlanderschap ";4590;7;"Ik heb al gezegd dat er veel waardevolle dingen zitten in het rapport van de ACVZ. Het is best mogelijk dat er nog een verdere ontwikkeling plaatsvindt. Die ligt echter niet alleen aan ons, maar ook aan de ontwikkeling van de wetgeving in andere landen en het tot stand komen van internationale verdragen die complicaties wegnemen. Ik heb ook het punt genoemd van de consulaire en de diplomatieke bijstand. Ook daar is natuurlijk jurisprudentierecht over, ook van het Internationaal Gerechtshof. We hebben echter geen onderzoek daarnaar gedaan en dat kun je ook niet doen. Dan zou je een soort gefingeerde laboratoriumsituatie moeten creëren en dat gaat nu eenmaal moeilijk bij dit soort dingen. De uitzonderingen op de afstandsplicht gelden ook in het geval van de optie. Het risico van onwenselijke negatieve gevolgen is dus klein en is aanzienlijk kleiner dan bij de afstandseis zoals die vervat was in het ingetrokken wetsvoorstel ten aanzien van huwenden. Mevrouw Quik heeft terecht opgemerkt dat ik geen grootse en dramatische effecten heb voorgespiegeld over de effecten van deze wetgeving. Dat is ook de reden waarom de Raad van State destijds bezwaar had gemaakt tegen het onder mijn verantwoordelijkheid ingetrokken wetsvoorstel. Daarin werd namelijk voorgespiegeld dat er zeer positieve effecten zouden zijn, terwijl we in feite moesten vrezen voor een situatie van langdurig hinkende rechtsverhoudingen staande huwelijk of extra complicaties in het geval zo'n huwelijk zou stranden. Daarom hebben we dat element van het ingetrokken wetsvoorstel niet overgenomen. Betekent dit dat dit wetsvoorstel geen grote betekenis heeft? Nee, wel degelijk. Maar dan primair omdat het op een evenwichtige manier afkoerst op waar het ons eigenlijk om moet gaan bij de verkrijging van het Nederlanderschap. Namelijk met de volle staatsburgerlijke rechten en plichten die behoren bij het Nederlander zijn, deel uitmaken van onze rechtsorde door al diegenen wier levensloop ze daartoe heeft gebracht, doordat ze hier zijn opgegroeid, doordat ze hier zijn gekomen, doordat ze trouwen met een Nederlander en doordat ze zo vertrouwd zijn geraakt met onze samenleving dat ze de taal, het recht, de instellingen en de maatschappelijke tradities in dit land willen kennen en daar mede vorm aan willen geven. Daarmee heb ik tegelijkertijd ook iets gezegd over de verhouding tussen herkomst en toekomst. Dat was de titel van mijn bijdrage aan de bijeenkomst die was georganiseerd door de WRR, waarbij ik aanwezig was in het goede gezelschap van een van de huidige leden van uw Kamer, mevrouw Meurs. Ik heb toen gesproken onder de titel Herkomst en toekomst. Die herkomst is in hoge mate verscheiden. Die heeft mensen hier gebracht die door welke situatie dan ook een enkelvoudige nationaliteit hebben of een meervoudige nationaliteit. Minstens een van de leden van uw Kamer die dit debat volgt, heeft een dubbele nationaliteit. Ik heb zelf maar één nationaliteit, de Nederlandse nationaliteit. En dat terwijl ik een vader had die in een ander land is geboren en als vluchteling naar Nederland is gekomen, ten tijde van een regime, het Hitler-regime, dat zijn werk zo grondig deed dat het ook de nationaliteit ontnam van degenen die het land uit werden gewerkt. Aan die grondigheid is het toe te schrijven dat voor mij de vraag van één of twee nationaliteiten zich nooit heeft voorgedaan. Ik heb één nationaliteit. Maar er zijn in uw Kamer en op vele plaatsen in het politieke en maatschappelijke leven mensen met een dubbele nationaliteit. Ook onder bewindslieden, niet alleen van het kabinet dat inmiddels in beperkte samenstelling verdergaat maar ook in vroegere Nederlandse kabinetten, zijn er bewindslieden met een meervoudige nationaliteit. Ik denk dat het goed is om onder ogen te zien dat met een regeling zoals we die nu hebben voorgesteld, we proberen recht te doen aan mensen als burgers van dit land, als staatsburgers van dit land. Het heeft mij pijn gedaan dat er vanuit sommige hoeken heden en in het recente verleden over Nederlanders met een meervoudige nationaliteit wordt en is gesproken alsof zij tweederangsburgers zouden zijn. Dat zijn zij niet. Die indruk mag op geen enkele manier ontstaan en worden gevoed. Dit wetsvoorstel berust op de gedachte van volledig en onvoorwaardelijk respect voor alle Nederlanders: degenen die het zijn en degenen die het kunnen worden, zonder onderscheid. Dat is in overeenstemming met de uitgangspunten van ons constitutioneel bestel, waarvan ik het een voorrecht vind dat ik het heb mogen proberen te dienen met de verdediging van dit wetsvoorstel." 2010-06-24;De Roon;03126;PVV;h-tk-20092010-91-7575.1.2.1;"Groeiend antisemitisme ";3764;5;"Voorzitter. Het antisemitisme tiert welig deze dagen. Uit de vandaag beschikbaar gekomen cijfers van het CIDI blijkt dat nog een keer. Hoewel het incidenten lijken te zijn die in aantal toenemen, betreft het hier toch echt een structureel probleem. Joodse burgers worden nageroepen, uitgescholden, bespuugd en belaagd. Zelfs de Hitlergroet wordt in het voorbijgaan aan hen gebracht. Er is een schuilsynagoge in Amsterdam en – misschien iets minder bekend – er moeten honderdduizenden euro's worden uitgegeven om joodse scholen in onze hoofdstad en de kinderen die daar les krijgen te beveiligen tegen antisemieten. Niet alleen op straat worden joodse burgers bedreigd; bijna de helft van alle strafbare uitingen op het internet zijn gericht tegen joden. De aanpak van deze kwalijke ontwikkeling moet in de eerste plaats gericht zijn op het aanpakken van de daders. De manier waarop dat tot nu toe gebeurt, is duidelijk niet effectief. De PVV eist dat onze joodse medeburgers in ons land kunnen leven zonder doelwit te moeten zijn van misdrijven. Wij mogen, nee, wij moeten verlangen van de regering dat een grote inspanning wordt gedaan om de daders op te sporen en aan te pakken. De pakkans moet worden vergroot, maar vooral de afhandeling van zaken tegen de daders moet snel en doeltreffend zijn. Wij denken aan meer inzet van agenten in burger in de omgeving van plaatsen als joodse scholen, synagogen enzovoort. Ook moet snelrecht of supersnelrecht worden toegepast. Ten slotte moeten er stevige straffen worden geëist, ontmoedigende straffen. Wat wil de regering doen om bij opsporing en strafrechtelijke aanpak van deze misdrijven tot betere resultaten te komen? Heeft de minister, in zijn hoedanigheid van minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en minister van Justitie, daarvoor een plan de campagne? Maar met alleen een intensievere strafrechttoepassing zijn wij er natuurlijk niet. De PVV hoopt dat men niet de illusie heeft dat hiermee het probleem wordt opgelost, want dat zou slechts symptoombestrijding zijn. Het echte probleem, de bron van de opleving van dit antisemitisme, moet onder ogen worden gezien. Er is namelijk sprake van een structureel probleem. Bijna 20% van de geschiedenisdocenten in de Randstad maakt tegenwoordig mee dat hij of zij de Holocaust niet of nauwelijks kan behandelen in de klas doordat leerlingen dit onmogelijk maken. Deze docenten geven aan dat het bijna altijd gaat om islamitische jongeren. Het bespugen, beschimpen en aanvallen van joden in Amsterdam gebeurt, aldus de slachtoffers, ook bijna altijd door Marokkanen. Ook is het aantal gemelde incidenten in Amsterdamse wijken waar de islamitische gemeenschap het grootst is, significant hoger dan in wijken waar de invloed van de islam nauwelijks merkbaar is. Kijkt de PVV hiervan op? Nee, daar kijken wij niet van op, absoluut niet zelfs. Wij menen dat de bron van het toenemend antisemitisme, wat deze groep betreft, gelegen is in de islam. De islam leert immers dat joden vervloekt zijn, dat je als moslim geen vriendschap mag sluiten met joden en dat het de wens is van Allah dat joden worden gedood. Dit zijn de ideeën die wij terugvinden in de Koran en de Hadith, de basis van de islamitische levensbeschouwing. Onder anderen veel Marokkaanse jongeren krijgen dus vanuit hun opvoeding of de omgang met hun Marokkaanse vrienden op straat mee dat jodenhaat eigenlijk niet zo erg en misschien wel goed is. Het is immers onderdeel van de levensbeschouwing. Ik vraag de minister daarom het volgende. Deelt hij mijn mening dat het toenemend antisemitisme in ons land een structureel probleem is en deelt hij mijn visie op de oorzaak daarvan? Hoe gaat de regering dit structurele probleem aanpakken? Ik hoop op een uitvoerig antwoord van de minister." 2010-06-24;Teeven;02336;VVD;h-tk-20092010-91-7575.1.5.1;"Groeiend antisemitisme ";4258;8;"Voorzitter. Op 4ENTITY-#160mei was ik op bezoek bij de joodse basisschool Rosj Pina en de joodse middelbare school Maimonides in Amsterdam, waarover collega Van Raak al even heeft gesproken. Het is wel schokkend als je de verhalen van die kinderen hoort, zowel op de basisschool als op de middelbare school. Inderdaad waren zij tijdens de Avondvierdaagse belaagd, maar nog erger, ook bedreigd en bedreigd met geweld. Dan gaat het niet alleen om uitingen maar ook om bedreiging met geweld en opmerkingen zoals: we weten je te vinden, we weten waar je woont en we zoeken je op. Als je daarnaar luistert, is het niet moeilijk om te constateren dat het gezicht van discriminatie en antisemitisme een ugly face is. Ik noem in dit verband pogingen tot brandstichting in synagogen in Arnhem en Amsterdam in 2008, bedreigingen met geweld en geweld op de openbare weg tegen joden die openlijk voor hun geloof uitkomen, vernielingen van eigendommen van joodse instellingen en burgers van vermoede joodse afkomst. Ik noem maar weer eens het vuurwerkincident uit 2009, toen een joodse weduwe dat allemaal door de brievenbus kreeg. In 2010 werd een rabbijn van de fiets af getrokken. Ik noem het afgelasten van de sabbatviering in Weesp na bedreigingen met geweld en de schuilsynagoge in Amsterdam-West, waarover collega De Roon al sprak, die van buiten onherkenbaar is gemaakt. Er zijn incidenten en vernielingen rond gebouwen, via de telefoon, op school, in de werksfeer en op begraafplaatsen. Al dit soort gedrag, of beter gezegd: wangedrag, moet op geen enkele wijze worden getolereerd. De VVD-fractie vindt dat dit soort gedrag de fundamentele vrijheden van mensen in een rechtstaat raakt. Wij stellen de minister dan ook de vraag of op basis van de cijfers van politie en justitie een daadwerkelijke toename van dit soort bedreigingen, geweld en vernielingen te zien is. Het CIDI heeft hierover cijfers verstrekt, maar ik hoor graag een toelichting van de minister op dit punt. Beperkt dit zich voornamelijk tot Amsterdam of betreft het ook andere delen van Nederland? Zijn de plegers vaak of nagenoeg altijd mensen van Marokkaanse afkomst of ligt het toch breder? Goedpraten, mee buigen, wegkijken of ontkennen kan nooit het antwoord zijn op dit soort wangedrag, laat staan een afgrijselijke stilte. Vooropstaat dat het gaat om het stellen van duidelijke voorbeelden door het opsporen en vervolgen van daders. Preventie en maatregelen op school kunnen nooit alleen voldoende antwoord zijn. De VVD-fractie maakt zich grote zorgen over de toename van het antisemitisme. Volgens het CIDI waren er in 1999 20 incidenten en in 2008 maar liefst 108. Over de eerste maanden van 2009 zijn er alweer heel schokkende cijfers. Ook hier is weer de vraag of deze overeenkomen met de officiële cijfers van politie en justitie die de minister bij zich zou moeten hebben. Bij real life incidenten zijn het nagenoeg altijd allochtonen van Marokkaanse afkomst, terwijl de discriminatie via internet vooral afkomstig lijkt te zijn uit autochtone, rechts-extremistische hoek. Herkent de minister zich in dit door het CIDI geschetste beeld? Zo niet, wat is dan zijn beeld na vier jaar regeren? Slachtoffers van criminaliteit staan bij de VVD altijd voorop. Het is bij uitstek de taak van de overheid om mensen tegen geweld en vernielingen te beschermen. Dat geldt trouwens ook voor de beveiliging van subjecten en objecten die door het antisemitisme in de knel komen. Ik doel dan bijvoorbeeld op de joodse scholen in Amsterdam-Zuid. De Staat moet waken tegen geweld tegen bevolkingsgroepen. Anderen zeiden al voor mij dat lik-op-stukbeleid het enige antwoord is op dit soort wangedrag. Ik spoor de minister dan ook vandaag aan om dit nog eens onder de aandacht te brengen van politie en Openbaar Ministerie, met name in Amsterdam. Ik vraag hem ook of hij kan zeggen welk percentage van de aangiften inzake antisemitisme in Amsterdam daadwerkelijk leidt tot vervolging. Wat zijn de sepotcijfers en wat is daarvan de reden? Ik rond af met een enkele opmerking over preventie. De Holocaust moet in ieder geval ter sprake komen bij het geven van geschiedenislessen. Het is voor de VVD onaanvaardbaar dat de verschrikkingen van de Holocaust niet onder de aandacht van jongeren zouden worden gebracht." 2010-06-24;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20092010-91-7575.1.6.1;"Groeiend antisemitisme ";4142;7;"Voorzitter. Ik zeg allereerst hoe eervol het oprecht voelt om hier als vers herkozen Kamerlid het woord namens mijn partij te mogen voeren. Ik wens alle oude en nieuwe gezichten heel veel succes. Voorzitter, ik ben ook blij dat wij weer onder uw toeziend oog het woord mogen voeren en het debat mogen aangaan. Dan down to business. Het CIDI registreerde alleen al in de eerste maand van 2009 evenveel antisemitische incidenten als in het hele jaar daarvoor. En dan nog te bedenken dat dit waarschijnlijk het topje van de ijsberg is, want lang niet iedereen doet aangifte of durft dat te doen. De cijfers zijn veelzeggend, maar de voorbeelden – er zijn al een aantal genoemd – completeren een gitzwart beeld. Mensen verbergen hun keppeltje uit angst voor belediging en molest of gaan naar een schuilsynagoge. Het is on-Nederlands dat religieuze opvattingen niet in vrijheid kunnen worden beleden. GroenLinks wil stevige maatregelen, die ook effectief zijn. Wij hoeven niet per se op zoek naar het zoveelste nieuwe voorstel, maar wij moeten voornamelijk inzetten op de dingen die wij al tot onze beschikking hebben. Dan spreek ik niet over een jaarlijkse keppeltjesdag, want als het aan mij ligt is het iedere dag keppeltjesdag. Iedereen moet altijd vrij zijn om een keppeltje te dragen. Volgens de rapportage van de Monitor Racisme ENTITY-amp Extremisme zijn er drie effectieve middelen: educatie, repressie en deradicaliseringsbeleid. Mijn vragen aan de minister gaan over de eerste twee middelen. Ik kom allereerst op educatie. Vorig jaar maart kreeg ik in antwoord op schriftelijke vragen aan de toenmalige minister van Justitie en de toenmalige minister voor Wonen, Wijken en Integratie – de mogelijke nieuwe burgemeester van Amsterdam – de toezegging dat zou worden nagegaan hoe wij ervoor kunnen zorgen dat jongeren op middelbare scholen zich verdiepen in elkaars geschiedenis. Het betreft met name zware thema's als de Holocaust en de Nakba, omdat het in dit geval vaak gaat over de import van het Midden-Oostenconflict. Vaak als de spanningen in Israël en Palestina toenemen, zie je hier dat geweld, beledigingen en scheldpartijen oplaaien. Hoe staat het met de uitvoering van die toezegging? Niet alleen antisemitische incidenten nemen toe, ook homodiscriminatie en -geweld blijft zorgwekkend. Laten wij islamofobe incidenten niet vergeten. Dat brengt mij op het tweede punt: repressie. Enkele weken geleden heeft mijn politiek leider voorgesteld om een nieuw gekwalificeerd geweldsdelict te introduceren. Mijn fractie wil dat de straf voor geweldsdelicten tegen minderheidsgroepen met een derde wordt verhoogd. Het betreft geweld tegen mensen vanwege hun geloof, zoals tegen joden, hun seksuele voorkeur, etniciteit, handicap of leeftijd. Als het qua tijd allemaal lukt, streef ik ernaar om het desbetreffende initiatief bij de eerstvolgende behandeling van de justitiebegroting te presenteren. Voor nu ben ik benieuwd naar de reactie van de minister op dit initiatief. Is dit een mooi signaal richting de strafwetgever waarmee de overheid tot uitdrukking brengt hoe vreselijk het is als dit soort zaken op basis van iemands identiteit plaatsvinden? Ik eindig met de gulden regel: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Wat mij bijzonder steekt aan voornamelijk de oververtegenwoordiging van Marokkaans-Nederlandse jongeren in gevallen van geweld en belediging van joodse Nederlanders, is dat dit zelf een minderheidsgroep is. Die minderheidsgroep doet vaak kond van onrecht dat hun wordt aangedaan, soms ingebeeld en soms terecht. Die minderheidsgroep beantwoordt dat onrecht met onrecht tegen een andere minderheidsgroep. Dit is ook een boodschap richting de PVV, want laten wij antisemitisme niet aangrijpen om islamofobie aan te wakkeren. Ik hoop dat iedereen de gulden regel iets meer ter harte neemt. Ik kijk uit naar de reactie van de minister. Nog een korte vraag: is de politie in Nederland extra alert rondom synagoges en plekken waar joodse Nederlanders samenkomen als de spanningen in het Midden-Oosten oplaaien? Wordt er dan nagedacht over meer toezicht of wat dan ook? Hoe kijkt de minister hiertegenaan?" 2010-06-24;Arib;02203;PvdA;h-tk-20092010-91-7575.1.7.1;"Groeiend antisemitisme ";3529;5;"Voorzitter. Het antisemitisme blijkt weer de kop op te steken. Bij de meldpunten voor racisme en discriminatie komen jaarlijks tientallen meldingen van antisemitisme binnen. Het CIDI spreekt van een stijgende lijn. Volgens de gegevens die wij via de mail hebben gekregen, is er vergeleken met 2007 sprake van een stijging met 106 gevallen. Tot juni 2010 zijn er 70 incidenten gemeld. Waar het eigenlijk om gaat, is het volgende. Natuurlijk zijn die cijfers belangrijk – daar zal ik straks ook iets over zeggen – maar cijfers zeggen weinig over de problematiek waar wij het vandaag over hebben. Zo blijkt dat slachtoffers lang niet altijd melding maken van intimidatie, bedreigingen en geweld, ook verbaal geweld, in verband met discriminatie. Laat staan dat zij aangifte doen! De joodse gemeenschap in Nederland vermijdt grotendeels aanvaringen door zo min mogelijk op te vallen, een muts over een keppeltje te dragen en ook bewust bepaalde wijken te mijden. Binnen de joodse gemeenschap heerst een gevoel van onveiligheid in het dagelijkse leven. Zo hoorde ik van een fractiegenote dat er tijdens de recente herdenking van de kindertransporten in kamp Vught op zondag 6ENTITY-#160juni buiten het hek door jongeren op een brommer de Hitlergroet werd geschreeuwd terwijl de rabbijn het gebed voor de doden uitsprak. Dat was schokkend en zij kreeg er kippenvel van. Dit is niet de samenleving die wij willen. Agressie, pesterijen, bedreigingen, intimidatie en geweld tegen joden horen niet thuis in onze samenleving en dienen op alle mogelijke manieren te worden bestreden. Dit soort zaken kan men niet als eenmalige incidenten beschouwen. Antisemitisme is niet een probleem dat alleen de joodse gemeenschap raakt, maar de samenleving in haar geheel. Het bestrijden van discriminatie achten wij van fundamenteel belang in onze democratische rechtsstaat. De effectuering van sociale grondrechten is een verantwoordelijkheid van alle overheden die deel uitmaken van het Nederlandse staatsbestel. Het is de taak van de overheid om burgers in dit soort situaties adequaat bij te staan en te beschermen. Voorzitter. Ik heb nog een aantal vragen. Er zijn al de nodige opmerkingen gemaakt over registratie. Het blijkt toch dat wij vanuit verschillende instanties verschillende gegevens krijgen. De vraag is of antisemitisme als zodanig ook wordt geregistreerd. Ik zou heel graag zien dat er een uniforme registratie plaatsvindt, zodat wij ook inzicht hebben in de omvang en de aard van de problematiek. Ik hoor graag een reactie van de minister hierop. Met alleen melden en registreren zijn wij er nog niet. Het is ook belangrijk dat slachtoffers van antisemitisme aangifte doen en dat wanneer slachtoffers aangifte doen, politie en justitie actief de daders opsporen en vervolgen. Ik vraag me af of politiekorpsen voldoende alert zijn op de toename van antisemitisme en of zij deze problematiek adequaat kunnen aanpakken. Het blijkt dat het vrij lastig is om de bewijslast rond te krijgen. Daarover heeft mijn fractie ook schriftelijke vragen gesteld. Zij heeft gevraagd of de opsporingsmiddelen die wij nu hebben afdoende zijn en of wij niet moeten overgaan tot onorthodoxe manieren om die bewijslast rond te krijgen. In dat verband is ook het voorstel vanuit de PvdA gedaan om met undercoverteams te gaan werken. De antwoorden van de minister vond ik vrijblijvend. Hij zegt dat het eigenlijk nu al kan en dat de huidige opsporingsmethoden afdoende zijn, omdat per geval zal worden bekeken of het wel of niet via een undercoveragent kan gebeuren." 2010-06-24;Voordewind;03070;ChristenUnie;h-tk-20092010-91-7575.1.8.1;"Groeiend antisemitisme ";3764;5;"Voorzitter. Mijn fractie is nooit zo heel enthousiast over spoeddebatten, maar vandaag zie ik de noodzaak, ook gezien de cijfers die wij vandaag van het CIDI hebben gekregen. In Amsterdam durven joden zich niet meer met een keppeltje op straat te vertonen. Ik ben ook geschrokken van de beelden die mijn zoon mijn gisteren liet zien op YouTube. Hele scheldparades, maar ook doodwensen aan joden, alles geregistreerd op YouTube. Mijn zoon vroeg mij dan ook hoe het kan dat dit allemaal op YouTube staat en dat dit allemaal zo maar kan worden gezegd. Ik geef die vraag dan maar gewoon door aan de minister; dat is het voordeel als je volksvertegenwoordiger bent. Hoe kan het dat deze jongeren dit soort verwensingen allemaal openlijk op YouTube kunnen zetten? Is het niet voer voor justitie om daar iets mee te doen? Het is onacceptabel wanneer joden niet meer in vrijheid hun geloof kunnen belijden en zich gedwongen weten om samen te komen in een gebedshuis dat niet als een synagoge herkenbaar is. Dit 65 jaar na de jodenvervolging en de Holocaust van de Tweede Wereldoorlog. Het CIDI maakte de cijfers vandaag bekend. Ik zie net een beantwoording van de minister waarin weer andere cijfers worden bekendgemaakt. Daar zie ik een spanning in. In hoeverre zijn de cijfers die de minister vandaag hanteert, specifiek in het registreren van antisemitische uitingen? Worden antisemitische uitingen nog steeds door de politie geregistreerd? Wij kregen signalen dat dit niet het geval is. Ik weet dat het CIDI heeft geprobeerd om deze cijfers op te vragen bij de politie in Amsterdam en ze niet heeft gekregen. Wat is de stand van zaken op dat vlak? Er is ook reden om aan te nemen dat het echte getal van antisemitische incidenten nog veel hoger is dan bijvoorbeeld uit de cijfers van het CIDI blijkt, omdat veel joden geen aangifte doen. Hoe kunnen wij ervoor zorgen dat de aangiftebereidheid toeneemt en dat er daadwerkelijk wat met de aangiften wordt gedaan? Ik kom dan ook tot de volgende drie vragen. Is de minister bereid om met politie en justitie te praten als het gaat om de specifieke registratie van de meldingen van antisemitische gedragingen? Is hij bereid om een onderzoek in te stellen naar de mate waarin antisemitisme voorkomt en hoe hiertegen wordt opgetreden door zowel politie als justitie? Is de minister bereid om de mogelijkheden tot aangifte te vereenvoudigen door het bijvoorbeeld digitaal en/of anoniem mogelijk te maken? Er is ook gesproken over de verklede politieagenten; ik zal de term niet meer noemen die veelvuldig in de media voorkomt, omdat ik die eerlijk gezegd nogal onsmakelijk vind. Ik ben wel benieuwd naar de juridische haalbaarheid van dit soort methoden, gezien ook de eerdere situaties die wij hebben gehad met de lokfietsen, de lokhomo's et cetera. In hoeverre is het inzetten van deze methode juridisch haalbaar? Ik heb ook begrepen dat beveiliging van joodse instellingen zoals synagogen en scholen nu door de joodse gemeenschap zelf wordt betaald. Is hier niet ook een taak weggelegd voor de overheid als het gaat om de handhaving van de openbare orde, zeker als het gaat om de veilige toegang tot scholen? Ik hoor graag de reactie van de minister hierop. Wordt deze beveiliging wel actief aangeboden door de minister wanneer wel sprake is van bedreiging of wanneer zich incidenten hebben voorgedaan? De fractie van de ChristenUnie heeft inmiddels een initiatiefwetsvoorstel ingediend om het ontkennen van genocide, waaronder de Holocaust, strafbaar te stellen. Hiermee kan ook ontkenning van de Holocaust op het internet strafrechtelijk worden vervolgd. Ik roep mijn collega's dan ook bij dezen op om dit initiatiefwetsvoorstel te steunen, zodat deze vorm van antisemitisme in ieder geval effectief kan worden aangepakt." 2010-10-13;Samsom;02335;PvdA;h-tk-20102011-11-4.1.3.11;"IPCC en Milieuraad ";897;1;"Ik zal de heer Van Bemmel niet met allerlei ingewikkelde vragen over het klimaat lastigvallen. Ik was vooral verbaasd over de passage in de motie waarin wordt gepleit voor het vertrek van de heer Pachauri. De constatering luidt namelijk: \"constaterende dat IPCC-baas Pachauri klimaatsceptici heeft vergeleken met Holocaustontkenners\". Daardoor zou het IPCC niet kunnen worden gezien als een serieuze gesprekspartner. Het is inderdaad een heel grove vergelijking van de heer Pachauri, maar bedoelt de heer Van Bemmel nu echt dat mensen die grove vergelijkingen maken, geen serieuze gesprekspartner kunnen zijn? Ik heb namelijk iemand wel eens de Koran horen vergelijken met Mein Kampf en een profeet met Hitler. Dat soort grove vergelijkingen vindt de PVV dus een reden om een partij niet langer als een serieuze gesprekspartner te beschouwen? Als dat zo is, dan is het een heel interessante motie!" 2010-10-26;Cohen;02657;PvdA;h-tk-20102011-13-7.1.1.1;"Regeringsverklaring/algemene politieke beschouwingen ";11419;15;"Mevrouw de voorzitter. Zelden heeft Nederland een verkiezingsuitslag gekend die het zo moeilijk maakte om een kabinet te formeren en zelden heeft die een kabinet opgeleverd dat al voor de aanvang zoveel rumoer heeft opgeleverd. Maar de heer Rutte is erin geslaagd het kabinet van zijn eerste voorkeur te smeden. Daar past een gelukwens bij. Hij refereerde in de regeringsverklaring aan het kabinet-Cort van der Linden, dat het algemeen mannenkiesrecht introduceerde. Al die mannen! Nu begrijp ik meer over de samenstelling van zijn kabinet. Ik wens hem en zijn bewindslieden veel wijsheid, want die zullen ze nodig hebben. Zelden was er zoveel rumoer, terwijl er ook een hoge prijs is betaald, met name door de VVD en het CDA. De VVD lost bij lange na het financiële tekort op lange termijn niet op, terwijl er sprake is van een forse lastenverzwaring. Twee van die vier zogenaamde piketpaaltjes zijn daarmee verdwenen in deze rechtse samenwerking. Het CDA betaalt met een forse scheiding der geesten en het vertrek van tot nu toe aansprekende partijgenoten uit de actieve politiek. En de PVV trekt aan de touwtjes. Wilders wil is wet. Zelden was er zoveel rumoer, dat ons ook vandaag, als wij niet oppassen, afleidt van de hoofdzaken. Want ja, mevrouw Veldhuijzen van Zanten blijkt ook een Zweeds paspoort te hebben! Je zou daar, naar het advies van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, ontspannen mee kunnen omgaan. Maar dat advies noemde de nieuwe collega van mevrouw Veldhuijzen van Zanten, de heer Halbe Zijlstra, nog niet zo lang geleden een theoretische exercitie van wereldvreemde rooie rakkers. Ik volg dat advies wel, maar de premier zit in een lastig parket, omdat hij zich eerder ook op dit punt op sleeptouw had laten nemen door de PVV en vond dat het staatssecretaris Albayrak zou sieren als zij die tweede nationaliteit zou opgeven. En nu vindt hij het geen probleem. Betekent dat nu, zo vraag ik hem, dat het voorstel om in beginsel dubbele nationaliteit onmogelijk te maken van tafel is? Wat wil de heer Rutte nou echt? Een tijdje geleden was het groen rechts en nu is groen totaal verdwenen. Als staatssecretaris was hij oprichter en later erevoorzitter van de ECHO Awards, een prijs voor rolmodellen onder succesvolle jonge allochtonen. Nu zegt zijn coalitieakkoord dat dergelijke programma's onwenselijk zijn en moeten stoppen. Is dit een voorbode van meer kameleontisch gedrag? Dit is het eerste grote debat dat ik mag voeren als fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid. Ik heb mij daarvoor kandidaat gesteld, omdat ik mij grote zorgen maak over de manier waarop wij met elkaar omgaan in ons land. Ik vind dat er steeds meer redenen zijn om je uiterste best te doen om de boel bij elkaar te houden. Er zijn tegenstellingen in ons land tussen arm en rijk, tussen stad en platteland, tussen oorspronkelijke bewoners en nieuwkomers, tussen gelovigen en ongelovigen en tussen libertairen en conservatieven. Ik vind het mijn dure plicht, ik vind het onze dure plicht om ervoor te zorgen dat al die verschillende mensen hier met elkaar kunnen samenleven. Dat vraagt onderling begrip en onderlinge toenadering. Het vraagt ook: grenzen stellen en die grenzen handhaven. Het vraagt discipline en zelfrelativering. Die benadering is echter geen gemeengoed; integendeel! Een van de coalitiepartners zegt trots niets met bruggen bouwen te hebben. Ik zie hoe onderlinge verschillen groter worden en soms met opzet uitvergroot worden. Ik zie hoe de ongelijkheid in onze samenleving groeit, hoe mensen elkaar met wantrouwen bejegenen, hoe gevoelens van onveiligheid, hardheid en ruwheid in onze samenleving toenemen, hoe vijandig joden, homo's en moslims bejegend worden, hoe vrouwen worden uitgescholden, buschauffeurs bedreigd, hulpverleners geïntimideerd. Ik hoor hoe ons taalgebruik wordt aangepast aan die veranderingen, hoe langzaam maar zeker uitsluiting normaler wordt dan insluiting, hoe een giftig klimaat ontstaat waarin wij elkaar verketteren in plaats van dat wij toenadering tot elkaar zoeken. Tegen die benadering heb ik mij altijd verzet en zal ik mij blijven verzetten. Bruggen bouwen kan alleen als de verschillen niet te groot zijn. Het ligt in onze macht om de verschillen te beperken en eraan bij te dragen dat alle mensen binnen hun mogelijkheden tot hun recht komen en mee kunnen delen, zodat ook zij op hun manier en met hun talenten een goed leven hebben. Dat is een kwestie van beschaving, een kwestie van fatsoen. Vanuit dat perspectief wil ik het debat in de Kamer voeren. Natuurlijk, een debat moet op het scherpst van de snede gevoerd worden, standpunten moeten helder verwoord worden; maar kan het misschien soms een onsje zakelijker, met iets minder opwinding? Is er ruimte voor nuance, voor meer dan een lekkere soundbite? Kan het op een manier die recht doet aan elkaars intenties, op een manier die laat zien dat wij allemaal het beste met ons land voor hebben, op een manier die laat zien dat wij niet met de ruggen naar elkaar toe staan, ook al zijn wij het niet altijd met elkaar eens? Zou dat ook niet moeten? Vanuit die intentie spreek ik de kersverse premier aan. Hij heeft het ons niet gemakkelijk gemaakt door een wankel minderheidskabinet te presenteren en een programma waar, naar zijn zeggen, \"rechts\" de vingers bij aflikt. Ik vrees, dat hij daarin gelijk heeft. Toch richt hij zich ook tot andere partijen. Hij moet wel, want zonder de andere partijen valt er weinig te regeren. Laat ik de premier zeggen dat hij niet lichtvaardig moet rekenen op steun van de Partij van de Arbeid. Wij hebben grote en principiële bezwaren tegen dit kabinet en tegen het gedoog- en regeerakkoord. Wij lenen ons er daarom niet toe om de scheuren van deze coalitie dicht te plamuren of de scherven van Wilders op te vegen. Of wij steun zullen geven, is vooral afhankelijk van de vraag of wij de voorstellen van dit kabinet goed vinden voor het land, zijn toekomst en de mensen die er wonen. Steun is bovendien afhankelijk van de vraag of en hoe dit kabinet bereid is om substantieel tegemoet te komen aan een aantal zaken die in onze visie belangrijk zijn, op terreinen die ik straks zal uitwerken, zoals een eerlijke lastenverdeling, de arbeidsmarkt en de woningmarkt. Wij zullen mede in de beoordeling betrekken hoe het kabinet te werk gaat met de uitvoering van het gedoogakkoord, in het bijzonder de voorstellen betreffende migratie, asiel en integratie en de boodschap die het kabinet daarmee afgeeft. Wij hebben een kabinet nodig dat eerlijk deelt, een kabinet dat zijn blik richt op de problemen en de kansen in de toekomst, een kabinet dat beseft dat wij iedereen nodig hebben en ervoor zorgt dat iedereen erbij hoort, meetelt en mee kan doen, een kabinet dat de ontwikkeling van burgers en samenleving vooropstelt, dus investeert in onderwijs. Juist nu, nu de rekening van de crisis betaald moet worden, is het niet alleen een kwestie van zorgzaamheid, maar ook een noodzaak om eerlijk te delen. Als mensen merken dat van iedereen, ook van de rijkeren en van de banken, een bijdrage wordt gevraagd, ontstaat er draagvlak voor de noodzakelijke bezuinigingen. Daarom is het niet alleen onfatsoenlijk, maar ook onverstandig dat dit kabinet de rekening eenzijdig neerlegt bij de lage inkomens en de middeninkomens en de meest kwetsbare mensen: bij de politieagent en de leraar, van wie de inkomens bevroren worden; bij mevrouw Smeekens. In de verkiezingscampagne voor de Kamerverkiezingen hebben wij de kersverse premier één keer boos gezien, razend zelfs. De suggestie in het programma Netwerk dat de bijstandsgerechtigde mevrouw Smeekens er €ENTITY-#160160 per maand op achteruitging, was een grove schande. In die uitzending zag je hoe de VVD-plannen, gebracht onder opgewekte \"orde op zaken\"-quotetjes, zouden uitpakken voor een bijstandsmoeder. Mark Rutte ontkende in alle toonaarden. De VVD zou 350 mln. extra uittrekken voor de bijzondere bijstand en dan zou het allemaal reuze meevallen. Vandaag weten wij het zeker: mevrouw Smeekens gaat betalen voor de crisis; de bijstand gaat fors omlaag, het beloofde extra geld voor de bijzondere bijstand is nergens te bekennen en de bankiers van AEGON en ING binden zich niet aan een maximering van hun bonus tot 100% van hun jaarinkomen. De bescherming van de minstbedeelden werkt echter alleen als ook de hardwerkende gezinnen zich gesteund weten. Daarbij gaat het om gewone mensen, gezinnen met kinderen en tweeverdieners die aan de keukentafel berekenen hoe zij hun huis of hun auto kunnen blijven betalen. Zij houden ons land draaiende: leraren, administratieve medewerkers, politieagenten, bouwvakkers, verpleegkundigen, ambtenaren en ga zo maar door. Zij vormen de ruggengraat van Nederland. Zij dragen ons land en onze economie. Wat vinden zij belangrijk? Praat met mensen die zorg nodig hebben of die zorg geven en je weet het. Vraag een kind naar zijn dromen en een leraar naar zijn pupillen en je weet het. Vraag een slachtoffer van een overval en de agent die hem opving naar hun gevoelens en je weet wat echt telt. Vraag mensen wat zij belangrijk vinden en zij zeggen dat zij behoefte hebben aan werk waarin zij tot hun recht komen, aan zorg als die nodig is, aan goed onderwijs voor hun kinderen, aan veiligheid op straat en aan een overheid die luistert en levert. Dat zijn allemaal elementen van bestaanszekerheid. Juist daar zijn mensen nu onzeker over. Wat hebben al die gewone Nederlanders, de politieagent, de leerkracht en de vuilnisman, te verwachten van dit kabinet? Hun salaris wordt bevroren. Gewone gezinnen gaan fors meer betalen voor de kinderopvang. Dit kabinet houdt vrouwen weg van werk, maar mijnheer Rutte, de hardwerkende Nederlander is vaak een vrouw. Cynisch is het regeerakkoord vooral waar de \"eigenschulddoctrine\" geïntroduceerd wordt: in de jeugdzorg, het zorgpakket, het passend onderwijs en de Wajong. De PvdA vindt dat zeer streng moet worden toegezien op het gebruik van belastingmiddelen. Fraude met uitkeringen moet streng bestraft worden, net zoals fraude met zorgmiddelen, maar in ieder gezin kan een kind worden geboren dat slechtziend of slechthorend is of last heeft van een andere aandoening. Het bedrag om die kinderen een gewone schoolcarrière te bieden, wordt met 300 mln. verminderd. Tegelijkertijd moeten meer zorgleerlingen in gewone klassen worden opgevangen. Dat gaan wij merken in die klassen. Kinderen die hulp nodig hebben, zullen niet de aandacht krijgen die zij verdienen. Andere kinderen in de klas zullen daaronder lijden. Astmapatiënten en andere chronisch zieken gaan er fors op achteruit en mensen moeten straks een veel hogere eigen bijdrage betalen. Eerlijk delen en bestaanszekerheid zijn ook geen uitgangspunten in de plannen voor de zorg. De zorgpremie wordt hoger, je krijgt minder zorgtoeslag en je gaat meer zelf betalen. Voor dat alles krijg je bovendien minder zorg terug. De bezuinigingen komen terecht bij dezelfde agent, dezelfde leraar, dezelfde bijstandsmoeder en nog eens extra bij mensen die ziek zijn. En ja, dat zijn juist heel vaak de ouderen. Nergens wordt een extra bijdrage van hogere inkomens gevraagd om de zorg betaalbaar en toegankelijk te maken. Zo wordt de crisis betaald door gewone mensen met lage inkomens of middeninkomens, ouderen, mensen die minder dan 100% gezond zijn en jongeren die voor hun werk op de WSW of de Wajong aangewezen zijn. Zij betalen de rekening van de crisis, waar zij part noch deel aan hadden." 2010-10-28;Arib;02203;PvdA;h-tk-20102011-15-5.1.1.26;"Regeling van werkzaamheden ";432;1;"Voorzitter. Afgelopen week hebben wij in verschillende kranten kunnen lezen dat het geweld tegen moskeeën de laatste tijd is toegenomen. Geweld tegen joden, homo's en moslims is onacceptabel en ondermijnt onze rechtsstaat. Daarom wil ik daarover graag een spoeddebat voeren met de nieuwe minister van Veiligheid en Justitie. Ik zou ook graag zien dat het antwoord op de schriftelijke vragen van mijn fractie daarbij wordt betrokken." 2010-11-02;Van der Staaij;02252;SGP;h-tk-20102011-16-6.1.3.17;"Vragenuur ";670;1;"Het afschuwelijke bloedbad eerder deze week in Irak laat nog weer eens zien hoe precair de veiligheidssituatie in Irak is. In dat licht stel ik de volgende vraag. De minister schreef in de brief en zei zojuist ook nog dat er nadrukkelijk oog is voor diegenen die in een kwetsbare minderheidspositie zitten en een extra risico lopen om slachtoffer van geweld te worden, zoals joden, christenen, Shabak en andere groepen. Wordt dat in de praktijk ook waargemaakt? Wat betekent dat voor de groep die nu gedwongen uitgezet wordt? Zitten daar ook mensen bij die tot een kwetsbare minderheidsgroep behoren, die juist in het licht van actuele ontwikkelingen extra risico lopen?" 2010-11-04;Arib;02203;PvdA;h-tk-20102011-18-24.1.2.1;"Geweldsincidenten moskeeën ";2586;3;"Voorzitter. Er heerst grote onrust onder de moslimgemeenschap over het geweld tegen moskeeën in de afgelopen maanden. Het gaat om bekladdingen, beschietingen, brandstichting enzovoort. Het is meer dan een enkel incident. In 2010 gaat het om gemiddeld één incident per maand. Het gaat daarbij om gevallen die bij de politie worden gemeld, want niet iedereen die slachtoffer is van dit soort geweld doet aangifte. In de geest van artikel 1 van onze Grondwet en de uitgangspunten van ons staatsbestel hoort het kabinet tegen alle vormen van discriminatie op te treden; tegen discriminatie die zich richt tegen joden, homo's of moslims. Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld. Tegen deze achtergrond pleit de PvdA voor een krachtig offensief tegen geweld tegen moskeeën. Hoe gaat de minister geweld tegen moskeeën en, in het verlengde hiervan, discriminatie van moslims bestrijden? Weten wij eigenlijk voldoende wat er aan de hand is? Wordt er specifiek geregistreerd? Is de minister bovendien bereid om discriminatie van moslims specifiek te laten registeren? Uit het antwoord op onze schriftelijke vragen en de brief die wij gisteren van deze minister kregen, maak ik niet op of de minister de impact van geweld en discriminatie op de slachtoffers kan inschatten. Ik mis een gevoel van urgentie. De minister kan mijns inziens niet wegkomen met de antwoorden die hij op de schriftelijke vragen gaf. In de Discriminatiemonitor valt te lezen dat geweld tegen moskeeën, kerken, Molukse kerken en synagogen minder dan 1% van het totaal aantal meldingen is. Klopt dit eigenlijk wel? Mensen uit de moslimgemeenschap doen nauwelijks aangifte. Er is sprake van onderrapportage. Hoe vergroot de minister de aangiftebereidheid binnen de moslimgemeenschap? Als er sprake is van onderrapportage, is het risico groot dat het probleem ook wordt gebagatelliseerd of dat snel de conclusie wordt getrokken dat het allemaal wel meevalt. Dit doet echter geen recht aan de ernstige gevolgen van discriminatie voor de slachtoffers. Bovendien hebben moslims, evenals alle burgers, recht op bescherming en veiligheid. Deze veiligheid valt of staat ook met de wijze waarop hier strafrechtelijk tegen wordt opgetreden. Tot nu toe is er eigenlijk geen enkele dader opgepakt. Er zijn ook geen strafrechtelijke gevolgen voor de daders. Strafrechtelijke aanpak dient hoge prioriteit te krijgen bij de politie en het Openbaar Ministerie. Alleen dan hebben burgers vertrouwen in de overheid; een duidelijk lik-op-stukbeleid! Graag ontvang ik een reactie van de minister hierop." 2010-11-04;Helder;03210;PVV;h-tk-20102011-18-24.1.3.5;"Geweldsincidenten moskeeën ";1608;1;"Ik kom toe aan de uitlatingen van de heer Azarkan, voorzitter van de Marokkaans-Nederlandse organisatie SMN. Die stelt dat de politiek heftiger reageert als geweldsincidenten zich voordoen bij joden en homoseksuelen. Nogmaals, ik heb eerder gezegd dat ieder geweldsincident er een te veel is. Ik heb ook gekeken naar het waarheidsgehalte van de uitlating van de heer Azarkan. Voorzitter, ik vind die uitlating permanent onjuist. Ten eerste zijn wij hier vandaag terecht bijeen voor een spoeddebat. Ik ben dat met mevrouw Arib eens. Ten tweede kijk ik naar de cijfers van het KLPD. In de eerste helft van dit jaar zijn er vijf incidenten geweest jegens moskeeën. In 2009 waren het er zestien en in 2008 32. Ik kan niet anders dan concluderen dat het aantal incidenten omtrent moskeeën afneemt. Als ik kijk naar het politierapport discriminatie van 2009, het zogenaamde Poldis, blijkt dat het aantal antisemitische incidenten met 50% is gestegen. Daar ligt gelijk het antwoord op de vraag van de heer Dibi. Ik ga nogmaals zeggen dat ieder geweldsincident veroordeeld dient te worden. Een verbale veroordeling helpt natuurlijk niet. Op dit moment is het zo dat een discriminatoir aspect een strafverzwarende omstandigheid is. Het OM verzwaart in dat geval de strafeis met 25%. Ik hoor graag van de minister of hij het met mij eens is dat dit 50% gaat worden. Het is in het grootste belang dat er een goede registratie van discriminatoire incidenten komt. Die moet op orde zijn. Ook moet de aangiftebereidheid verhoogd worden. Zonder inzicht kunnen wij met elkaar geen structurele oplossing proberen te bereiken." 2010-11-04;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20102011-18-24.1.3.8;"Geweldsincidenten moskeeën ";548;1;"Het spoeddebat dat wij onlangs hebben gehouden over het toenemend antisemitisme in Nederland, waaraan mevrouw Helder wel steun verleende, was wel nodig en een spoeddebat over incidenten rond moskeeën vond mevrouw Helder niet nodig? Ik vraag dit omdat ik vaak de indruk heb dat de Partij voor de Vrijheid geweld jegens moslims anders benoemt en er anders mee omgaat dan bijvoorbeeld met geweld tegen homoseksuelen, christenen en joden. Ik wil duidelijk maken dat GroenLinks elke vorm van geweld principieel afkeurt. Wij hebben geen weegschaal om ..." 2010-11-04;Arib;02203;PvdA;h-tk-20102011-18-24.1.3.14;"Geweldsincidenten moskeeën ";386;1;"In mijn betoog heb ik ook gezegd dat elke vorm van geweld, tegen joden, homo's of Molukse kerken, onacceptabel is. Daarover zijn wij het eens. Vandaag wil ik het specifiek hebben over het aantal incidenten dat in de afgelopen periode heeft plaatsgevonden, met name gericht tegen moskeeën. Erkent u dat er sprake is van geweld tegen moslims in Nederland, met name gericht tegen moskeeën?" 2010-11-04;Schouw;03025;D66;h-tk-20102011-18-24.1.5.1;"Geweldsincidenten moskeeën ";2711;6;"Voorzitter. Elk geweldsmisdrijf is er een te veel, maar geweld tegen iemand omdat hij of zij ergens anders vandaag komt, een ander geloof heeft of homoseksueel is, is onacceptabel. Het is goed dat minister Opstelten dat heeft benadrukt in de brief die hij naar de Kamer heeft gestuurd ter voorbereiding op dit spoeddebat. Wij worden geconfronteerd met een reeks van incidenten waarbij wij ons met recht kunnen afvragen of het nog wel losse incidenten zijn of dat er misschien een heel herkenbaar patroon in te vinden is. De vraag is natuurlijk ook hoe dit komt. Er is sprake van een toenemende verruwing in hoe wij in onze samenleving met elkaar omgaan, maar ook hoe wij in onze samenleving met en over elkaar spreken. Alles mag worden gezegd. Er is een claim op een recht van belediging. Woorden kunnen een weerslag hebben in de werkelijkheid. Wat dat betreft, hebben wij hier in deze Kamer dan ook een bijzondere positie. Ziet de minister nu een relatie tussen wat ik dan maar noem het recht op het beledigen van sommige mensen en een toename van het aantal geweldsincidenten, waarover wij het vandaag hebben? Hoe staat de minister daarin? Een deel van het geweld is natuurlijk wel degelijk te voorkomen, maar er lijkt als je ook naar de stukken kijkt weinig kennis te zijn over wat nu effectieve preventieve maatregelen zijn. Wat het voorkomen van geweld tegen onder andere homo's betreft, is door deze Kamer de motie-Pechtold aangenomen, waarin de nadruk ligt op voorlichting over seksualiteit op middelbare scholen. Maar nu blijkt dat, onder andere in Amsterdam, waar dagelijks geweldsincidenten plaatsvinden, op 80% van de middelbare scholen geen seksuele voorlichting wordt gegeven. Wat gaat de minister eraan doen om die motie, die hier is aangenomen, ook echt uit te voeren? D66 is voorstander van een landelijke campagne op dit punt. Welke mogelijkheden ziet de minister om bij andere hate crimes preventief beleid te voeren en de resultaten hiervan meetbaar te maken? Ik vraag hem ook om het Actieprogramma bestrijding discriminatie dat op 13ENTITY-#160september naar deze Kamer is gestuurd op deze punten te herzien en het te voorzien van concrete maatregelen en concrete doelstellingen van het nieuwe kabinet. Een belangrijk knelpunt in het opsporen en aanhouden van daders is het gebrek aan aangiftebereidheid van de slachtoffers, of het nu om joden, moslims of homo's gaat. Vaak denkt men dat het toch niet helpt. Wat gaat deze minister doen om die aangiftebereidheid te verhogen? Is hij ook bereid om de pakkans van degenen die dit veroorzaken te vergroten, door bijvoorbeeld een stukje capaciteit te verschuiven van de ingeplande animal cops naar de reguliere politie om dit echt effectief aan te pakken?" 2010-11-04;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20102011-18-24.1.7.6;"Geweldsincidenten moskeeën ";593;1;"Ik wil best erkennen dat wij allebei de noodzaak tot het houden van een debat inzagen, een debat over zowel antisemitisme als geweld rondom moskeeën. Er was echter een groot verschil tussen mijn inbreng in dat debat over antisemitisme en uw inbreng in dit debat over geweld rondom moskeeën. Mijn inbreng richtte zich volledig op het principieel verwerpen van geweld tegen joden en uw inbreng van vandaag had voornamelijk tot doel om de aandacht af te leiden van het geweld rondom moskeeën en in plaats daarvan te vestigen op het geweld elders in de samenleving. Ik vind dat cultuurrelativisme." 2010-11-04;Dibi;03092;GroenLinks;h-tk-20102011-18-24.1.10.15;"Geweldsincidenten moskeeën ";344;1;"Ook hier zijn we het niet oneens, maar dit was niet precies mijn vraag. Wat is volgens deze minister de oorzaak van de toename van geweld jegens homo's, joden en moslims? Waar komt die tegenstelling volgens hem vandaan? Hoe wil hij daarmee, los van het beleid en het controleren van al die overheden, omgaan? Wat voor verhaal heeft de minister?" 2010-11-04;Schouw;03025;D66;h-tk-20102011-18-24.1.13.1;"Geweldsincidenten moskeeën ";1567;9;"Voorzitter. Laat ik eerst, met het schaamrood op de kaken, een kanjer van een fout toegeven die ik heb gemaakt in eerste termijn. Ik zie minister Opstelten al kijken: wat voor fout kan de heer Schouw hebben gemaakt? Dat zal ik vertellen. Voor mij sprak mevrouw Van Nieuwenhuizen haar maidenspeech uit en het is gebruikelijk dat degene die dan vervolgens spreekt uitvoerig felicitaties uitspreekt. Ik heb dat verzuimd en dat spijt mij. Het zal niet meer gebeuren. Voorzitter. Ik dank de minister voor zijn kernachtige uiteenzetting rondom de rechtsstaat. Ik dank hem ook voor de toezegging op het \"pakketje-Schouw\", zo blijf ik het toch maar even noemen: een herijking van de notitie waarin ook de motie van mevrouw Arib een plek kan krijgen. Ik vraag de minister om te bezien of de nota over radicalisering en politisering, die ligt bij het ministerie van BZK, geïntegreerd kan worden in dat verhaal. Het zijn twee sporen die eigenlijk niet los van elkaar gezien kunnen worden. Voorzitter. Ik dien graag twee moties in. De eerste gaat over het doen van aangifte."